CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

1.8.1 Bijlage - Provincie Drenthe - Energievisie 2050 - Een bouwsteen voor de omgevingsvisie

1 - RAADSVERGADERING 6 november 2025, gemeente MeppelBij agendapunt: Categorie 1: Voor kennisgeving aannemen13.206 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Waterstof Waterstof vormt in 2050 een essentiële schakel in het Drentse energiesysteem, met name voor sectoren waar elektrificatie niet volstaat, zoals de zware industrie, mobiliteit en delen van de gebouwde omgeving. Drenthe heeft hierin een strategisch voordeel: de nationale waterstofbackbone doorkruist onze provincie, met een hoofdaansluiting bij Emmen en potentiële aftakkingen richting Hoogeveen, Meppel en Coevorden. Deze infrastructuur biedt unieke kansen voor het importeren, verdelen en benutten van groene waterstof, niet alleen regionaal maar ook bovenregionaal. Hoewel het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) geen grootschalige waterstofproductie aan Drenthe toekent, is er binnen de provincie wél ruimte voor innovatieve, decentrale productie van groene waterstof. Denk aan projecten in Emmen en Nieuw-Buinen, waar elektrolyse kan worden gekoppeld aan lokaal opgewekte hernieuwbare elektriciteit, bijvoorbeeld uit zon of wind. Zulke initiatieven versterken niet alleen de energieautonomie van bedrijventerreinen en mobiliteitsknooppunten, maar helpen ook om lokaal netcongestie te verminderen door overschotten slim te benutten. Drenthe stimuleert actief de ontwikkeling van ‘Waterstofhubs’: locaties waar productie, opslag, omzetting én gebruik van waterstof slim worden gebundeld.

Deze hubs kunnen deel uitmaken van bredere energieknopen in het netwerk en dragen bij aan een robuust, veerkrachtig en flexibel energiesysteem. Binnen regionale samenwerkingsverbanden werken provincie, gemeenten, ondernemers en netbeheerders aan een planmatige aanpak voor de ruimtelijke en functionele inpassing van waterstof. De provincie faciliteert hierbij niet alleen via kaders, maar waar mogelijk ook via financiële ondersteuning, kennisdeling en afstemming met (inter)nationale ontwikkelingen.

16 Warmte uit aardlagen op 0,5-5 km diepte (60-150 °C), terwijl ondiepe geothermie meestal uit <500 m komt (10-25 °C).

28

De voorziene projecten voor Drentse waterstofproductie zijn niet toereikend om in de verwachte vraag te voorzien. Dit betekent dat extra lokale productie of import van waterstof uit andere regio’s noodzakelijk is om in de vraag te kunnen voorzien. Voor het realiseren van deze ambities is het cruciaal om beschikbare reststromen, netcapaciteit en ruimtelijke condities goed op elkaar af te stemmen. Ook de koppeling met mobiliteitsinfrastructuur, bijvoorbeeld in de vorm van waterstoftankstations voor zwaar vervoer of bouw, verdient hierbij nadrukkelijke aandacht.

Koudevraag Door de oplopende temperaturen en frequenter voorkomen van hittegolven, verwachten we dat de vraag naar koude ook sterk gaat toenemen. Bij het verduurzamen van de warmtevraag is het daarom belangrijk om ook actief te zoeken naar koppelkansen met de groeiende behoefte aan koudevraag die we verwachten.

Kernenergie Het NPE houdt reeds rekening met de plaatsing van twee grote kerncentrales in Nederland in 2050. Hiervoor heeft het Rijk buiten Drenthe zoeklocaties aangewezen. De afgelopen jaren heeft onderzoek plaatsgevonden op het gebied van SMR’s. Gezien de omvang van de opgave kunnen we het ons niet veroorloven om SMR bij voorbaat uit te sluiten. Er is echter op dit moment nog te weinig bekend om een goed onderbouwde (locatie)keuze te kunnen maken. Daarnaast is de techniek nog niet uitontwikkeld en dus is het niet zeker of een SMR in Drenthe in 2050 operationeel kan zijn. Drenthe neemt deel aan de nationale simulaties van het realisatieproces van SMR-kernenergie. Hieruit moet blijken of het ruimtelijk mogelijk gaat zijn om een SMR in Drenthe te plaatsen. Belangrijk om te vermelden is dat SMR-technologie een substantiële doorlooptijd heeft (realisatieperspectief circa 16 jaar). Gezien het feit dat de provincie Drenthe haar standpunt over kernenergie en de aanpalende relevante zaken verder ontwikkelt, volgt hierover nadere besluitvorming.

5.2

Ruimtelijke uitgangspunten Het energiesysteem heeft ruimtelijk impact. In deze paragraaf gaan we in op deze ruimtelijk impact.

