Bijlage 1. Ecologische quickscan
Tekst van het document
Verkennend natuuronderzoek Commissaris de Vos van Steenwijklaan 10 te Meppel Onderzoek naar de mogelijke effecten van de voorgenomen ontwikkeling op beschermde soorten flora en fauna en beschermde natuurgebieden
Datum: 04-10-2022 Auteur: D. Tuitert Opdrachtgever: JongBouw Rapportnummer: VKNO/2022/04.10 Versie: D2
Inhoud Inhoud ................................................................................................................................. 2 1 Inleiding ........................................................................................................................ 3 1.1 Aanleiding............................................................................................................ 3 1.2 Doelstelling .......................................................................................................... 3 1.3 Onderzoeksgebied .............................................................................................. 3 2 Wettelijk kader ............................................................................................................. 5 2.1 Wet natuurbescherming; Natura 2000 ................................................................ 5 2.2 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ................................................... 5 2.3 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ....................................... 6 3 Gebiedsbescherming ................................................................................................... 7 3.1 Natura 2000-gebieden ........................................................................................
7 3.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................... 7 4 Soortenbescherming .................................................................................................... 9 4.1 Verkennend veldbezoek ...................................................................................... 9 4.2 Flora .................................................................................................................... 9 4.3 Vogels ................................................................................................................. 9 4.4 Zoogdieren ........................................................................................................ 10 4.4.1 Vleermuizen .................................................................................................. 10 4.4.2 Overige zoogdiersoorten ............................................................................... 10 4.5 Vissen, amfibieën en reptielen .......................................................................... 10 4.6 Ongewervelden ................................................................................................. 10 5 Conclusie ...................................................................................................................
12 5.1 Wet natuurbescherming; Natura 2000 .............................................................. 12 5.2 Wet natuurbescherming; soortenbescherming ................................................. 12 5.3 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................. 12
2
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Voor de locatie Commissaris de Vos van Steenwijklaan 10 in Meppel bestaan herontwikkelingsplannen. De plannen bestaan uit de ver(nieuw)bouw van de huidige bebouwing. In opdracht van JongBouw is hiervoor een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd om de mogelijke effecten op beschermde soorten flora en fauna en Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming en beschermde gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland in beeld te brengen. Voorliggend rapport bevat de uitkomsten van het verkennend natuuronderzoek.
Figuur 1.1: Locatie onderzoeksgebied.
1.2 Doelstelling De doelstelling van dit onderzoek is om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden ten aanzien van beschermde soorten flora en fauna of Natura 2000-gebieden of uit de Omgevingsverordening van de provincie Drenthe ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Indien sprake is van effecten op beschermde soorten flora en fauna, dan is voor de ingreep mogelijk een ontheffing vereist op grond van de Wet natuurbescherming. Indien sprake is van significante gevolgen voor Natura 2000gebieden, dan is voor de ingreep mogelijk een vergunning vereist op grond van de Wet natuurbescherming. Aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland is alleen onder voorwaarden toegestaan binnen de ruimtelijke procedures. 1.3 Onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied betreft het voormalige bedrijfspand van de Apotheek De Commissaris. De bebouwing heeft gemetselde gevels met spouwmuren en enkele open stootvoegen die toegang geven tot een spouw. De bebouwing heeft geen hellende pannendaken. Het terrein is vrijwel volledig bebouwd en verhard. Alleen rondom het gebouw is een gecultiveerde bedrijfstuin aanwezig met lage beplanting. Onderstaande foto’s geven een indruk van het onderzoeksgebied.
3
Foto 1 t/m 7: Indruk onderzoeksgebied.
4
2
Wettelijk kader
2.1 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 2.2 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) • lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: ❖ onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;
5
❖ onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of ❖ onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.
2.3 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Drenthe zijn opgenomen in de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Drenthe.
6
3
Gebiedsbescherming
3.1 Natura 2000-gebieden Het onderzoeksgebied maakt geen onderdeel uit van de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is De Wieden op ca. 3 km afstand van het onderzoeksgebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 5 km) van het onderzoeksgebied.
Figuur 3.1: Ligging Natura 2000-gebieden (groen) ten opzichte van het onderzoeksgebied (rode stip). Bron: Atlas van Drenthe.
