CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

2.4 Bijlage bij de motivering - Beschikking Natura 2000-activiteit - Gedeputeerde Staten

1 - RAADSVERGADERING 28 mei 2026, gemeente MeppelBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO omgevingsplan “Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen”4.319 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Assen15 oktober 2025 Ons kenmerk: 1001774 ,

BESLUIT VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN DRENTHE VOOR EEN OMGEVINGSVERGUNNING VOOR EEN NATURA 2000-ACTIVITEIT OP GROND VAN 5.1 , LID 1 ONDER E , VAN DE OMGEVINGSWET Vergunninghouder:

5.1.2e

Bedrijfslocatie:

Kolderveense Bovenboer 37 - Nijeveen

en

5.1.2e

Op 6 december 2024 heeft de initiatiefnemer een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het intrekken van de bestaande activiteit en het voortzetten van een kleinere gewijzigde

bedrijfsvoering voor een Natura 2000-activiteit in de zin van artikel 5.1 eerste lid aanhef en onder e van de Omgevingswet (Ow). ,

,

,

Initiatiefnemer neemt deel aan de landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) dan wel de landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus). Het doel van de regelingen is om de stikstofemissie door vrijwillige beëindiging van veehouderijlocaties te verlagen en daarmee de stikstofdepositie vanuit de veehouderij op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden te verlagen zodat die gebieden kunnen worden behouden en kunnen herstellen. ,

Op grond van deze regelingen dient de productie en productiecapaciteit op een veehouderijlocatie definitief en onherroepelijk beëindigd te worden en mag op de locatie een nieuwe activiteit worden verricht als deze maximaal 15% van de oorspronkelijk met het project vergunde stikstofruimte oplevert. In dit geval wordt 91. 44% van de referentiesituatie ingetrokken gelet op deze regeling. De aangevraagde situatie zoals hieronder beschreven blijft derhalve ruim binnen de referentiesituatie. De aangevraagde situatie betreft het realiseren van een familievakantiehuis. De agrarische stallen met uitzondering van de wagenloods mestsilo en enkele kleine bijgebouwen slopen. De agrarische onderneming wordt voortgezet als akkerbouwbedrijf. ,

,

,

te

Aangevraagde situatie (tabel 1):1

Bron overig

Soort

Omschrijving

Totale emissie

Totale emissie

(kg NOx/jaar) (kg NH/jaar) 3

Wonen en werken

1 Het

Verwarming gebouwen

Woningen

2

0

vergunde project impliceert bijbehorende voertuigbewegingen van en naar het erf en op het erf; deze maken onlosmakelijk onderdeel uit van de bedrijfsvoering en liggen daarmee mee ten grondslag aan de actuele omgevingsvergunning voor een Natura 2000 activiteit ook al zijn ze destijds niet expliciet in de aanvraag of in de beschikking benoemd.

Wonen en werken

Verwarming gebouwen

Recreatie

10

0

Wonen en werken

Verwarming gebouwen

Recreatie

2

0

Mestsilo

Mestopslagen

Mestsilo inhoud 1. 400 m 3

0

1066

Tractor

Stage-IV 2014-2018 75-560 kW 335 diesel SCR: ja

2. 4

Stage-IV 2014-2018 56-75 kW diesel SCR: ja

,

Mobiele werktuigen ,

,

,

,

Tractor

,

,

,

118

0. 8

,

118

0. 8

13

2. 4

616

115

,

Stage-IV 2014-2018 56-75 kW diesel SCR: ja ,

Tractor

,

,

Machines door derden

Stage-V > = 2019 diesel SCR: ja ,

,

75-560 kW

,

,

Totaal Besluit

Gedeputeerde Staten van Drenthe hebben met inachtneming van artikelen 5.1 eerste lid en onder e van de Ow en 8. 74b lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) besloten om: 1. Op basis van bijgevoegde motivering (bijlage 1) aan vergunninghouder een omgevingsvergunning te verlenen voor de aangevraagde Natura 2000-activiteit. De vergunning ,

,

wordt verleend voor de hierboven beschreven aangevraagde situatie.