Structurele energievoorziening Een belangrijke bevinding is dat een fossielvrije energievoorziening in 2050 een structureel karakter zal krijgen. Energieactiviteiten kunnen nog steeds wel (langdurig) tijdelijk zijn, maar zodra een activiteit beëindigd wordt zal een nieuwe activiteit het moeten overnemen. Mede doordat de benodigde infrastructuur op die locatie aangelegd is. In 2050 zijn er geen fossiele bronnen meer waarop kan worden teruggevallen. Er zal dus de komende jaren nagedacht moeten worden over locaties in Drenthe die structureel (of in ieder geval zeer langdurig) benut kunnen worden voor productie, transport en opslag van duurzame energie.

29

Stedelijk gebied en landelijk gebied In de stedelijke gebieden van Drenthe wordt de meeste energie verbruikt. Het is daarom logisch om, waar mogelijk, opwek en opslag van energie dicht bij deze stedelijke gebieden te realiseren, om de transportafstanden te minimaliseren. Diverse nieuwe energie-activiteiten zijn goed in te passen in of nabij stedelijk gebied, en dan in het bijzonder bij bedrijventerreinen. Door nieuwe energieactiviteiten te positioneren nabij stedelijke gebieden, kan het landelijk gebied worden ontzien en wordt voorkomen dat er nieuwe energie-infrastructuur moet worden aangelegd met bijbehorende ruimtebeslag.

Knooppunten In hoofdstuk 4 staat dat combineren van verschillende vormen van opwek en opslag op één locatie energetisch gezien wenselijk is (energiehubs en knooppunten). Strategische plekken voor systeemintegratie zijn belangrijk voor de productie van duurzame energie, maar ook voor het strategisch plaatsen van vraaglocaties. In regio’s met grootschalige productie liggen daardoor ook belangrijke economische kansen, omdat hier zowel opwek als verbruik samenkomen en nieuwe bedrijvigheid en innovatie kunnen ontstaan. De clustering van energie-infrastructuur in stedelijke gebieden is vanuit systeembenadering logisch en vraagt om nadere uitwerking m.b.t. het afstemmingsvraagstuk dat gepaard gaat met het verschil in productiepotentie per regio.

Ruimtelijke richtlijn voor zon De voorkeur gaat uit naar plaatsing van zonnepanelen op daken en binnen of direct naast stedelijk gebied. In beperkte mate is er ruimte voor zonne-energie in trede 3 gebieden, zoals bermen en zandwinplassen. Ontwikkeling in trede 4, het landelijk gebied, is alleen mogelijk onder strenge voorwaarden en wanneer het meervoudig ruimtegebruik ondersteunt en actuele gebiedsopgaven, zoals waterberging of woningbouw, combineert. Een voorbeeld is het combineren van een zonnepark met een waterbergingsopgave en woningbouw.

Waterstof Waterstof ontwikkelt zich in Drenthe tot een strategische energiedrager voor sectoren waar elektrificatie niet volstaat, zoals industrie, zwaar transport en delen van de gebouwde omgeving. De infrastructuur voor productie, opslag, distributie en tankvoorzieningen wordt geconcentreerd op strategische locaties, zoals nabij grootschalige opwek van hernieuwbare energie, industrieterreinen, logistieke knooppunten en energiehubs, al dan niet in combinatie met aansluitingen op de nationale waterstofbackbone. De provincie stuurt daarbij op bundeling met bestaande infrastructuur en inzet van bestaande ruimtelijke structuren, om de ruimtelijke impact te beperken en de efficiëntie te vergroten.

Groen gas productie Productie van groen gas vindt nu al plaats op grote productielocaties op bedrijventerreinen en in het agrarische gebied. Agrarische locaties kunnen ook impact hebben op het landschap. Groen gas is in Drenthe een belangrijke potentiële bron voor warmte. De eventuele sterke toename van groen gas-productielocaties moet met passend ruimtelijk beleid in goede banen worden geleid om nadelige impact op de omgeving te voorkomen.

30

De locatiekeuze voor groen gasproductie hangt sterk samen met het type grondstof en het beoogde gebruik. Productie in het landelijk gebied is vaak kleinschaliger en direct gekoppeld aan lokale biomassa of mest. Op bedrijventerreinen in stedelijke of semi-stedelijke gebieden ligt de nadruk vaker op grootschalige verwerking van reststromen uit de voedingsindustrie, afvalverwerking of biogasinstallaties die meerdere bronnen combineren. De milieueffecten en vervoersbewegingen verschillen daardoor per type groen gas en locatie.

Grootschalige netwerken Het hoogspanningsnet wordt al uitgebreid en gebalanceerd en het eindpunt hiervan is nog niet helemaal in zicht. Dit net wordt op termijn alleen nog gebruikt voor fossielvrije stroom uit diverse bronnen. De ruimtelijke impact van het hoogspanningsnet (o.a. op het landschap) zal in 2050 dus nog steeds aanwezig zijn. Voor waterstof en groen gas kan een grootschalig eigen buisleidingennetwerk (‘backbone’) zorgen voor de koppeling tussen productie en afname. Als hiervoor bestaande aardgasleidingen worden hergebruikt zijn maar beperkte bodemingrepen nodig. Voor het gebruik van (rest) warmte kunnen aanbod en vraag aan elkaar gekoppeld17 worden door een leidingnetwerk. Dit buisleidingnetwerk dient vaak wel nieuw aangelegd te moeten worden.

Vrijkomende ruimte door wegvallen fossiele activiteiten Fossiele activiteiten zijn bijv. productie en transport van aardgas en aardolie en de verkoop van fossiele brandstoffen. Daar waar deze activiteiten worden beëindigd komt ruimte vrij. Hier ontstaan kansen voor nieuwe functies. In het landelijk gebied kan bijv. het areaal landbouwgrond worden vergroot, en in stedelijk gebied ontstaan nieuwe ontwikkellocaties.

Transport en opslag elektriciteit Er spelen diverse projecten voor de uitbreiding van het stroomnet in Drenthe. Als de elektrificatie verder doorzet kan op termijn een verdere uitbreiding van stroomnet nodig zijn. Naast uitbreiding is ook balancering van het stroomnet essentieel, bijv. door opslag met behulp van grote batterijen.

Mobiliteit De ruimtelijke inpassing van mobiliteitsenergie in Drenthe naar 2050 zal zich richten op het bundelen van functies, zorgvuldig ruimtegebruik en het versterken van bestaande infrastructuur. Naast particuliere en (semi)publieke laadinfrastructuur voor lichtere voertuigen wordt de laad- en tankinfrastructuur voor zwaardere mobiliteit geconcentreerd op logische knooppunten zoals bedrijventerreinen, logistieke corridors, OV-hubs en regionale energiehubs. Dit voorkomt versnippering en creëert synergie met andere ruimtelijke functies, zoals wonen, werken en energieopwekking.

17 Hierbij rekening houdende met verschillende kwaliteiten van warmte: lage temperatuur en hoge temperatuur, verschillende volumes, etc.

31

Begrippenlijst A

Aquathermie Het benutten van warmte uit oppervlaktewater voor warmtevoorziening. Bron: RVO, Aquathermieprogramma, 2020

B

Biogas Gasvormige brandstof afkomstig van vergisting van organisch materiaal. Bron: Klimaatakkoord, 2019 Bronnenmix Verschillende energiebronnen om in de energievraag te voorzien. Bron: warmtenetwerk. Bronnenstrategie Een plan om de lange termijndoelstelling van de energietransitie te realiseren door aan te geven welke bronnen wanneer relevant zijn, in welk tempo (fasering) deze opgeschaald worden en tegen welke condities. Bron: Warmtekoude programma

C

Centrale productie van elektriciteit De productie van elektriciteit door thermische of nucleaire centrales die regulier leveren aan het landelijke hoogspanningsnet van Tennet. Dit worden ook wel de elektriciteitscentrales genoemd. In Nederland bestaat het hoogspanningsnet uit de netten met een spanning van 110 kV en hoger. Bron: CBS. Clean Energy Hub Een Clean Energy Hub is een specifieke vorm van een energiehub die zich richt op duurzame mobiliteit. Op deze hubs worden fossielvrije brandstoffen zoals elektriciteit, waterstof of biobrandstoffen aangeboden voor vervoer. Ze worden strategisch geplaatst langs logistieke knooppunten of bedrijventerreinen. In Drenthe dragen deze hubs bij aan een emissievrije mobiliteit, vooral in het zwaardere transportsegment. Cluster-6 bedrijven Een groep van grote industriële energiegebruikers die gezamenlijk werken aan verduurzaming. Bron: Cluster Energie Strategieën (CES) Collectieve warmtevoorziening In de Warmtewet 2 staat een definitie van het collectief warmtesysteem: een systeem waarbij een of meer (duurzame) warmtebronnen door middel van een warmtenet geleverd wordt aan verbruikers. Voorbeelden van duurzame warmtebronnen zijn aardwarmte (geothermie), (industriële) restwarmte en warmte-koude opslag (WKO).

In het conceptwets­ voorstel staat dat in stedelijke gebieden, in wijken met een hoge bebouwingsdichtheid, deze systemen vaak de meest efficiënte optie bieden voor verduurzaming van de warmtevraag. Bron: NPLW.

D

Decentrale productie van elektriciteit De productie van elektriciteit door thermische installaties die leveren aan een bedrijfsnetwerk of aan het openbare middenof laagspanningsnet, plus alle productie van elektriciteit uit windenergie, waterkracht en zonne-energie. Het openbare midden- of laagspanningsnet bestaat uit de netten met een spanning lager dan 110 kV. Thermische installaties wekken elektriciteit op door het verbranden van brandstoffen als aardgas, steenkool en biomassa. Bron: CBS.

34

E

Elektrificatie Elektrificatie is het proces waarbij fossiele energiebronnen zoals gas, olie of kolen worden vervangen door elektriciteit, opgewekt uit hernieuwbare bronnen. Voorbeelden zijn elektrische auto’s en warmtepompen. Electrolyse Proces waarbij water wordt gesplitst in waterstof en zuurstof met behulp van elektriciteit. Bron: TNO. Energiedrager Een energiedrager is de vorm waarin energie beschikbaar is voor gebruik. Denk aan elektriciteit, waterstof of (groen) gas. Energiegemeenschap In de Hernieuwbare Energie Richtlijn (RED II 2018/2001) van de Europese Unie (EU) staat als definitie: gemeenschappen waarvan de leden en aandeelhouders (lokale bewoners, MKB’ers en overheden) in nabijheid hernieuwbare energie opwekken. Deze duurzame energie mogen zij verbruiken, opslaan, delen en verkopen. Het hoofddoel van de hernieuwbare energiegemeenschap is ‘het verschaffen van voordelen op milieugebied of op economisch of sociaal gebied aan haar aandeelhouders of leden of aan de lokale gebieden’. Energiehub Een Energy Hub is een slim gestuurd, decentraal energiesysteem in woonwijken (gebouwde omgeving), bedrijventerreinen, mobiliteitslocaties of in clusters van grote energieverbruikers zoals Cluster 6-bedrijven.

Via de Energy Hub wordt het bovenliggende energiesysteem ontlast en/of versterkt door binnen het gebied zoveel mogelijk vraag en aanbod van verschillende energiedragers te balanceren door lokale productie, consumptie, opslag en conversie te combineren18. Bron: Topsector Energie Energieneutraal Energieneutraal betekent dat over een jaar evenveel energie wordt opgewekt als verbruikt. Vaak gaat het om een woning die dit bereikt met bijvoorbeeld zonnepanelen, warmtepompen en goede isolatie. In beleidsstukken kan de term ook slaan op een groter gebied, zoals een gemeente die op haar grondgebied evenveel duurzame energie wil opwekken als er wordt gebruikt. Bron: RVO. Energiesysteem Een energiesysteem omvat de gehele waardeketen van energieopwekking tot energiegebruik. Dit omvat alle processen, infrastructuur en technologieën die nodig zijn om energie te produceren, transporteren, distribueren en gebruiken. Een geïntegreerd energiesysteem omvat verschillende ruimte- en tijdschalen, van lokaal tot regionaal en van seconden tot decennia. Bron: Topsector Energie. ETM-model Een interactief, open-source rekenmodel voor het Nederlandse en internationale energiesysteem. Het model maakt gebruik van een integrale beschrijving van energiebronnen, vraagsectoren, kosten en emissies. Bron: energytransitionmodel.com

18 Waar energiehubs gericht zijn op lokale samenwerking en gedragsmatige of contractuele afstemming tussen opwek, verbruik en opslag, zijn knooppunten primair fysieke schakels in het grotere energienet. Knooppunten hebben een systeemtechnische functie. Ze zijn niet per se verbonden aan sociale of organisatorische samenwerking en spelen vooral een rol op regionaal of bovenregionaal niveau.

35

F

Flexibiliteit (energiesysteem) Een flexibel energiesysteem kan goed omgaan met schommelingen in vraag en aanbod. Dit wordt steeds belangrijker door de toename van weersafhankelijke bronnen zoals zon en wind. Flexibiliteit kan worden bereikt door opslag (batterijen, waterstof), slimme aansturing van verbruik (vraagsturing), en flexibele productie (vanuit verschillende duurzame bronnen en vanuit regelbare bronnen).

