CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Omgevingseffectrapportage (OER) omgevingsvisie Meppel

1 - RAADSVERGADERING 24 april 2025, gemeente MeppelBij agendapunt: Vaststelling omgevingsvisie gemeente Meppel35.531 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Deze visie schets een globaal toekomstbeeld voor de gemeente Meppel waar het gaat om de fysieke leefomgeving en vormt het vertrekpunt voor verdere uitwerking, dialoog en toetsing in het vervolgproces. Aan de hand van de OER en door het intensiever raadplegen van de samenleving wordt de visie op de fysieke leefomgeving getoetst, bijgesteld en/of aangescherpt. Samen bouwen aan kwaliteit beslaat de gehele fysieke leefomgeving. De visie sluit aan bij de vijf centrale kwesties uit de NvU2021, waarvoor een wensbeeld is beschreven: Verstedelijking: groei, compacte binnenstad, gezond en groen wonen; Verduurzaming: CO2-neutraal in 2040, klimaatbestendig in 2050, circulair; Gezonde leefomgeving: bruisende stad met voldoende rust, beperken overlast, voldoende groen, bewegen, ontmoeten en voorzieningen nabij; Bedrijvigheid: inzetten op duurzaamheid, innovatie, circulair, regionale groei, balans; Toekomstbestendig buitengebied: duurzame voedselproductie, beleefbaar buitengebied, nieuwe verdienmodellen, energietransitie is zichtbaar, aandacht voor biodiversiteit. Het toekomstbeeld gaat uit van enkele belangrijke principes, die door alle centrale kwesties heen lopen. In deze principes verbinden we onze identiteit en kwaliteiten, regionale positie en toekomstige opgaven: -

Duurzaam werken en werken aan duurzaamheid ‘Werken aan duurzaamheid’, betekent aanpassing aan klimaatomstandigheden, vergroten van biodiversiteit, grondstoffen en energie besparen, duurzame opwekking en de transitie naar alternatieven voor aardgas organiseren. Dat doen we samen met de samenleving en met lokaal eigenaarschap. ‘Duurzaam werken’ betekent dat duurzaamheid een vaste factor is in alle opgaven. Of het nu gaat om transformatie of nieuwbouw, de vormen van vervoer, dagelijkse activiteiten en evenementen, thuis en in bedrijfsprocessen. ‘

29

-

Groeien vanuit (bestaande) bodem- en waterstructuren en cultuurhistorie De volgende drie basisprincipes worden ingezet bij de ontwikkeling van Meppel: 1. Bodem en waterhuishouding zijn al eeuwenlang vormend voor de ontwikkeling van Meppel en daarmee hét fundament voor alle ontwikkelingen. We houden daarbij rekening met veranderende klimaatomstandigheden. 2. De structuur van historische wegen, water en groenstructuren geeft ordening aan de stad en het landschap. Dit gebruiken we als casco waarbinnen de stad zich kan ontwikkelen. 3. De bestaande landschappen, cultuurhistorische structuren en bebouwing zijn sterke onderdelen van de identiteit van de gemeente, inclusief de contrasten. Hier bouwen we op voort en voegen we nieuwe identiteit aan toe.

-

Groeiend kwaliteit toevoegen We omarmen de groei, die vanuit onze regio op ons afkomt. Maar niet zonder meer. We willen met groei kwaliteit toevoegen. We willen dat ruimtelijke ontwikkeling bijdraagt aan de gezondheid en het geluk van bewoners, ook in de omgeving, en aan een aangename woon- en werkomgeving. In de visie op de fysieke leefomgeving is een aantal kwaliteiten benoemd die we van belang vinden bij toekomstige ontwikkelingen.

-

Groeien door inbreiding en uitbreiding in samenhang Het is vanzelfsprekend inbreiding voorop te stellen bij groei, vanuit duurzaam grondgebruik. We zien echter dat ook uitbreiding nodig is, zowel uit kwalitatief als kwantitatief oogpunt. Ten eerste voegt uitbreiding andere woonmilieus toe dan inbreiding. Dit draagt bij aan de diverse woonmilieus die we willen en kunnen aanbieden. Het houdt ook ruimte in de stad en dorpen voor behoud en realisatie van gewenste gemengde gebieden. En het behoud en versterken van de groene kwaliteit in de stad en de dorpen. Tot slot heeft Meppel onvoldoende binnenstedelijke ruimte om de grote vraag en ambitie te realiseren, zelfs als enkele gebieden getransformeerd worden. De locatiekeuze voor inbreiding en eventuele verdere uitbreiding moeten we nog maken. Wonen, werken en mobiliteit ontwikkelen we in samenhang. Dit geldt niet alleen voor de woonopgave, maar zeker ook voor de opgave rondom bedrijvigheid.

-

Meervoudig grondgebruik: gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde We zien dat meervoudig grondgebruik nodig is om in de beperkte ruimte alle maatschappelijke opgaven een plek te geven. Zeker in onze gemeente, waar een levendige regiostad en relatief klein buitengebied met natuur en landbouw het samen met elkaar moeten rooien. Dat betekent dat we opgaven moeten combineren tot nieuwe woon- en werkmilieus en tot een werkbaar, natuurrijk en beleefbaar buitengebied.

-

Menselijke maat voorop Een veilige, aantrekkelijke, toegankelijke en goed onderhouden woonomgeving is randvoorwaarde voor een goed woonklimaat. Maar ook aandacht voor sociale samenhang in buurten en wijken. We zetten daarom de menselijke maat voorop in buurten en wijken. Dat betekent een openbare ruimte die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten en daarmee bijdraagt aan de sociale samenhang van de buurt. Groen en water zijn belangrijke kwaliteiten die we benutten. De inrichting van wijken gaat anonimiteit tegen. Buurtvoorzieningen zijn nabij, toegankelijk en veilig, passen bij de behoefte van de buurt en vormen een warm buurthart. Kleinschalige bedrijvigheid kan bijdragen aan de leefbaarheid van de buurten, zolang deze past bij de woonomgeving.

-

Organiseren van hoofdstructuur tot in de haarvaten (voor mens en dier, op alle vlakken) De gebieden om te wonen, werken en recreëren moeten goed bereikbaar en verbonden zijn. Dat geldt voor bewoners, bezoekers en toeristen, maar ook voor diersoor-

30

ten, goederen, energie en grondstoffen. We zien daarin een aantal belangrijke hoofdstructuren en een netwerk tot in de haarvaten. In de visie op de fysieke leefomgeving zijn deze hoofdstructuren nader geconcretiseerd (Groen, water en landschap / de regionale infrastructuur van wegen, spoor en water / de ringen en radialen in de stad / een nieuw warmte- en energienetwerk / De stromen van diensten en grondstoffen). We willen dat deze structuren een stabiele, veilige en toekomstbestendige ruggengraat binnen onze gemeente vormen. En dat de structuren logisch samenhangen met elkaar en omliggende gebieden. Vitale onderdelen van onze infrastructuren zijn beschermd tegen invloeden zoals klimaatomstandigheden. 2.1.4 Opgaven, ambities en doelstellingen Met het oog op de Omgevingsvisie en de effectbeoordeling in het OER is het belangrijk om te komen tot duidelijke ambities en doelstellingen. Een ambitie is een richting om de visie te realiseren, door bepaalde zaken tot stand te brengen, te verbeteren, te veranderen of te vernieuwen. In de Omgevingsvisie zijn de verschillende opgaven voor de gemeente Meppel beschreven. Op basis van deze opgaven, de visie op de fysieke leefomgeving en de uitgangspunten uit het bestaand gemeentelijk beleid zijn vier integrale ambities uitgewerkt die een integraal antwoord geven op de opgaven passend bij de identiteit en context van de gemeente Meppel: 1.

De gemeente Meppel is duurzaam in alle opzichten; 2. De gemeente Meppel is schoon, natuurlijk en gezond; 3. De gemeente Meppel is levendig en leefbaar voor iedereen; 4. De gemeente Meppel groeit kwalitatief en inclusief. In de Omgevingsvisie zijn aan deze ambities zo concreet mogelijke doelstellingen gekoppeld. In hoofdstuk 7 van het OER (doelbereik) wordt hier nader op ingegaan.

