3. 2025 Geconsolideerde tekst gewijzigde verordening sociaal domein gemeente Meppel 2025
Tekst van het document
voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 11. De voorziening als bedoeld in lid 10 kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag.
2.2.4. Onderzoek 1. Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige of zijn ouders zo
spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige of zijn ouders en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; c. het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden; d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; e. de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden door het inzetten van een algemene voorziening; f. de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;
25
g. de mogelijkheden om te kiezen voor een PGB, waarbij de jeugdige
en/of ouder in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze; h. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; i. hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. 2. Het college verzamelt alle voor het gesprek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige of zijn ouder en zijn situatie. 3. Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als de toeleiding en onderzoek naar, advisering over of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. Adviezen kunnen worden gegeven door: a. Een SKJ-geregistreerde jeugdconsulent van de gemeente; b. de jeugdgezondheidszorg; c. een medicus gespecialiseerd in de betreffende handicap; d. een orthopedagoog; e. een jeugdpsycholoog, of; f. een ander gespecialiseerd deskundige anders dan onder a t/m e, als situatie dit vereist. 4. Ter voorbereiding van het gesprek, verschaft de jeugdige of zijn ouder aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen 5. Het college kan, met instemming van de jeugdige of zijn ouders, informatie
inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest aangewezen hulp. 6. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanvraag, degene door of namens wie een aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: 7. op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen; 8. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 9. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder afzien van een gesprek. 10. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van de uitkomsten van het onderzoek in de vorm van het gespreksverslag. Ouders hebben de gelegenheid om binnen een overeengekomen termijn hierop te reageren en deze reacties worden indien gewenst toegevoegd aan het verslag.
2.2.5. Inzet jeugdhulp 1. De afgestemde hulp en ondersteuning wordt zodanig ingezet dat dit (indien
van toepassing) leidt tot:
26
a. Opheffen van een situatie die voor de jeugdige en zijn ouders en/of de
omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; b. Stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; c. Voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van de jeugdige en zijn ouders, voor zover dat binnen het vermogen ligt; d. Voldoende mate van meedoen in de (lokale) samenleving voor de jeugdige en zijn ouders, voor zover dat binnen het vermogen ligt. 2. Het college weegt bij de afstemming van hulp en ondersteuning de volgende aspecten mee: a. de behoefte aan hulp en ondersteuning van de jeugdige en zijn ouders of het gezin, alsmede de eigen kracht en mogelijkheden van het sociale netwerk; b. welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; c. welke (informele) hulp en ondersteuning leidt tot de minste kosten op lange termijn. 3. Indien de jeugdige en/of zijn ouders weigeren mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het vorige lid, is het college niet gehouden een individuele voorziening toe te kennen of voort te zetten op grond van deze verordening. 4.
Indien een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de Jeugdwet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld onder artikel 2.1.5., is het college er voor verantwoordelijk om: a. voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn, en b. de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is.
2.2.5.1. {Gereserveerd}
2.2.5.2. Hulp tijdens onderwijs 1. Geïndiceerde hulp in de vorm van begeleiding die moet worden geleverd naast gebruikelijke hulp mag worden ingezet zowel op school als in de thuissituatie. Daarbij geldt dat als de begeleiding thuis valt onder gebruikelijke hulp daarvoor op school ook geen jeugdhulp kan worden ingezet. 2. Als het gedrag van de jeugdige op school de omgang met medeleerlingen bemoeilijkt kan hulp worden geïndiceerd in de vorm van begeleiding gericht op toezicht.
