32 Beantwoording Commissievragen CDA raadscommissie 31-5 agendapunt 4.1 Vaststellen beleidsregels huisvesten buitenlandse werknemers.pdf
Tekst van het document
Beantwoording vragen voorafgaand aan de raadscommissie Nummer
DOC-21-395493
Zaaknummer
Z-20-133065
Naam commissielid
P. Ligthart
Fractie
CDA
Onderwerp
Commissievragen CDA raadscommissie 31-5 agendapunt 4.1 Vaststellen beleidsregels huisvesten buitenlandse werknemers
Datum waarop de vraag is gesteld
25 mei 2021
Beantwoording uiterlijk woensdag 15:00 uur, voorafgaand aan de raadscommissie. Portefeuillehouder
Harry Nederpelt
Afdeling
Ruimtelijke Ontwikkeling
1.
In Bijlage 1 Algemene reactie onder punt 3 Huisvesten op bedrijventerreinen, staat in de conclusie dat de eerder opgenomen regel wordt aangepast. In de aanpassing is de voorwaarde de huisvesting te realiseren op het terrein van de hoofdvestiging weggelaten. In bijlage 3a Beleidsregels is deze beperking ook niet opgenomen. In bijlage 3b Toelichting bij beleidsregels staat dit wel. Kunt u aangeven wat hiervoor de reden is?
antwoord
De reden is toegelicht bij in de nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen onder punt 1 op bladzijde 30: “Doel van dit amendement is het voorkomen dat panden worden opgekocht om deze vervolgens om te zetten in huisvesting voor buitenlandse werknemers. De bedoeling is dat huisvesting op bedrijventerreinen alleen kan plaatsvinden bij bedrijven waar de buitenlandse werknemers werkzaam zijn. Dit is vergelijkbaar met huisvesting bij agrarische bedrijven. De op grond van het amendement gewijzigde regel is echter onduidelijk geformuleerd, waardoor het beoogde doel ervan niet wordt bereikt. De onduidelijkheid zit in het feit dat de formulering in het amendement niet uitsluit dat initiatiefnemers nieuwe B.V.’s kunnen oprichten om huisvesting mogelijk te maken. Ook sluit deze regel huisvesting door bedrijven die uitsluitend gericht zijn op het huisvesten van buitenlandse werknemers en huisvesting door uitzendbureaus niet uit.” Kortom, de voorwaarde ‘op het terrein van de hoofdvestiging’ sluit de door de raad ongewenste situaties niet uit. Daarom is de formulering van de beleidsregel aangepast en ook de toelichting hierop.
2.
In de beleidsregels staat, dat voor het bouwen van huisvesting bij agrarische bedrijven dit binnen het bouwvlak dient te gebeuren. Voor het bouwen op bedrijventerreinen geldt dit niet. Kunt u aangeven wat hiervoor de reden is?
Antwoord
Bedrijventerreinen zijn stedelijke functies. Ze liggen aangrenzend aan woongebieden en hebben daarmee een andere ruimtelijke uitstraling dan agrarische bedrijven, die veelal los in het buitengebied liggen. Voor bouwen buiten stedelijk gebied geldt een strenger provinciaal regime. De mogelijkheid om buiten bouwvlakken te bouwen bij agrarische bedrijven is geschrapt naar aanleiding van zienswijzen van de provincie en LTO Noord.
3.
Heeft er bij het opstellen van deze beleidsregels ook overlegd (participatie) plaatsgevonden met belanghebbenden? Ik denk hierbij aan kernraden, ondernemersverenigingen, andere organisaties. Kunt u ons informeren over hoe dit is gegaan en wat uw ervaringen zijn geweest?
Antwoord
In de raad van november 2020 hebben wij u uitgebreid geïnformeerd over het uitgebreide participatietraject dat is doorlopen. De verslagen van de gesprekken met buitenlandse werknemers, kernraden, huisvesters en bedrijven zijn met u gedeeld. Ook zijn diverse commissievragen hierover beantwoord. Op basis van de input uit de gesprekken is een ontwerpbeleid opgesteld dat door uw raad is vastgesteld. Het ontwerpbeleid is vervolgens op basis van de gemeentelijke inspraakverordening ter inzage gelegd. De termijn is verlengd van 6 naar 8 weken. