1.19.6 College - 40.6 Bijlage 6 - Advies Commissie Bezwaarschriften verkeersbesluit 13 januari 2026 (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Aan: Het college van burgemeester en wethouders van Meppel Postbus 501 7940 AM MEPPEL Uw brief van Uw kenmerk Ons kenmerk Behandelaar Telefoon Onderwerp
14 0522
Bijlage(n)
Datum
14 april 2026
Advies Commissie Bezwaarschriften inzake het verkeersbesluit van 13 januari 2026 Geacht college, Hieronder treft u het advies aan van de Commissie Bezwaarschriften (hierna: commissie) naar aanleiding van de bezwaarschriften die u heeft ontvangen tegen de brief van 19 november 2025 en het verkeersbesluit van 13 januari 2026. Wij geven u het volgende advies over de bezwaarschriften - De bezwaarschriften specifiek gericht tegen de brief van 19 november 2025 niet-ontvankelijk te verklaren. - De bezwaarschriften van de natuurlijke personen niet-ontvankelijk te verklaren. - Het bezwaarschrift van de Stichting Drents Agrarisch Erfgoed nietontvankelijk te verklaren. - Het bezwaarschrift van Stichting behoud van cultuurhistorische fietspaden in Meppel e.o en Stichting Fietsersbond ontvankelijk te verklaren en indien het verkeersbesluit met een nadere motivering in stand kan blijven, de bezwaren ongegrond te verklaren. - Het bestreden besluit te voorzien van een nadere motivering met inachtneming van dit advies. De overwegingen die ten grondslag liggen aan het advies vindt u in de volgende alinea’s. Hoorzitting Op 25 maart 2026 heeft de hoorzitting van de commissie plaatsgevonden. Namens de bezwaarmakers hebben , , , , , , , , , , en het woord gevoerd tijdens de hoorzitting. Verschillende andere bezwaarmakers hebben plaatsgenomen op de publieke tribune.
Namens het college waren aanwezig , en .
Feiten - Op 22 november 2024 heeft het college een verkeersbesluit genomen, waarbij een verplicht fietspad wordt aangewezen nabij de Blankensteinweg 53 te Meppel. - Wegens het grote aantal bezwaarschriften gericht tegen het besluit van 22 november 2024 heeft het college op 23 januari 2025 besloten het verkeersbesluit van 22 november 2024 in te trekken. - Het college heeft vervolgens inspraakavonden georganiseerd, waarbij de omgeving is uitgenodigd om mee te praten over de aanleg van het fietspad. Hierbij zijn verschillende scenario’s bedacht. - Per brief van 19 november 2025 heeft het college de omgeving geïnformeerd dat zij het fietspad gaan aanleggen conform scenario 1. Dit is gelijk aan het besluit van 22 november 2024. - Bij besluit van 13 januari 2026 heeft het college een verkeersbesluit genomen, waarbij een verplicht fietspad nabij de Blankensteinweg 53 wordt aangewezen, de voorrangssituatie bij de Oosterboerweg – Blankensteinweg wordt gewijzigd, het toegangspad tot de Blankensteinweg 53 wordt aangewezen als uitsluitend bedoeld voor bestemmingsverkeer en de bestaande borden worden verwijderd. De bezwaren Voor de bezwaargronden van de niet-ontvankelijk verklaarde bezwaarmakers wordt verwezen naar de bezwaarschriften in het procesdossier.
Kort samengevat voert de Stichting Fietsersbond de volgende bezwaargronden aan: - Het fietspad wordt aangelegd om te voorkomen dat een nieuwe gemeenteraad en nieuw te vormen college de aanleg van het fietspad opnieuw kunnen beoordelen. - De commissie wordt voor het blok gezet, omdat een negatief advies krachteloos wordt. - Het fietspad komt niet voor als onveilige locatie in het “Actieplan fiets!” of in de ongevallenstatistieken, waarmee de noodzaak voor het fietspad ontbreekt. - Door te kiezen voor scenario 1 creëert het college de mogelijkheid om het huidige fietspad te onttrekken aan de openbare weg. - De Fietsersbond handhaaft het standpunt dat scenario 3 de absolute voorkeur geniet. Uitsluiting van scenario 3 op basis van “onwil van de eigenaar” is een oneigenlijk argument, omdat het algemeen belang zwaarder dient te wegen. - Het nieuwe fietspad ligt te dicht langs het water, hetgeen objectief onveilig is en subjectief onveilig voelt. Ook de steilheid van het talud voldoet niet aan de veiligheidseisen. - De gemeente wijkt af van de CROW-normen als het gaat om de breedte van het nieuwe fietspad, waarmee het fietspad als hoofdfietsroute onhaalbaar is. - Wanneer het pad ook door (kwetsbare) wandelaars gebruikt gaat worden is volgens de CROW-richtlijnen nog één meter extra nodig.
- Tot slot tast de aanleg van een betonnen pad de gezondheid van de monumentale bomenrij aan, hetgeen is bevestigd door de Bomenstichting. Dit schaadt de verkeersveiligheid op lange termijn door het risico op takbreuk. Kort samengevat voert de Stichting tot behoud van cultuurhistorische fietspaden in Meppel e.o. de volgende bezwaargronden aan:
2
-
-
-
-
Wij behouden ons het recht voor om het bezwaarschrift van 29 december 2025 ook van toepassing te laten zijn op het collegebesluit van 18 november 2025, omdat dit naar onze mening een concretiserend besluit van algemene strekking is. De aannames van verkeersveiligheid op de huidige weg zijn ondeugdelijk. De scholen hebben de aanleg van het fietspad afgekeurd en hebben hier niet om gevraagd. Meldingen over onveiligheid op het huidige fietspad zijn er niet of zijn onvindbaar bij de gemeente. De meldingen die wel bekend zijn, zien op het rijgedrag van de bewoner van nummer 53. Er heeft geen zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden. Het college maakt misbruik van haar bevoegdheid door eerst een verkeersbesluit te nemen, daarna het fietspad aan te leggen en tot slot de gemeenteraad te laten beslissen over de onttrekking. Van een zorgvuldige en integrale afweging van verschillende opties op basis van openbaar- en algemeen belang kan geen sprake zijn. Er is niets gedaan met de petitie die ruim 1.200 keer is ondertekend. De uitgevoerde bomen effect analyse is volgens de Bomenstichting ondeugdelijk. Er is sprake van ondeugdelijke informatievoorziening.
De grondslag van het verkeersbesluit is artikel 15, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, maar door de doelstelling om het gemotoriseerde verkeer te scheiden van het fietsverkeerd dient het besluit ook artikel 15, tweede lid, Wvw te hebben als grondslag. Het college stelt dat het verkeersbesluit voldoet aan artikel 2 Wvw, maar de proportionaliteit en de feitelijke grondslag zijn zeer omstreden aangezien de verkeersveiligheid is geframed om onttrekking aan de openbaarheid mogelijk te maken ten gunste van een particulier. de objectieve onderzoeken van VVN en de afwijkingen van de CROWrichtlijnen duiden op een mogelijke schending van de vereiste zorgvuldige belangenafweging. In het verkeersbesluit wordt een voorrangssituatie op de kruising nabij “Blankensteinweg 30” genoemd, maar dit adres bestaat niet en op die plek is van een kruising waarop nog geen voorrang zou gelden geen sprake. De aanduiding van het huidige fietspad als toegangspad is feitelijk en juridisch onjuist. Het bord C01 heeft ten onrechte de kwalificatie “gesloten voor alle verkeer” gekregen, omdat voetgangers, rolstoelgebruikers en overige niet-bestuurders niet onder deze categorie vallen. Aan de plaatsing van een schrikhekplank BB17-01rl aan de westzijde kan geen zelfstandig verkeersverbod worden ontleend, omdat dit een CROWuitvoeringscodering betreft en geen formeel verkeersteken.
Het verkeersbesluit voldoet niet aan de motiveringsvereisten van artikel 21 BABW, omdat het beoogde einddoel van de afsluiting niet wordt genoemd. De bewering dat de maatregelen noodzakelijk en proportioneel zijn, wordt tegengesproken door het rapport van Veilig Verkeer Nederland, het ontbreken van prioriteit in het Actieplan Fiets, de afwijkingen van de CROW-normen en het ontbreken van een gedegen verkeerskundig onderzoek van de gemeente.
3
-
-
-
Er is geen sprake van een kenbare analyse van intensiteit, concrete risico’s of alternatievenafweging, waardoor het besluit geen draagkrachtige motivering bevat als bedoeld in artikel 21 BABW en artikel 3:46 Awb. Uit het verkeersbesluit volgt niet op welke wijze de belangen van voetgangers etc. concreet en evenwichtig zijn meegewogen, aangezien zij na de onttrekking aan de openbaarheid van het huidige fietspad ook gebruik moeten maken van het nieuwe pad. Het verkeersbesluit is genomen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir nu het eigenlijke doel het onttrekken van de Blankensteinweg aan de openbaarheid is. het college had het onttrekkingsverzoek onverwijld moeten doorsturen naar de gemeenteraad, waarna gestart had moeten worden met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, alvorens te starten met de aanleg van het fietspad. De twee flauwe haakse bochten worden aangevoerd in het huidige tracé als de oorzaak van een minder directe en overzichtelijke verbinding en geen logische en directe fietsverbinding. Met het nieuwe fietspad verdwijnen de snelheid remmende bochten, waardoor de snelheid van elektrische fietsen en fat-bikes niet meer worden afgeremd wat niet ten goede komt aan de verkeersveiligheid. Het huidige fietspad voldoet aan de CROW-normen als het gaat om de breedte van het pad.
Het nieuwe fietspad voldoet met een breedte van 2.50 meter niet aan de CROW-normen voor deze hoofdfietsverbinding zonder dat hier een motivering voor wordt gegeven. Volgens de CROW-normen bestaat 35% meer kan op een ongeval nu het fietspad gelegen is naast een steil talud met een steilheidsfactor van 1:2 tot 1:3 op zeven meetpunten. Ook de CROW-normen voor een obstakelvrije zone wordt niet gehaald, omdat het nieuwe fietspad ook gebruikt zal worden door kwetsbare weggebruikers. Het huidige fietspad is, ook volgens Veilig Verkeer Nederland, veilig genoeg en bevat voldoende uitwijkmogelijkheden. Het nieuwe tracé begint en eindigt bij een kopse kant van de singel, waarbij niets is opgenomen over beschermende maatregelen die moeten voorkomen dat weggebruikers rechtdoor het water in fietsen. De voorgestelde voorrangssituatie is gekoppeld aan een niet bestaand fysiek adres en een niet bestaande kruising. De voorrangssituatie bij de scholen is ook te wijzigen zonder het nieuwe fietspad. Het te plaatsen verkeersbord L08 moet worden voorzien van het onderbord “uitgezonderd voor voetgangers” om ongewenste inloop van voetgangers op het nieuwe fietspad te voorkomen. Door het schrikhek kunnen rolstoelgebruikers etc. niet op een veilige manier toegang krijgen tot dit weggedeelte.
Op de T-splitsing ontstaat nu een snelheid bevorderende situatie als hier geen nieuwe voorrangssituatie wordt gecreëerd, waardoor alle verkeer komende vanaf de IJsvogel haast onmogelijk toegang kan krijgen tot de nieuwe verkeersroute. Het zou logischer zijn als alle verkeer vanaf het fietspad Schultambt / Blankensteinweg voorrang heeft.
4
-
-
-
-
-
Op de splitsing richting de Bouwkamp staat een verkeersbord G11, evenals aan het begin van het westelijke deel van de Blankensteinweg welke niet worden weggehaald, waardoor een verkeerskundig niemandsland ontstaat, doordat het geen fietspad meer is, totdat een nieuw G11 bord op het net aangelegde fietspad weer een verplicht fietspad instelt. In het verkeersbesluit ontbreekt elke vorm van feitelijke onderbouwing waarom de plaatsing van een paaltje noodzakelijk is voor de verkeersveiligheid, temeer nu VVN adviseert geen plaatje te plaatsen wegens het risico op ongevallen. De omschrijving “fietspaaltje met inleidende markering” is te summier en onbepaald. Zonder een integrale veiligheidsafweging - waarbij het nut van het weren van gemotoriseerd verkeer wordt afgewogen tegen het gecreëerde gevaar voor fietsers op een smal pad nabij de waterkant met een gevaarlijk fietspaaltje is het besluit op dit onderdeel onrechtmatig. Gezien de vele juridische gebreken, de onvolledige en onvoldoende motivering van de verschillende afwegingen, kunnen wij niet anders concluderen dat dit voorgelegde verkeersbesluit geen stand kan houden en derhalve zal moeten worden vernietigd.
Aangezien naar alle waarschijnlijkheid bij uw besluit op bezwaar het nieuwe fietspad al zal zijn aangelegd en de maatregelen uit het verkeersbesluit al geëffectueerd zijn, verzoeken wij tot verwijderen van de verkeerskundige maatregelen uit het verkeersbesluit.
Beoordeling commissie 1. De bestreden besluiten 1.1 Op 19 november 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders een brief gestuurd, waarin staat dat zij het fietspad gaan aanleggen conform scenario 1. 1.2
Op 13 januari 2026 heeft het college van burgemeester en wethouders een verkeersbesluit genomen, waarbij een verplicht fietspad wordt aangewezen, de voorrangssituatie bij de Oosterboerweg – Blankensteinweg wordt gewijzigd, het toegangspad tot de Blankensteinweg 53 wordt aangewezen als uitsluitend bedoeld voor bestemmingsverkeer en de bestaande borden worden verwijderd.
2. Brief van 19 november 2025 2.1 De commissie ziet zich voor de vraag gesteld of de brief van 19 november 2025 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en overweegt hiertoe als volgt. 2.2
Onder besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. De commissie stelt vast dat de brief van 19 november 2025 een schriftelijke beslissing is van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel. Daarmee is aan twee van de drie vereisten voldaan. In geschil is of sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling.
5
2.3
De commissie constateert dat het college in de brief van 19 november 2025 uitdraagt volgens welk scenario het fietspad zal worden aangelegd. Zoals het college in de nota van heroverweging uiteen heeft gezet is sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling wanneer het college een bevoegdheid, recht, verplichting van een persoon of zaak vaststelt. In de brief van 19 november 2025 wordt geen bevoegdheid, recht of verplichting van persoon of zaak vastgesteld, waardoor geen sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling. Alhoewel de inhoud van de brief onhandig is geformuleerd acht de commissie de brief informerend van aard, waarbij geen sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling, maar het kenbaar maken van een bestuurlijke keus voor scenario 1. De inhoud van de brief zelf heeft geen rechtsgevolg. Het rechtsgevolg ontstaat door het verkeersbesluit. Daarom is de commissie van mening dat de brief van 19 november 2025 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb.
2.4
Uit de artikelen 6:5, 7:1 en 8:1 Awb volgt dat alleen bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit. Daarom adviseert de commissie de bezwaren gericht tegen de brief van 19 november 2025 niet-ontvankelijk te verklaren.
3. Ontvankelijkheid verkeersbesluit 13 januari 2026 3.1 De commissie dient in eerste plaats te beoordelen of de ingediende bezwaarschriften gericht tegen het besluit van 13 januari 2026 ontvankelijk zijn. Vaststaat dat het verkeersbesluit, in tegenstelling tot de brief van 19 november 2025, wel aan alle vereisten van een besluit voldoet. De commissie hecht er waarde aan om aan te geven dat zij hierbij gehouden is aan de vereisten die in de wet zijn opgenomen en in de jurisprudentie zijn verduidelijkt. 3.2
Het is vaste rechtspraak dat een zekere begrenzing is beoogd voor de mogelijkheid om tegen een verkeersbesluit bezwaar te maken en beroep in te stellen. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om tegen een verkeersbesluit beroep open te stellen voor eenieder. Er is sprake van belanghebbendheid bij een verkeersbesluit wanneer iemand een bijzonder, individueel belang heeft bij dat besluit, welke zich in voldoende mate onderscheidt van andere weggebruikers. Onderzocht moet worden wiens belangen rechtstreeks bij een dergelijk besluit betrokken zijn. 1
Ontvankelijkheid natuurlijke personen 3.3 De commissie zal eerst ingaan op de bezwaarschriften die door natuurlijke personen zijn ingediend. De commissie constateert dat een veelvoud aan bezwaargronden zijn aangevoerd tegen het besluit van 13 januari 2026. In geen van deze bezwaargronden kan de commissie een bijzonder individueel belang ontleden die zich voldoende onderscheidt van andere weggebruikers. Het feit dat bezwaarmakers dagelijks gebruik maken van het fietspad of in de (directe) omgeving van het fietspad woonachtig zijn, maakt niet dat deze bezwaarmakers zich voldoende onderscheiden van andere weggebruikers. Hierbij is van belang te kijken naar wat het besluit verandert ten opzichte van 1
O.a. ABRvS 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2310, r.o. 5.1. & ABRvS 28 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3510, r.o. 3.1.
6
de situatie voor het besluit. Dus wat het besluit mogelijk maakt. In dit geval ziet het besluit op het aanwijzen van een verplicht fietspad, het wijzigen van een voorrangssituatie en het reguleren van een toegangspad. 3.4
Voor bezwaarmakers die aan het fietspad wonen geldt dat zij belanghebbende kunnen zijn bij het verkeersbesluit wanneer zij rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden van de gewijzigde verkeerssituatie. De feitelijke gevolgen moeten gevolgen van enige betekenis zijn. Om dit te beoordelen wordt gekeken naar de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen. 2 Het nieuw aangewezen fietspad ligt parallel aan het oude fietspad, waarbij beide paden op dezelfde plek beginnen en eindigen. Hieruit volgt dat de commissie het niet aannemelijk acht dat de verkeerssituatie door het verkeersbesluit dermate wijzigt dat sprake is van gevolgen van enige betekenis voor de aanwonenden.
3.5
Dit betekent dat de commissie van mening is dat alle natuurlijk personen die een bezwaarschrift hebben ingediend niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij het bestreden verkeersbesluit. Zij onderscheiden zich onvoldoende van andere personen en hebben daarom gelet op de jurisprudentie geen persoonlijk en eigen belang. Daarom adviseert de commissie alle bezwaarschriften ingediend door natuurlijke personen nietontvankelijk te verklaren, omdat de natuurlijke personen geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb.
Ontvankelijkheid Stichting Drents Agrarisch Erfgoed 3.6 De commissie is van mening dat ook de Stichting Drents Agrarisch Erfgoed niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het verkeersbesluit. Voor de commissie is van belang dat uit de statuten blijkt dat de stichting zich inzet voor de bevordering van het behoud en bescherming van het gebouwd en landschappelijk agrarisch erfgoed in de provincie Drenthe in het algemeen en van karakteristieke ensembles van boerderijen, (bij)gebouwen en erven en van het Drentse cultuurlandschap in het bijzonder. Het verkeersbesluit wijst het nieuwe fietspad uitsluitend aan als verplicht fietspad. Het aanleggen van het fietspad valt niet onder de reikwijdte van het verkeersbesluit, waardoor gronden gericht tegen de aanleg geen plaats hebben in deze procedure. Bovendien blijft het huidige pad behouden, waardoor de uitstraling niet wijzigt (door dit verkeersbesluit). Daarom is de commissie van mening dat het verkeersbesluit de doelstellingen van de stichting niet direct raakt. Dit leidt tot de conclusie dat de commissie het college adviseert de Stichting Drents Agrarisch Erfgoed niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de stichting geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, derde lid, Awb. Ontvankelijkheid Stichting behoud van cultuurhistorische fietspaden in Meppel e.o.
3.7 In de nota van heroverweging vraagt het college zich af of de Stichting behoud van cultuurhistorische fietspaden in Meppel e.o. (hierna: stichting) belanghebbende is. De reden is dat de stichting is opgericht ten tijde van het ingetrokken verkeersbesluit uit 2024 en de feitelijke werkzaamheden van de
2
ABRvS 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4053, r.o. 4.1.
7
stichting alleen betrekking zouden hebben op zaken die te maken hebben met het fietspad aan de Blankensteinweg. 3.8
Het is vaste rechtspraak dat bij de beoordeling of een rechtspersoon feitelijke handelingen verricht moet worden uitgegaan van de feitelijke werkzaamheden die de rechtspersoon heeft verricht tot uiterlijk de dag voor het einde van de termijn waarbinnen bezwaar kan worden gemaakt. Het louter in rechte opkomen tegen besluiten wordt in de regel niet aangemerkt als het verrichten van feitelijke werkzaamheden. Dit geldt ook voor werkzaamheden die daarmee verband houden zoals het indienen van zienswijzen en het vergaren van informatie ten behoeve van bestuursrechtelijke procedures. 3
3.9
Tijdens de hoorzitting is gevraagd naar de feitelijke werkzaamheden van de stichting. Per mail van 26 maart 2026 heeft de stichting een overzicht verstrekt van de feitelijke werkzaamheden. Op grond van deze informatie is de commissie van mening dat de stichting ook feitelijke werkzaamheden verricht die geen betrekking hebben op het fietspad aan de Blankensteinweg. De werkzaamheden zijn onder andere het organiseren van wandel- en (duo) fietstochten, informatiepunten opzetten en het belang van biodiversiteit uitleggen aan scholieren. De commissie acht het bezwaarschrift van de stichting om deze reden ontvankelijk.
Ontvankelijkheid Stichting Fietsersbond 3.10 Uit de statuten van de Stichting Fietsersbond blijkt dat het doel van de stichting onder andere is de kwaliteit van het fietsen in Nederland te verbeteren en meer ruimte voor de fiets en de fietser, zowel in letterlijke zin als in meer figuurlijke zin te bewerkstelligen. Ook is een machtiging overlegd waaruit blijkt dat en gemachtigd zijn om namens de Stichting Fietsersbond een bezwaarschrift in te dienen. De Stichting Fietsersbond voldoet ook aan de vijf vereisten zoals door het college in de nota van heroverweging uiteen is gezet. De commissie acht het bezwaarschrift van de Stichting Fietsersbond om deze reden ontvankelijk. 4. Juridisch kader 4.1 Op grond van artikel 2, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw) kunnen krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot het verzekeren van de veiligheid op de weg, het beschermen van weggebruikers en passagiers, het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan en het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer. 4.2
3
Op grond van artikel 2, tweede lid, Wvw kunnen krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu en het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.
ABRVS 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1835, r.o. 7.1. & ABRVS 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1498, r.o. 13.1.
8
4.3
Op grond van artikel 15, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw) geschiedt het plaatsen van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens en onderborden voor zover een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd krachtens een verkeersbesluit.
4.4
Op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, Wvw is het college bevoegd verkeersbesluiten te nemen.
4.5
Op grond van artikel 12 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW) dient de plaatsing van borden genoemd in deze bepaling te geschieden krachtens een verkeersbesluit.
4.6
Op grond van artikel 19 BABW is geen verkeersbesluit nodig indien de betrokken maatregel strekt tot ondersteuning van een verkeersregel of een aldaar geplaatst verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt.
4.7
Op grond van artikel 21 BABW vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling(en) met het verkeersbesluit wordt beoogd.
5. Aanleggen fietspad 5.1 De commissie constateert dat het aanleggen van het nieuwe fietspad veel teweeg brengt in de buurt Oosterboer. Aan het feitelijk aanleggen van het fietspad ligt geen besluit ten grondslag als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb. 5.2
Op grond van artikel 3.1, derde lid, Verordening voor de behandeling van bezwaarschriften gemeente Meppel is de commissie belast met de advisering over de heroverweging van bestreden besluiten. Hiermee wordt gedoeld op een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb. Omdat er geen besluit is genomen over de feitelijke aanleg van het fietspad, is de commissie niet bevoegd om inhoudelijk in te gaan op de gronden gericht tegen de aanleg van het fietspad. Dit geldt ook voor andere bezwaargronden die niet direct gericht zijn tegen het verkeersbesluit van 13 januari 2026.
6. Juridische grondslag van het verkeersbesluit 6.1 De grondslag van het besluit van 13 januari 2026 is artikel 15, eerste lid, Wvw. Aangedragen is dat ook artikel 15, tweede lid, Wvw ten grondslag zou moeten liggen aan het bestreden besluit. In artikel 15, tweede lid, Wvw staat dat maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken. 6.2
Met het verkeersbesluit worden geen maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg genomen. Ook is geen sprake van het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer. Daarom is de commissie van mening dat het college artikel 15, tweede lid, Wvw terecht niet ten grondslag heeft gelegd aan het besluit van 13 januari 2026. Het feit dat de verkeersstromen worden gescheiden door middel van
9
het aanwijzen van een verplicht fietspad maakt dit niet anders. Dit geschiedt immers door het aanwijzen van een verplicht fietspad en niet door maatregelen of voorzieningen die worden genomen aan de Blankensteinweg zelf. 6.3
In het verkeersbesluit wordt de voorrangssituatie gewijzigd op de kruising Oosterboerweg en de Blankensteinweg nabij Blankensteinweg nummer 30. De commissie constateert dat de Blankensteinweg 30 niet in de buurt is van het fietspad. Dit heeft het college in de nota van heroverweging ook erkend. De commissie adviseert het college de motivering over de plek van de kruising Oosterboerweg en de Blankensteinweg in het besluit op bezwaar te verduidelijken.
6.4
De commissie is met de stichting van mening dat aan het bord C01 ten onrechte de beschrijving gesloten voor alle verkeer is gegeven. Het college heeft dit tijdens de hoorzitting ook erkend, waarbij is aangegeven dat voetgangers gebruik mogen blijven maken van het pad aan de Blankensteinweg. De commissie adviseert het college in het besluit op bezwaar de juiste terminologie, namelijk: gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee, aan het bord toe te kennen.
7. Motivering verkeersbesluit 7.1 De motivering in het verkeersbesluit luidt dat beoogd is het fietsverkeer van het gemotoriseerde verkeer te scheiden. Het pad richting Blankensteinweg 53 is circa drie meter breed, terwijl de ASVV 2021 een minimale breedte van 3.85 voorschrijft. Door de aanwezige monumentale bomen zijn er beperkte tot geen uitwijkmogelijkheden, waardoor het voor gemotoriseerd bestemmingsverkeer lastig is om tegemoetkomend verkeer te passeren. Daarnaast is het nodig het nieuwe fietspad aan te wijzen als verplicht fietspad, omdat het fietsverkeer anders samenkomt op de kruising aan de oost- en westzijde hetgeen leidt tot een onoverzichtelijke situatie. Door het nieuwe pad aan te wijzen als verplicht fietspad wordt ook voorkomen dat deze gebruikt kan worden door gemotoriseerd verkeer. 7.2
Uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat het college beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag wat nodig is ter bescherming van de verkeersbelangen genoemd in artikel 2, eerste en tweede lid, Wvw. Het college dient dit naar behoren te motiveren.4 De commissie beoordeelt of de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit onevenredig is in verhouding tot de met het verkeersbesluit te dienen doelen.
7.3
De motivering dat het college het fietsverkeer wil scheiden van het gemotoriseerde bestemmingsverkeer nu het huidige pad niet voldoet aan de CROW-normen en het fietsverkeer wil reguleren tot één pad komt de commissie niet onredelijk over. De bezwaargrond dat de huidige weg met een breedte variërend van 2.70 tot 2.90 meter voldoet aan de CROW-normen is
4 ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1299, r.o. 5.2.
