CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

2. 2026 Geconsolideerde tekst verordening sociaal domein gemeente Meppel 2026

1 - RAADSVERGADERING 29 januari 2026, gemeente MeppelBij agendapunt: Wijzigingen Verordening Sociaal Domein 202542.537 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse hulp en zorg die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Voor kinderen geldt dat er een bandbreedte is in het normale ontwikkelingsprofiel. 2. In chronische situaties is pas sprake van boven gebruikelijke hulp wanneer de omvang van de hulp en zorg substantieel meer is dan een gezond kind van dezelfde leeftijd gemiddeld nodig heeft. Met substantieel wordt een omvang bedoeld van gemiddeld meer dan 5 uur per week. Deze 5 uur zijn in de thuissituatie geen bovengebruikelijke hulp, maar behoren nog tot gebruikelijke hulp en zorg. Als er binnen een gezin meerdere kinderen met beperkingen zijn en deze kinderen hebben een Jeugdwet-zorgvraag, dan wordt de 5 uur substantieel slechts één keer in mindering gebracht. 3. Onderstaande tabel laat zien in hoeverre een jeugdige/jongere gezien zijn leeftijd ontwikkeld zou moeten zijn op de genoemde gebieden om veilig op te groeien tot een zelfstandig en gelukkig persoon. Waarbij: 4. 1 = jeugdige heeft bij alles ondersteuning nodig 2 = kan het samen met iemand 3 = kan sommige dingen zelf, maar meestal steun nodig 4 = kan het als iemand meekijkt 5 = kan het als hij vooraf geïnstrueerd wordt of als het in zijn routine zit 6 = kan het zelf, maar krijgt af en toe nog tips 7 = heeft geen enkele ondersteuning nodig Gebied

1

2

3

4

5

6

7

PERSOONLIJKE VERZORGING Douchen, aankleden, tandenpoetsen. Kamer opruimen Bijdragen aan huishouden.

0-4 jr

5-8 jr

9-15 jr

16-18 jr 18+

DAGINVULLING School, stage, werk. Sport en vrije tijd. Weekenden en vakanties.

0-4 jr

5-10 jr

11-15 jr

16-18 jr 18+

23

REGIE & REFLECTIE Ontwikkelen & leren. Keuzes maken. Notie van oorzaak – gevolg. Zelfvertrouwen.

0-4 jr

5-12 jr

13-15 jr

16-18 jr 18+

SOCIAAL NETWERK Vrienden maken en vriendschappen onderhouden.

0-4 jr

5-12 jr

13-15 jr

16-18 jr 18+

FYSIEKE & SOCIALE VEILIGHEID Beschermd voelen. Zelf veilige omgeving creëren. Vertrouwd zonder toezicht kunnen zijn.

0-4 jr

5-12 jr

13-15 jr

16-18 jr 18+

REIZEN Verplaatsen in de directe omgeving. Vervoer op kleine en grote afstand.

0-4 jr

5-9 jr

10-15 jr

16-18 jr 18+

2.2.5.3. Hulp tijdens onderwijs 1. Geïndiceerde hulp in de vorm van begeleiding die moet worden geleverd naast gebruikelijke hulp mag worden ingezet zowel op school als in de thuissituatie. Daarbij geldt dat als de begeleiding thuis valt onder gebruikelijke hulp daarvoor op school ook geen jeugdhulp kan worden ingezet. 2.2.5.4 Dyslexie 1. Dyslexiezorg (diagnostiek en behandeling) is beschikbaar voor kinderen tot en met 13 jaar die op een basisschool zitten. 2. Om voor vergoeding in aanmerking te komen moet er sprake zijn van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED). 3. Dyslexiezorg moet worden uitgevoerd conform het geldende protocol “Dyslexie Diagnostiek & Behandeling versie 3.0 uit 2022. 2.2.6 Regels voor een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van een pgb 1. Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) daartoe een pgb-plan in. In het pgb-plan is opgenomen: a. Welke ondersteuning met het PGB wordt ingekocht en waarom deze ondersteuning passend is; b. Wie deze ondersteuning levert; c. Wat de kosten zijn van deze ondersteuning; d. Waarom het aanbod in zorg in natura (ZIN) niet passend is; e. Hoe invulling wordt gegeven aan het budgethouderschap f. Hoe de kwaliteit geborgd is zoals beschreven in artikel 2.2.6.4. 2.

Het college verstrekt een pgb als: a. de jeugdige of zijn ouder(s) zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend achten; b. uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 2.2.6.2 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en c. naar het oordeel van het college met inachtneming van 2.2.6.4 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.

24

3. Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet als de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag: a. fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; b. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; c. veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; d. op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder; of 4. Het college weigert een pgb als: 1. de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening, tenzij ouders bereid zijn de meerkosten te betalen, of 2. het college eerder een pgb heeft herzien of ingetrokken omdat het college heeft vastgesteld dat: a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb; of c. de jeugdige of zijn ouders het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is. 2.2.6.2 Pgb-vaardigheid 1.

Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval: a. een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; b. op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf weten te vinden; c. in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; d. voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners; e. in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; f. in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; g. in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; h. in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i. in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en j. voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. 2.

Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend OF de persoon eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugdige; b. er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden: 1°. schuldenproblematiek; 2°. ernstige verslavingsproblematiek; 3°. aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; 4°. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; 5°. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; 6°. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

25

7°. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; 2.2.6.3 Onderscheid formele en informele hulp 1. Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of b. personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 2. Formele hulp wordt geleverd door personen geregistreerd in het beroepsregister jeugd (SKJ) of BIG; 3. Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk. 4. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het tweede lid, is er sprake van informele hulp.

2.2.6.4 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb 1. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen: a. beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis; b. beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; c. houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; d. is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; e. werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; f. voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college; g. stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s); h. stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken; g. respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; h.

neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; i. meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college; j. werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en k. is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast. 2. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen: a. hetgeen is bepaald in artikel 2.2.6.3, eerste en tweede lid; b. handelt in overeenstemming met de professionele standaard; c. werkt op basis van een hulpverleningsplan; d. werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;

26

e. hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en f. stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren. 3. Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is. 2.2.6.5 Hoogte pgb 1. De hoogte van het PGB wordt door het college als volgt berekend: a. Voor formele jeugdhulp maximaal 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. b. Voor informele jeugdhulp 45% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. 2. Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(s) ingediende pgbplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 2.2.6.6 Uitgesloten van pgb 1. De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college; f.

Een eenmalige uitkering; g. Feestdagenuitkering h. kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 11 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening i. kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp); j. kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag; 2.2.7 Pupilkosten 1. Pupilkosten worden alleen toegekend aan een GI als: a. Er een maatregel is opgelegd uitgevoerd door de GI niet zijnde pleegzorg. In het pleegzorgtarief zijn in plaats hiervan bijzondere kosten opgenomen; b. Ouders aantoonbaar deze kosten niet kunnen betalen. Ouders blijven wettelijk verantwoordelijk voor het levensonderhoud van hun kind, ook als het kind niet meer bij hen kan wonen (uithuisplaatsing) en/of als er sprake is van gezagsbeëindiging (voogdij). c. De GI aantoonbaar de ouder met gezag stimuleert en indien nodig de aanwijzing geeft om bronnen aan te wenden waarmee de ouder aan de verantwoordelijkheid van het bekostigen van pupilkosten invulling kan geven. d. De looptijd van de pupilkosten in combinatie met een verblijfsindicatie worden gelijk getrokken met de einddatum van het verblijf. Als een jongere weer naar huis gaat kan de toets voor het betalen van de kosten door de ouders opnieuw plaatsvinden. 2.2.8 Overgang 18 min, 18 plus 1.

Als een jeugdige van 17 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om: a. voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en b. de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is. 2. Het college onderzoekt tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke

27

ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet. 2.2.9 Overgangsrecht 1. Een jeugdige of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de ‘Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel’ totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening. 2. Aanvragen die zijn ingediend onder de ‘Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel’ waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 3 Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van ‘Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel’ die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) van worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige ‘Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel’ leidt tot een gunstiger uitkomst. 4. Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van ‘Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel’ te herzien: a. op de gronden, vermeld in ‘Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel’.

als uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen; c. als de cliënt wenst te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm. 5. Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder ‘Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel’ terug te vorderen op de in de ‘Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel’ genoemde gronden.