27
2.2.6. Regels voor het PGB 1. Het college verstrekt een PGB voor jeugdhulp in overeenstemming met artikel
8.1.1 van de Jeugdwet. 2. Er wordt geen PGB verstrekt voor kosten die de jeugdige of zijn ouder voorafgaand aan de aanvraag al heeft gemaakt en achteraf niet is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 3. Wanneer een jeugdige of zijn ouder heeft aangegeven dat hij zijn ondersteuning in wil zetten met behulp van een PGB, maakt het college met de jeugdige of zijn ouder via een door hen opgesteld PGB-plan afspraken over: a. Welke ondersteuning met het PGB wordt ingekocht en waarom deze ondersteuning passend is; b. Wie deze ondersteuning levert; c. Wat de kosten zijn van deze ondersteuning; d. Waarom het aanbod in zorg in natura (ZIN) niet passend is; e. Hoe invulling wordt gegeven aan het budgethouderschap f. Hoe de kwaliteit geborgd is aan de hand van de kwaliteitscriteria zoals opgenomen in het Drents Kwaliteitskader. 4. Het college legt de in het derde lid genoemde afspraken vast in het gespreksverslag. 5. De hoogte van het PGB wordt door het college als volgt berekend: a. Volgens de geldende kostprijs van de bouwsteen voor toegekende jeugdhulp voor hulp in natura die het college verschuldigd is bij de reguliere inkoop. b. Voor jeugdhulp verleend door een informele hulp 45% van de geldende kostprijs van de bouwsteen voor toegekende jeugdhulp in natura die het college verschuldigd is bij de reguliere inkoop. 6.
De persoon aan wie een PGB wordt verstrekt kan de jeugdhulp, uitgezonderd behandeling, betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, mits deze persoon: a. meerderjarig is, en b. veilige, doelmatige en cliëntgerichtheid jeugdhulp verleent, die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of zijn ouders, en c. deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de jeugdige of ouders voor hem niet tot overbelasting leidt. 7. Een PGB dient door de jeugdige of zijn ouders binnen drie maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het doel waarvoor het is verstrekt. 8. Een PGB is alleen bestemd voor het betalen van loonkosten van een hulpverlener . 9. Een PGB beheerder mag niet ook hulpaanbieder zijn 10. Een PGB beheerder moet bekwaam zijn om het PGB te beheren. Het college kan van een beoogde PGB beheerder verlangen dat deze een vaardigheidstest doet. De beoogd PGB beheerder moet in dat geval slagen voor de vaardigheidstest voordat een PGB kan worden verleend.
28
11. Het PGB mag niet worden gebruikt om een PGB beheerder of tussenpersoon
te betalen. 12. De tegemoetkoming voor hulp uit het sociaal netwerk als bedoeld in artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet kan worden toegekend voor informele hulp in de vorm van een logeervoorziening of kortdurend verblijf. De hoogte van de tegemoetkoming wordt bepaald aan de hand van een door het college vast te stellen bedrag per etmaal en kan maximaal €141 per kalendermaand bedragen. 13. Het college kan het maximale bedrag als bedoeld in lid 12 jaarlijks verhogen met het prijsindexeringspercentage dat wordt toegepast in de begroting voor het onderdeel sociale voorzieningen.
2.2.7. Opschorting betalingen uit het PGB 1. Het college kan beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van
betalingen uit het PGB voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een jeugdige of ouder een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4. Jeugdwet. 2. Het college kan beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB voor de duur van de opname als de jeugdige of ouder langer dan een door het college vastgestelde periode verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3. Indien het college een besluit neemt op grond van het eerste en/of tweede lid van dit artikel, wordt de PGB-houder daarover schriftelijk geïnformeerd.
2.2.8 Onderscheid formele en informele hulp 1. Bij toekenning van een PGB wordt onderscheid gemaakt tussen formele- en
informele hulp. 2. Als formele hulp kwalificeren aanbieders van professionele jeugdhulp die: a. Niet door toezichthouders zijn gesignaleerd wegens het verlenen van ondeskundige zorg, handelen in strijd met de wet, misleiding, fraude of uitbuiting van het personeel; b. Een kwaliteitszorgsysteem hanteren, waarbij onder andere de cliënttevredenheid wordt getoetst; c. Aangesloten zijn bij een professioneel collectief; d. Een duidelijke regeling voor hulpverlening in periode van ziekte of vakantie hanteren; e. Verzekerd zijn voor beroepsaansprakelijkheid/bedrijfsaansprakelijkheid voor minimaal €1.250.000,-- per gebeurtenis en €2.500.000,-- per jaar; f. Voldoen aan specifieke opleidingseisen gericht op het verlenen van jeugdhulp; g. Beschikken over een adequate klachtenregistratie; h. Zich richting de belastingdienst gedragen als een zelfstandig ondernemer blijkend uit een of meer aangiften inkomstenbelasting over de afgelopen drie jaar.
