Onderzoek Huisvesting Arbeidsmigranten Medemblik
Tekst van het document
De omgevingsdienst geeft op 20 april 2022 aan, dat de zaak in behandeling is genomen, eveneens een half jaar nadat de aanvraag is gedaan. Tot slot is het advies van de brandweer een bepalende factor. Dit advies wordt op 26 juli 2022 afgegeven. Het blijkt voor de aanvrager moeilijk om de ontbrekende gegevens op te leveren. De termijn die de gemeente op 7 december 2021 hiervoor stelt (15 maart 2022), wordt niet gehaald en deze termijn wordt 89
verlengd tot 29 maart 2022. Vervolgens verlengt de gemeente de beslistermijn tot 12 mei 2022. Op 5 april blijkt, dat het tekenwerk nog steeds onvoldoende duidelijk is. 13 juni 2022 blijkt, dat nog steeds gegevens ontbreken. Opvallend is, dat nu gegevens worden gevraagd, die niet expliciet op 7 december 2021 worden gevraagd. Zo wordt nu een stikstofberekening gevraagd en ontbreken tevens gegevens in het kader van de brandveiligheid. Bovendien blijkt uit het advies van de omgevingsdienst, dat nog zeer veel extra werk verricht moet worden. Zo dient een nieuw bodemonderzoek uitgevoerd te worden en dient men te voorkomen dat de rugstreeppad het gebied binnen trekt. Uit een adviesformulier dat op 21 juni 2022 wordt ingevuld blijkt, dat de gegevens die de gemeente op 7 december 2021 heeft gevraagd, op 28 mei 2022 gedeeltelijk zijn ontvangen en dat toen pas de aanvraag in behandeling is genomen. Pas op 12 juli 2022 bevestigt de gemeente dat alle stukken en adviezen ontvangen zijn en dat overgegaan kan worden tot het verlenen van de omgevingsvergunning. Deze vergunning wordt verstrekt op 26 juli 2022. Het betreft hier echter enkel het bouwen voor het tijdelijk huisvesten van 16 arbeidsmigranten. De vergunning voor brandveilig gebruik laat dan nog op zich wachten. Op 26 juli 2022 brengt de brandweer advies uit. Dit advies is positief.
18 augustus 2022 wordt vervolgens een ontwerpvergunning opgesteld. Aangezien de ontwerpvergunning eerst zes weken ter inzage moet liggen, wordt de definitieve vergunning brandveilig gebruik pas op 13 oktober 2022 afgegeven. De vraag rijst of deze procedure doelmatig is vormgegeven. Zo ontstaat de indruk, dat de verschillende adviserende actoren (AB-commissie, omgevingsdienst en brandweer) sequentieel werken ten opzichte van elkaar in plaats van simultaan. Zo brengt de omgevingsdienst pas op 3 mei 2022 advies uit, de ABcommissie op 7 juni 2022 en de brandweer op 26 juli 2022. Hoewel wettelijk verschillende vergunningen moeten worden aangevraagd (bouwen, brandveilig gebruik, handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening), zou men kunnen overwegen de verschillende processen die hiertoe doorlopen moeten worden en met name de verschillende adviezen die moeten worden ingewonnen, te integreren en simultaan te laten lopen. Opvallend is daarbij het benodigde bodemonderzoek. Het verkennend bodemonderzoek dat in opdracht van de adviseur van de aanvrager wordt ingesteld concludeert, dat een aanvullend bodemonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. De omgevingsdienst adviseert echter de aanvrager te verzoeken een nieuwe bodemonderzoek in te laten dienen, hetgeen inhoudt dat eerst een vooronderzoek moet worden uitgevoerd.
Daarnaast rijst de vraag in hoeverre het in het begin duidelijk was welke gegevens nu precies moesten worden opgeleverd. Zo wordt de benodigde stikstofberekening niet genoemd in de informatie-uitvraag van 7 december 2021. Op basis van deze casus kan geconstateerd worden, dat het aanleveren van de benodigde gegevens niet alleen veel tijd heeft gekost, maar ook zeer bepalend is voor het procesverloop. Illustratief in dit verband is de passage uit het adviesformulier van 21 juni 2022. Hierin wordt gesteld, dat op 7 december 2021 aanvullende gegevens worden opgevraagd door de gemeente, maar dat die gegevens pas gedeeltelijk op 28 mei 2022 worden ontvangen. Hierna wordt de aanvraag pas in behandeling genomen. Het laat zich raden, dat als deze gegevens eerder zouden zijn opgeleverd, de omgevingsvergunning voor bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening) eerder verstrekt had kunnen worden. In vergelijkend perspectief valt op, dat de gemeente veel actoren inschakelt ter advisering. Andere gemeenten maken bijvoorbeeld niet altijd gebruik van de Agrarische Beoordelings Commissie. Tevens valt 90
op, dat niet bij iedere gemeente verschillende vergunningen behoeven te worden aangevraagd. Zo volstaat een andere gemeente met één vergunning die zowel voor het bouwen als voor het gebruik dient. Deze factoren bepalen evenwel de snelheid waarmee de aanvraag kan worden afgehandeld. In de procesbeschrijving vergunningverlening en initiatieven die als bijlage bij de strategie van juni 2023 wordt toegevoegd, wordt ingegaan op een aantal van de bovenstaande constateringen met betrekking tot het vergunningsproces. Deze procesbeschrijving onderscheidt een drietal ronden. In de eerste ronde (verkennen en definiëren) vindt overleg plaats tussen de initiatiefnemer, gemeentelijke adviseurs en ketenpartners. Tijdens deze ronde komt de initiatiefnemer te weten waar rekening mee moet worden gehouden als het initiatief wordt vormgegeven. Deze eerste ronde resulteert in een gemeenschappelijk programma van eisen. Tijdens de tweede ronde licht de initiatiefnemer het globaal ontwerp van het initiatief toe, dat is vormgegeven op basis van het programma van eisen vanuit de eerste ronde. Het doel van dit gesprek is om te verkennen of alle eisen en wensen voldoende meegenomen en opgelost zijn in het ontwerp. Tijdens de derde ronde presenteert de initiatiefnemer het definitief ontwerp. Tijdens deze ronde wordt bezien of het plan voldoet aan alle gestelde criteria en kaders.