2.3. Participatiewet /IOAW/IOAZ (maatregelen niet geüniformeerde en geüniformeerde verplichtingen) 2.3.1. Opleggen van een maatregel (bij niet geüniformeerde verplichtingen) 1. Het college legt overeenkomstig deze verordening een maatregel op indien de

belanghebbende naar het oordeel van het college: a. Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de Participatiewet; b. de uit de Participatiewet voortvloeiende verplichtingen, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, niet of onvoldoende nakomt;

28

een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid, IOAW/IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ; d. een inkomen zou hebben kunnen verwerven uit of in verband met arbeid als bedoeld in artikel 20 IOAW/IOAZ. 2. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Ook wordt beoordeeld of de met de maatregel te dienen doelen niet onevenredig zijn met de nadelige gevolgen voor de inwoner. c.

2.3.2. Niet meewerken aan een taaltoets Als een inwoner niet meewerkt aan het afleggen van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b, tweede lid van de Participatiewet, wordt een maatregel opgelegd van: a. 20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand; b. 40% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand als de inwoner zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een maatregel is toegepast vanwege het niet meewerken aan het afleggen van een taaltoets opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging; c. 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand als belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit in de zin van artikel 2.3.1., lid 1 onderdeel b, van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging.

2.3.3. Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie; het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie. b. tweede categorie; I. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet. II. het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.

29

het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen, in verband met arbeidsinschakeling. IV. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet. V. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. VI. geen uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij vijf uitzendbureaus. c. derde categorie; het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. III.

2.3.4. Gedragingen Ioaw en Ioaz Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie:

het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: I. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; II. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW/IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; III. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW/IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW/IOAZ; IV. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW/IOAZ; V. geen uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij vijf uitzendbureaus;

30

derde categorie: I. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; II. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW/IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; III. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren.

2.3.5. Hoogte en duur van de maatregel 1. De maatregel, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 2.3.3. en 2.3.4. wordt

vastgesteld op: a. 20% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste

categorie; b. 50% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 100% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie. 2. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie. 3. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 2.3.4., tweede lid. 4. Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid, belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie, dan wordt door het college aan belanghebbende een maatregel opgelegd van honderd procent van de norm gedurende maximaal drie maanden. 5. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 2.3.4., tweede lid.

2.3.6. Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid 1. Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de

belanghebbende die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard uit of in verband met deze arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 IOAW/IOAZ zou hebben kunnen verwerven indien: a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;

31

b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de

belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, weigert het college de uitkering overeen periode van 26 weken gedeeltelijk door het bedrag van de uitkering te verlagen met 50% van het inkomen, bedoeld in de eerste zin van het eerste lid, indien het eindigen van de dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten.

2.3.7. Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende met het verrichten van arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven als bedoeld in of op grond van artikel 8 IOAW/IOAZ indien de belanghebbende: a. nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; b. door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

2.3.8. Duur maatregel bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting 1. Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid,

van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de maatregel honderd procent van de norm gedurende één maand. 2. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18,vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de norm gedurende twee maanden.

2.3.8.1. Verrekenen verlaging 1. Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 2.3.8., wordt toegepast over

de maand van oplegging van de maatregel en de volgende 2 maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Waarbij over de eerste maand ten minste 1/3 van het bedrag van de verlaging wordt verrekend. 2. Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de PW, vindt geen verrekening als bedoeld in het eerste lid plaats.

2.3.9. Beleidsregels inkeerregeling 1. Het college stelt beleidsregels vast waarin het de inkeerregeling, als bedoeld

in artikel 18, elfde lid, van de participatiewet, nader invult. 2. Op basis van deze beleidsregels heroverweegt het college de op grond van artikel 18, vijfde, zesde, zevende of achtste lid van de participatiewet opgelegde maatregel, indien belanghebbende het college daarom verzoekt.

32

2.3.10. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor

2. 3. 4.

5.