2. De omgevingsvergunning voor het uitbreiden en in werking hebben van een melkrundveehouderij verleend op 16 september 2015 met kenmerk 2015/0282425 in te trekken in het kader van Lbv dan wel Lbv-plus regeling.

De besluiten 1 en 2 zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. De vernietiging van het ene besluit in een beroepsprocedure leidt ook tot vernietiging van het andere besluit. De aanvraag en bijlagen inclusief de passende beoordeling en de AERIUS-berekening(en) integraal onderdeel uit van dit besluit. ,

,

maken

Vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning (besluitonderdeel 1) worden de volgende voorschriften verbonden:

1.

Uitvoering overeenkomstig beschikking De voorgenomen activiteiten op de hierboven vermelde bedrijfslocatie moeten worden uitgevoerd zoals in deze beschikking en de bijbehorende stukken is aangegeven. Indien er wijzigingen in het project worden overwogen dient eerst te worden onderzocht of hiervoor een nieuwe ,

,

omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit moet worden aangevraagd en verleend alvorens tot uitvoering over te gaan.

,

2.

Realisatietermijn Vergunninghouder is verplicht om de aangevraagde situatie binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van dit besluit te hebben gerealiseerd.

3.

Ingebruikname a. Deze vergunning mag pas worden gebruikt (de nieuwe activiteit mag pas worden gestart) nadat de omgevingsvergunning zoals bedoeld in besluitonderdeel 2 (intrekking van de eerdere natuurvergunning) is ingetrokken en niet langer feitelijk in gebruik is. b. Vergunninghouder bevestigt dit per e-mail aan @drenthe.nl onder overlegging van controleerbaar bewijs dat alle emissiebronnen van de ingetrokken vergunning definitief zijn verwijderd of blijvend buiten gebruik zijn gesteld. 5.1.2e

,

c. Zolang niet is voldaan aan a en b , mogen de op grond van deze vergunning vergunde

activiteiten niet worden gestart of voortgezet. 4.

Stikstofruimte later niet meer inzetbaar voor extern salderen De uit deze vergunning voortvloeiende stikstofruimte mag niet worden aangewend voor externe saldering.

Zienswijze Tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbesluit is geen zienswijze ingediend. Wel is vastgesteld dat de aanlegfase niet was meegenomen in de beoordeling. Om dit te herstellen is het besluit ambtshalve gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbesluit van 13 augustus 2025. De AERIUS-berekening inclusief de aanlegfase is daarbij ambtshalve geactualiseerd naar de meest recente versie van AERIUS ,

,

,

Calculator.

Gedeputeerde Staten voornoemd

,

namens dezen ,

5.1.2e

5.1.2e

,

Themamanager Vergunningverlening Toezicht & Handhaving ,

Afschrift aan: -

vergunninghouder (digitaal) het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel (digitaal)

Gedeputeerde Staten van Overijssel (digitaal) Adviseur 5.1.2e (digitaal)

Beroep Belanghebbende die het niet eens zijn met dit besluit kunnen binnen zes weken na publicatie van Dit besluit beroep indienen bij de Rechtbank Noord-Nederland. Een beroepschrift moet zijn Ondertekend en bevat daarnaast tenminste naam en het adres van de indiener de dagtekening Een omschrijving van het besluit waartegen u beroep indient en de gronden van het beroep. Voor Meer informatie over de beroepsprocedure zie https://provincie. drenthe. nl/loket/bezwaarschriften/ ,

,

Bijlage 1: Motivering bij besluit De vergunninghouder heeft Craeft Advies B. V. gemachtigd voor deze aanvraag. Wij hebben de aanvraag ontvangen op 06 december 2024. Onderstaande documenten relevant voor deze omgevingsvergunning zijn onlosmakelijk verbonden aan de aanvraag: DSO samenvatting van de aanvraag; Document met toelichting behorend bij de aanvraag genaamd ‘Gedeeltelijke intrekking toestemming voormalige Wet natuurbescherming thans Natura 2000-activiteit ,

,

,

-

-

Omgevingswet’ van 26-11-2024; Onherroepelijke vigerende natuurvergunning van d. d. 16-09-2015 met kenmerk 2015/028425 Schets van de aangevraagde situatie d. d. 26-11-2024;