2.2

Participatie

Bij de voorbereiding van de Omgevingsvisie Meppel wordt een participatietraject doorlopen. Het doel van de participatie is het vergroten van de kwaliteit van en het creëren van draagvlak voor de Omgevingsvisie. Onder andere door het aanboren van kennis en ervaring uit de samenleving en het uitwisselen van (wens)beelden voor de toekomst. Het is de bedoeling dat de inbreng van inwoners en belanghebbenden wordt meegewogen in de besluitvorming. Om de mate van invloed van de omgeving op de totstandkoming van de visie te bepalen hanteert de gemeente Meppel een participatieladder. Van welke trede van de participatieladder wordt uitgegaan is afhankelijk van het onderwerp zelf, de aard en de omvang (impact) van het onderwerp en de fase waarin het proces van de totstandkoming van de visie zich bevindt. In de NvU 2021 en het procesvoorstel Omgevingsvisie Meppel is aangegeven op welke momenten participatie plaatsvindt en op welke trede van de participatieladder wordt ingezet: - Informeren (trede 1) als er geen ruimte is om input te leveren, zoals op de kaders vanuit bestaand beleid of na besluitvormingsmomenten. - Raadplegen (trede 2) als betrokkenen kunnen reageren op vooraf gemaakte voorstellen, zoals het gebiedseigen verhaal of waardenkaarten. • Adviseren (trede 3) als open vragen worden voorgelegd, zoals over de centrale kwesties.

• Ter inzage leggen, bij formele stappen in de procedure voor het OER en de Omgevingsvisie. Hierbij geldt de Algemene Inspraakverordening.

31

In de NvU 2021 is nog een aantal uitgangspunten opgenomen over participatie, onder andere over de rol van de raad, het betrekken van de omgeving en communicatie gedurende het proces. In de loop van het proces wordt per stap de inhoud en vorm van de participatie geconcretiseerd. Voor de totstandkoming van het OER wordt geen separaat participatietraject doorlopen, maar wordt aangesloten bij de participatie in het kader van de Omgevingsvisie. In 2022 is het Participatiebeleid Omgevingswet vastgesteld. Dit vormt de basis voor het uitvoeren van participatie onder de Omgevingswet, dus is ook kader voor het participatieproces van de Omgevingsvisie. Het betreft tijdelijk beleid om te voldoen aan de wettelijke eisen die gelden voor de Omgevingswet. Ondertussen wordt organisatiebreed participatiebeleid uitgewerkt.

2.3 Samenhang OER en Omgevingsvisie Bij de besluitvorming over de Omgevingsvisie Meppel kan het OER een rol spelen bij: o Het beoordelen van de gevolgen van de programmatische en ruimtelijke keuzes die voorliggen in het kader van de Omgevingsvisie; o Het concreet uitwerken van ambities en doelen en de toetsing van de haalbaarheid daarvan; o Het formuleren van randvoorwaarden, principes of spelregels voor toekomstige ontwikkelingen zodat deze in positieve zin bijdragen aan de geformuleerde ambities en doelstellingen; o Het leveren van input voor de monitoring en evaluatie van de gevolgen na vaststelling van de Omgevingsvisie. In het OER worden geen keuzes gemaakt of vastgelegd. Dat gebeurt in de Omgevingsvisie waarbij wordt gemotiveerd op welke wijze wordt omgegaan met de resultaten uit het OER. De Omgevingsvisie is alleen bindend voor de gemeente Meppel en bevat geen regels die bindend zijn voor burgers en bedrijven. De Omgevingsvisie wordt uitgewerkt in een aantal Omgevingsprogramma’s. Juridische borging van de Omgevingsvisie vindt uiteindelijk plaats in het Omgevingsplan. Ook in het kader van de Omgevingsprogramma’s en het Omgevingsplan kan het opstellen van een OER/MER wettelijk verplicht zijn, of dient mogelijk te worden beoordeeld of een OER/MER nodig is (m.e.r.-beoordeling).

Het OER in het kader van de Omgevingsvisie Meppel kan een belangrijke rol spelen binnen deze vervolgbesluiten en procedures. Wanneer het OER op strategisch niveau inzicht geeft in de gevolgen van de ruimtelijke en programmatische keuzes, dan kan de effectbeoordeling in het kader van de programma’s zich toespitsten op de meer concrete plannen en projecten (van grof naar fijn). Figuur 2.3 laat zien op welke wijze het OER en de Omgevingsvisie in samenhang tot stand komen.

32

Figuur 2.3 Proces OER en omgevingsvisie

33

3 Aanpak van het OER 3.1 Inleiding Het OER dient inzicht te geven in de mogelijke gevolgen van de keuzes die voorliggen in het kader van de Omgevingsvisie. Daarbij gaat het niet alleen om de gevolgen van mogelijke programmatische en ruimtelijke keuzes. Ook de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan de ambities en doelstellingen of de mate van sturing kunnen variabelen zijn bij de uitwerking van de uitgangspunten voor de effectbeoordeling. Belangrijk onderdeel van het OER is de beschrijving van de referentiesituatie, ook wel de ‘foto van de leefomgeving’ genoemd. Deze referentiesituatie is beschreven in hoofdstuk 4 en vormt het vertrekpunt voor de beoordeling van de gevolgen van de alternatieven. Op basis van de opgaves en ambities is een drietal alternatieven uitgewerkt. Het gaat om drie sterk onderscheidende alternatieven. Daarbinnen wordt niet alleen gevarieerd met de aard en omvang van het programma, maar worden ook onderscheidende keuzes gemaakt waar het gaat om belangrijke vraagstukken zoals inbreiding vs uitbreiding, functiemenging vs functiescheiding, centraal vs decentraal. Doel van de effectbeoordeling is niet het komen tot een keuze voor één van de drie alternatieven maar om de relevante hoeken van het speelveld voor de effecten op de leefomgeving in beeld te brengen.

In de Omgevingsvisie wordt vervolgens afgewogen hoe wordt omgegaan met de uitkomsten van de effectbeoordeling uit het OER. Daarbij kunnen elementen uit de verschillende alternatieven worden gecombineerd in het voorkeursalternatief. Omdat de omgevingsvisie niet 1-op-1 aansluit bij een van de alternatieven worden in het OER in een tweede stap de effecten van het voorkeursalternatief beschreven en beoordeeld. Naast de effecten wordt ook ingegaan op het doelbereik en de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan de monitoring na vaststelling van de Omgevingsvisie Totstandkoming De drie alternatieven zijn het resultaat van een proces dat is doorlopen met vertegenwoordigers vanuit de gemeentelijke werkgroepen en de ketenpartners (zoals de GGD, het waterschap en de veiligheidsregio). In de startfase heeft een werksessie plaatsgevonden om de mogelijke bouwstenen voor de scenario’s te inventariseren. Op basis hiervan zijn de hoofdlijnen voor de scenario’s uitgewerkt. In een tweede werksessie heeft een nadere optimalisatie plaatsgevonden. Tijdens de werksessies zijn er ook ideeën en wensen gedeeld die niet direct van invloed zijn op de inhoud van de scenario’s.

Daarbij gaat het onder andere om aandachtspunten voor de effectbeoordeling, locatie specifieke informatie en mogelijke maatregelen die kunnen worden getroffen binnen de scenario’s om invulling te geven aan de doelstellingen en ambities. Deze opbrengst vanuit de werksessies krijgt waar relevant een plek binnen de effectbeoordeling en/of de uitwerking van de mogelijke maatregelen.

3.2 Alternatieven 3.2.1 Alternatief 1 Natuurlijk en ontspannen Binnen alternatief 1 zijn water en bodem leidend. Programmatisch gaat alternatief 1 uit van een laag groeiscenario. Er wordt ingezet op inbreiding en kleinschalige uitbreiding met veel aandacht en ruimte voor groen/water. Binnenstedelijk kan compact worden gebouwd omdat er in de directe nabijheid voldoende groen verblijfsgebied aanwezig is. Binnen de kernen wordt zuinig omgegaan met de onbebouwde ruimte. Waar mogelijk wordt ingezet op woningsplitsing en transformatie van bestaande gebouwen. Bij woningbouw buiten het bestaande stedelijk gebied is juist sprake van lage dichtheden en kleinschalige locaties (landelijke wonen). Hiervoor zien we ruimte binnen het landschap ten oosten van de stad Meppel tussen de beekdalen.