6.

de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordtafgestemd op het benadelingsbedrag, tenzij het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld. De maatregel wordt vastgesteld op 20% van de norm gedurende één maand indien het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld. De maatregel wordt vastgesteld op 100% van de norm gedurende één maand indien sprake is van een benadelingsbedrag. Indien het bedrag van de maatregel op grond van het derde lid hoger zou zijn dan het benadelingsbedrag, is het bedrag van de maatregel, in afwijking van het derde lid, gelijk aan het benadelingsbedrag doch niet lager dan 20% van de norm. De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid en derde lid wordt met één maand verlengd, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoont. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd,wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de Participatiewet. Onder tekortschietend besef voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in het eerste lid wordt onder andere verstaan: a. het niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding tot stand te brengen; b.

het verkopen van het woon en/of bedrijfspand beneden de WOZwaarde; c. het te snel interen van vermogen op grond van de Participatiewet; d. onderbedeling bij echtscheiding; e. te late of geen aanvaarding van een voorliggende voorziening op grond van artikel 15 van de participatiewet; f. het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; g. het feitelijk niet kunnen beschikken over een voorliggende voorziening op grond van artikel 15 van de Participatiewet omdat een bestuurlijke boete daarmee is verrekend zonder rekening te houden met de beslagvrije voet vanwege recidive; h. bij nadere overeenkomst geen aanspraak maken op de door de rechter toegekende alimentatie; i. het niet hebben van een op grond van de Zorgverzekeringswet verplichte basisverzekering.

2.3.11. Zeer ernstige misdragingen 1. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en

instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet en/of de IOAW/IOAZ als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet en artikel

33

37 lid 1 onder g van de IOAW/IOAZ, wordt een maatregel opgelegd van 50% van de norm gedurende één maand. 2. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de Participatiewet. 3. Onder zeer ernstige misdragingen als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt onder andere verstaan: a. extreem verbaal geweld; b. discriminatie; c. ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische druk); d. zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); e. mensgericht fysiek geweld; f. overige/combinatie van agressievormen.

2.3.12. Niet nakomen van overige verplichtingen 1. Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als

bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel opgelegd. De maatregel wordt vastgesteld op: a. 20% van de norm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; b. 20% van de norm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; c. 40% van de norm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; d. 100% van de norm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. 2. Als een belanghebbende een door het college opgelegde budgetteringsplicht als bedoeld in artikel 57,onderdeel a, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel opgelegd van 20% van de norm gedurende één maand. 3. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging.

Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de Participatiewet.

34

4. Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit waarbij

een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid, belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging, dan wordt door het college aan belanghebbende een maatregel opgelegd van honderd procent van de norm gedurende maximaal drie maanden. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.

2.3.13. Horen van belanghebbende 1. Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de

gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze

naar voren te brengenen zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of d. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.

2.3.14. Afzien van het opleggen van een maatregel 1. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door

het college heeft plaatsgevonden. 2. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Als het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

2.3.15. Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel 1. De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende

kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende norm, tenzij de verordening anders bepaalt. 2. Een maatregel kan met terugwerkende kracht worden opgelegd over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een maatregel overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de bijstand en/of uitkering is beëindigd of ingetrokken.

35

2.3.16. Berekeningsgrondslag 1. Een maatregel wordt toegepast op de norm. 2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel worden toegepast op de

bijzondere bijstand als aan belanghebbende die in een inrichting verblijft bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 20 van de Participatiewet.

2.3.17. Samenloop van gedragingen 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze

verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste maatregel is gesteld. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen maatregel opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4.

Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

2.3.18. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Als het college de uitkering op grond van artikel 20 van de IOAW/IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.

2.3.19.Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de maatregel; b. de duur van de maatregel; c. het bedrag of percentage waarmee de bijstand of uitkering wordt verlaagd of geweigerd; en

36

d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de

standaardmaatregel.

2.3.20. (gereserveerd) Bestrijding misbruik 2.3.21.Terugvordering ten onrechte verstrekte uitkeringen Het college maakt gebruik van de wettelijke bevoegdheden tot herziening en terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen. De vordering kan worden verhoogd met de bruto belastingen premies die daarover door het college zijn afgedragen

2.4.Participatiewet/ Ioaw/Ioaz (toeslagen) 2.4.1. Doelgroep individuele inkomenstoeslag Tot de doelgroep van deze regeling behoren personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen, geen in aanmerking te nemen vermogen en geen uitzicht op inkomensverbetering hebben, als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de Participatiewet, én ten tijde van aanvraag in de gemeente Meppel woonachtig zijn.

2.4.2. Langdurig laag inkomen Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 105% van de voor hem in zijn situatie toepasbare bijstandsnorm.