G

Gebouwde omgeving Bij sector gebouwde omgeving gaat het om de broeikasgasuitstoot door huishoudens en de dienstensector, exclusief de uitstoot die gerelateerd is aan verkeer en vervoer (deze zit in sector mobiliteit). Bij de gebouwde omgeving gaat het vooral om de CO2-uitstoot door het warm stoken met aardgas van woningen en de te verwarmen gebouwen van de dienstensector. Het aardgasverbruik hangt af van hoe koud of warm een winter is. Bron: CBS. Geothermie, LTG/UDG/bodemwarmte Het gebruik van warmte uit de diepe ondergrond voor het verwarmen van huizen, gebouwen, kassen en (lichte) industrie. Aardwarmte wordt ook wel geothermie genoemd. Afhankelijk van de diepte kan aardwarmte een warmtenet voorzien van warmte met een temperatuur van ongeveer 40-120 °C. Vanaf 500 meter diepte spreekt de Nederlandse wetgeving over geothermie, ofwel aardwarmte. Gebruik van warmte uit bodemlagen ondieper dan 500 meter noemen we bodemenergie. Op dit moment gebruiken vooral kassen en utiliteitsgebouwen geothermie, maar de mogelijkheden voor andere gebouwen en woonwijken worden steeds groter. De temperatuur die een geothermiebron kan leveren is afhankelijk van de diepte. Een voor Nederland gebruikelijke geothermiebron (2-3 km diepte) kan een warmtenet direct voorzien van warmte met een temperatuur van ongeveer 60-90 °C.

Lagetemperatuur-geothermie (LTG) is het winnen van warmte op dieptes tussen 500 en 1.500 meter en levert gemiddeld een temperatuur van 40-50 °C. Bij ultradiepe-geothermie (UDG) wordt naar dieptes van 4 km of meer geboord. Deze vorm van aardwarmte levert een temperatuur van meer dan 120 °C. Groen gas Groen gas is duurzaam alternatief voor aardgas dat gelijkwaardig is aan aardgas, maar wordt gewonnen uit biomassa zoals mest, GFT-afval of slib. In Drenthe is veel potentieel voor de productie van groen gas via agrarische vergisting. Het gas kan direct in het bestaande gasnet worden ingevoerd en vormt een waardevolle aanvulling op de energiemix, met name voor moeilijk te verduurzamen sectoren.

K

Kernenergie Vorm van energieopwekking waarbij elektriciteit wordt gemaakt door het splijten van atoomkernen. Hierbij komt energie vrij die wordt omgezet in warmte. Deze warmte verhit water dat dan in stoom verandert. Die stoom drijft daarna een turbine aan die de elektriciteit opwekt. Bij deze manier van energie opwekken komen geen CO2 vrij. Hoewel kernenergie schoon is, wordt het niet beschouwd als een hernieuwbare bron. Dit komt omdat kernenergie niet afkomstig is van natuurlijke bronnen die constant worden aangevuld. Bron: Nationaal Energie Dashboard. Klimaatneutraal Een situatie waarin het klimaatsysteem niet langer verandert als gevolg van menselijke handelen. Dit wordt mondiaal en in Europees verband geoperationaliseerd door het bereiken van een balans tussen door de mens veroorzaakte broeikasgasemissies en de vastlegging van CO2 uit de atmosfeer in zogeheten koolstofputten op de aarde. Niet alle emissies zijn technisch te vermijden. Naar verwachting bestaan de restemissies met name uit methaan en N2O (lachgas) in de landbouw, terwijl de vastlegging (negatieve emissies) zal bestaan uit vastlegging van CO2 in de bossen en de bodems in de land­­ gebruikssectoren en de verwerking van biogrondstoffen met CCS2, directe afvang en opslag van CO2 uit de lucht (DAC) en CO2-vastlegging in materialen in andere sectoren. Bron: Kamerbrief 32 813, nr. 1180.

36

Knooppunten Fysieke locaties in het elektriciteitsnet, doorgaans nabij hoogspanningsstations, waar infrastructuren samenkomen en elektriciteit wordt getransformeerd of verdeeld. In aanvulling op de formele technische betekenis (zoals vastgelegd in de Elektriciteitswet 1998), omvatten knooppunten in deze visie ook ruimtelijke en systeemintegrerende functies: ze bieden ruimte voor grootschalige duurzame opwek en energieopslag. In tegenstelling tot energiehubs, die gericht zijn op lokale samenwerking en afstemming tussen partijen, zijn knooppunten primair fysieke schakels in het grotere energienet met een regionaal of bovenregionaal belang.

L

Landelijk gebied Gebied met een omgevingsadressendichtheid van minder dan 1 000 adressen per vierkante kilometer. Bron CBS

N

Nationaal leiderschap Het scenario Nationaal Leiderschap maakt deel uit van de vier scenario’s uit de Integrale Infrastructuurverkenning 2030-2050 (II3050) van Netbeheer Nederland. In dit scenario neemt de nationale overheid een sturende en coördinerende rol in de energietransitie. Kenmerken zijn: • vroegtijdige en bindende regelgeving; • actieve financiële deelname van de overheid in projecten met nationaal belang; • beperking van marktinstrumenten waar dit nodig is om strategische doelen te behalen; • behoud van een aanzienlijk deel van de industriële productie in Nederland; • grootschalige inzet van duurzame opwek (land en zee) en uitrol van regionale en landelijke warmtenetten. Dit scenario gaat uit van sterke nationale regie, waardoor infrastructuur, ruimtelijke keuzes en energievoorziening onderling beter worden afgestemd. Bron: energiekompas2050.nl, Netbeheer Nederland – II3050 Netcongestie (en transportschaarste) Situatie waarin het elektriciteitsnet zijn maximale capaciteit heeft bereikt, waardoor het transport van elektriciteit beperkt wordt. Dit leidt ertoe dat nieuwe aansluitingen of een toename van de vraag of het aanbod van elektriciteit tijdelijk niet mogelijk zijn. Bron: Handreiking Drentse praktijkoplossingen voor netcongestie.