29
i. Beschikken over een inschrijving in de Kamer van Koophandel als
aanbieder gericht op het leveren van jeugdhulp; j. Een verklaring omtrent het gedrag (VOG), niet ouder dan drie maanden, kunnen overleggen volgens het screeningsprofiel “(gezins) voogd bij voogdij instellingen, reclasseringsmedewerker, raadsonderzoeker en maatschappelijk werker; k. Zijn geregistreerd in het beroepsregister jeugd (SKJ) of BIG; Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp. Indien de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 2, is sprake van informele hulp.
3. 4.
2.2.9.Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO - schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel.
2.2.10 Vertrouwenspersoon 1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep
kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2. Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen
laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
2.2.11. [Vervallen per 1-1-2025] 2.2.11.1. Pupilkosten 1.
Pupilkosten worden alleen toegekend aan een GI als: a. Er een maatregel is opgelegd uitgevoerd door de GI niet zijnde pleegzorg. in het pleegzorgtarief zijn in plaats hiervan bijzondere kosten opgenomen; b. Ouders aantoonbaar deze kosten niet kunnen betalen. Ouders blijven wettelijk verantwoordelijk voor het levensonderhoud van hun kind, ook als het kind niet meer bij hen kan wonen (uithuisplaatsing) en/of als er sprake is van gezagsbeëindiging (voogdij). c. De GI aantoonbaar de ouder met gezag stimuleert en indien nodig de aanwijzing geeft om bronnen aan te wenden waarmee de ouder aan de
30
2.
verantwoordelijkheid van het bekostigen van pupilkosten invulling kan geven. De looptijd van de pupilkosten in combinatie met een verblijfsindicatie worden gelijk getrokken met de einddatum van het verblijf. Als een jongere weer naar huis gaat kan de toets voor het betalen van de kosten door de ouders opnieuw plaatsvinden.
2.2.12 Medezeggenschap bij aanbieders van jeugdhulp 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten
over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen met meer dan 50 klanten. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders.
2.3. Participatiewet /IOAW/IOAZ (maatregelen niet geüniformeerde en geüniformeerde verplichtingen) 2.3.1. Opleggen van een maatregel (bij niet geüniformeerde verplichtingen) 1. Het college legt overeenkomstig deze verordening een maatregel op indien de
belanghebbende naar het oordeel van het college: a. Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de Participatiewet; b. de uit de Participatiewet voortvloeiende verplichtingen, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, niet of onvoldoende nakomt; c. een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid, IOAW/IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ; d. een inkomen zou hebben kunnen verwerven uit of in verband met arbeid als bedoeld in artikel 20 IOAW/IOAZ. 2. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Ook wordt beoordeeld of de met de maatregel te dienen doelen niet onevenredig zijn met de nadelige gevolgen voor de inwoner.
2.3.2. Niet meewerken aan een taaltoets Als een inwoner niet meewerkt aan het afleggen van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b, tweede lid van de Participatiewet, wordt een maatregel opgelegd van: a. 20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand;
31
b. 40% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand als de inwoner zich binnen
12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een maatregel is toegepast vanwege het niet meewerken aan het afleggen van een taaltoets opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging; c. 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand als belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit in de zin van artikel 2.3.1., lid 1 onderdeel b, van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging.
2.3.3. Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie; het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie. b. tweede categorie; I. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet. II. het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. III. het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen, in verband met arbeidsinschakeling. IV.
het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet. V. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. VI. geen uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij vijf uitzendbureaus. c. derde categorie; het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.
32
2.3.4. Gedragingen Ioaw en Ioaz Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie:
het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: I. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; II. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW/IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; III. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW/IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW/IOAZ; IV. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW/IOAZ; V. geen uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij vijf uitzendbureaus; derde categorie: I. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; II.
het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW/IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; III. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren.