2.4.3. Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. Voor de individuele inkomenstoeslag is een bedrag van € 444,00 per

kalenderjaar vastgesteld voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en gehuwden. 2. Het bedrag in het eerste lid kan door het college jaarlijks worden geïndexeerd met 1,5%. Het bedrag wordt afgerond op hele euro’s.

2.4.4. Inhoud van een tegenprestatie Als tegenprestatie gelden onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, voor zover die werkzaamheden: a. naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; b. niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument; c. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en d. geen arbeid verdringend karakter hebben, noch een financieel gewin tot doel hebben.

37

2.5. Participatiewet/Ioaw en Ioaz Tegenprestatie en arbeidsinschakeling 2.5.1.Het opdragen van een tegenprestatie 1. Het college kan een inwoner een tegenprestatie opdragen. 2. Het college stelt ter uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin

wordt aangegeven wanneer sprake is van verdringing op de arbeidsmarkt. 3. In afwijking van het eerste lid draagt het college geen tegenprestatie op aan de inwoner die: a. aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als bedoeld in deze verordening; b. mantelzorg verricht voor zover het verrichten van die mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is; c. een belanghebbende snel toegang tot de arbeidsmarkt heeft. 4. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren: a. Het vermogen om een tegenprestatie te verrichten; b. De persoonlijke situatie en individuele omstandigheden; c. Het verrichten van mantelzorg of vrijwilligerswerk. 5. Een inwoner dient zelf met een voorstel te komen voor een passende tegenprestatie, zodat de hij invloed heeft op de invulling van de tegenprestatie. 6. Indien een inwoner dit nalaat bepaalt het college zelf de inhoud van de tegenprestatie.

2.5.2.Duur en omvang van een tegenprestatie 1. De tegenprestatie wordt opgedragen voor de duur van 12 maanden. 2. Na de periode als genoemd in het eerste lid wordt de duur verlengd met 12

maanden, nadat de consulent heeft beoordeeld of de omstandigheden en situatie van de belanghebbende verder onveranderd zijn gebleven. 3. De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 8 uren per week.

2.5.3.Voorzieningen gericht op re-integratie en arbeidsinschakeling (PW/IOAW/IOAZ) 1. Het college biedt aan inwoners ondersteuning bij de re-integratie naar de

arbeidsmarkt voor zover het college deze ondersteuning noodzakelijk vindt. 2. Het college onderzoekt de individuele wensen, acties gericht op vergroting

van zelfstandigheid, mogelijkheden en capaciteiten van een belanghebbende om de ondersteuning zo doelmatig en duurzaam mogelijk te realiseren. Waar mogelijk wordt rekening gehouden met individuele wensen. Het college legt dat vast in het plan van aanpak van de belanghebbende. 3. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een inwoner. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die inwoner en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep

38

loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 4. Een voorziening is mogelijk ten behoeve van organisaties met of zonder winstoogmerk.

2.5.4.Algemene bepalingen over voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling 1. Het college stelt desgewenst via een plan al bedoeld in artikel 44a Pw en na

overleg met de belanghebbende vast welke voorziening wordt aangeboden aan een inwoner uit de doelgroep. 2. Het college bepaalt de voorwaarden waaronder de voorziening wordt aangeboden bijvoorbeeld een budgetplafond of een bijdrage door de persoon uit de doelgroep. 3. Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de inwoner die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet; d. de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f.

de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening, of; g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

2.5.5.Vormen van ondersteuning tot arbeidsinschakeling De volgende vormen van maatwerkvoorzieningen zijn beschikbaar: a. Sociale activering b. Scholing c. Werkervaringsplek en proefplaatsing d. Participatieplaats e. Participatievoorziening beschut werk

39

f. g. h. i. j.

Detacheringsbaan Ondersteuning bij leer-werktraject Persoonlijke ondersteuning Verwervingskosten (tussen gemeente en werkgever) Indienstnemingssubsidie personen behorend tot de doelgroep

2.5.6.Sociale activering 1. Het college kan een inwoner die behoort tot de doelgroep activiteiten

aanbieden in het kader van sociale activering. 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van de inwoner. 3. Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

2.5.7.Scholing 1. Het college kan een inwoner die behoort tot de doelgroep scholing aanbieden 2. De scholing kan worden aangeboden in de vorm van subsidie of een

verstrekking in natura. 3. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. Het gaat de capaciteiten van de inwoner niet te boven en; b. Het vergroot de kansen van de inwoner op de arbeidsmarkt.