Het onderzoeksgebied ligt in het stedelijk gebied van Meppel en is niet direct zichtbaar vanuit omliggende Natura 2000-gebieden. Van optische verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Gelet op de ligging van het onderzoeksgebied in het stedelijk gebied van Meppel, de relatief grote afstand tot Natura 2000 en de beperkte impact van de ingreep (reguliere verbouw werkzaamheden), kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid op voorhand worden uitgesloten. Van een significante verstoring van kwalificerende soorten is geen sprake. Significante gevolgen door oppervlakteverlies, verstoring door licht of geluid of optische verstoring zijn op voorhand met zekerheid uitgesloten. Het nabijgelegen Natura 2000-gebied De Wieden en andere omliggende Natura 2000gebieden zijn stikstofgevoelige gebieden. Als gevolg van de aanlegwerkzaamheden komen extra stikstofemissies vrij die zouden kunnen leiden tot een toename aan stikstofdepositie op omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Voor dergelijke bouwactiviteiten geldt echter een vrijstelling van de vergunningplicht op grond van de Wet stikstofreductie en natuurherstel. 3.2 Natuurnetwerk Nederland Het onderzoeksgebied ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbij gelegen NNN-gebied is het wandelbos op ca.
200 meter afstand van het onderzoeksgebied. Aangezien het onderzoeksgebied buiten de begrenzing van NNN ligt en de Omgevingsverordening van Drenthe geen bepalingen ten aanzien van externe werking kent, is nadere toetsing aan de bepalingen uit de Omgevingsverordening van Drenthe ten aanzien van NNN niet noodzakelijk. Gelet op de kleinschaligheid van de voorgenomen ingreep (reguliere verbouwwerkzaamheden in het stedelijk gebied van
7
Meppel) wordt een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN overigens ook niet verwacht.
Figuur 3.2: Ligging NNN ten opzichte van het onderzoeksgebied (rode ster). Bron: Planviewer Atlas van Drenthe.
8
4
Soortenbescherming
4.1 Verkennend veldbezoek Op 7 juni 2022 heeft een verkennend veldbezoek in het onderzoeksgebied plaatsgevonden tijdens de daglichtperiode (avond). Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker en een zaklamp en met een camera zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Er heeft een visuele inspectie van de bebouwing in het onderzoeksgebied plaatsgevonden, waarbij is gekeken naar sporen van uilen (braakballen, uitwerpselen), steenmarter (latrines, prooiresten) en vleermuizen (uitwerpselen, vlindervleugeltjes). Daarbij is gebruik gemaakt van een zaklamp. De buitenruimte rondom het gebouw is bekeken op aanwezigheid van (sporen van) beschermde soorten en potentie voor aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren. Er is gekeken naar potentieel geschikte verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van beschermde soorten kunnen duiden, zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Voorafgaand aan het veldbezoek is de NDFF geraadpleegd. Er zijn in de NDFF geen waarnemingen van beschermde soorten aanwezig uit het onderzoeksgebied zelf of de directe omgeving. 4.2 Flora Er zijn geen verspreidingsgegevens van beschermde plantensoorten bekend uit het onderzoeksgebied.
Het onderzoeksgebied bevat ook geen geschikt biotoop voor beschermde plantensoorten, behalve voor beschermde soorten muurplanten. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen beschermde soorten muurplanten aangetroffen op de gevels van de bebouwing. Onverharde terreindelen bestaan uit gecultiveerde bedrijfstuin. Hier ontbreken geschikte standplaatseisen voor beschermde plantensoorten. Aanwezigheid van beschermde plantensoorten in het onderzoeksgebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar planten of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.3 Vogels Er zijn geen waarnemingen van vogels met een jaarrond beschermde nestplaats bekend uit het onderzoeksgebied. In het onderzoeksgebied zijn geen grote bomen aanwezig waarin boombewonende vogels met een jaarrond beschermde nestplaats zoals roofvogels, ransuil en roek kunnen broeden. Wel kunnen in het onderzoeksgebied algemeen voorkomende (zang)vogels broeden in begroeiing en op het platte dak van het gebouw. Nesten van dergelijke vogels zijn niet jaarrond beschermd. Tijdens het broedseizoen dient wel rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van broedende (zang)vogels hier. De bebouwing in het onderzoeksgebied is ongeschikt als broedplaats voor vogels met een jaarrond beschermde nestplaats.
De bebouwing bevat geen voor huismus of gierzwaluw geschikte hellende pannendaken of andere dakconstructies. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen nesten van huiszwaluw aangetroffen aan de gevels van de bebouwing. De bebouwing is ontoegankelijk voor uilen zoals kerkuil en steenuil. Nader onderzoek naar vogels of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.