Op ons verzoek van 14-05-2025 hebben wij op 04-06- 2025 aanvullende gegevens van de aanvrager ontvangen. Deze documenten zijn onlosmakelijk met de aanvraag verbonden: Er is een toelichting m. b. t. de tekening koude start mestsilo ingeleverd. Dit zijn ,

,

antwoorden/verduidelijking op vragen. Op 26 juni 2025 is er nogmaals om aanvullende gegevens gevraagd. Op 26-06-2025 zijn de gevraagde gegevens binnen gekomen: -

AERIUS-verschilberekening met het verschil tussen de referentiesituatie en de aangevraagde situatie van 26-06- 2025 met kenmerk RqJZHmJdkSxs

Op 11 augustus is aan de aanvraag ambtshalve toegevoegd: AERIUS-verschilberekening van 07-08-2025 met kenmerk RcU93HSmw8ZU De emissie van de mestsilo is per abuis onjuist opgevoerd. Wij hebben dit ambtshalve hersteld en een nieuwe AERIUS-berekening opgesteld waarin de juiste waarde is verwerkt.

Op 7 oktober 2025 is aan de aanvraag ambtshalve toegevoegd: AERIUS-verschilberekening van 7 oktober met kenmerk RwwjgLDPx3s5 De AERIUS-berekening inclusief de aanlegfase is ambtshalve geactualiseerd naar de nieuwste versie van AERIUS calculator. ,

,

De aanvraag en bovengenoemde documenten maken integraal onderdeel uit van deze omgevingsvergunning. Bevoegd gezag 2. Omdat het project plaatsvindt in de provincie Drenthe zijn wij bevoegd om een beslissing te nemen op de aanvraag. Dit is bepaald in artikel 4.6 eerste lid aanhef en onder e van het Omgevingsbesluit. Bij ons besluit betrekken wij ook de gevolgen voor Natura 2000-gebieden buiten onze provinciegrens en/of ,

,

,

,

buiten Nederland. De aangevraagde activiteit kan nadelige gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden die geheel of gedeeltelijk in de provincie Overijssel liggen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2 eerste lid van de Ow wordt de besluitvorming afgestemd met de voornoemde provincies. Van het ontwerpbesluit hebben wij een afschrift gezonden naar de provincies waar effect op Natura 2000-gebieden kan zijn. De betrokken provincies kunnen binnen zes weken na publicatie van het besluit een reactie uitbrengen. Indien er geen formele reactie wordt uitgebracht binnen die termijn gaan wij er gezien de aard en ,

,

,

,

locatie van de activiteit vanuit dat stilzwijgende instemming wordt verleend door de betrokken provincies. ,

3.

Wettelijke bepalingen en beoordelingskader De Ow stelt een vergunningplicht in voor een Natura 2000-activiteit zoals omschreven in de Bijlage bij artikel 1. 1 jo. artikel 5.1 eerste lid en onder e van de Ow. Een Natura 2000-activiteit omvat een project als bedoeld in artikel 6 derde lid van de Habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of noodzakelijk is voor het beheer van een Natura 2000-gebied. Dit geldt voor projecten die alleen of samen met andere plannen of projecten mogelijk significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura ,

,

,

,

,

,

,

,

2000-gebied. Bij het verlenen van deze vergunning is conform artikel 2. 1 van de Omgevingswet een evenwichtige belangenafweging gemaakt waarbij het behoud van natuurwaarden een wezenlijk en zwaarwegend onderdeel vormt. Artikel 5.29 eerste lid van de Omgevingswet bepaalt dat beoordelingsregels voor de aanvraag van een Natura 2000-activiteit worden gesteld met het oog op de natuurbescherming. Het tweede lid bepaalt dat de beoordelingsregels in ieder geval strekken tot uitvoering van artikel 6 tweede derde en vierde lid en artikel 16 van de Habitatrichtlijn en artikel 9 van de Vogelrichtlijn in het kader van gebieds- en soortenbescherming. ,