2.3.5. Hoogte en duur van de maatregel 1. De maatregel, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 2.3.3. en 2.3.4. wordt
vastgesteld op: a. 20% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 50% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;
33
c. 100% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de derde
categorie. 2. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie. 3. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 2.3.4., tweede lid. 4. Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid, belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie, dan wordt door het college aan belanghebbende een maatregel opgelegd van honderd procent van de norm gedurende maximaal drie maanden. 5. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 2.3.4., tweede lid.
2.3.6. Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid 1. Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de
belanghebbende die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard uit of in verband met deze arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 IOAW/IOAZ zou hebben kunnen verwerven indien: a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, weigert het college de uitkering overeen periode van 26 weken gedeeltelijk door het bedrag van de uitkering te verlagen met 50% van het inkomen, bedoeld in de eerste zin van het eerste lid, indien het eindigen van de dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten.
2.3.7. Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende met het verrichten van arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven als bedoeld in of op grond van artikel 8 IOAW/IOAZ indien de belanghebbende: a. nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;
34
b.
door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
2.3.8. Duur maatregel bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting 1. Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid,
van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de maatregel honderd procent van de norm gedurende één maand. 2. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18,vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de norm gedurende twee maanden.
2.3.8.1. Verrekenen verlaging 1. Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 2.3.8., wordt toegepast over
de maand van oplegging van de maatregel en de volgende 2 maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Waarbij over de eerste maand ten minste 1/3 van het bedrag van de verlaging wordt verrekend. 2. Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de PW, vindt geen verrekening als bedoeld in het eerste lid plaats.
2.3.9. Beleidsregels inkeerregeling 1. Het college stelt beleidsregels vast waarin het de inkeerregeling, als bedoeld
in artikel 18, elfde lid, van de participatiewet, nader invult. 2. Op basis van deze beleidsregels heroverweegt het college de op grond van artikel 18, vijfde, zesde, zevende of achtste lid van de participatiewet opgelegde maatregel, indien belanghebbende het college daarom verzoekt.
2.3.10. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor
2. 3. 4.
5.
de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordtafgestemd op het benadelingsbedrag, tenzij het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld. De maatregel wordt vastgesteld op 20% van de norm gedurende één maand indien het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld. De maatregel wordt vastgesteld op 100% van de norm gedurende één maand indien sprake is van een benadelingsbedrag. Indien het bedrag van de maatregel op grond van het derde lid hoger zou zijn dan het benadelingsbedrag, is het bedrag van de maatregel, in afwijking van het derde lid, gelijk aan het benadelingsbedrag doch niet lager dan 20% van de norm. De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid en derde lid wordt met één maand verlengd, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw
35
een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoont. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd,wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de Participatiewet. 6. Onder tekortschietend besef voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in het eerste lid wordt onder andere verstaan: a. het niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding tot stand te brengen; b. het verkopen van het woon en/of bedrijfspand beneden de WOZwaarde; c. het te snel interen van vermogen op grond van de Participatiewet; d. onderbedeling bij echtscheiding; e. te late of geen aanvaarding van een voorliggende voorziening op grond van artikel 15 van de participatiewet; f. het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; g. het feitelijk niet kunnen beschikken over een voorliggende voorziening op grond van artikel 15 van de Participatiewet omdat een bestuurlijke boete daarmee is verrekend zonder rekening te houden met de beslagvrije voet vanwege recidive; h. bij nadere overeenkomst geen aanspraak maken op de door de rechter toegekende alimentatie; i. het niet hebben van een op grond van de Zorgverzekeringswet verplichte basisverzekering.
2.3.11. Zeer ernstige misdragingen 1. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en
instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet en/of de IOAW/IOAZ als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet en artikel 37 lid 1 onder g van de IOAW/IOAZ, wordt een maatregel opgelegd van 50% van de norm gedurende één maand. 2. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de Participatiewet. 3. Onder zeer ernstige misdragingen als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt onder andere verstaan: a. extreem verbaal geweld; b. discriminatie; c. ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische druk); d. zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); e. mensgericht fysiek geweld; f. overige/combinatie van agressievormen.