34

35

Ook waar het gaat om de bedrijvigheid ligt de nadruk op intensief inbreiden en extensief uitbreiden. De activiteiten op de bestaande terreinen zijn gericht op het voorzien in lokale behoefte. Er wordt ingezet op kleinschaligere werkmilieus. Uitbreiding of wijziging van bedrijfsactiviteiten mag niet ten koste gaan van de bestaande groen- blauwe structuren en leiden waar mogelijk tot versterking. Bij bedrijfsontwikkeling is sprake van vergroening (natuurinclusief). Uitbreiding van bedrijfsactiviteiten buiten het bestaande stedelijk gebied is kleinschalige en extensief met veel ruimte en aandacht voor een groene inpassing. Dat betekent dat er binnen Noord IV een nieuw bedrijventerrein van beperkte omvang met veel ruimte voor groen en water.

In dit alternatief wordt zoveel mogelijk ruimte geboden voor klimaatadaptatie met o.a. grondwaterpeilverhogingen in het landelijk gebied rondom Nijeveen en Noord IV om bodemdaling en veenoxidatie (met bijbehorende emissies) te voorkomen. Om de grondwaterpeilverhogingen mogelijk te kunnen maken is een transitie van de landbouw noodzakelijk naar meer agrarisch natuurbeheer ofwel natuurinclusieve landbouw. In het gebied rondom Broekhuizen wordt ingezet op het wonen in groen waarbij ruimte is voor bosteelt. Ook ten aanzien van de mobiliteit wordt ingezet op het verminderen van emissies door verkeer, er wordt gestreefd naar een autovrije binnenstad met veel aandacht voor alternatieve modaliteiten. Om aan de energievraag te voldoen wordt ingezet op zonne- en waterenergie door middel van zonnepanelen op daken en realiseren van waterkrachtvoorzieningen. Er worden in dit alternatief geen windturbines voorzien. 3.2.2 Alternatief 2 Samen voor elkaar In alternatief ligt het initiatief vooral bij de samenleving en ligt de nadruk op voortbouwen op gemeenschappen en sociale cohesie. Alternatief 2 omvat het midden groeiscenario met 5.000 woningen waarbij zowel wordt ingezet op in- als uitbreiding (1/2 inbreiding, 1/2 uitbreiding. De uitbreiding vindt plaats bij Nieuwveense landen (extra ten opzichte van autonome ontwikkeling).

Ook wordt binnen het noordelijk deel van de gemeente ruimte geboden voor woningbouw binnen bebouwingsconcentraties en nieuwe linten in het buitengebied. De focus in dit alternatief ligt op gemengde groei (woon-werkmilieus) waarbij ruimte wordt geboden voor lichte bedrijvigheid in de binnenstad en bestaande woonwijken. Bij nieuwe binnenstedelijke ontwikkelingen zoals het Stationsgebied, Ezinge en Noordpoort 2 wordt ingezet op gemende woon-werkmilieus. Ook binnen (nieuwe en bestaande) linten en gehuchten is sprake van een combinatie van wonen en werken. Op Noord IV is in dit scenario een themapark voorzien. In het gebied rond Rogat wordt ruimte geboden voor extra bedrijvigheid, eventueel in combinatie met wonen. In het landelijk gebied wordt ingezet op lokale en kleinschalige agrarische productie. Er is ruimte voor verbreding van agrarische activiteiten met bijvoorbeeld maatschappelijke 36

voorzieningen of kleinschalige recreatieve functies. Om aan de energievraag te voldoen worden verdeeld over het buitengebied zonneparken en windturbines aangelegd (lokaal eigendom). Verder wordt ingezet op zonnepanelen op daken.

De verstedelijkingsstrategie sluit aan bij de ‘warme harten strategie’ van de regio Zwolle. De binnenstad is de huiskamer van de stad, met ruimte voor ontmoeting. De buurt- en dorpshuizen functioneren als huiskamer van een wijk of dorp. Het openbaar gebied wordt zo ingericht dat er veel ruimte is om elkaar te ontmoeten. Er is voldoende groen op wijken buurtniveau en ook aan de waterbergingsopgave wordt lokaal invulling gegeven. Binnen iedere wijk zijn alle basisvoorzieningen aanwezig waaronder ook recreatieve- en sportvoorzieningen. Lokaal is er ruimte voor kleinschalige evenementen. De bovenregionale voorzieningen dragen bij aan de lokale ontwikkeling er is een uitwisseling tussen de lokale behoefte en boven regionale voorzieningen (maatschappelijke HUB functies). Met betrekking tot duurzame mobiliteit wordt ingezet op een autoluwe binnenstad door OV-bereikbaarheid van woongebieden en dorpen te verbeteren en in te zetten op deelmobiliteit. In de wijken worden mobiliteitshubs gerealiseerd en de ring rond de stad verbetert de ontsluiting.

37

38

3.2.3 Alternatief 3 Groei van waarde In alternatief 3 wordt ingezet op maximale groeien economische ontwikkeling. Er wordt voorzien in uitbreiding (2/3) en inbreiding (1/3) met 10.000 extra woningen. Grootschalige uitbreiding vindt onder andere plaats bij Stationsomgeving, Ezinge, Nieuwveense Landen, Oosterboer en Nijeveen. Binnen dit alternatief wordt ingezet op hoogwaardige werkfuncties met o.a. uitbreiding van de havenactiviteiten bij Oevers D met innovatiehubs gericht op eiwittransitie en/of circulaire bouw), een kenniscampus innovatieve zorg op voormalige ziekenhuisterrein en een kenniscentrum voor internationaal onderwijs in het stationsgebied. Op Oevers S wordt ruimte gebonden voor nieuwe havengebonden bedrijvigheid. Verder is sprake van nieuwvestigingen en uitbreiding van bedrijventerreinen op goed bereikbare locaties in zones langs de snelwegen. Er worden meer arbeidsplaatsen voorzien dan woningen.

In de verstedelijkingsstrategie is meer ruimte voor regionale functies en voorzieningen die worden geclusterd op goed bereikbare locaties zoals het stationsgebied. Er is ruimte voor recreatieve voorzieningen zoals een subtropisch zwembad, welnesscentrum, stadsstrand en een grootschalig sportcomplex dat ruimte biedt voor verschillende sportvoorzieningen en -clubs bij de Bremenbergplas. In de binnenstad van Meppel wordt voorzien in uitbreiding van het winkelaanbod en wordt ruimte geboden voor grootschalige evenementen. Wat betreft het openbare gebied wordt ingezet op grootschalige parken in combinaties met groenzones gekoppeld aan de verstedelijking (vingers). Ook aan de waterbergingsopgave wordt centraal invulling gegeven. In het landelijk gebied wordt ingezet op duurzame ontwikkeling van de agrarische sector met ruimte voor nieuwe teeltvormen (agrarische bedrijven als grondstoffenleveranciers) en de opwekking van energie. Er wordt ruimte geboden voor windparken in de zones langs de A32 en op Noord IV, daarnaast wordt gezocht naar locaties voor waterkrachtcentrales.

39

40

3.3 Beoordelingskader Het beoordelingskader voor het OER is tot stand gekomen op basis van de analyse van de referentiesituatie en de geformuleerde ambities en de doelen. De beoordeling van de scenario’s vindt in twee stappen plaats. Eerst worden op basis van de criteria in tabel 3.1 de effecten op de leefomgeving van de drie alternatieven in beeld gebracht. Zichtjaar voor de beoordeling van de effecten is 2040. In hoofdstuk 5 is per omgevingsaspect en criterium op hoofdlijnen toegelicht op welke wijze de effecten worden beoordeeld. In het hoofdstuk 6 worden vervolgens de effecten van het voorkeursalternatief beschreven en in hoofdstuk 6 wordt ingegaan op het doelbereik Waar relevant wordt ook aangegeven in hoeverre sprake is van onzekerheden en/of risico’s (als input voor de vereiste monitoring en evaluatie). De effectbeoordeling is veelal kwalitatief en sluit aan bij het strategische karakter van de omgevingsvisie. In het kader van het OER worden daarom geen milieutechnische en/of veldonderzoeken uitgevoerd. Die onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van de vervolgprocedures. Wel worden in het OER op basis van de veelal kwalitatieve effectbeoordeling de randvoorwaarden en de daarmee samenhangende onderzoeksopgave geformuleerd voor toekomstige initiatieven en ontwikkelingen.