2.5.8.Werkervaringsplaats en proefplaatsing 1. Het college kan een inwoner uit de doelgroep een werkervaringsplek of

proefplaatsing aanbieden als er een overbrugging noodzakelijk is tot de reguliere arbeidsmarkt. 2. Het doel van een werkervaringsplek is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. Het doel van een proefplaatsing is het beoordelen of een inwoner voldoende competenties heeft voor een beoogde werkplaats. 3. Een werkervaringsplek kan worden aangeboden voor maximaal 6 maanden. Indien de arbeidsmarktkansen worden vergroot, kan dit eenmalig worden verlengd. Partijen sluiten een schriftelijke overeenkomst. In de overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkervaringsplek; en b. de werkzaamheden; en c. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. 4. Een proefplaatsing duurt maximaal twee maanden. Voorwaarden voor het verkrijgen van een proefplaatsing zijn: a. De proefplaatsing wordt gedurende twee maanden aansluitend uitgevoerd, met maximaal één verlenging van vier maanden, en; b. De proefplaatsingsduur is gekoppeld aan een dienstverband, en;

40

Er worden alleen werkzaamheden verricht die passen binnen het doel en de opzet van de proefplaatsing, en; d. Er is een overeenkomst gesloten over de proefplaatsing, en; e. De werkgever geeft schriftelijk zijn intentie aan om de inwoner bij goed functioneren na de proefplaatsing voor minimaal 6 maanden, zonder proeftijd, in dienst te nemen. f. Als de werkzaamheden tijdens de proefplaatsing worden onderbroken wegens ziekte, tellen deze dagen niet meer voor de totale periode in lid 4 en 4a. 5. Het college plaatst de inwoner niet als hierdoor de concurrentieverhoudingen onverantwoord worden beïnvloed of verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 6. Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de aansprakelijkheidsen ongevallen risico’s ten behoeve van de inwoner zijn afgedekt. c.

2.5.9.Participatieplaats 1. Het college kan een inwoner van met recht op algemene bijstand

2.

3. 4.

5.

overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. De overeenkomst voor een participatieplaats wordt gesloten voor maximaal twee jaar en kan maximaal twee keer worden verlengd met een jaar. De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt 10% van de gehuwdennorm ex artikel 21 onder b Pw, zoals deze geldt op 1 januari van het lopende kalenderjaar, afgerond op hele euro's naar boven per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de aansprakelijkheidsen ongevallen risico’s ten behoeve van de inwoner zijn afgedekt.

2.5.10.Participatievoorziening beschut werk 1. Het college biedt de voorziening beschut werk aan: a. aan een inwoner van wie is vastgesteld dat deze alleen in een

beschutte omgeving én onder aangepaste omstandigheden, de mogelijkheid heeft tot arbeidsparticipatie én deze inwoner, behoort tot de doelgroep. 2. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.

41

3. Het college biedt de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling

aan tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt: a. dagbesteding of b. scholing, of c. vrijwilligerswerk, of d. schuldhulpverlening, of e. andere vormen van maatschappelijke participatie of werk. Als er op korte termijn geen passende beschutte werkplek wordt gevonden.

2.5.11.Detacheringsbaan 1. Het college kan zorgen voor toeleiding van een inwoner die behoort tot de

doelgroep naar een dienstverband met een werkgever waaronder een detacheerder. 2. Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beinvloed of er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

2.5.12. Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan overeenkomstig artikel 10f van de wet ondersteuning bieden aan een inwoner uit de doelgroep voor wie volgens het college een leerwerktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het inwoners betreft: a. Van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of; b. Van achttien tot zevenentwintig jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.

2.5.13.Persoonlijke ondersteuning 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep. 2. Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt overeenkomstig artikel 2.5.14 tot en met 2.5.28.

2.5.14. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.3 en 2.5.4, de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen;

42

de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal drie maanden, met een minimale arbeidsduur van 8 uur per week; d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f. er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en g. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de [maatschappelijke] opbrengsten van uitstroom naar werk. c.