36
2.3.12. Niet nakomen van overige verplichtingen 1. Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als
bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel opgelegd. De maatregel wordt vastgesteld op: a. 20% van de norm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; b. 20% van de norm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; c. 40% van de norm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; d. 100% van de norm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. 2. Als een belanghebbende een door het college opgelegde budgetteringsplicht als bedoeld in artikel 57,onderdeel a, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel opgelegd van 20% van de norm gedurende één maand. 3. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging.
Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de Participatiewet. 4. Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid, belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging, dan wordt door het college aan belanghebbende een maatregel opgelegd van honderd procent van de norm gedurende maximaal drie maanden. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.
2.3.13. Horen van belanghebbende 1. Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de
gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengenen zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;
37
het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of d. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. c.
2.3.14. Afzien van het opleggen van een maatregel 1. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door
het college heeft plaatsgevonden. 2. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Als het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
2.3.15. Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel 1. De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende norm, tenzij de verordening anders bepaalt. 2. Een maatregel kan met terugwerkende kracht worden opgelegd over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een maatregel overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de bijstand en/of uitkering is beëindigd of ingetrokken.
2.3.16. Berekeningsgrondslag 1. Een maatregel wordt toegepast op de norm. 2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel worden toegepast op de
bijzondere bijstand als aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet.
2.3.17. Samenloop van gedragingen 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze
verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste maatregel is gesteld. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.
38
3. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze
verordening of artikel18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen maatregel opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.
2.3.18. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Als het college de uitkering op grond van artikel 20 van de IOAW/IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.
2.3.19.Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de maatregel; b. de duur van de maatregel; c. het bedrag of percentage waarmee de bijstand of uitkering wordt verlaagd of geweigerd; en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardmaatregel.
2.3.20. (gereserveerd) Bestrijding misbruik 2.3.21.Terugvordering ten onrechte verstrekte uitkeringen Het college maakt gebruik van de wettelijke bevoegdheden tot herziening en terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen. De vordering kan worden verhoogd met de bruto belastingen premies die daarover door het college zijn afgedragen
2.4.Participatiewet/ Ioaw/Ioaz (toeslagen) 2.4.1. Doelgroep individuele inkomenstoeslag Tot de doelgroep van deze regeling behoren personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen, geen in aanmerking te nemen vermogen en geen uitzicht op inkomensverbetering hebben, als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de
39
Participatiewet, én ten tijde van aanvraag in de gemeente Meppel woonachtig zijn.
2.4.2. Langdurig laag inkomen Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 105% van de voor hem in zijn situatie toepasbare bijstandsnorm.
2.4.3. Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. Voor de individuele inkomenstoeslag is een bedrag van € 444,00 per
kalenderjaar vastgesteld voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en gehuwden. 2. Het bedrag in het eerste lid kan door het college jaarlijks worden geïndexeerd met 1,5%. Het bedrag wordt afgerond op hele euro’s.
2.4.4. Inhoud van een tegenprestatie Als tegenprestatie gelden onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, voor zover die werkzaamheden: a. naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; b. niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument; c. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en d. geen arbeid verdringend karakter hebben, noch een financieel gewin tot doel hebben.
2.5. Participatiewet/Ioaw en Ioaz Tegenprestatie en arbeidsinschakeling 2.5.1.Het opdragen van een tegenprestatie 1. Het college kan een inwoner een tegenprestatie opdragen. 2. Het college stelt ter uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin
wordt aangegeven wanneer sprake is van verdringing op de arbeidsmarkt. 3. In afwijking van het eerste lid draagt het college geen tegenprestatie op aan de inwoner die: a. aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als bedoeld in deze verordening; b. mantelzorg verricht voor zover het verrichten van die mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is; c. een belanghebbende snel toegang tot de arbeidsmarkt heeft. 4. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren: a. Het vermogen om een tegenprestatie te verrichten; b. De persoonlijke situatie en individuele omstandigheden; c. Het verrichten van mantelzorg of vrijwilligerswerk.
40
5. Een inwoner dient zelf met een voorstel te komen voor een passende
tegenprestatie, zodat de hij invloed heeft op de invulling van de tegenprestatie. 6. Indien een inwoner dit nalaat bepaalt het college zelf de inhoud van de tegenprestatie.
2.5.2.Duur en omvang van een tegenprestatie 1. De tegenprestatie wordt opgedragen voor de duur van 12 maanden. 2. Na de periode als genoemd in het eerste lid wordt de duur verlengd met 12
maanden, nadat de consulent heeft beoordeeld of de omstandigheden en situatie van de belanghebbende verder onveranderd zijn gebleven. 3. De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 8 uren per week.
2.5.3.Voorzieningen gericht op re-integratie en arbeidsinschakeling (PW/IOAW/IOAZ) 1. Het college biedt aan inwoners ondersteuning bij de re-integratie naar de
arbeidsmarkt voor zover het college deze ondersteuning noodzakelijk vindt. 2. Het college onderzoekt de individuele wensen, acties gericht op vergroting van zelfstandigheid, mogelijkheden en capaciteiten van een belanghebbende om de ondersteuning zo doelmatig en duurzaam mogelijk te realiseren. Waar mogelijk wordt rekening gehouden met individuele wensen. Het college legt dat vast in het plan van aanpak van de belanghebbende. 3. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een inwoner. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die inwoner en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 4. Een voorziening is mogelijk ten behoeve van organisaties met of zonder winstoogmerk.
2.5.4.Algemene bepalingen over voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling 1. Het college stelt desgewenst via een plan al bedoeld in artikel 44a Pw en na
overleg met de belanghebbende vast welke voorziening wordt aangeboden aan een inwoner uit de doelgroep. 2. Het college bepaalt de voorwaarden waaronder de voorziening wordt aangeboden bijvoorbeeld een budgetplafond of een bijdrage door de persoon uit de doelgroep. 3. Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de inwoner die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van
41
b. c.
d. e. f. g.
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet; de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening, of; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
2.5.5.Vormen van ondersteuning tot arbeidsinschakeling De volgende vormen van maatwerkvoorzieningen zijn beschikbaar: a. Sociale activering b. Scholing c. Werkervaringsplek en proefplaatsing d. Participatieplaats e. Participatievoorziening beschut werk f. Detacheringsbaan g. Ondersteuning bij leer-werktraject h. Persoonlijke ondersteuning i. Verwervingskosten (tussen gemeente en werkgever) j. Indienstnemingssubsidie personen behorend tot de doelgroep
2.5.6.Sociale activering 1. Het college kan een inwoner die behoort tot de doelgroep activiteiten
aanbieden in het kader van sociale activering. 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van de inwoner. 3. Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
2.5.7.Scholing 1. Het college kan een inwoner die behoort tot de doelgroep scholing aanbieden
42
2. De scholing kan worden aangeboden in de vorm van subsidie of een
verstrekking in natura. 3. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. Het gaat de capaciteiten van de inwoner niet te boven en; b. Het vergroot de kansen van de inwoner op de arbeidsmarkt.
2.5.8.Werkervaringsplaats en proefplaatsing 1. Het college kan een inwoner uit de doelgroep een werkervaringsplek of
2.
3.
4.
5.
6.
proefplaatsing aanbieden als er een overbrugging noodzakelijk is tot de reguliere arbeidsmarkt. Het doel van een werkervaringsplek is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. Het doel van een proefplaatsing is het beoordelen of een inwoner voldoende competenties heeft voor een beoogde werkplaats. Een werkervaringsplek kan worden aangeboden voor maximaal 6 maanden. Indien de arbeidsmarktkansen worden vergroot, kan dit eenmalig worden verlengd. Partijen sluiten een schriftelijke overeenkomst. In de overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkervaringsplek; en b. de werkzaamheden; en c. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. Een proefplaatsing duurt maximaal twee maanden. Voorwaarden voor het verkrijgen van een proefplaatsing zijn: a. De proefplaatsing wordt gedurende twee maanden aansluitend uitgevoerd, met maximaal één verlenging van vier maanden, en; b. De proefplaatsingsduur is gekoppeld aan een dienstverband, en; c. Er worden alleen werkzaamheden verricht die passen binnen het doel en de opzet van de proefplaatsing, en; d. Er is een overeenkomst gesloten over de proefplaatsing, en; e. De werkgever geeft schriftelijk zijn intentie aan om de inwoner bij goed functioneren na de proefplaatsing voor minimaal 6 maanden, zonder proeftijd, in dienst te nemen. f.
Als de werkzaamheden tijdens de proefplaatsing worden onderbroken wegens ziekte, tellen deze dagen niet meer voor de totale periode in lid 4 en 4a. Het college plaatst de inwoner niet als hierdoor de concurrentieverhoudingen onverantwoord worden beïnvloed of verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de aansprakelijkheidsen ongevallen risico’s ten behoeve van de inwoner zijn afgedekt.
2.5.9.Participatieplaats 1. Het college kan een inwoner van 27 jaar of ouder met recht op algemene
bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.
43
2. Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden
worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3. De overeenkomst voor een participatieplaats wordt gesloten voor maximaal twee jaar en kan maximaal twee keer worden verlengd met een jaar. 4. De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt 10% van de gehuwdennorm ex artikel 21 onder b Pw, zoals deze geldt op 1 januari van het lopende kalenderjaar, afgerond op hele euro's naar boven per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. 5. Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de aansprakelijkheidsen ongevallen risico’s ten behoeve van de inwoner zijn afgedekt.
2.5.10.Participatievoorziening beschut werk 1. Het college biedt de voorziening beschut werk aan: a. aan een inwoner van wie is vastgesteld dat deze alleen in een
beschutte omgeving én onder aangepaste omstandigheden, de mogelijkheid heeft tot arbeidsparticipatie én deze inwoner, behoort tot de doelgroep; of b. aan een inwoner aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid krijgt een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en waarvoor een andere voorziening niet passend is en die nog niet in aanmerking is gekomen voor een beschutte werkplek omdat het aantal geraamde beschutte werkplekken in één jaar al is gerealiseerd, voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. 3. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 4. Het college biedt de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt: a. dagbesteding of b. scholing, of c. vrijwilligerswerk, of d. schuldhulpverlening, of e.
andere vormen van maatschappelijke participatie of werk. Omdat er nog geen geschikte beschutte werkplek is gevonden, of omdat de opgelegde taakstelling voor de gemeente Meppel, door het Rijk, is
44
behaald in het betreffende kalenderjaar. De taakstelling mag 155 uur hoger zijn dan de opgelegde taakstelling van dat betreffende jaar.
2.5.11.Detacheringsbaan 1. Het college kan zorgen voor toeleiding van een inwoner die behoort tot de
doelgroep naar een dienstverband met een werkgever waaronder een detacheerder. 2. Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beinvloed of er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
2.5.12. Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan overeenkomstig artikel 10f van de wet ondersteuning bieden aan een inwoner uit de doelgroep voor wie volgens het college een leerwerktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het inwoners betreft: a. Van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of; b. Van achttien tot zevenentwintig jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.
2.5.13.Persoonlijke ondersteuning 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep. 2. Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt overeenkomstig artikel 2.5.14 tot en met 2.5.28.
2.5.14. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.3 en 2.5.4, de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week; d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie;
45
er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en g. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de [maatschappelijke] opbrengsten van uitstroom naar werk. f.
2.5.15. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige
2.
3. 4.
5.
voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. Het college onderzoekt, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon. Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet.
2.5.16. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning; d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; e. als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en f. voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund.
46
2.5.17. Jobcoaching 1. Het college kan ambtshalve of op aanvraag jobcoaching in natura verstrekken
door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van de gemeente OF een derde, die de gemeente voor de uitvoering van de jobcoaching heeft ingeschakeld. 2. Het college kan jobcoaching in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. Externe jobcoaching: de werknemer wordt begeleid door een gecertificeerde jobcoach van een externe organisatie. De gemeente koopt dit in bij een jobcoachorganisatie; b. Interne jobcoaching: i. De werknemer wordt intern door een collega begeleid die qua kennis en ervaring voldoet aan de eisen die we stellen aan de externe jobcoach, als genoemd in artikel 2.5.19 ii. De werknemer wordt door een externe jobcoach begeleid die wordt ingehuurd door de werkgever. iii. De werkgever kan voor beide vormen van interne jobcoaching vergoeding aanvragen bij de gemeente. 3. Als er sprake is van een gemeentelijke jobcoach wordt de werknemer begeleid door een jobcoach van de gemeente die de werknemer heeft geplaatst. De werkgever krijgt hiervoor dan geen vergoeding. 4. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject.