Daarbij gaat het ook om ontwikkelingen die op zich zelf weer m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn in kader van de te doorlopen vervolgprocedure(s), zoals bijvoorbeeld de uitbreiding van bedrijventerreinen, stedelijke ontwikkelingsprojecten of recreatieve ontwikkelingen. Specifieke aandacht is nodig voor de effecten op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege de verplichting tot het opstellen van een passende beoordeling wanneer significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand niet zijn uit te sluiten. Het OER brengt in beeld in hoeverre toekomstige ontwikkelingen binnen de kaders van de omgevingsvisie van invloed kunnen zijn op de staat van instandhouding van deze gebieden en op welke wijze hiermee in het voorkeursalternatief kan worden omgegaan. Voor alle omgevingsaspecten geldt dat de daadwerkelijk gevolgen sterk afhankelijk zijn van de aard en omvang van concrete initiatieven. Het OER in het kader van de Omgevingsvisie is daarmee geen eindpunt, maar vormt het vertrekpunt voor de nadere (meer gedetailleerde) onderzoeken in het kader van gebiedsontwikkelingen en concrete projecten. Hierop wordt ingegaan in hoofdstuk 8 Tabel 3.1 Beoordelingskader OER Omgevingsvisie Meppel Aspecten Toekomstbestendige fysieke leefomgeving planet Natuur

Deelaspecten

Beoordelingscriteria OER

Natura 2000-gebieden Natuurnetwerk Nederland

Wateroverlast

Staat van instandhouding Oppervlak, samenhang, wezenlijke kenmerken en waarden Beschermde soorten Overige soorten Mate van bodemverontreinigingen, biologische kwaliteit Gevoeligheid voor bodemdaling Opslag en afvoercapaciteit Kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater (KRW) Hinder en overlast door hitte/droogte Hoeveelheid overlast door piekbuien

Waterveiligheid

Kans op overstromingen

Biodiversiteit Bodem

Bodemkwaliteit

Water

Bodemdaling Waterkwantiteit Waterkwaliteit

Klimaat

Hitte en droogte

41

Aspecten

Deelaspecten

Beoordelingscriteria OER

Landschap en openbare ruimte

Cultuurhistorie en landschap

Cultuurhistorische elementen en gebieden. Kwaliteit en belevingswaarde van het landschap Archeologische- en aardkundige waarden

Archeologie Economische omgeving – prosperity Economische vitaliteit

Ruimtelijke economische structuur

Sociale, veilige en gezonde woonomgeving - people Milieukwaliteit en gezondheid

Werkgelegenheid en economische diversiteit

Afstemming vraag-aanbod op de arbeidsmarkt (kwalitatief en kwantitatief) Bereikbaarheid (auto, OV en fiets)

Mobiliteit Energie-infrastructuur Grondstoffenkringloop

Capaciteit / aanbod i.r.t. behoefte Afvalproductie / hergebruik van grondstoffen

Luchtkwaliteit

Concentraties luchtverontreinigende stoffen Aantal blootgestelden Geluidbelasting Aantal geluidgehinderden Geurbelasting Aantal geurgehinderden Mogelijkheden om te bewegen en te sporten. Hoeveelheid groen per inwoner Openbaar groen op loopafstand Plaatsgebonden risico en groepsrisico Overstromingsrisico’s Aantal verkeersslachtoffers

Geluid Geur Beweging Groene omgeving Veiligheidsrisico’s

Externe veiligheid Waterveiligheid Verkeersveiligheid

Wonen, voorzieningen en welzijn

Vestigingsklimaat

Wonen

Afstemming vraag-aanbod woningmarkt Voorzieningenaanbod Afstand tot voorzieningen Inclusiviteit Sociale samenhang Sociale veiligheid

Voorzieningen Welzijn

42

4 Foto van de leefomgeving De foto van de leefomgeving brengt de huidige situatie (2024) en de autonome ontwikkeling tot 2040 zonder de Omgevingsvisie in beeld. De huidige situatie en de autonome ontwikkeling bepalen samen de referentiesituatie. Als uitgangspunt is de uitvoering van het gemeentelijk beleid genomen. Voor ieder aspect is aan de hand van de indicatoren de referentiesituatie beoordeeld. Waar relevant wordt verwezen naar de kaarten in bijlage 3 die samen met de teksten in dit hoofdstuk de foto van de leefomgeving vormen.

4.1 Toekomstbestendige fysieke leefomgeving - planet 4.1.1 Natuur Natuurnetwerk Nederland (kaart 31) Huidige situatie Binnen de oostflank van de gemeente Meppel zijn gronden gelegen die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), waaronder het Reestdal. Ook in de directe omgeving van de gemeente zijn veel gebieden aangewezen als NNN, zoals de Wieden aan de westzijde van de gemeente, het Holtingerveld aan de noordoostzijde en de boswachterij Staphorst aan de zuidoostzijde. Zowel de Wieden als Holtingerveld zijn tevens begrensd als Natura 2000, deze gebieden worden onder Natura 2000 beschreven. In de huidige situatie is circa 50 procent van de opgave voor NNN in provincie Drenthe ingericht. Voor de huidige kwaliteit van de natuurtypen in NNN is gebruik gemaakt van de trendanalyses van provincie Drenthe ten opzichte van 1999. Uit deze analyses blijkt dat de toename van de aanwezigheid van ammonium in de bodem een belangrijk knelpunt vormt voor de natuurkwaliteit. Voor alle natuurtypen is hier een negatieve trend te indiceren. De toename van ammonium wordt veroorzaakt door een verhoogde stikstofdepositie en daaropvolgende verzuring. Door verzuring wordt het nitrificatieproces geremd waardoor er een ophoging van ammonium plaats vindt. Dit betekent een toename in verhouding ammonium/nitraat.

Dit kan leiden tot een verminderde groei van planten die afhankelijk zijn van nitraat waaronder veel bijzondere blauwgraslandsoorten. Ook verdroging vormt een belangrijk knelpunt vormt voor natuur binnen NNN, dit geldt met name voor de natuurtype moeras. Verdroging wordt veroorzaakt door aantasting van de waterhuishouding door wegvallen kwel, verlaging grond- en oppervlaktewaterpeilen (o.a. door landbouw), inlaat gebiedsvreemd water en wegvallen overstromingen. Plaatsen die worden gevoed door grondwater (kwel) zijn vaak uitzonderlijk rijk aan bijzondere zeldzame Rode lijstsoorten zoals het Reestdal. Door aanvoer van kwel zijn ze goed gebufferd tegen verzuring en vermesting. Dit komt door de stoffen die worden aangevoerd via het grondwater, waaronder kalk en ijzer. Fosfaat bindt zich aan ijzer waardoor dit niet beschikbaar komt voor plantengroei, kalk uit de bodem wordt tijdens infiltratie van regenwater wordt omgezet in calciumbicarbonaat waardoor de pH permanent tussen de 5 en 7 ligt. Wanneer de aanvoer van kwel wegvalt heeft dit een groot effect op de buffering van het grondwater. Reestdal Het beekdal Reest is een van de weinige oorspronkelijke hoogveenbeken die Nederland rijk is. Het gebied heeft een oppervlakte van 300 hectare, lengte van 35 km en een breedte van een beekdal tussen de 100-600 meter.

In dit afwisselende landschap zijn essen, houtwallen, akkertjes, heidevelden, bos en bloemrijke weiden aanwezig. De Reest wordt voornamelijk gevoed door kwelwater. Er groeien zeldzame moerasplanten zoals de grote pimpernel, noordse zegge, stijfstruisriet, draadrus en moeraskartelblad. Kenmerkend voor de soortenrijke beekdalgraslanden met veel moerasviooltjes is de vlinder zilveren maan. In het gebied Reest komen binnen het NNN stikstofgevoelige Vogel- en Habitatrichtlijn typen en soorten voor, waaronder Overgangs- en trilvenen (H7140). 43

Als gevolg van ontwatering in het omringende landbouwgebied kwam de natuur de tweede helft van de 20ste eeuw meer onder druk te staan waardoor natuurtypen als moerassen, bossen en bloemrijke graslanden geteisterd werden door verdroging. Dankzij uitvoering van hersteltrajecten is er verbetering opgetreden. De bovenloop is de laatste jaren uitgebreid met 150 hectare nieuwe natuur, waarvan bijna de helft aan de Drentse zijde. Ook zijn er waterhuishoudkundige maatregelen getroffen om de afvoercapaciteit van de Reest te vergroten en invloed van grondwater (kwel) in het dal te versterken. Boswachterij Staphorst De bossen bij Staphorst zijn aangelegd tussen 1930-1940, de boswachterij was voornamelijk gericht op houtproductie. Hedendaags wordt het gebied op een natuurlijke manier beheerd, er wordt gestreefd nar variatie in soort en leeftijd. Naast bos zijn er ook heidevelden en in het noorden is nog een aantal vennen te vinden waar tot in de zestiger jaren turf werd gewonnen. Een kenmerkende soort van de boswachterij is de das die verspreid over het bos verschillende burchten hebben gegraven. Andere soorten die hier aanwezig zijn, zijn roofvogels, spechten, adders, hagedissen en reeën. Autonome ontwikkeling In de autonome ontwikkeling wordt verder invulling gegeven aan de realisatie van het NNN doorgezet.