2.5.15. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige

2.

3. 4.

5.

voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. Het college onderzoekt, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon. Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet.

2.5.16. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning;

43

d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; e. als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van f.

afwijking; en voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund.

2.5.17. Jobcoaching 1. Het college kan ambtshalve of op aanvraag jobcoaching in natura verstrekken

door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van de gemeente OF een derde, die de gemeente voor de uitvoering van de jobcoaching heeft ingeschakeld. 2. Het college kan jobcoaching in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. Externe jobcoaching: de werknemer wordt begeleid door een gecertificeerde jobcoach van een externe organisatie. De gemeente koopt dit in bij een jobcoachorganisatie; b. Interne jobcoaching: i. De werknemer wordt intern door een collega begeleid die qua kennis en ervaring voldoet aan de eisen die we stellen aan de externe jobcoach, als genoemd in artikel 2.5.19 ii. De werknemer wordt door een externe jobcoach begeleid die wordt ingehuurd door de werkgever. iii. De werkgever kan voor beide vormen van interne jobcoaching vergoeding aanvragen bij de gemeente. 3. Als er sprake is van een gemeentelijke jobcoach wordt de werknemer begeleid door een jobcoach van de gemeente die de werknemer heeft geplaatst. De werkgever krijgt hiervoor dan geen vergoeding. 4. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject.

2.5.18. Specifieke voorwaarden toekenning jobcoaching bij werk 1. De aanvraag voor jobcoaching moet binnen twee maanden na de

ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die jobcoaching redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2. Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de jobcoaching wordt gewogen.

2.5.19. Kwaliteit en inzet bij jobcoaching 1. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet

voldoen aan de volgende kwaliteitseisen: a. Beschikken over minimaal hbo werk en denkniveau,

44

b. een jobcoach opleiding en c. ervaring op het gebied van jobcoaching. 2. Uitzonderingen op de gestelde voorwaarden van het eerste lid gelden voor

situaties waarin een werknemer met baan en bijbehorende jobcoach binnenkomt bij de gemeente, als gevolg van verhuizing, een stageplek vanuit het VSO/PRO onderwijs of als er een interne werkbegeleider is, zijnde “Een Harrie”, oftewel de medewerker die begeleiding op de werkvloer verzorgt. 3. De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de volgende begeleidingsregiems: licht, midden, intensief met een maximale duur van drie jaar • Licht: jaar 1, 6%, jaar 2, 3% en jaar 3, 3% van het aantal overeengekomen werkuren • Midden: jaar 1, 10%, jaar 2, 5%, en jaar 3, 3% van het aantal overeengekomen werkuren • Intensief: jaar 1, 15%, jaar 2, 7,5%, en jaar 3, 6% van het aantal overeengekomen werkuren 4. Het college kan van de in het derde lid bedoelde regimes afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat beoogt te worden beschermd, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.

2.5.20. Subsidievoorwaarden voor jobcoaching 1. Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching

verlenen aan de werkgever. 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 2.5.17 tot en met 2.5.19, worden verleend als: a. de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3. Voor externe jobcoaching wordt een maximaal tarief gehanteerd excl. btw per uur gelijk aan de vergoeding die het UWV verstrekt. Deze bedragen worden jaarlijks op 1 juli en 1 januari geïndexeerd (conform indexeringspercentage UWV).

2.5.21. Interne werkbegeleiding 1. Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is

aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college

45

een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. 2. Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een (Harrie-) training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden

2.5.22. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door

zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor openbaar vervoer. 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.

2.5.23. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is

voor de persoon om te kunnen werken. 2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als

een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.

2.5.24.Verwervingskosten Het college kan aan een inwoner een vergoeding voor verwervingskosten bieden.

2.5.25.Indienstnemingssubsidie personen behorend tot de doelgroep 1. Het college kan een indienstnemingsubsidie verstrekken aan werkgevers die

met een persoon behorend tot de doelgroep een arbeidsovereenkomst sluiten. 2. De indienstnemingsubsidie is mogelijk ten behoeve van arbeidsplaatsen in organisaties met of zonder winstoogmerk. 3. De indienstnemingsubsidie moet worden aangevraagd voor de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst. Voor het aanvragen van de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=81aa666b-72b4-42e2-85c5-b1c585c9f7cc