2.5.18. Specifieke voorwaarden toekenning jobcoaching bij werk 1. De aanvraag voor jobcoaching moet binnen twee maanden na de
ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die jobcoaching redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2. Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de jobcoaching wordt gewogen.
2.5.19. Kwaliteit en inzet bij jobcoaching 1. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet
voldoen aan de volgende kwaliteitseisen: a. Beschikken over minimaal hbo werk en denkniveau, b. een jobcoach opleiding en c. ervaring op het gebied van jobcoaching. 2. Een uitzondering op de gestelde voorwaarden van het eerste lid geldt voor situaties waarin een werknemer met baan en bijbehorende jobcoach binnenkomt bij de gemeente, als gevolg van verhuizing of een stageplek vanuit het VSO/PRO onderwijs.
47
3. De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de volgende
begeleidingsregiems: licht, midden, intensief met een maximale duur van drie jaar Licht: jaar 1, 6%, jaar 2, 3% en jaar 3, 3% van het aantal overeengekomen werkuren Midden: jaar 1, 10%, jaar 2, 5%, en jaar 3, 3% van het aantal overeengekomen werkuren Intensief: jaar 1, 15%, jaar 2, 7,5%, en jaar 3, 6% van het aantal overeengekomen werkuren 4. Het college kan van de in het derde lid bedoelde regimes afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat beoogt te worden beschermd, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.
2.5.20. Subsidievoorwaarden voor jobcoaching 1. Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching
verlenen aan de werkgever. 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het
bepaalde in de artikelen 2.5.17 tot en met 2.5.19, worden verleend als: a. de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3. Voor externe jobcoaching wordt een maximaal tarief gehanteerd excl. btw per uur gelijk aan de vergoeding die het UWV verstrekt. Deze bedragen worden jaarlijks op 1 juli en 1 januari geïndexeerd (conform indexeringspercentage UWV).
2.5.21. Interne werkbegeleiding 1. Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is
aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. 2. Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een (Harrie-) training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden
48
2.5.22. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door
zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor openbaar vervoer. 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.
2.5.23. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is
voor de persoon om te kunnen werken. 2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.
2.5.24.Verwervingskosten Het college kan aan een inwoner een vergoeding voor verwervingskosten bieden.
2.5.25.Indienstnemingssubsidie personen behorend tot de doelgroep 1. Het college kan een indienstnemingsubsidie verstrekken aan werkgevers die
met een persoon behorend tot de doelgroep een arbeidsovereenkomst sluiten. 2. De indienstnemingsubsidie is mogelijk ten behoeve van arbeidsplaatsen in organisaties met of zonder winstoogmerk. 3. De indienstnemingsubsidie moet worden aangevraagd voor de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst. Voor het aanvragen van de indienstnemingsubsidie dient de werkgever gebruik te maken van een daarvoor vastgestelde formulier. 4. De indienstnemingsubsidie bedraagt ten hoogste 50 procent van de loonkosten gedurende de arbeidsperiode maar maximaal 1 jaar.
49
5. Het college bepaalt bij de subsidieverlening de tijdstippen en wijze van
uitbetaling. Het college kan voorschotten verstrekken op de subsidie welke worden verrekend met de vaststelling. 6. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed, geen verdringing plaatsvindt en voldaan wordt aan Europese regelgeving.
2.5.26.Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie 1. Het college stelt vast of een inwoner behoort tot de doelgroep
loonkostensubsidie. 2. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: a. een inwoner moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in
artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet; en b. die inwoner is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk
minimumloon te verdienen; en c. die inwoner heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. 3. Het college kan advies inwinnen over het oordeel of de aanvrager tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. De adviseur neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht.
2.5.27. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie 1. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of
op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute. 3. Het college stelt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 4. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.