,

,

,

,

,

,

Op grond van artikel 8.74b eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit alleen verleend als uit de passende beoordeling bedoeld in artikel 16.53c eerste lid van de Omgevingswet de zekerheid is verkregen dat ,

,

,

,

,

,

het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. In de uitspraak van 18 december 2024 heeft de afdeling bestuursrechtspraak een nuancering aangebracht op de vaste rechtspraak van de afdeling over intern salderen. De afdeling heeft aan deze uitspraak een schema beoordelingskader toegevoegd hoe te handelen bij intern salderen. 1. In de voortoets wordt beoordeeld of het project effect heeft op een Natura 2000-gebied. 2. Wanneer significante effecten van het gehele project niet zijn uitgesloten is er vergunningplicht en is er een passende beoordeling nodig. 3. De referentiesituatie wordt bepaald waarbij een onderscheid in beoordeling wordt gemaakt tussen een natuurvergunning of milieutoestemming. De referentiesituatie wordt bepaald aan de hand van een natuurvergunning of aan de hand van een milieutoestemming die is verleend voor de Europese referentiedatum. 4. Intern salderen mag als mitigerende maatregel ingezet worden waarbij de verwachte voordelen moeten vaststaan. 5. Wijziging of beëindiging van bestaande situatie moet zijn verzekerd. 6. Additionaliteitsvereiste: salderen mag alleen als de maatregel (inzet referentiesituatie) niet ook nodig is om natuur te behouden herstellen of verslechtering te voorkomen. Hierbij moet worden gelet op de instandhoudingsdoelstellingen en huidige staat van instandhouding.

Of in het geval dat er een verbeter- of hersteldoelstelling geldt dat doel ook op andere wijze kan worden gerealiseerd. ,

,

,

4.

Beoordeling van de aanvraag en passende beoordeling

4. 1 Vergunningplicht In de voortoets mag anders dan voorheen zoals hiervoor toegelicht voor de beoordeling of significante gevolgen zijn uitgesloten geen vergelijking worden gemaakt van de gevolgen van de bestaande vergunde situatie en de gevolgen van het project na wijziging. Uit de voortoets waarbij de ingediende AERIUS-berekening met RwwjgLDPx3s5 is beoordeeld blijkt dat er Natura 2000-gebieden zijn waarop als gevolg van de activiteiten van dit bedrijf depositie van stikstof plaatsvindt wat mogelijk significante effecten heeft op de te beschermen waarden. Hiervoor is een natuurvergunning nodig. ,

,

,

,

,

,

4. 2 Passende beoordeling De aanvraag in combinatie met de onderbouwing in deze omgevingsvergunning moet worden aangemerkt als passende beoordeling. In deze stukken wordt een volledige omschrijving gegeven van de projectgegevens worden alle potentiële significante effecten op beschermde gebieden geïdentificeerd wordt een cumulatieve beoordeling gemaakt wordt gebruik gemaakt van beste wetenschappelijke kennis wordt ingegaan op concrete en zekere mitigerende maatregelen is de beoogde situatie beoordeeld o. b. v. een worst-case-analyses is getoetst aan de instandhoudingsdoelen wordt daarnaast een transparante motivering gegeven en worden actuele gegevens gebruikt zodat redelijke wetenschappelijke twijfel ontbreekt voor significante gevolgen. ,

,

,

,

,

,

,

4. 3 Effecten stikstof De AERIUS-verschilberekening inclusief aanlegfase met kenmerk RwwjgLDPx3s5 waarmee de effecten van stikstof worden berekend bevat een referentiesituatie en een beoogde situatie. Vanaf deze paragraaf geven wij aan hoe wij de referentiesituatie hebben vastgesteld gaan wij in op de aangevraagde situatie en bekijken wij of dit binnen de 15% ruimte van de Lbv dan wel Lbv+ regeling valt. Daarna beoordelen we of de bestaande rechten ingezet mogen worden voor interen salderen en onderbouwen wij waarom het restant van dit project niet ingezet zou moeten worden voor natuurherstel (additionaliteitsonderbouwing). Ten slotte gaan wij in op cumulatie overige effecten en sluiten wij af met een conclusie. ,

,

,

4. 3. 1 Uitgangssituatie (referentiesituatie) Het voornemen betreft een intrekking van een bestaande activiteit. Voor het bedrijf is op 16-09-2015 met kenmerk 2015/0282425 een natuurvergunning voor het onderdeel Natura 2000 verleend. Deze vergunning wordt op grond van artikel 2. 4 Aanvullingswet natuur Omgevingswet als een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit aangemerkt. Deze vergunning dient als referentiesituatie gebuikt te worden.