9
4.4
Zoogdieren
4.4.1 Vleermuizen Er zijn geen waarnemingen van beschermde soorten vleermuizen bekend uit het onderzoeksgebied. De bebouwing in het onderzoeksgebied bevat spouwmuren met op enkele plekken open stootvoegen die toegang geven tot de spouw. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kan daarom niet op voorhand worden uitgesloten. Aan de hand van aanvullend vleermuisonderzoek dient vastgesteld te worden of daadwerkelijk verblijfplaatsen van vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn. Indien dit het geval is, dan is mogelijk een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de sloop van de bebouwing. In het onderzoeksgebied zijn geen bomen met holtes, scheuren of andere vormen van gaten aanwezig. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kunnen op voorhand worden uitgesloten. Van essentieel foerageergebied of van essentiële vliegroutes van vleermuizen is geen sprake vanwege het ontbreken van opgaande begroeiing en lijnvormige landschapselementen. 4.4.2 Overige zoogdiersoorten Er zijn geen waarnemingen van beschermde soorten overige zoogdieren bekend uit het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied is ongeschikt als leefgebied voor de meeste niet-vrijgestelde overige beschermde overige zoogdiersoorten zoals das, boommarter, eekhoorn en kleine marterachtigen zoals bunzing, hermelijn en wezel vanwege het ontbreken van geschikt leefgebied.
Het onderzoeksgebied is vrijwel volledig verhard en bebouwd. Onverharde terreindelen bestaan uit gecultiveerde bedrijfstuin. Hier zijn geen steen- of takkenhopen of houtstapels aanwezig waarin kleine marterachtigen kunnen verblijven. De bebouwing is wel potentieel geschikt als leefgebied voor de gebouwbewonende steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen (uitwerpselen, latrines, urinevlekken, prooiresten) van steenmarter aangetroffen. Aanwezigheid van steenmarter in de bebouwing kan daarom worden uitgesloten. De bebouwing bevat bovendien geen toegankelijke openingen voor steenmarter. Nader onderzoek naar overige zoogdieren of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.5 Vissen, amfibieën en reptielen Er zijn geen waarnemingen van beschermde soorten vissen, amfibieën en reptielen bekend uit het onderzoeksgebied. Tijdens het veldbezoek is geen geschikt biotoop voor beschermde soorten vissen, amfibieën en reptielen aangetroffen in het onderzoeksgebied. In het onderzoeksgebied is geen oppervlaktewater aanwezig wat kan dienen als leefgebied voor beschermde vissen of als voortplantingsplaats voor beschermde amfibieen en ringslang. In het onderzoeksgebied zijn geen zandige plekken aanwezig en ontbreekt heide of andere schrale vegetaties als potentieel leefgebied voor rugstreeppad, hagedissen of slangen.
Er ligt ook geen dood hout of ander organisch materiaal waar reptielen of amfibieën onder kunnen schuilen. Aanwezigheid van niet-vrijgestelde beschermde soorten amfibieën, reptielen en vissen kan daarom op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar amfibieën, reptielen en vissen of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.6 Ongewervelden Er zijn geen waarnemingen van beschermde soorten ongewervelden bekend uit het onderzoeksgebied. Tijdens het verkennend veldbezoek is geconstateerd dat het onderzoeksgebied ongeschikt is als leefgebied voor beschermde soorten ongewervelden. Het onderzoeksgebied is volledig verhard en bebouwd. Er zijn geen voor beschermde vlin-
10
dersoorten geschikte waardplanten in het onderzoeksgebied aanwezig en oppervlaktewater, moeras- en schrale vegetaties die geschikt leefgebied vormen voor beschermde soorten libellen en vlinders ontbreken. In het onderzoeksgebied staan ook geen oude eikenbomen/-stobben die geschikt zijn als leefgebied voor vliegend hert of sleedoornstruweel dat geschikt is als leefgebied voor de sleedoornpage. De aanwezigheid van beschermde soorten ongewervelden in het onderzoeksgebied kan derhalve worden uitgesloten. Nader onderzoek naar ongewervelden of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.
11
5
Conclusie
5.1 Wet natuurbescherming; Natura 2000 De voorgenomen herontwikkeling leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000. Nadere toetsing in de vorm van een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 5.2 Wet natuurbescherming; soortenbescherming Het onderzoeksgebied bevat voor vleermuizen toegankelijke bebouwing, waardoor aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen niet op voorhand kan worden uitgesloten. Aan de hand van aanvullend vleermuisonderzoek dient vastgesteld te worden of daadwerkelijk verblijfplaatsen van vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn. Indien dit het geval is, dan is mogelijk een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de sloop van de bebouwing. Verder bevat het onderzoeksgebied geen groeiplaatsen, verblijfplaatsen, jaarrond beschermde vogelnesten, essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes van nietvrijgestelde beschermde soorten flora en fauna. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is wat dat betreft niet aan de orde. Wel dient rekening gehouden te worden met aanwezigheid van broedvogels waarvan het nest niet jaarrond is beschermd. Dergelijke broedende vogels mogen niet verstoord worden tijdens het broeden.
5.3 Natuurnetwerk Nederland De voorgenomen ingreep leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Drenthe ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Verdere toetsing in de vorm van een “Nee, tenzij-toets” is niet aan de orde.
12