Uit de voortgangsrapportage natuur blijkt dat er een resterende opgave ligt voor afronding van het NNN in 2027. De opgave bedraagt 6.856 hectare voor de provincie Drenthe, circa 50 procent van de totale opgave is nog niet ingericht. Circa 20 procent van de totale oppervlakteopgave in Drenthe is nog niet verworven en circa 35 procent is verworven maar nog niet ingericht (blijft de trend naar verwachting negatief). Tabel 3.1 Stand van zaken Natuurnetwerk Drenthe

Beoordeling referentie De referentiesituatie is beoordeeld als negatief, als gevolg van de autonome ontwikkeling is geen sprake van een verbetering. Wat betreft de kwaliteit van de natuurgebieden is de verwachting dat de negatieve trend ten aanzien van verdroging en ammonium voort zal zetten door de toenemende stikstofdepositie en de klimaatverandering. Wat betreft de kwantiteit ligt er nog een grote opgave voor afronding van het NNN.

44

Huidige situatie (2024)

Referentiesituatie (2040)

Natura 2000-gebieden (kaart 32) Huidige situatie De provincie Drenthe kent 14 unieke Natura 2000-gebieden waarvan 12 gebieden stikstofgevoelig zijn en te maken hebben met overbelasting. Daarnaast is er sprake van verdroging door ontginningen, aanleg productiebossen en intensivering van landbouw. Binnen de gemeentegrenzen van Meppel is geen Natura 2000-gebied gelegen. In de omgeving zijn de volgende Natura 2000-gebieden aanwezig: Nationaal park Weerribben-Wieden, Nationaal park Dwingelderveld en Holtingerveld. De belangrijkste knelpunten voor de Natura 2000-gebieden zijn de te hoge stikstofdepositie, onvoldoende waterkwaliteit en verdroging. Een groot aantal habitattypen en -soorten vertoond hierdoor een negatieve trend voor met name de kwaliteit. Wat betreft de kwalificerende vogelsoorten (Weerribben/Dwingerveld) is de trend voor de meeste soorten stabiel. In bijlage 5 wordt de huidige staat van de Natura 2000-gebieden beschreven. Autonome ontwikkeling In het Nationaal Programma Landelijk Gebied is de landelijke doelstelling opgenomen dat in 2030 van het stikstofgevoelige areaal binnen Natura 2000-gebieden 74% onder de KDW moet zijn gebracht. De Kaderrichtlijn Water (KRW) schrijft verder voor dat uiterlijk 2027 Nederland alle maatregelen moet hebben genomen die nodig zijn om te komen tot gezonde aquatische ecosystemen.

Uit het programma Natuur van provincie Drenthe blijkt dat in fase 2 de periode 20242030 door de provincie gebiedsgerichte maatregelen getroffen worden voor natuurherstel. De inzet richt zich op maatregelen in en rond beschermde natuurgebieden (NNN en Natura 2000). Voor provincie Drenthe gelden de volgende opgaven: 1) verbetering kwaliteit, 2) verbetering hydrologie, 3) versnelling verwerving gronden, 4) optimaliseren inrichting en 5) boscompensatie. Drenthe heeft de grootste opgave van de provincies in het verbeteren van de hydrologie. Hoewel de prognose voor 2030 een duidelijke afname laat zien van stikstofoxideconcentratie (Figuur 4-1 4.1) en ook de jaargemiddelde ammoniakconcentraties een afname laten zien sinds 2019 (figuur 4.2), is de verwachting dat de stikstofdepositie in de komende periode nog steeds te hoog blijft. Zonder maatregelen verdwijnen de heide, het stuivende zand en de soortenrijke heischrale graslanden en daarmee de unieke leefgebieden voor hiervan afhankelijke soorten. Beoordeling referentiesituatie De huidige knelpunten (te hoge stikstofdepositie, onvoldoende waterkwaliteit en verdroging) worden naar verwachting in de autonome ontwikkeling niet of nauwelijks verbeterd. Het herstel vergt een lange adem waardoor de referentie situatie als negatief wordt beoordeeld.

45

Figuur 4-1 Concentratie stikstofoxide in de lucht microgram/m3

Figuur 4-2 Jaargemiddelde ammoniakconcentraties microgram/m3 voor Dwingerveld (bron: RIVM-meetnet ammoniak) Biodiversiteit (kaart 28) Huidige situatie Biodiversiteit is een veelomvattend begrip dat verwijst naar alle verscheidenheid aan leven binnen en tussen soorten en tussen ecosystemen. Om inzicht te krijgen in de algemene biodiversiteit is gebruik gemaakt van data van de Living Planet Index (LPI), Netwerk Ecologische Monitoring, Sovon, Compendium voor de leefomgeving en provinciale data. De informatie is aangevuld met waarnemingsdata en gegevens uit de ecologische waardenkaart van de gemeente. De Nederlandse Living Planet Index (LPI) (WWF, 2023) laat zien dat het slecht gaat met de Nederlandse natuur. De druk op de natuur door stikstof, verdroging, versnippering en slechte waterkwaliteit is groot. Met name in duinen, heide en agrarisch gebied blijft de natuur achteruitgaan. De populatiegrootte van diersoorten daalde in duinen en heide gemiddeld met ruim zestig procent. Voor provincie Drenthe lijkt de trend van de biodiversiteit stabiel, al verschilt dit beeld per natuurtype. In heide, graslanden en bossen nemen 46

algemene soorten van voedselrijke milieus toe, wat nadelig is voor de kenmerkende zeldzamere soorten van natuurlijke voedselarme milieus zoals karakteristieke soorten van heide en stuifzand. In de periode 2007-2018 laat circa 31 procent van de Rode lijst soorten in provincie Drenthe een significante afname zien en circa 35 procent een significante toename zien in de populatiegrootte. In totaal is voor circa 60 procent van de Rode lijst soorten een stabiele of positieve trend voor de populatiegrootte aangetoond. De staat van natuur in stedelijke omgeving is wisselend. Het aantal wilde planten neemt toe maar diersoorten kunnen niet goed aarden (WWF, 2023). Met name vlinders zijn sterk achteruitgegaan, sinds 1992 is de populatieomvang gehalveerd. Ook algemene soorten als egel en konijn dalen landelijk sterk in aantallen. Het stedelijk gebied van de gemeente Meppel is van belang voor soorten van de bebouwde omgeving zoals vleermuissoorten (ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis en laatvlieger) en vogelsoorten als huismus (met name wijk Oosterboer) en de gierzwaluw die wijdverspreid aanwezig is. Er zijn twee broedparen van slechtvalk bekend. In de stadsparken als Wilheminapark en groengebieden in Oosterboer zijn o.a. de rode eekhoorn, ransuil, boomklever, boomkruiper en spechten aanwezig. De natuur in het buitengebied is landelijk er slecht aan toe en blijft achteruitgaan.

De populatieomvang van diersoorten is hier met bijna de helft afgenomen. Het landelijk gebied van Meppel is van belang voor verschillende soorten waaronder vogelsoorten (kerkuilen, steenuilen, torenvalken, ooievaars, visdiefjes en weidevogels). Weidevogels tonen een landelijke negatieve trend, dit is ook het geval in Meppel. Ondanks de bescherming hebben de weidevogels moeite om in intensieve landbouwgebieden voldoende dekking en voedsel te vinden. Gebieden waar veel weidevogels broeden zijn o.a. het gebied rondom Dekkersweg, Zomerdijk en het gebied ten zuiden van het ziekenhuis. Soorten die worden aangetroffen zijn o.a. kievit, tureluur, scholekster. Het buitengebied is verder van belang voor marterachtigen (steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn, boommarter). De wateren waaronder retentiegebied Engelgaarde bieden leefgebied aan soorten als otter en bever. In de bosrijke delen van het buitengebied is de rode eekhoorn aanwezig (in het dal van de Reest). De gemeente Meppel past in het kader van het afsprakenkader ‘Soortenrijk Drenthe – samenwerken aan natuurvriendelijke bermen en oevers’ ecologisch beheer toe voor een aantal bermen in het landelijk gebied. De huidige staat wordt bepaald aan de hand van de aanwezigheid van aandacht soorten en icoonsoorten2.