In de referentiesituatie (tabel 2) is er sprake van de volgende emissiebronnen:2 Bron Aantal RAV-code Soort/diercategorie Emissiefactor dieren Code Bijlage V (kg Ligboxenstal

2011 (1) Ligboxenstal omgebouwd

2012 (2) Jongveestal

(4)

Melk- en kalfkoeien van 2 jaar en ouder Vrouwelijk jongveen jonger dan 2 jaar fokstieren jonger dan 2 jaar Vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar fokstieren jonger dan 2 jaar

Totale emissie

NH₃/dier/jaar)

(kg NH/jaar) 3

248

HA1. 100

13

3. 224 kg/j

,

153

HA2. 100

4. 4

6732

,

7

HA2. 100

4. 4

30. 8

,

Totaal stallen

3. 928

4. 3. 2 Aangevraagde situatie De aangevraagde situatie zoals beschreven in deze omgevingsvergunning is door ons beoordeeld. De opgegeven stikstofbronnen zijn worst-case beschouwd en geven geen onderschatting weer van de stikstofemissie. De Aerius berekening en toelichting hierop geven een afdoende onderbouwing van de reële emissie. ,

,

4. 3. 3 Beoordeling van de effecten van stikstofdepositie t. b. v. Lbv dan wel Lbv-plus Uit de AERIUS-verschilberekening inclusief bouwfase met kenmerk RwwjgLDPx3s5 blijkt dat wanneer de emissies van NH 3 en NOx van de bestaande toestemming worden vergeleken met de benodigde ruimte 872% van de bestaande toestemming nodig is om het nieuwe project te mitigeren. Dit blijkt ook uit onderstaande tabel. Aangezien dit gelijk of minder is dan 15% én een representatieve emissie is behorend bij de nieuw aangevraagde activiteit voldoet de aanvrager daarmee aan de voorwaarden van de Lbv dan wel Lbv-plus. ,

,

,

Overzicht benodigde restruimte/referentiesituatie (tabel 3): Emissie Emissie Emissiecomponent

NH3 NOx

(kg/jaar) (kg/jaar) - Referentiebeoogd 3928 114. 9 2 615. 5

Totaal molen % t. o. v. referentie

Emissielast

Omrekenfactor (mol/kg) 5872 2173 ,

,

Referentie (mol/jr) 23065216 4346 23069562 ,

,

,

Emissielast beoogd

(mol/jr) 6746928 13374. 815 20121743 8. 72% ,

,

4. 3. 4 Inzet mitigerende maatregel Wij hebben onderzocht of de referentiesituatie als mitigerende maatregel kan worden ingezet. Hierbij is beoordeeld of de referentiesituatie niet dubbel wordt ingezet en of deze niet tegelijkertijd noodzakelijk is om de natuur te behouden herstellen of verslechtering te voorkomen. Dubbele inzet is in deze aanvraag niet aan de orde aangezien het gaat om dezelfde locatie en intern salderen geen vergroting van de referentiesituatie oplevert. De bestaande vergunning wordt ingetrokken onder gelijktijdige verlening van de vergunning voor het nieuwe project. Daarnaast is er een voorschrift opgenomen in de vergunning ,

,

2 Het vergunde

project impliceert bijbehorende voertuigbewegingen van en naar het erf en op het erf; deze maken onlosmakelijk onderdeel uit van de bedrijfsvoering en liggen daarmee mee ten grondslag aan de actuele omgevingsvergunning voor een Natura 2000 activiteit ook al zijn ze destijds niet expliciet in de aanvraag of in de beschikking benoemd.