Er is sprake van fysieke congestie wanneer de hoeveelheid elektriciteit die getransporteerd moet worden, groter is dan het netwerk aankan. Netbeheerders voorkomen langdurige overbelasting en stroomuitval door op momenten van dreigende congestie regelbaar vermogen in te zetten. Het grootste deel van de problematiek refereert daarom aan de administratieve component: transportschaarste. Of er sprake is van schaarste, wordt vastgesteld op basis van de contractueel beschikbare capaciteit op het netwerk. Door de afspraken over transportcapaciteit is het in tijden van transportschaarste voor energieproducenten en energieafnemers (bedrijven, projectontwikkelaars) lastiger een nieuwe of grotere aansluiting te krijgen op het elektriciteitsnetwerk. Bron: PBL. Netverzwaring Uitbreiding van de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk om de toenemende vraag naar elektriciteit te kunnen faciliteren, voornamelijk veroorzaakt door de energietransitie.

37

O

Opslagoplossing Energie wordt niet altijd op het moment van productie gebruikt. Opslagoplossingen zoals batterijen, waterstofopslag of warmtebuffers maken het mogelijk om energie tijdelijk vast te houden en op een later moment in te zetten. 1. Groene moleculen: Deze term verwijst naar duurzame, energierijke stoffen zoals groene waterstof, groen gas en biobrandstoffen. 2. Groen gas: Groen gas is biogas dat is opgewerkt tot dezelfde kwaliteit als aardgas. Het wordt gemaakt uit organisch materiaal, zoals mest of gft-afval. 3. Waterstof, groene: Met behulp van elektriciteit (bij voorkeur duurzaam opgewekt) kan water worden gesplitst in waterstof en zuurstof – een proces dat bekend staat als elektrolyse.

R

Regionale Samenwerkingstructuur Energie (Drenthe) Voor beleidsontwikkeling en uitvoering m.b.t. de energietransitie in de provincie Drenthe is een intensieve samenwerkingsstructuur opgezet tussen de Drentse gemeenten, de provincie Drenthe, waterschappen, netbeheerders en maatschappelijke partners. De RES is onderdeel van deze samenwerkingsstructuu Repowering Repowering’ is in de Richtlijn hernieuwbare energie gedefinieerd als: ‘het vernieuwen van hernieuwbare energie producerende elektriciteitscentrales, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke vervanging van installaties of exploitatiesystemen en apparatuur, teneinde de capaciteit te vervangen of de efficiëntie of capaciteit van de installatie te verhogen. Bron: NPRES, EU Verordening tot vaststelling van een kader om de inzet van hernieuwbare energie te versnellen. RES (Regionale Energiestrategie) De RES is een samenwerking van gemeenten, provincies en waterschappen in 30 energieregio’s in Nederland, waarin zij gezamenlijk onderzoeken waar en hoe duurzame energie kan worden opgewekt, hoe energiebesparing kan worden gerealiseerd en het energienet kan worden benut. De RES is zowel een plan als een proces van regionale samenwerking om de energietransitie effectief en efficiënt te organiseren. Bron: NPRES.

Restwarmte Restwarmte is warmte die als bijproduct vrijkomt bij industriële processen of afvalverbranding en anders verloren zou gaan. Deze warmte kan worden ingezet via warmtenetten voor het verwarmen van gebouwen of kassen. Bron: NPLW.

S

SMR (Small Modular Reactor) Een SMR is een kerncentrale die modulair gebouwd, varieert van 50 tot 500 mw. Hoewel deze techniek nog in ontwikkeling is, wordt in Drenthe verkend of SMR’s in de toekomst een aanvullende rol kunnen spelen in het energiesysteem. Dit hangt af van de technologische ontwikkeling, veiligheid en maatschappelijke acceptatie. Bron: Topsector Energie/ministerie KGG. Stedelijk gebied Een rastervierkant van 500 bij 500 meter wordt tot stedelijk gebied gerekend als de omgevingsadressendichtheid (oad) van het betrokken rastervierkant 1 500 of meer adressen per vierkante kilometer is. Bron: CBS. Systeemintegratie Het op een gecoördineerde wijze integreren van ketens van verschillende energiedragers en gebruikssectoren tot één duurzaam, betrouwbaar, betaalbaar en veilig energiesysteem, met een breed maatschappelijk draagvlak. Dit geïntegreerde energiesysteem kent verschillende ruimte- en tijdschalen; van lokaal tot Noordwest Europese schaal en van seconden tot enkele decennia. Bron: Topsector Energie.