Uit de kaart blijkt dat met het aantal berm(icoon)soorten het hoogst is in het oostelijke deel van Meppel (Reestdal) en rondom Wold Aa. In het gebied worden icoonsoorten als stengelloze sleutelbloem, wilde narcis en blauwe knoop waargenomen. Aandachtsoorten die zijn waargenomen zijn o.a. groot dikkopje, icarusblauwtje, koevinkje, oranje zandoogje en zwartsprietdikkopje.

2

Bermenkaart (drenthe.nl)

47

Figuur 4-3 Trend Rode lijst soorten 2007-2018 Autonome ontwikkeling De provincie Drenthe heeft het doel om de biodiversiteit in zowel natuurgebieden als het landelijk gebied te bevorderen. Hiervoor zijn diverse programma’s opgesteld waaronder het programma Natuurlijk Platteland en Heel Drenthe Zoemt. In de autonome ontwikkeling wordt binnen de natuurgebieden een neutraal tot licht herstel verwacht ten opzichte van de huidige situatie. De opgave voor het inrichten van het overige deel NNN is groot voor de provincie Drenthe en zal de komende jaren tot 2027 worden uitgevoerd. Op den duur zal er sprake zijn van een robuuster natuurnetwerk en een hogere biodiversiteit. Er blijft echter sprake van een toenemende verdroging en blijvende stikstofdepositie. De hersteltijd voor deze processen vergt een lange adem. Binnen de stedelijke omgeving zijn voornamelijk de isolatie van gebouwen waarbij nesten verblijfplaatsen van vogels en vleermuizen verloren gaan een bedreiging voor de stedelijke biodiversiteit. Onzeker is of de komende jaren meer natuur inclusief wordt gebouwd waarbij de biodiversiteit kan worden verhoogd. Daarnaast zal door de toenemende bouwopgave de druk op de openbare (groene) ruimte toenemen. De hoofdgroenstructuur is in Meppel beschermd en zal in de autonome ontwikkeling groen blijven. Op de overige nevenstructuren kunnen echter wel effecten ontstaan.

Voor het landelijk gebied is de verwachting dat het aandeel natuurinclusieve landbouw zal toenemen. Volgens het Coalitieakkoord ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’ d.d. 10 januari 2022 (overheid.nl), zal de landbouw in Nederland zicht richting 2040 doorontwikkelen tot een duurzame landbouw met kringlooplandbouw3 als vertrekpunt. Gezien de huidige slechte staat van de natuur in agrarisch landschap is de verwachting dat de toename van natuurinclusieve landbouw te langzaam toeneemt om de Europese doelstelling te halen, een fundamentele en versnelde landbouwtransitie is noodzakelijk om de negatieve trend te buigen.

3 Die term kringlooplandbouw heeft een bredere betekenis dan alleen het sluiten van de plantaardige en dierlijke kringlopen op verschillende schalen: het gaat om het tegelijkertijd realiseren van een beter verdienvermogen voor boeren en tuinders, én minder schadelijke emissies naar bodem, lucht en water, én om vergroting van de biodiversiteit.

48

Beoordeling referentiesituatie De referentiesituatie wordt beoordeeld als negatief. De biodiversiteit zowel binnenstedelijk als in het buitengebied en de natuurgebieden staat sterk onder druk door de druk op de ruimte en gevolgen van externe factoren als stikstofdepositie.

Huidige situatie (2024)

Referentiesituatie (2040)

4.1.2 Bodem, water en klimaat Bodem (kaart 14 en 24) Huidige situatie De ontstaansgeschiedenis van Meppel is duidelijk in de bodemopbouw te herkennen. In de beekdalen van Reest, Hoogeveense Vaart, Wold Aa en Oude Vaart/Drentsche Hoofdvaart komen venige beekdalgronden voor (lichtgroen in Figuur 4-). Buiten deze beekdalen worden in het bekengebied vooral kalkarme fijne zandgronden aangetroffen (lokaal afgewisseld met moerige gronden). In de polders Nijeveen en Kolderveen komen vooral laagveengronden voor lokaal afgewisseld met zand- of moerige gronden.

Figuur 4-4 bodemkaart Nederland 1:50.000, bron: atlasleefomgeving

49

Bodemleven/kwaliteit De bodem is de grondlegger voor meerdere milieuthema’s. Er is gekeken naar de chemische bodemkwaliteit in de gemeente Meppel. Bestaande en voormalige activiteiten kunnen van invloed zijn op de bodemkwaliteit. De kwaliteit van de bodem wordt echter niet alleen bepaald door de chemische kwaliteit. Ook de biologische kwaliteit van de bodem is van belang. De bodem is de grondlegger voor het ecosysteem. Ruim een kwart van de biodiversiteit op aarde leeft in de grond. Een rijk bodemleven is essentieel voor tal van bodemfuncties zoals voedselbron, waterberging, waterzuivering, klimaatbuffer en natuurlijke plaagbestrijding. Het bodemleven kent echter een aantal stressfactoren waaronder bodemverstoring. Door bijvoorbeeld graafwerkzaamheden, bodembewerking voor gewasrotatie en beheerwerkzaamheden wordt de bodem verstoord. Door gebrek aan begroeiing spoelt de vruchtbare bovenlaag weg waardoor belangrijke nutriënten niet meer beschikbaar zijn voor het bodemleven en de begroeiing. Een andere belangrijke stressfactor voor het bodemleven is verdichting. Verdichting van de bodem kan worden veroorzaakt door bestrating, betreding (bijvoorbeeld evenementen) en werkzaamheden met zwaar materiaal, bijvoorbeeld tijdens de bouw. De verdichting zorgt ervoor dat de bodemlagen worden samengedrukt.

Hierdoor is er weinig zuurstof beschikbaar in de bodem dat juist noodzakelijk is voor wortels van planten en bomen, maar ook voor organismen. De verdichting heeft verder een negatieve invloed op de structuur en daarbij indirect op de wortelgroei. De weerstand in de bodem is te groot voor de wortels om doorheen te kunnen groeien, wat uiteindelijk uitval van de begroeiing betekent. In de huidige situatie is een groot deel van het openbaar gebied in de gemeente Meppel verdicht, met name in het centrum en de bedrijventerreinen is het aandeel groen <5%. Ook is de mate van verstoring voor het bebouwde gebied sterk. In het landelijk gebied is naar verwachting de kwaliteit van de bodem matig gezien het intensieve gebruik van de afgelopen jaren en de huidige bedrijfsvoering waarbij wordt gewerkt met zwaar materieel en de bodem wordt verstoord door omroering. De verstoorde bodems zijn voornamelijk aanwezig in het landelijk gebied rondom Nijeveen. De verstoring van de bodem rondom de Reest is gering/geen. Autonome ontwikkeling In de autonome ontwikkeling is de verwachting dat de chemische bodemkwaliteit enigszins zal verbeteren. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient de kwaliteit van de bodem voldoende te zijn, hiervoor zijn in sommige gevallen saneringswerkzaamheden nodig wat ten goede komt aan de bodemkwaliteit.

De bouwopgave zorgt anderzijds voor een verdere verdichting van de bodem en kan hierdoor een negatief effect hebben op de bodemkwaliteit. Beoordeling referentiesituatie De referentiesituatie wordt beoordeeld als neutraal. De chemische bodemkwaliteit zal in de autonome ontwikkeling verbeteren, ook voor de biologische kwaliteit van de bodem is meer aandacht met als uitgangspunt dat ‘bodem en water’ sturend worden bij ruimtelijke opgaven. Huidige situatie (2024)

Referentiesituatie (2040)

Bodemdaling De klimaateffectatlas laat de verwachte bodemdaling zien voor de periode 2020-2050 en 2020-2100. Bij de ontwikkeling van deze kaart is rekening gehouden met drie oorzaken waardoor bodemdaling kan optreden; ontwateren slappe grond zoals veen en klei, het winnen van delfstoffen zoals aardgas of zout uit diepliggend gesteente, en het belasten

50

van slappe grond. Binnen het plangebied treedt een beperkte tot zeer sterke bodemdaling op voor de periode 2050. In de periode 2100 wordt de bodemdaling plaatselijk doorgezet naar matig tot zeer sterk. In het centrum wordt zeer lokaal een bodemdaling verwacht van meer dan 60 cm. Dit effect wordt waarschijnlijk veroorzaakt door het belasten van slappe grond. Verder wordt in het buitengebied ten noordwesten en noordoosten van de kern een beperkte tot vrij sterke bodemdaling verwacht tot maximaal 40 cm en in de periode 2100 zet de bodemdaling door tot 60 cm. Op de locaties waar deze bodemdaling wordt verwacht zijn veenlagen aanwezig. Door ontwatering van veen, vindt oxidatie plaats. Dat wil zeggen bij lagere grondwaterstanden laat zuurstof zich doordringen in de bodem. Onder invloed van zuurstof (of andere stoffen) breken micro-organismen en schimmel de organische stof (veen) af, waardoor de bodem ook daalt.

Figuur 4-5 Bodemdaling 2020-2050 (bron: klimaateffectatlas)

51

Figuur 4-6 Bodemdaling 2020- 2100, (bron klimaateffectatlas) Beoordeling referentiesituatie De verwachte bodemdaling is een aandachtspunt omdat binnen Meppel hoofdzakelijk sprake is van veenoxidatie in relatie met het grondwaterniveau dat fluctueert door klimaatverandering. Huidige situatie (2024)

Referentiesituatie (2040)

Water (kaarten 25, 26) Huidige situatie Water speelt een belangrijke rol en is beeldbepalend binnen de gemeente Meppel. Meppel is ontstaan op een kruispunt van riviertjes en stroompjes die in zuidwestelijke richting van het Drents Plateau afstroomden. Daar waar de Reest, de Wold Aa, de Havelter Aa (nu Oude Vaart) en de al vroeg gegraven Swarte Grift (nu Leisloot) en de Wetering (nu Hoogeveensche Vaart) samenkwamen in de Serthe (nu Meppeler Diep) ontstond in de Middeleeuwen een nederzetting. Een strategische plek, omdat de Serthe direct in verbinding stond met de Zuiderzee.

52

Waterkwantiteit Binnen de gemeente is een grondwaterbeschermingsgebied voor drinkwater of waterwingebieden aanwezig. Een deel van dit beschermingsgebied raakt het noordwestelijk deel van het plangebied. De plas Engelgaarde net ten noordoosten van de kern Meppel is aangewezen als waterbergingsgebied.

Figuur 4-7 Grondwaterbeschermingsgebieden

53

Figuur 4-8 Beekdal (groen), bergingsgebieden (blauw gearceerd), bron: provinciale omgevingsverordening Drenthe Watergangen zijn belangrijk voor de aan en afvoer van water, het watersysteem zorgt er voor dat iedere functie in het gebied voorzien is van voldoende water. In figuur 4.9 is een weergave van de legger opgenomen met de locatie van alle primaire en secundaire watergangen waarop een bescherming van toepassing is. In het centrum van Meppel is langs de primaire en secundaire wateren verharding aanwezig. Het oppervlaktewater wordt in dit deel omsloten met kademuren en vaak in relatie met een wegenstructuur en bomen. In de latere wijken van Meppel is langs de waterstructuren een groenstrook aangelegd deels voorzien van een houten beschoeiing en deels ook ingericht met natuurvriendelijke oevers. Ditzelfde geldt ook voor de watergangen in het buitengebied. In het poldergebied ten noordwesten worden de percelen omsloten door een herkenbare structuur van kavelsloten deze zijn niet opgenomen op de legger van het waterschap maar vormen wel een belangrijke functie voor de drooglegging van de agrarische percelen. Dit stelsel is aangesloten op het hoofdwatersysteem van het waterschap middels primaire watergangen. Het watersysteem in de Polder Nijenveen kende problemen, bij hevige neerslag ontstond wateroverlast.

Met de aanpak van het gebied is een goed functionerend en toekomstbestendig watersysteem gemaakt. Dat houdt in dat de hoofdwatergangen en waterpeilen zijn aanpast en dat er een nieuw gemaal is gebouwd met een grotere capaciteit. Waardoor het beter te anticiperen is op extremen in het weer, zoals flinke plensbuien of juist langdurige droge periodes.

54

Aan de noordoost en oostzijde van Meppel zijn de watergangen (primaire wateren) gevormd door een bekenstelsel dat door de jaren heen is gekanaliseerd. Op dit moment heeft het watersysteem van de Oude Vaart ten noorden van het plangebied te weinig bergingscapaciteit. Dit wordt veroorzaakt doordat de Oude Vaart hoger ligt dan het maaiveld en met dijken wordt voorkomen dat een overstroming in het beekdal plaatsvindt. Er worden op dit moment plannen uitgewerkt om het peil te verlagen waarbij de dijken deels worden weggehaald. Hierdoor kan een meer natuurlijker beekdalsysteem worden gecreëerd. Deze plannen zijn nog in een verkennende fase en zijn nog niet autonoom.

Figuur 4-9 Legger oppervlaktewater, bron: WDOD Beoordeling referentiesituatie De referentiesituatie is beoordeeld als negatief, in vergelijking met de huidige situatie is geen sprake van een verbetering. Een groot aantal bestaande functies niet afgestemd op de bodemtype en waterkenmerken waardoor het voorkomen van wateroverlast en droogte niet kan worden gegarandeerd. Huidige situatie (2024)

Referentiesituatie (2040)

55

Waterkwaliteit Wat betreft de waterkwaliteit is gekeken naar de KRW-nomering van grond- en oppervlaktewater voor chemische- en ecologische kwaliteit. Binnen de gemeente Meppel liggen meerdere KRW-waterlichamen waaronder de Oudevaart, Meppelerdiep, Wold Aa, Hoogeveense vaart en de Reest. De Oude Vaart is van oorsprong een langzaam stromende en meanderende beek. De beek is ontstaan in het beekdal dat grenst aan het Oranjekanaal. Met de aanleg van het Oranjekanaal zijn de oorspronkelijke zijbeken van de Oude Vaart, zoals de Elperstroom, Koehoorn en Leemsloot afgesneden van het beeksysteem en onder bemaling geplaatst. De Oude Vaart komt aan de noordzijde van Meppel uit in het Meppelerdiep. Het Meppelerdiep is een belangrijke vaarweg die de Drentsche Hoofdvaart en de Hoogeveense Vaart verbindt met het IJsselmeer. Van oorsprong was het een natuurlijke waterweg, die de benedenloop vormde van de riviertjes Wold Aa, Reest en de Beilerstroom. Het Mepperdiep mondt uit in het Zwarte Water. De Wold Aa is een van oorsprong langzaam stromende en meanderende beek. De oorsprong van de beek ligt ten zuiden van Wijster. De beek heeft in de omgeving van Wijster geen eigen brongebied, maar ontstaat op een plateau van keileem tussen Wijster en het VAM-kanaal. De Wold Aa komt stroomt via Meppel uit in het Meppelerdiep. De Hoogeveense Vaart is een groot kanaal van Hoogeveen tot Meppel.

Het is een gegraven kanaal voor de scheepvaart. De Reest is een langzaam stromende beek op veengrond. De beek heeft over de gehele lengte nog een meanderende loop. Benedenstrooms stroomt het grootste deel van de beek af in de Hoogeveense Vaart. Een kleiner deel van de afvoer kruist de Hoogeveense Vaart en stroomt verder door het stedelijk gebied van Meppel en mondt uiteindelijk uit op het Meppelerdiep. Alle voorgenoemde waterlichamen voldoen niet aan de normen voor de waterkwaliteit (2022), er wordt niet voldaan aan de chemische normen. Wat betreft de ecologische normen scoort de Oudevaart slecht, de Mepperlerdiep matig, Wold Aa ontoereikend, de Hoogeveense vaart en de Reest matig. Autonome ontwikkeling In de autonome ontwikkeling kan door toenemende droogte een negatief effect ontstaan op de waterkwantiteit en kwaliteit. Hevige buien kunnen leiden tot meer verontreiniging in het oppervlaktewater door uitspoeling van stoffen uit de bodem en of het maaiveld. De toenemende temperaturen kunnen daarnaast leiden tot een toename van blauwalgen. Het doelbereik voor de waterkwaliteit is beoordeeld voor 2027 in de KRW-factsheets. Voor de ecologische normen is het doelbereik in 2027 beoordeeld als vrijwel zeker. Het doelbereik van normering voor verontreinigende stoffen als seleen en kobalt is onzeker, dit geldt ook voor ubiquitaire stoffen.