waarmee wordt gewaarborgd dat beide activiteiten niet gelijktijdig plaats kunnen vinden. Hiermee wordt

dubbele inzet voorkomen. 4. 3. 5 Beoordeling onderbouwing additionaliteit Uit de PAS-uitspraak van 29 mei 2019 volgt dat een maatregel die als instandhoudings- of passende maatregel ingezet zou kunnen worden alleen als mitigerende maatregel bij vergunningverlening ingezet mag worden als het behoud van natuurwaarden is geborgd. Hierbij moet worden gelet op de instandhoudingsdoelstellingen en huidige staat van instandhouding op basis van bijvoorbeeld natuurdoelanalyses. Of in het geval dat er een verbeter- of hersteldoelstelling geldt dat doel ook op andere wijze kan worden gerealiseerd. ,

,

,

,

In dit besluit lichten wij toe waarom het vervangen van de veehouderij door een andere activiteit met veel beperkte depositie aan te duiden is als instandhoudings- en passende maatregel waarbij het noodzakelijk is om een deel van de stikstofdepositie van de veehouderij in te zetten als mitigerende maatregel voor de nieuwe activiteit. Omdat de wijziging van de activiteit een passende maatregel betreft is het niet noodzakelijk deze nieuwe activiteit te toetsen aan het additionaliteitsvereiste. Immers maakt deze reeds onderdeel uit van het maatregelpakket ter voorkomen van verslechtering en het op termijn halen van de instandhoudingsdoelen. Lbv en Lbv-plus regeling De Lbv dan wel Lbv-plus regeling leidt ertoe dat vergunde activiteiten worden beëindigd ten behoeve van de natuur waarbij er geen of een beperkte emissie overblijft voor de nieuwe activiteit. Deze regeling is een instandhoudings- en passende maatregel door de grote stikstofreductie die bereikt wordt waarmee de depositie op de omliggende Natura 2000-gebieden wordt verlaagd evenals de bijdrage van de depositie aan de landelijke stikstofdeken. De subsidieregeling ziet op het verlagen van de stikstofbelasting op overbelaste Natura 2000-gebieden door het wegnemen van emissies van bedrijven die hierop een relatief grote depositie veroorzaken de zogenaamde piekbelasters. ,

,

,

In het kader van deelname aan de Lbv dan wel lbv-plus regeling wordt de toestemming zoveel mogelijk ingetrokken. Om de nieuw aangevraagde activiteit voldoende te mitigeren (zodanig dat er geen verslechtering van stikstofgevoelige habitats optreedt) dient een deel van de toestemming als referentie te worden gehanteerd voor de nieuw aangevraagde activiteit.

Om de effecten van deze regeling zeker te stellen is het van belang dat de initiatiefnemers een goed toekomstperspectief geboden krijgen zodat deelname aantrekkelijk is. Ter ondersteuning hiervan is bepaald dat een deelnemer maximaal 15% van de vergunde stikstofemissie mag behouden voor een toekomstige activiteit. Op deze manier vindt minimaal 85% vermindering van de stikstofemissie vanaf de ,

deelnemende locatie plaats wat ten goede komt aan de natuur en de instandhouding van stikstofgevoelige habitattypen bevordert. Niet onbelangrijk om hierbij te vermelden is dat deelnemers aan de regeling eraan zijn gehouden om slechts de stikstofruimte die benodigd is voor de toekomstige activiteiten te behouden de 15% betreft dus een maximum waarbij niet meer ruimte behouden mag worden dan nodig voor de beoogde activiteiten. In dit geval is slechts 872% van de toegestane emissie benodigd voor de beoogde activiteit. ,

,

,

Instandhoudingsmaatregel / passende maatregel Gelet op de urgentie om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden blijvend te verminderen zou de voorliggende mitigerende maatregel in beginsel als een passende of instandhoudingsmaatregel kunnen worden gezien. Echter de aanvraag dient te worden beschouwd in de context van beëindiging van de veehouderij op de locatie van de aanvrager waarmee in totaal 91. 28% van de toegestane emissie op de locatie wordt ingetrokken. Weliswaar zou het inzetten van het percentage aan overgebleven stikstofruimte op onderhavige projectlocatie ten goede kunnen komen aan de natuur maar wij zien dit niet als passende maatregel. Er dient namelijk een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het scenario van deelname aan de Lbv dan wel Lbv-plus regeling inclusief het beoogde toekomstige project binnen de maximaal 15% stikstofruimte en anderzijds het scenario van geen deelname en voortzetting van de volledige bedrijvigheid op onderhavige projectlocatie. Dit overwegende zijn wij van mening dat de mitigerende maatregel die ingezet wordt voor het aangevraagde project in geen verhouding staat tot de passende maatregel die hier uit voortvloeit zijnde de vrijwillige Lbv dan wel Lbv-plus regeling.

De totale stikstofdepositiereductie als gevolg van beëindiging van de veehouderijactiviteiten en de ontwikkeling van een familievakantiehuis en het in werking hebben van een akkerbouwbedrijf betreft immers 9128% op de omliggende Natura 2000-gebieden. Daarnaast draagt deze ontwikkeling ook bij aan reductie van de landelijke stikstofdeken. ,

,

,

,

,

Samenvattend heeft het beëindigen van de veehouderijactiviteiten en het toestaan van de nieuwe activiteit een groot effect op het terugdringen van de stikstofbelasting. Door deze stikstofreductie is de Lbv dan wel Lbv-plus regeling aan te merken als een instandhoudings- en passende maatregel. De samenhang tussen de beëindiging van de veehouderij en het voornemen tot het nieuw aangevraagde project maakt daarom dat wij de mitigerende maatregel in deze specifieke situatie niet als passende of instandhoudingsmaatregel beoordelen in het kader van artikel 6 tweede lid Habitatrichtlijn. ,

Belang van nieuwe activiteit in het kader van een vrijwillige regeling De Lbv-regelingen zijn subsidieregelingen voor veehouders die willen stoppen met hun bedrijf of met een locatie van hun bedrijf. Het doel van de regeling is om de stikstofuitstoot vanuit de veehouderij te verlagen zodat ook de stikstofdepositie op daarvoor gevoelige natuur vermindert zodat deze kan herstellen. Essentieel is dat sprake is van een vrijwillige regeling waarbij het (gedeeltelijk) stoppen van een veehouderijbedrijf wordt gesubsidieerd. Ondernemers komen in aanmerking voor één van beide regelingen indien zij voldoen aan gestelde drempelwaarden voor depositie op stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. ,

,

,

De subsidieregeling maakt het voor de initiatiefnemer financieel mogelijk om het bedrijf op verantwoorde wijze te beëindigen maar vormt geen dekkende inkomstenbron voor de toekomst. Daarbij is het idee altijd geweest dat er een beperkte hoeveelheid ruimte moet overblijven voor deelnemers om op de betreffende locatie een andere activiteit te verrichten. De aard van de regeling is immers dat de deelnemers op dezelfde locatie blijven zitten en het eigendom over de grond behouden. Dat werkt alleen maar als je de deelnemers ook in staat stelt op die locatie een andere activiteit te ontplooien. Het volledig wegnemen van de stikstofruimte voldoet niet aan de doelstelling van die regeling en heeft bovendien sociaaleconomisch ongewenste effecten. Het is dus van belang dat de initiatiefnemers een toekomstperspectief geboden krijgen waarbij zij met een andere activiteit inkomsten kunnen genereren. Daarnaast wordt de vergunninghouder vanwege de regeling ook verplicht om de natuurvergunning in te trekken wanneer niet langer gebruik wordt gemaakt van de uit deze vergunning voorvloeiende stikstofruimte. Door een dergelijke intrekking wordt bewerkstelligd dat de stikstofruimte niet meer voor externe saldering beschikbaar is. Om dit te garanderen is hiervoor in de omgevingsvergunning een ,

,

voorschrift opgenomen waaruit blijkt dat deze ruimte niet gebruikt mag worden (op een later moment) voor extern salderen.

Als in tegenstelling tot wat in de regeling staat beschreven een nieuwe activiteit toch niet wordt toegestaan zal dit er vaak toe leiden dat de aanvrager onvoldoende toekomstperspectief wordt geboden om deelname aan de Lbv dan wel Lbv+ regeling voort te kunnen zetten. Er is een groot risico dat de emissiereductie van 9128% als gevolg van beëindiging van de veehouderij geen doorgang zou vinden. Een niet vrijwillige beëindiging behoort in dit kader ook tot de bevoegdheden van het bevoegd gezag maar heeft over het algemeen een veel langere doorlooptijd met daarnaast hoge maatschappelijke en economische kosten. Deze kosten en langere doorlooptijd in combinatie met juridische onzekerheid over het te behalen doel wegen niet op tegen de zeer beperkte extra depositiedaling van een volledige onvrijwillige beëindiging ten opzichte van de met de beoogde situatie zeer grote vrijwillige beëindiging. ,

,

,

,

,

,

,

Conclusie additionaliteit Op basis van bovenstaande uiteenzetting kan worden geconcludeerd dat: De aanvraag direct samenhangt met het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen als bedoeld in artikel 6 eerste en tweede lid Habitatrichtlijn in de vorm van permanente beëindiging van de veehouderij op de bedrijfslocatie. Er is sprake van een situatie waarbij op basis van vrijwilligheid tot bedrijfsbeëindiging wordt ,

,

overgegaan , mits een toekomstige activiteit mogelijk is. Het niet toestaan van de nieuwe activiteit

leidt ertoe dat een maatregel die op zeer korte termijn effect zou hebben niet door gaat omdat de aanvrager niet langer meedoet. De beperkte depositie na inzet van een deel van de veehouderij activiteiten als mitigerende maatregel ruimschoots opweegt tegen het voorkomen van een langere doorlooptijd en hoge maatschappelijke en economische kosten bij een onvrijwillig beëindigingstraject. ,

-

4. 3. 6 Cumulatie grond Op van artikel 6 derde lid van de Habitatrichtlijn dient beoordeeld te worden of het voorgenomen project afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten tot significante negatieve gevolgen kan leiden voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de cumulatietoets genoemd. ,

,

,

,

Voor het voorgenomen project is vastgesteld dat de stikstofdepositie na toepassing van de mitigerende maatregelen intern salderen geen toename veroorzaakt in de relevante Natura 2000-gebieden. Hierdoor is cumulatie van effecten door het project in combinatie met andere plannen of projecten niet aan de orde. Een aanvullende beoordeling van cumulatieve stikstofeffecten is daarom niet noodzakelijk. ,

,

4. 3. 7 Overige effecten Naast de effecten van stikstofdepositie zijn er geen andere significante effecten te verwachten voor de Natura 2000-gebieden gezien de afstand van het project tot deze gebieden en de aard van de voorgenomen activiteit. Andere mogelijke verstorende factoren zoals geluid licht of hydrologische veranderingen zijn beoordeeld en uitgesloten vanwege hun beperkte impact of afstand tot het beschermde gebied. Daarom is de beoordeling beperkt tot de effecten van stikstof. ,

,

,

,

4. 3. 8 Flora en Fauna Dit besluit geldt alleen voor een Natura 2000-activiteit. Het is mogelijk dat de vergunninghouder ook een omgevingsvergunning moet aanvragen voor een flora en fauna-activiteit. Als u een vergunning nodig heeft kunt u deze bij de provincie aanvragen. ,

5.

Conclusie Op basis van de aanvraag de onderbouwing in deze vergunning (tezamen de passende beoordeling) zijn de effecten van de aangevraagde activiteit getoetst aan de relevante wet- en regelgeving. De resultaten tonen aan dat mits aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan er geen significante negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. Wij komen hierdoor tot de conclusie dat de aangevraagde vergunning met de gestelde voorschriften kan worden verleend. ,

,

,

,

Legenda toegepaste uitzonderingsgrondslagen In dit document zijn gegevens definitief geanonimiseerd op grond van: Wet

Artikel

Omschrijving

Pagina's

Wet open overheid

Art. 5.1 lid 2 sub e

De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer

1, 3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=4c7f9a32-e22b-44d5-b568-ae0a9656608b