38

T

Transportnet Het geheel van hoogspanningsverbindingen (380, 220, 150 en 110 kV) waarop elektriciteitscentrales en andere belangrijke invoerpunten zijn aangesloten, en dat de elektriciteit vervoert naar afleveringspunten waar het overgaat in het distributienet. Het vormt hiermee de ‘ruggengraat’ van het landelijke elektriciteitsvoorzieningssysteem

V

Vergisting Vergisting is een biologisch proces waarbij organisch materiaal zoals mest, plantaardig afval, slib of restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie, in een installatie zonder zuurstof wordt afgebroken door bacteriën. Daarbij ontstaat biogas, een duurzaam gasmengsel dat lokaal gebruikt kan worden voor warmte of elektriciteit. Door opwerking tot aardgaskwaliteit ontstaat groen gas, dat kan worden ingevoed in het gasnet. Vergisting is een kansrijke techniek binnen de energietransitie, omdat het bijdraagt aan de diversificatie van het energiesysteem. Vormen van vergisting 1. Agrarische vergisting: Vergisting bij of in samenwerking met agrarische bedrijven. Hier worden mest en landbouwreststromen gebruikt. Deze vorm past vooral in het landelijk, waar die grondstoffen lokaal beschikbaar zijn. Maatwerk is belangrijk, vanwege de beperkte infrastructuur en vervoersmogelijkheden. 2. Mestvergisting: Een specifieke vorm van agrarische vergisting met mest als hoofdgrondstof. - Mono-vergisting (alleen mest): milieuvriendelijker en maatschappelijk beter geaccepteerd. - Co-vergisting (mest + andere organische stoffen): hogere gasopbrengst, maar striktere regelgeving. 3. Industriële vergisting: Vergisting van organisch restmateriaal uit de voedingsmiddelenindustrie (zoals oliën, vetten, restdeeg, of dranken).

Zeer geschikt voor bedrijventerreinen, waar deze reststromen vrijkomen en vervoerslogistiek goed geregeld is. 4. GFT-vergisting: Vergisting van groente-, fruit- en tuinafval uit huishoudens, horeca of bedrijven. Past bij stedelijke gebieden en milieustraten; sluit goed aan bij bestaande afvalstromen. 5. Slibvergisting: Vergisting van slib uit rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s). Wordt al toegepast bij waterschappen aan de randen van stedelijke gebieden. 6. Vergassing (geen vergisting, maar verwant): Bij hoge temperatuur wordt droge biomassa (zoals snoeihout of houtafval) omgezet in syngas, dat kan worden opgewerkt tot groen gas.Interessant bij resthoutstromen, bijv. op logistieke knooppunten of in de bouwsector.

W

Warmtenet Systeem van ondergrondse leidingen (met aanvullende regel en opslaginstallaties) waarmee warmte, bijvoorbeeld uit industriële restwarmte, geothermie of aquathermie, collectief wordt getransporteerd naar woningen en gebouwen; het is met name rendabel in dichtbebouwde gebieden. Er bestaat onderscheid tussen grootschalige warmtenetten die groter zijn dan 5.000 aansluitingen (vooral stadsverwarming) en kleinschalige warmtenetten (waaronder blokverwarming). Bron: ECDelft WcW, NPLW. Waterstof (groene waterstof) Waterstof is een kleurloos, geurloos, niet-giftig en licht ontvlambaar gas dat vrijwel niet in vrije vorm voorkomt en daarom geproduceerd moet worden, bijvoorbeeld door elektrolyse: een proces waarbij hernieuwbare elektriciteit water (H2O) splitst in waterstof (H2) en zuurstof (O2) of door aardgasreforming. Het is geen energiebron, maar een energiedrager: energie zit opgeslagen in de waterstofmoleculen. Het is een belangrijke energiedrager voor sectoren die moeilijk te verduurzamen zijn, zoals zware industrie, scheepvaart en luchtvaart. Bij grijze waterstof wordt aardgas omgezet in waterstof, waarbij CO2 vrijkomt zonder opvang. Blauwe waterstof is hetzelfde proces, maar dan met opvang en opslag van CO2 om uitstoot te beperken. Bron: Topsector Energie