Voor diverse metalen is inzicht in de bronnen van de emissies nog onvolledig, hierdoor is het doelbereik als onzeker beoordeeld. In de autonome ontwikkeling worden water en bodem sturend bij ruimtelijke ontwikkeling. Het streven is dat bedrijven en inwoners 20% minder drinkwater gaan gebruiken. Daarnaast wordt vervuiling van water tegengegaan door lozingen van koelwater te begrenzen. Ook wordt gekeken naar de bouwlocaties, bouwen in plaatsen die nodig zijn voor berging en afvoeren van water dient te worden vermeden. In de stedelijke omgeving zet de ontwikkeling van ontstenen zich voort, minder bodemafdekking zorgt voor minder wateroverlast. Beoordeling referentiesituatie De referentiesituatie is beoordeeld als negatief. Hoewel water en bodem sturend worden bij ruimtelijke ontwikkeling is het herstelproces van watersystemen traag waardoor de waterkwaliteit matig blijft.

56

Huidige situatie (2024)

Referentiesituatie (2040)

Klimaat (kaarten 2 t/m 13) Huidige situatie Hitte en droogte Door de toenemende droogte is er in de zomerperiode een kans op tekort aan neerslag. De mate van droogte is weergeven aan het potentieel maximaal neerslagtekort. In de huidige situatie is sprake van een maximaal potentieel neerslagtekort van 180-210 mm4. De gevoelstemperatuur kan op een warme zomerdag in Meppel al snel oplopen tot 40 graden Celsius in de binnenstad. De afstand tot koele plekken5 bedraagt gemiddeld genomen 0 tot 300 meter, alleen in het centrumgebied en de bedrijventerreinen is deze afstand groter, tot meer dan 500 meter. Volgens het onderzoeksrapport de hittebestendige stad dient er binnen 300 meter loopafstand van iedere woning een koele plek aanwezig te zijn. In de huidige situatie voldoet de stad Meppel grotendeels aan deze richtlijn. Klimaatverandering kan ook leiden tot een stijging van de temperatuur van het oppervlaktewater. De watertemperatuur beïnvloedt de kwaliteit en de ecologische toestand van het water. Blauwalg groeit veel beter bij temperaturen boven 20°C. Ook ziekteverwekkers groeien vaak makkelijker in warm water en de verspreiding van ziektes kan door klimaatverandering veranderen. Regenwateroverlast Door klimaatverandering krijgen we vaker te maken met extreme regenbuien. Door deze hevige regenbuien kunnen we meer wateroverlast verwachten.

De mogelijke hoeveelheid water dat op straat kan komen te staan na een hevige bui is in kaart gebracht voor een regenbui die in het huidige klimaat eens per 100 jaar voorkomt. In de stedelijke omgeving zorgt deze hevige regenbui ervoor dat er circa 1 tot 5 cm water op straat komt te staan. De wateroverlast kan zorgen voor schade aan bebouwing en wanneer water blijft staan kan het regenwater zich mengen met rioolwater waardoor ziektes kunnen ontstaan. Waterveiligheid Meppel is het putje van Drenthe en verzamelt het water van het Drents Plateau, om het via het Meppelerdiep af te voeren. Meppel heeft door de jaren heen al heel wat perioden van wateroverlast doorstaan. Een gedeelte van de gemeente Meppel ligt in een beekdal, dit maakt het gebied kwetsbaar voor overstromingen. Grote delen van gemeente Meppel kunnen overstromen (klimaateffectatlas6). Met name het zuiden van Meppel (woonwijk Berggierslanden) en noordwesten (nieuwe woonwijk Nieuwveense Landen) hebben een middelgrote kans op overstroming (0,5-1 meter). Er is een kleine kans op overstromingskans voor de gebieden Ezinge, Blankenstein, Noord IV en Oosterboer. De regionale wateropgave in de gemeente is 600.000 m3 waterberging langs de Wold Aa. De provincie heeft zoekgebieden aangewezen waar de opgave ingevuld kan worden.

Voor Meppel gaat het om het gebied Engelgaarde, dit gebied is ingericht voor gestuurde en meebewegende waterberging. Het gebied heeft een bergingscapaciteit van 270.000 m3,

4

KNMI - Archief doorlopend potentieel neerslagoverschot (gevalideerde data) Afstand-tot-koeltekaart - Klimaateffectatlas 6 Kaartviewer - Klimaateffectatlas (overstromingsdiepte en plaatsgebonden overstromingskans) 5

57

in het landbouwgebied rondom kan nog eens 230.000 m3 worden geborgen. In het project zijn kades verwijderd, inlaten en vispassages aangelegd, natuurlijke oevers gegraven en oude meanders hersteld. Het gebied staat in directe verbinding met de Wold Aa. Daarnaast zet het Waterschap in op het vasthouden van water langs de Reest. Hiervoor zijn in het hele Reestdal maatregelen getroffen. Autonome ontwikkeling De gevolgen van klimaatverandering zullen in de autonome ontwikkeling doorzetten in de vorm van extreme neerslag, droogte en hittestress. Naar verwachting neemt het maximaal potentieel neerslagtekort in 2050 toe tot 270-300 mm. Ook de gevoelstemperatuur op een warme zomerdag toe tot circa 45 graden Celsius is de binnenstad. Meppel is kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Het extreme weer zorgt afwisselend voor hogere en lagere rivierafvoeren en voor meer opstuwing. De hoge waterstanden in het watersysteem met de bijbehorende beekdalen maken vergroting van de bergingsen/of afvoercapaciteit in het regionale systeem naar verwachting noodzakelijk. Binnenstedelijk zet de gemeente zich in voor meer groen in de stad en het voorkomen van wateroverlast door meer ruimte te reserveren voor tijdelijke opvang van water bijvoorbeeld door aanleg van wadi’s. In de autonome ontwikkeling zijn de kansen op overstroming in 2050 gelijk volgens de klimaateffectatlas.

Door de verwachte uitbreiding en groei van inwoners nemen echter de kwetsbaarheid en daarmee de potentiële gevolgen van een overstroming toe. Beoordeling referentiesituatie De referentiesituatie wordt zowel voor hitte en droogte als voor wateroverlast beoordeeld als negatief ten opzichte van de huidige situatie. Hoewel de kansen op overstroming gelijk blijven volgens de klimaateffectatlas en de gemeente ruimte reserveert voor tijdelijke opvang van water, groeit door de toenemende klimaatverandering de kwetsbaarheid voor droogte en overstromingen. Grotere aandacht voor dit aspect is noodzakelijk om de negatieve gevolgen van klimaatverandering te temperen. Huidige situatie (2024)

Referentiesituatie (2040)

4.1.3 Landschap en openbare ruimte Landschap en cultuurhistorie (kaarten 27, 36) Huidige situatie Zuidwest-Drenthe vormde in de Vroege Middeleeuwen een ontoegankelijke veenwildernis en was als vestigingsgebied weinig aantrekkelijk. Vondsten die wijzen op bewoning in prehistorische of vroegmiddeleeuwse tijd zijn er dan ook niet. Het gebied lag ingeklemd tussen drie reeds vroeg bewoonde en relatief dichtbevolkte streken: het Drents Plateau, het Friese kleigebied en de streek rond Vollenhove, aan de Zuiderzee. De eerste bewoning in Zuidwest-Drenthe vond plaats op de hogere zandgronden, de stuwwallen, die niet of nauwelijks met veen bedekt waren. Deze gronden zijn voornamelijk te vinden langs de Reest, de benedenloop van de Wold Aa en het Meppeler Diep. Hier ontstonden na de negende eeuw, mogelijkerwijs zelfs na het midden van de tiende eeuw ‘esachtige nederzettingen’ zoals De Wijk, Schiphorst, Broekhuizen, Duninge en Dikninge. Het esdorpenlandschap wordt gekenmerkt door kenmerkende elementen; open essen met es-randbeplanting, esbosjes (geriefhoutbosjes), dwars- en lengtewallen en singels, lange beekdalstructuren, beekdalen onder invloed van kwel, (voormalige) heidevelden, veentjes en pingo ruïnes, zandpaden en grote (stuifzand)bosgebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=7718ac17-6ec5-4380-9793-e01765bd70b0