Het gesprek resulteert in een beslissing of het ontwerp gereed is voor de vergunningsaanvraag (Proces vergunningverlening en initiatieven, juni 2023). Daarnaast is de coördinatieregeling in de Awb gewijzigd en kan de nieuwe coördinatieregeling gebruikt worden voor het hele omgevingsrecht. Met gecoördineerde besluitvorming wordt bedoeld dat besluiten zoveel mogelijk dezelfde voorbereiding, totstandkoming en rechtsbescherming (bezwaar en beroep) hebben. De procedurestappen voor de verschillende besluiten vinden dan gelijktijdig plaats (Proces vergunningverlening en initiatieven, juni 2023). Het is ten tijde van dit onderzoek nog onbekend, wanneer het nieuwe proces in werking treedt en in hoeverre gebruik gaat worden gemaakt van de nieuwe coördinatieregeling.
6.3.2
Draagvlak
6.3.2.1 De uitvoering dient voldoende draagvlak te hebben bij raadsleden, collegeleden en externe betrokkenen Bij de wording van de beleidsregels is het college niet over één nacht ijs gegaan. Zo heeft men de motie die wordt ingediend tijdens de behandeling van het evaluatierapport, i.e. om meer mogelijkheden voor huisvesting bij agrarische bedrijven te bieden, vertaald naar een maximum van 60 plekken per agrarisch bedrijf. Ook wordt waar mogelijk het ontwerpbeleid bijgesteld naar aanleiding van de zienswijzen die worden ingediend. Zo wordt de voorwaarde geschrapt dat een vergunning voor maximaal 20 jaar wordt verleend. Deze insteek draagt bij aan het creëren van het vereiste draagvlak: hoewel uiteraard niet iedere ingediende zienswijze kan worden overgenomen, krijgen de indieners een uitgebreide motivatie waarin staat verwoord hoe hun inbreng is verwerkt. In de praktijk is het verwerken van zienswijzen niet eenvoudig als tegenstrijdige belangen een rol spelen. Zo wordt op basis van de ingediende zienswijze van de provincie de mogelijkheid geschrapt dat ook buiten het agrarisch bouwvlak huisvesting mag plaatsvinden en voorstelbaar is, dat deze wijziging niet door iedereen wordt toegejuicht. Soms is een compromis denkbaar.
Zo wordt het percentage éénpersoonskamers in eerste instantie op 50% gesteld, maar naar aanleiding van de bezwaren (die met name betrekking hebben op het argument dat dit te duur zou zijn) en naar aanleiding van een aangenomen amendement (raadsvergadering 8 juli 2021) wordt dit percentage later op 40% gesteld. Tijdens de gesprekken met huisvesters en werkgevers uit 2020 wordt aangegeven, dat het percentage eenpersoonskamers eerder een zaak van de bedrijven en niet zozeer van 91
de gemeente is. De gemeente zou hier in het geheel geen beleid op moeten voeren. Dergelijk beleid heeft bovendien tot gevolg dat er drie keer zoveel huisvesting nodig is, terwijl vrienden of partners mogelijk geen bezwaar hebben om een slaapkamer te delen. Met betrekking tot het draagvlak valt op, dat de evaluatie uit 2019 expliciet ingaat op de rol van de raad. De raad stelt in die tijd niet alleen de beleidskaders vast, maar beoordeelt tevens de individuele principeverzoeken. “Dit is binnen de Nederlandse bestuurlijke verhoudingen hoogst ongebruikelijk en wordt door veel betrokkenen als onwenselijk gezien. Het is in tegenspraak met de principes van het dualisme”, zo concludeert het bureau dat de evaluatie uitvoert (RIGO, 10 september 2019, p. 8). RIGO adviseert daarop om de uitvoering van de regels, inclusief de beoordeling van principeverzoeken en vergunningaanvragen, over te laten aan de ambtelijke organisatie, onder verantwoordelijkheid van het college. Gesteld wordt in de gesprekken die tijdens dit onderzoek zijn gevoerd, dat de huisvesting van arbeidsmigranten vroeger zowel ambtelijk als bestuurlijk is blijven liggen. De laatste tijd wordt hier veel meer aandacht op gevestigd, hetgeen tevens te zien is in het meest recente uitvoeringsprogramma 2023 en in de strategie die door het college in juni 2023 wordt vastgesteld.
6.3.3
Commitment en toerusting uitvoerders
6.3.3.1 Uitvoerende ambtenaren zijn voldoende gecommitteerd. Voldoende opleiding, werkervaring, capaciteit en overige middelen zijn aanwezig Sommige ambtelijke respondenten geven aan, dat vanaf de zomer van 2023 gestart wordt met een projectmatige aanpak voor het toezicht en de handhaving met betrekking tot de huisvesting van arbeidsmigranten. Andere respondenten stellen echter, dat dit project zich nog in de startfase bevindt. Tevens blijkt de gemeente niet over enige documenten (zoals een startdocument, een planning, een besluit of een adviesnota) te beschikken die betrekking hebben op dit project. Dit project kent vermoedelijk zijn grondslag in de strategie die in juni 2023 wordt vastgesteld en waarin wordt aangegeven dat handhaving en toezicht plaats kan vinden op basis van specifieke projecten. De ambtenaren van de gemeente geven tijdens de interviews aan goed uit de voeten te kunnen met de beleidsregels. Wel rijst de vraag waarom bij het opkopen van een tweede bedrijf het totaal aan huisvestingsplekken gemaximeerd blijft op 60 en niet op 2x60. Daarnaast is de 40% norm niet altijd praktisch als arbeidsmigranten aangeven juist wel op één kamer te willen verblijven. Ook wordt erkend dat de nieuwe beleidsregels voor de agrarische bedrijven een versoepeling impliceren, maar dat dit niet geldt voor niet-agrarische bedrijven.
Deze laatste categorie heeft veelal behoefte aan mid-stay huisvesting, maar de beleidsregels staan dit niet meer toe. Tijdens de interviews wordt aangegeven dat men voldoende is toegerust. Men beschikt over voldoende opleiding, ervaring en capaciteit, terwijl ook de overige middelen toereikend zijn. Het uitvoeringsprogramma 2023 maakt melding van 1,8 fte. vacature voor toezicht en 1,8 fte. vacature voor handhaving. Tijdens de interviews wordt aangegeven dat vanaf september 2023 de vacatures op het gebied van toezicht en handhaving zijn ingevuld. De omgevingsanalyse die als bijlage bij de strategie wordt opgeleverd laat zien, dat op het gebied van handhaving geen vacatures meer bestaan:
92
(Omgevingsanalyse, p. 18) Daarnaast heeft de gemeente in juni 2023 werkafspraken met de veiligheidsregio gemaakt. Hierin staat opgenomen dat de veiligheidsregio 250 uur uittrekt voor het uitvoeren van controles op de brandveiligheid bij illegale huisvesting (Werkafspraken VRNHN, juni 2023). Nieuw personeel moet echter wel worden ingewerkt. Een andere respondent stelt verder in dit verband dat de capaciteit voor handhaving en toezicht op huisvesting zeer beperkt is. De vraag rijst dan, hoe realistisch het uitvoeren van 75 integrale controles is. Bovendien trekken handhaving en toezicht ook een wissel op de juridische capaciteit van de gemeente.
6.3.4
Registratie
6.3.4.1 De gemeente weet waar arbeidsmigranten wonen, werken en via welke werkgever Aangezien bij verblijf korter dan vier maanden een BRP registratie niet verplicht is, heeft de gemeente geen zicht op het aantal arbeidsmigranten dat korter dan vier maanden verblijft. Ook als men langer dan vier maanden verblijft, heeft de gemeente hier niet altijd zicht op. De arbeidsmigranten moeten zich namelijk melden bij de gemeente en als dat niet gebeurt, zijn deze arbeidsmigranten niet bekend bij de gemeente. Met sommige ondernemers onderhoudt de gemeente goede contacten en deze ondernemers stimuleren de arbeidsmigranten om zich te laten registreren. Soms wordt een adrescontrole uitgevoerd, veelal naar aanleiding van een binnengekomen brief van het UWV of de Belastingdienst. Tijdens dergelijke controles blijkt dan, dat meer personen wonen op hetzelfde adres, terwijl deze personen niet bekend waren bij de gemeente. Eigenlijk zouden veel meer adrescontroles moeten worden uitgevoerd, aldus een respondent. We zien als gemeente de inschrijvingen, maar juist de niet-inschrijvingen zie je niet altijd, zo wordt wel gesteld in dit verband. Als tijdens een controle een short-stay arbeidsmigrant wordt aangetroffen, dan wordt wel een ID gevraagd en deze wordt ook geadministreerd. Na vier maanden voert men de controle dan nogmaals 93
uit om te bezien of de betreffende arbeidsmigrant geregistreerd staat in de BRP. Bij niet registratie worden dan ook wel bestuurlijke boetes uitgedeeld. Het beeld op arbeidsmigranten is echter niet volledig. Respondenten stellen, dat de gemeente ongeveer 500 tot 600 locaties op het oog heeft waarvan men vermoedt dat hier zonder vergunning wordt gehuisvest. De gemeente vermoedt daarnaast, dat het eigenlijke aantal onvergunde adressen waar gehuisvest wordt, nog hoger ligt.
6.3.4.2 De gemeente leeft de BRP bepalingen na en stimuleert een RNI registratie Het voorstel om de registratie in verblijfregisters per locatie bij te houden, wordt door de arbeidsmigranten zelf tijdens de gesprekken uit 2020 positief ontvangen. Werkgevers en huisvesters zijn tijdens deze gesprekken terughoudender. Zij wijzen op het risico dat een dergelijke registratie een grote administratieve taak bij de werkgevers en de huisvesters zal neerleggen. In de gesprekken met de arbeidsmigranten uit 2020 wordt duidelijk, dat arbeidsmigranten zich niet altijd inschrijven als men langer in Nederland verblijft. Soms weet men niet dat men zich moet inschrijven. Soms is men bang dat inschrijven tot fiscale problemen leidt. Soms geeft een uitzendbureau of de verhuurder geen toestemming om in te schrijven en wordt zelfs actief gecommuniceerd dat men zich niet moet inschrijven. Praktisch gezien is niet altijd vooraf bekend hoelang men in Nederland wil blijven en opteert men dan in eerste instantie voor short-stay, waarbij inschrijven niet verplicht is. Een online inschrijving zou de inschrijvingen vergemakkelijken. Tijdens de interviews die voor dit onderzoek zijn afgenomen wordt duidelijk, dat bij illegale huisvesting doorgaans niet geregistreerd wordt welke arbeidsmigranten waar wonen. Ook bij vergunde huisvesting heeft het merendeel geen nachtregister.
Tijdens een ander interview wordt duidelijk dat de gemeente geen zicht heeft op short-stay arbeidsmigranten. Ook als men langer verblijft, heeft de gemeente hier niet altijd zicht op. Arbeidsmigranten laten zich namelijk niet altijd registreren als men langer dan vier maanden verblijft. Dit beeld wordt bevestigd tijdens de gesprekken met de arbeidsmigranten uit 2023. Geen van de vijf respondenten is geregistreerd. Soms adviseert het uitzendbureau om niet te registreren omdat dan meer belasting moet worden betaald. “Je kan er alleen maar gedoe mee krijgen”, is een illustratieve uitspraak in dit verband. Drie van de vijf respondenten hebben nog nooit van een registratie gehoord. Veel arbeidsmigranten worden via uitzendbureaus ingeschakeld. Deze bureaus blijven bewust onder de radar van de gemeente en werken niet mee aan een adequate registratie. Vermoedelijk gaat het hier om fiscale redenen of om de verplichte ziektekostenverzekering. Het Westlandmodel zou goed kunnen werken voor Medemblik, maar de gemeente heeft hier nog geen stappen ingezet, zo geven de respondenten aan. Aangegeven wordt, dat de gemeente een contactpersoon mist die actief contact zou kunnen zoeken met uitzendbureaus en andere werkgevers. In december 2022 wordt de verordening op de heffing en invordering van verblijfsbelasting gepubliceerd.
Het betreft een directe belasting die geheven wordt voor het houden van verblijf door personen die geen BRP registratie in Medemblik hebben. Aangezien de belasting wordt geheven naar het aantal 94
overnachtende personen vermenigvuldigd met het aantal overnachtingen, zou de aangifte die voor deze belasting moet worden gedaan een goed inzicht kunnen bieden in short-stay arbeidsmigranten. Ook de aangifte voor de verblijfsbelasting biedt echter niet altijd een goede basis. In de praktijk wordt namelijk wel getwijfeld over de getrouwheid van de opgaven voor de verblijfsbelasting. Soms wordt geopteerd voor het forfaitair bedrag ex artikel 5 van de verordening omdat men dan minder belasting hoeft te betalen dan bij een opgave van het aantal daadwerkelijke overnachtingen. De indruk ontstaat, dat de gemeente tot dusver geen actieve pogingen onderneemt om de registratie te verbeteren. Zo zijn nog geen verifieerbare stappen ondernomen om het Westland model daadwerkelijk uit te voeren. Daarnaast is nog geen sprake van een systematische koppeling tussen de administratie van de verblijfsbelasting en de registratie van arbeidsmigranten. Overigens geven andere gemeenten die in de vergelijking zijn betrokken ook nog geen actieve invulling aan de ambitie om de registratie te verbeteren. Het beeld dat uitzendbureaus afraden om te registreren, wordt ook in andere gemeenten waargenomen. Handhaving op het gebied van registratie is lastig, gelet op het feit dat de EU richtlijnen een verplichte registratie in de RNI belemmeren.
Het rapport van het aanjaagteam merkt hierover het volgende op: “Doordat geen actueel verblijfsadres in de RNI wordt vastgelegd, hebben Nederlandse overheden slecht zicht op arbeidsmigranten. Onbekend is hoeveel arbeidsmigranten er in Nederland zijn, waar zij in Nederland wonen en er zijn geen gegevens beschikbaar om contact met hen op te nemen. (…) Voor gemeenten is het moeilijk om te handhaven op huisvesting op het moment dat geen zicht is op de verblijfsadressen van arbeidsmigranten. Daarnaast zijn arbeidsmigranten soms voor instanties onvindbaar, waardoor het moeilijk is om gericht hulp te geven” (Aanjaagteam, 2020, p. 30). Toch zijn wel mogelijkheden te verkennen. In de ambtelijke respons wordt namelijk het volgende aangegeven: “Iedereen die tegen betaling nachtverblijf aanbiedt aan personen moet een nachtregister bijhouden. Het doel van het nachtregister is dat hulpdiensten beter hun werk kunnen doen bij een calamiteit. Daarnaast dient u verblijfsbelasting te innen bij iedereen aan wie u een overnachting aanbiedt conform de Verordening Verblijfsbelasting. In artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht en in artikel 2:38 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Medemblik is vastgelegd dat verblijfsaanbieders verplicht zijn een nachtregister bij te houden. Als ze dit niet doen, zijn ze strafbaar.
De gegevens die bijgehouden moeten worden zijn: naam, beroep of betrekking, woonplaats, dag van aankomst en dag van vertrek van de personen. De verblijf aanbieder dient zelf zorg te dragen voor het bijhouden van een nachtregister. Dit nachtregister kan steekproefsgewijs, en ook met terugwerkende kracht, opgevraagd worden. Als de gemeente daar reden voor heeft, is deze bevoegd het nachtregister op te vragen” (Ambtelijke reactie, 22 juni 2023). Hieruit valt op te maken, dat los van de RNI registratie, een nachtregister verplicht kan worden gesteld en door de gemeente ook als verplichting is opgenomen. Men zou aan de hand van dit nachtregister kunnen traceren waar en wanneer arbeidsmigranten gehuisvest worden. Het probleem hierbij is uiteraard, dat de gemeente niet weet waar illegale huisvesting plaatsvindt. Huisvesters die onvergund huisvesten zullen niet snel uit zichzelf een nachtregister bijhouden en aanleveren.
95
6.4
Aanvullende bevindingen
6.4.1
De rol van het college, de rol van de raad
Geconstateerd kan worden dat het college de meest relevante informatie deelt met de gemeenteraad. Het evaluatierapport wordt eind 2019 gedeeld met de raad en tevens worden op 26 november 2020 de ontwerpbeleidsregels voorgelegd aan de raad. Daarbij worden tevens eerder uitgevoerde onderzoeken (van Decisio en Rigo) toegevoegd. De uiteindelijke beleidsregels worden in mei 2021 voorgelegd aan de raad ter besluitvorming. Nadien worden onderzoeken op dit terrein gedeeld met de raad. Zo wordt op 20 december 2022 een raadsinformatiebrief aangeboden met betrekking tot de actualisatie die door Decisio is uitgevoerd. In diezelfde periode wordt via een raadsinformatiebrief het onderzoek van Sweco gedeeld met de raad. De boodschap is daarbij niet altijd vrolijk in toonzetting: “Het is ook een feit dat de huisvesting van deze doelgroep nog niet afdoende geregeld is en kwalitatief soms onder de maat is”, zo wordt in de informatienota over het Sweco-onderzoek gesteld. Daarnaast wordt de raad op gezette tijden geïnformeerd op het gebied van toezicht en handhaving. Zo wordt op 16 februari 2022 de evaluatie van het uitvoeringsprogramma 2021 aangeboden aan de raad. 13 december 2021 wordt het VTH-beleid en het uitvoeringsprogramma 2022 ter informatie aangeboden aan de raad en op 14 december 2022 wordt een informatienota aangeboden waarin het uitvoeringsprogramma 2023 wordt toegelicht.
Hierbij valt op, dat het college ook minder positieve boodschappen communiceert. Zo wordt in de berichtgeving van 13 december 2021 gesteld dat naar het oordeel van de provincie het toezicht en de handhaving nog niet voldoet aan de kwaliteitscriteria. Tevens valt op, dat de huisvesting van arbeidsmigranten vanaf 2023 geprioriteerd wordt: “Voor een deel is dit uitvoeringsprogramma een kopie van 2022, met één uitzondering: een aantal stappen die we willen zetten in de aanpak van illegale bewoning in woonwijken en op recreatieparken en de toetsing en controle van evenementen. Deze twee thema’s komen uit het beleid waaraan we nu werken, en bestemd voor de komende jaren, maar we willen ze in 2023 al oppakken” (Informatienota, 14 december 2022). De hoge prioritering van het onderwerp huisvesting arbeidsmigranten wordt ook duidelijk aan de hand van de uitvoerings- en handhavingsstrategie die in juni 2023 door het college wordt vastgesteld. De uitvoerings- en handhavingsstrategie wordt op 20 juni 2023 via een informatienota gedeeld met de raad. De raad vervult een actieve rol. Tijdens de behandeling van het evaluatierapport op 19 december 2019 wordt een aantal amendementen en een motie ingediend. Ook tijdens de behandeling van de ontwerpregels in de commissievergadering van 12 november 2020 worden relatief veel vragen over deze regels gesteld.
Vervolgens worden tijdens de behandeling van de ontwerpregels in de raad eveneens amendementen en moties ingediend. Deze actieve rol is zeer duidelijk te zien in de behandeling van de uiteindelijke beleidsregels. Zo worden in de aanloop naar de commissiebehandeling op 31 mei 2021 schriftelijke vragen ingediend en dit geldt ook voor de tweede commissievergadering van 28 juni 2021. Tijdens de commissievergadering van 28 juni 2021 wordt in drie termijnen gesproken over de beleidsregels, waarbij zeer veel onderwerpen aan bod komen. Tijdens de behandeling van de beleidsregels in de raad op 8 juli 2021 worden 17 amendementen ingediend. Daarbij wordt één amendement aangenomen dat betrekking heeft op het percentage huisvestingsplekken. De actieve rol van de raad laat zich daarbij tevens illustreren aan de hand van een
96
ingediende motie, waarin het college wordt opgeroepen commissievragen tijdig te beantwoorden. De behandeling zelf duurt twee uur en wordt op 9 september 2021 voorgezet. Op basis van een advies uit het evaluatierapport, wordt de rol van de raad met betrekking tot individuele aanvragen beperkt. De raad neemt hier echter niet zonder meer genoegen mee. Eén amendement beoogt dan ook de beleidsregels aan te passen in die zin, dat aanvragen die afwijken van de beleidsregels ter goedkeuring worden voorgelegd aan de raad. Aangezien de stemmen met betrekking tot dit amendement staken, wordt het amendement voor de september vergadering gewijzigd. De nieuwe tekst wordt dan: “Aanvragen om omgevingsvergunning die afwijken van de beleidsregels en niet in eerste instantie worden afgewezen, kunnen door het college ter advisering voorgelegd worden aan de raad” (Raadsvergadering, 9 september 2021). Hoewel het college dit nieuwe amendement ontraadt, wordt na schorsing de tekst gehandhaafd en het amendement aangenomen. De vraag rijst overigens, in hoeverre dit adviesrecht niet al gewaarborgd is door de Omgevingswet.
In een bijlage die bij de strategie van juni 2023 wordt aangeboden, wordt hierover het volgende gesteld: “Intitulé8 Adviesrecht raad en verplichte participatie aangewezen buitenplanse omgevingsplanactiviteiten 2022 Artikel 1 Adviesrecht raad Een (bindend) advies van de raad van de gemeente Medemblik is op grond van artikel 16.15a lid b onder 1 van de Omgevingswet vereist voor door de raad aangewezen buitenplanse omgevingsactiviteiten. De volgende buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zijn bij raadsbesluit d.d. 17 februari 2022 door de raad aangewezen: 1. Een woningbouwinitiatief voor 11 tot 100 woningen dat niet past binnen het door de raad vastgestelde beleid, nota van uitgangspunten, stedenbouwkundige visie of ander ruimtelijk kader; 2. Een woningbouwinitiatief voor 100 of meer woningen; 3. Een initiatief dat niet past binnen het door de raad vastgestelde en geldende beleid “Huisvesting buitenlandse werknemers gemeente Medemblik” (Adviesrecht raad, juni 2023). Deze actieve rol kan ook worden geconstateerd bij de verblijfsbelasting. Zo worden voorafgaand aan de raadscommissie van 2 december 2021, waarin de herfstnota staat geagendeerd, vragen gesteld over deze verblijfsbelasting. Tijdens deze raadscommissie komt men vrij uitgebreid terug op de verblijfsbelasting.
Daarbij wordt geconstateerd dat voor 2021 4 ton aan inkomsten arbeidsmigranten was ingeboekt, maar dat er € 0 is binnengekomen. Hier is de raad niet eerder van op de hoogte gesteld. Op dat moment kan het college enkel aangeven dat men er druk mee bezig is en dat men in 2022 tot heffing over zal gaan. De verblijfsbelasting komt tevens terug bij de raadscommissie van 29 juni 2023 waarbij de jaarrekening 2022 wordt besproken. Nu blijkt € 419.000 meer dan begroot binnengekomen te zijn. De vragensteller wil graag weten of dit extra bedrag nu afkomstig is van arbeidsmigranten. Aangezien de gemeente geen uitsplitsing kan maken naar doelgroep, kan deze vraag echter niet beantwoord worden.
8
Opschrift.
97
In vergelijkend perspectief valt op, dat het college zeer frequent de raad informeert. De gemeente heeft recentelijk beleidsregels opgesteld met betrekking tot de huisvesting van arbeidsmigranten en hierop is de raad nauwgezet meegenomen. Dit biedt de raad vervolgens de mogelijkheid om actief te participeren in de beleidsvorming en van deze mogelijkheid heeft de raad zeer zeker gebruik gemaakt. Ook op het gebied van toezicht en handhaving wordt de raad goed geïnformeerd. De indruk bestaat, dat het college actief bespreking en discussie binnen de raad aanjaagt en dat de raad vervolgens goed gebruik maakt van deze geboden mogelijkheid. Tevens valt op, dat tijdens de wording van de nieuwe beleidsregels expliciet de rol van de raad met betrekking tot individuele uitzonderingsgevallen geagendeerd en besproken wordt. Dit leidt zonder twijfel tot duidelijkheid met betrekking tot de rol van de raad en de rol van het college.
6.4.2
Wettelijke grondslag handhaving
Op basis van artikel 224 van de Gemeentewet heeft de gemeente een toeristenbelasting ingesteld, zij het, dat deze in Medemblik de verblijfsbelasting wordt genoemd. Hoewel de Verblijfsrichtlijn een verplichte registratie bij een verblijf korter dan drie maanden in de weg staat, dient iemand die verblijf aanbiedt wel een nachtregister bij te houden op grond van artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht (overigens ook op basis van artikel 2:38 van de APV). De omgevingsanalyse stelt met betrekking tot het handhavingskader het volgende: “Voor handhaving was afgesproken om in het programma per park een handhavingsparagraaf op te stellen. Op 21 september 2021 heeft het college de Beleidsregel handhaving recreatief gebruik recreatieverblijven gemeente Medemblik 2016 echter ingetrokken. Deze beleidsregel gaf een prioritering voor de handhaving per park (tot 2018) en een staffel voor de hoogte van dwangsommen en lengte van begunstigingstermijnen. Voor dit laatste kunnen we terugvallen op de U&H-strategie (waarin aansluiting is gezocht bij de Landelijke handhavingsstrategie), maar voor de prioritering hebben we nu geen kaders. Er wordt thans dus gehandhaafd aan de hand van meldingen en handhavingsverzoeken. Dit heeft tot gevolg dat we wel individuele gevallen aan (kunnen) pakken, maar niet een geheel park en onze handhaving reactief is. Het zicht en grip op de parken verdwijnt ook.
Ook onze geloofwaardigheid komt in het geding door langdurig niet handhaven. Het beeld kan ontstaan dat we gedogen terwijl hier (op de meeste parken) geen sprake van is” (Omgevingsanalyse, juni 2023). In de beleidsregels wordt gesteld, dat huisvesting minimaal aan de SNF normen dient te voldoen. De vraag is, in hoeverre de gemeente hierop mag handhaven. Het aanjaagteam stelt op dit punt het volgende: “Gemeenten kunnen dit niet stellen als voorwaarde voor het afgeven van een (ver)bouwvergunning (vanwege uitputtendheid van het Bouwbesluit en art. 122 Woningwet en jurisprudentie)” (Aanjaagteam, 2020, p. 42). “Bij de locaties voor arbeidsmigranten die niet meedoen aan SNF-keurmerken kan de gemeente enkel handhaven op de naleving van de ruimtelijke ordening (de bestemming van het gebouw) en het bouwbesluit (de voorschriften aan het gebouw)” (Aanjaagteam, 2020, p. 38). Deze eis zou wel kunnen worden opgenomen in het kader van een verhuurvergunning. De Stichting Normering Flexwonen (SNF) komt voort uit de Nationale Verklaring Tijdelijke Huisvesting Arbeidsmigranten die op 28 maart 2012 is ondertekend door een groot aantal partijen. De SNF beheert het register van ondernemingen die aan de norm voor huisvesting van arbeidsmigranten voldoen en onderhoudt de normen.
98
6.4.3
De verblijfsbelasting
Woonhuizen worden in de praktijk wel opgekocht door uitzendbureaus, vastgoedondernemers en huisjesmelkers. Onder het tabblad in de gemeentelijke administratie blijkt dan, dat geen bewoners staan geregistreerd op het adres. Op basis hiervan stelt de gemeente een leegstandslijst samen. Bij de panden op deze lijst bestaat het vermoeden dat zij toch bewoond worden. Alle eigenaren van de panden op de leegstandslijst worden aangeschreven met het verzoek om aan te geven wie het pand bewoont. Hier komen verschillende reacties op terug en soms wordt in het geheel geen antwoord gegeven. Aan het eind van het jaar vraagt de gemeente om een opgave voor de verblijfsbelasting. Als geen opgave wordt gedaan, dan kan een forfaitair bedrag worden opgelegd (Interview, 22 juni 2023). Opmerkelijk is, dat de verordening Verblijfsbelasting geen grondslag biedt om een forfaitair bedrag op te leggen indien geen opgave wordt gedaan. In artikel 5 van de verordening staat namelijk, dat het opleggen van een forfaitair bedrag alleen kan op verzoek van de belastingplichtige en bovendien alleen als het gaat om vakantieonderkomens, stacaravans en mobiele kampeeronderkomens. Dit wordt onderschreven in de respons. De forfaitaire berekeningswijze is enkel bedoeld voor gevallen zoals omschreven in artikel 5 lid 1 van de verordening.
Bij het uitblijven van een opgave wordt evenwel het maximale forfaitaire bedrag opgevoerd, hoewel het forfait hier niet voor bedoeld is. In sommige gevallen dient men een bezwaar in tegen deze forfaitaire heffing, maar dit gebeurt zelden. In ieder geval wordt altijd eerst door de gemeente een verzoek gedaan om een opgave verblijfsbelasting in te dienen, zeker als er geen mensen op een adres ingeschreven staan. Bij het uitblijven hiervan wordt een rappel verzonden en pas daarna wordt het maximale forfait in rekening gebracht. Sommige agrariërs zijn niet gewend in de heffing te worden betrokken en menen nog steeds dat voor arbeidsmigranten de heffing niet voldaan hoeft te worden. Soms wordt dan gesteld dat verhuurd wordt aan inwoners van de gemeente, terwijl bij de gemeente zelf niemand staat ingeschreven. De gemeente heeft in meerdere gevallen aangegeven dat bij iedereen verblijfsbelasting in rekening wordt gebracht, tenzij de huisvester een bewijs van inschrijving kan overleggen. Als de gemeente een reden daarvoor heeft, is de gemeente bevoegd het verplichte nachtregister op te vragen. Dit kan steekproefsgewijs en met terugwerkende kracht en kan een basis zijn om de verblijfsbelasting op te leggen, aldus de ambtelijke respons in dit verband. Een mogelijkheid kan zijn, om een bestuurlijke sanctie op te leggen, indien geen opgave wordt gedaan.
Hier is echter nog geen grondslag voor gevonden. Desgevraagd wordt in dit verband gesteld: “X heeft u onlangs gesproken en u geïnformeerd dat X verblijfbieders van arbeidsmigranten, die geen opgave doen van het werkelijk aantal overnachtingen, forfaitair in de heffing betrekt. Hiervoor ontbreekt, zoals X met u heeft besproken, in de verordening verblijfsbelasting de wettelijke grondslag. U ziet dus geen beleidsregel of andere verordening over het hoofd” (Ambgelijke reactie, 28 juni 2023). Hierop wordt ambtelijk het volgende aangevuld: “Als, na meerdere verzoeken daartoe, geen aangifte wordt gedaan mag het aantal overnachtingen in redelijkheid worden ingeschat bijvoorbeeld aan de hand van het aantal slaapplaatsen. X maakt een inschatting van het aantal overnachtingen op basis van de bij haar bekend zijnde gegevens. De gemeente heeft geen afzonderlijke beleidsmaatregel voor een bestuurlijke sanctie. Op grond van artikel 67a AWR kan wel een bestuurlijke verzuimboete worden 99
opgelegd gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag. Van deze mogelijkheid maken wij (nog) geen gebruik” (Ambtelijke reactie, 3 juli 2023).
6.5
Slotanalyse
Als de bovenstaande analyse wordt afgezet tegen het eerder geformuleerde normenkader, ontstaat het volgende beeld:
Operationele norm
Paragraaf in de analyse
Operationele norm voor beleid
6.2
Het beleid is conform Nationale wetgeving en EUrichtlijnen vormgegeven.
6.2.1.1
Het beleidskader verhoudt zich goed tot nationale wetgeving en tot de EU-richtlijnen.
Per huisvestingscategorie dient aangegeven te worden of huisvesting is toegestaan en zo ja, wat per categorie het maximaal aantal personen is. Begrippen die gehanteerd worden zijn duidelijk en eenduidig.
6.2.1.2
De beleidsregels laten duidelijk zien waar en voor welke categorie (short-stay of mid-stay) huisvesting van arbeidsmigranten mogelijk is. Ook worden de gehanteerde begrippen eenduidig toegelicht en consistent gehanteerd.
Eén persoon per slaapkamer en minimaal 15 m2 leefoppervlakte per persoon.
6.2.1.3
In de beleidsregels wordt een norm van 40% gehanteerd. De gemeente hanteert de SNF-norm: 12 m2 leefoppervlakte per persoon en 3,5 m2 per slaapkamer. Het hanteren van de SNF-norm komt ook bij andere gemeenten voor.
6.2.1.4
De gemeente zoekt niet actief contact met arbeidsmigranten en gemeentelijke voorzieningen, zoals taalcursussen, voorlichting over rechten en plichten, etc. worden niet actief aangeboden. Arbeidsmigranten geven op hun beurt aan geen behoefte te hebben aan contact met de gemeente. Men is bevreesd dat contact met de gemeente leidt tot het betalen van meer belasting.
5,5 m2 per slaapkamer. Voorzieningen op het gebied van inburgering en integratie worden actief opengesteld voor EU-arbeidsmigranten.
Constatering
100