39

Waterstofbackbone De waterstofbackbone is een landelijk netwerk van buisleidingen voor het transport van waterstof. Deze infrastructuur loopt ook door Drenthe en maakt het mogelijk om lokaal geproduceerde of geïmporteerde waterstof te verdelen naar gebruikers in industrie, mobiliteit en gebouwde omgeving. Aansluitpunten in Drenthe bevinden zich o.a. bij Emmen en Meppel. Wind, erfmolens Erfmolens zijn kleine windmolens tot 15-2519 ashoogte, die geplaatst worden op erven van agrarische bedrijven of woningen in het landelijk gebied. Ze zijn minder hoog en leveren stroom voor eigen gebruik. Wind, grootschalig Grootschalige wind betreft het opwekken van elektriciteit met middelgrote tot grote windturbines, doorgaans samengebracht in windparken op land of op zee. Deze projecten leveren aanzienlijke hoeveelheden stroom aan het landelijke net en zijn van bovenlokaal belang, met een regionale of nationale impact. Vanwege hun schaal en zichtbaarheid hebben ze een grote ruimtelijke invloed, waardoor zorgvuldige landschappelijke inpassing noodzakelijk is. Grootschalige windprojecten spelen een belangrijke rol in het realiseren van de (nationale) klimaatdoelstellingen. De bevoegdheidsverdeling rondom windprojecten wordt bepaald door de Energiewet: Bevoegd gezag

Criteria

Gemeente

Kleine windparken <15 MW20

Provincie

Windparken ≥ 15 MW21

Rijk

Windparken ≥ 100 MW, wind op zee, nationale projecten

Wind, kleinschalig (> 25 meter ashoogte) Windturbines die ingezet worden voor lokale energieproductie, vaak op initiatief van collectieven, bedrijven, industriële ondernemingen of andere gebruikers met een directe energievraag. De opgewekte elektriciteit is voornamelijk bedoeld voor eigen gebruik of voor lokale afzet.

Z

Zon, dak Zon op dak is het plaatsen van zonnepanelen op bestaande daken van woningen, bedrijven, scholen of andere gebouwen of solar caports. Zon, grootschalig De productie van elektriciteit door zon op veld dat zich uitstrekt over grotere oppervlakten en daardoor aanzienlijke ruimtelijke impact heeft. De definitie grootschalige zon is afhankelijk van de schaal van het landschap, de mate waarin opwek van het park in verhouding staat tot de energievraag in de directe omgeving en de beschikbare netcapaciteit. Anders dan bij windparken, zijn er geen vaste drempelwaarden (zoals MW of ha) in de wet voor zonneparken. De provincie of het Rijk moet dus zelf actief besluiten een zonnepark als ‘belangrijk genoeg’ aan te merken om het over te nemen via een projectbesluit of de Rijkscoördinatieregeling. De vergunningverlening ligt bij gemeenten.

19 Erfmolens hebben momenteel een maximale ashoogte van 15 meter. Voor windmolens met een ashoogte van 25 meter loopt op dit moment een pilot. Deze bevindt zich nog in de fase van reflectie en evaluatie van de resultaten. 20 Volgens de nieuwe Energiewet die ingaat op 1 januari 2026. 21 Volgens de nieuwe Energiewet die ingaat op 1 januari 2026.

40

Zon, veld Grootschalige installaties van zonnepanelen op een open terrein (‘veld’), waar duurzame elektriciteit wordt opgewekt; deze installatie is vooral rendabel in gebieden met voldoende netinfrastructuur en vereist zorgvuldige ruimtelijke inpassing en vergunningverlening. Zon op veld is slechts toegestaan onder de strikte voorwaarden die volgen uit de zonneladder. Bron: RVO, NOVI. Zonneladder Zonneladder geeft voorkeur van locaties realisatie zonnepanelen aan. • Trede 1: Zon op dak: Plaatsing van zonnepanelen op bestaande daken heeft de hoogste prioriteit. • Trede 2: Kleinschalige zonneparken binnen stedelijk gebied: Zonneparken binnen stedelijk gebied, waarvan de opwek lokaal verbruikt wordt. Bevoegdheid voor deze parken ligt bij de gemeenten. • Trede 3: Zonneparken buiten stedelijk gebied op onbenutte (bouw)locaties, langs infrastructurele werken en op (industriële) plassen: Voorbeelden zijn de Drentse Zonneroute A37, zonneparken op zandwinplassen en/of op leegstaande bedrijventerreinen. • Trede 4: Zonneparken op overige locaties in het landelijk gebied met meervoudig ruimtegebruik: Ongewenst, tenzij: Zonneparken op bijvoorbeeld landbouwgronden die voldoen aan strikte voorwaarden van meervoudig ruimtegebruik en een structurele bijdrage leveren aan concrete actuele gebiedsopgaven. Bron: RVO, NOVI.

41

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=098a2a76-b4c5-4127-bac3-761a8a701de2