10
onjuist, nu deze normen zien op een solitair fietspad en het pad ook gebruikt wordt voor gemotoriseerd bestemmingsverkeer. 7.4
Het nieuwe fietspad heeft een breedte van ca. 2,50 meter en ligt aan het water. Uit de CROW-normen volgt dat voor een solitair fietspad met tweerichtingsverkeer een breedte tot 2.50 meter voldoende is bij een spitsuurintensiteit van 50 fietsers per uur, mits het pad aan beide zijden een overrijdbare berm heeft, zodat fietser kunnen uitwijken. Een breedte van 2.50 tot 3 meter is voldoende bij een spitsuurintensiteit van 50 tot 150 fietsers per uur. Uit het verkeersbesluit blijkt niet dat de spitsuurintensiteit is gemeten of voldoende is onderzocht, waardoor de commissie van mening is dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat een breedte van 2.50 meter volstaat. Gelet op het doel van het verkeersbesluit is deze aanvulling van de motivering nodig om te kunnen onderbouwen dat het verkeersveilig is. Daarom adviseert de commissie het college nader te motiveren waarom een fietspad van 2.50 meter in dit geval voldoende is.
7.5
In de nota van heroverweging staat verder dat het nieuwe fietspad wordt voorzien van as- en kantmarkering, bestaat uit een gesloten verharding en wordt verlicht met straatverlichting, waarmee de verkeersveiligheid wordt geborgd. Tijdens de hoorzitting is door aangegeven dat het fietspad geen asmarkering krijgt (met uitzondering bij het paaltje), maar alleen een kantmarkering. In het verkeersbesluit wordt een asmarkering ook niet genoemd. De CROW-normen schrijven bij tweerichtingsverkeer op een fietspad altijd asmarkering voor. De commissie adviseert het college nader te motiveren of asmarkering wordt aangebracht op het fietspad of niet. Wanneer geen asmarkering wordt aangebracht adviseert de commissie het college te motiveren waarom wordt afgeweken van de CROW-normen op dit punt en hoe zich dat verhoudt tot de verkeersveiligheid.
7.6
Verder wordt in de bezwaargronden aangedragen dat de CROW-normen voor de obstakelvrije zone naast het fietspad niet gehaald worden en zou de helling naar het water te steil zijn. In de CROW-normen voor bermen langs (solitaire) fietspaden staat dat de breedte van de obstakelvrije zone 1 meter moet bedragen. In geschil is of hiervan sprake is. Om duidelijkheid te scheppen adviseert de commissie het college concreet te motiveren hoeveel de obstakelvrije ruimte aan beide kanten van het fietspad precies bedraagt (bijvoorbeeld middels een tekening met afmetingen) en hoe de steilheid van het talud is meegewogen in de verkeersveiligheid. Het verkeerspaaltje wordt in het bestreden besluit genoemd, maar voor de plaatsing hiervan is geen besluit nodig. Daarom zal de commissie hier niet nader op ingaan.
7.7
In de bezwaargronden wordt daarnaast aangedragen dat de positie van de voetganger onduidelijk wordt door het bestreden besluit. Het college heeft tijdens de hoorzitting bevestigd dat het pad aan de Blankensteinweg beschikbaar blijft voor voetgangers, waarmee de onduidelijkheid naar mening van de commissie is weggenomen. In de nota van heroverweging heeft het college aangegeven bereid te zijn een onderbord L08 toe te voegen, zodat de situatie voor voetvangers ook zichtbaar wordt verduidelijkt. Dit valt buiten het
11
verkeersbesluit, maar de commissie acht dit een goede manier om eventuele onduidelijkheid weg te nemen. 7.8
De commissie heeft na de hoorzitting diverse mails ontvangen, waaruit blijkt dat de Blankensteinweg niet bereikbaar is voor rolstoelgebruikers. Het college heeft ter zitting aangegeven dat het pad bereikbaar blijft voor voetgangers en rolstoelgebruikers. Ondanks dat dit geen onderdeel is van het bestreden besluit wil de commissie het college meegeven naar deze situatie te kijken.
7.9
Het college heeft verder aangegeven dat de bewoner van de Blankensteinweg een verzoek heeft ingediend om de weg richting haar woning te onttrekken aan de openbaarheid. Op grond van artikel 9 van de Wegenwet is het een bevoegdheid van de gemeenteraad om te besluiten of het huidige pad aan de openbaarheid wordt onttrokken. Uit de vaste jurisprudentie over het beoordelen van een verzoek tot onttrekken van een pad aan de openbaarheid, wordt duidelijk dat hier vele belangen meewegen. Verkeersveiligheid is hier ook een onderdeel van, maar niet de enige en ook niet de belangrijkste. Namens het college is tijdens de hoorzitting aangegeven dat de mogelijkheid bestaat dat de Blankensteinweg richting nummer 53 wordt onttrokken aan de openbaarheid. Hierdoor is de commissie van mening dat het college bij het verkeersbesluit ten onrechte niet kenbaar rekening heeft gehouden met de belangen van de voetgangers (en mensen in een rolstoel/scootmobiel) wanneer deze in de toekomst ook van het nieuwe fietspad gebruik moeten maken. De verkeersveiligheid is niet een doorslaggevend belang bij het besluit over het verzoek tot onttrekken van het fietspad door de gemeenteraad. Dat maakt dat de commissie adviseert om bij het verkeersbesluit (waar verkeersveiligheid wel van doorslaggevend belang is) de belangen van de voetgangers kenbaar mee te nemen in het besluit op bezwaar.
De commissie is van oordeel dat onderbouwd moet worden op welke wijze er ook voor voetgangers en rolstoelgebruikers een verkeersveilige situatie aan de orde is, voor het geval wordt besloten om het pad aan de openbaarheid te onttrekken.
8. Detournement de pouvoir 8.1 Uit de bezwaargronden komt naar voren dat de indruk bestaat dat het huidige fietspad is aangelegd en aangewezen om in de toekomst de weg naar de Blankensteinweg 53 aan de openbaarheid te kunnen onttrekken. Er wordt betwist dat sprake is van een verkeersonveilige situatie. Het college zou haar bevoegdheid om het verkeersbesluit te nemen misbruiken om de onttrekking van de weg naar de Blankensteinweg 53 in de toekomst mogelijk te maken. 8.2
Zoals de commissie eerder heeft overwogen heeft het college beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag wat nodig is ter bescherming van de verkeersbelangen. Anders dan in de bezwaargronden wordt aangedragen constateert de commissie dat de Blankensteinweg ter hoogte van nummer 53 voorkomt in het Actieplan fiets (hierna: Actieplan). In 4.4 van het Actieplan is een prioritering aangebracht. De Blankensteinweg – Slotweg – Oosterboerweg krijgt een score 3, maar is wel groen gearceerd wat betekent dat dit punt al wordt aangepakt of onderdeel uitmaakt van een lopend project. In 4.5 van het Actieplan wordt de reconstructie van het kruispunt en de aanleg van het fietspad nabij nummer 53 expliciet benoemd. Ook in 9.1.1 onder punt drie
12
van het Actieplan wordt het fietspad benoemd met de motivering dat de huidige weg te smal is voor auto’s en fietsers. 8.3
In de gronden van bezwaar is aangedragen dat de objectieve verkeersonveiligheid van de weg naar de Blankenstein 53 ontbreekt. Er zijn diverse keren stukken opgevraagd bij het college waaruit de verkeersonveiligheid zou blijken, maar deze stukken zijn niet verstrekt. Deze argumenten zijn door het college niet weersproken. Er wordt verwezen naar het Actieplan zonder in te gaan op de stelling dat de stukken die ten grondslag liggen aan het Actieplan niet bestaan of zien op een andere situatie. De commissie adviseert het college daarom nader te motiveren waarom sprake is van een objectieve onveilige verkeersituatie aan de Blankensteinweg richting nummer 53, waaruit de bevoegdheid om het verkeersbesluit te nemen wordt verduidelijkt.
8.4
Verder wordt aangedragen dat uit opgevraagde Woo-documenten blijkt dat de keus voor een solitair fietspad al bestond, ruim voordat het besluit van 13 januari 2026 is genomen. Een nadere motivering van de scenariokeus waarom het college heeft gekozen voor scenario één zou naar mening van de commissie kunnen bijdragen aan transparantie over het fietspad. Dit is een overweging die de commissie ten overvloede wil meegeven aan het college. Dit is immers geen onderdeel van het verkeersbesluit. De commissie merkt hierbij op dat de voorkeur van het college voor variant één geen invloed heeft op de onttrekking van de Blankensteinweg richting nummer 53, aangezien dit een bevoegdheid is van de gemeenteraad. Het college is hierdoor niet bevoegd op dit onderdeel een besluit te nemen. Zoals ook door het college ter zitting is aangedragen staat het fietspad juridisch los van de eventuele onttrekking en kan het fietspad ook los van de onttrekking blijven bestaan. Wel is onder 7.9 in dit advies reeds aangegeven dat deze mogelijke onttrekking van het pad effect kan hebben voor de voetgangers en rolstoelgebruikers, waardoor dat aspect voor wat betreft de verkeersveiligheid in de heroverweging in het verkeersbesluit meegenomen dient te worden.
Advies De commissie adviseert u de bezwaren van alle natuurlijke personen nietontvankelijk te verklaren, alsmede het bezwaarschrift van de Stichting Drents Agrarisch Erfgoed. Daarnaast adviseert de commissie de bezwaren van de Stichting Fietsersbond en Stichting behoud van cultuurhistorische fietspaden in Meppel e.o. ontvankelijk te verklaren. Het bestreden besluit dient te worden voorzien van een nadere motivering met inachtneming van dit advies. Indien uit deze nadere motivering blijkt dat het verkeersbesluit in stand kan blijven, adviseert de commissie de twee ontvankelijke bezwaarschriften ongegrond te verklaren. De secretaris,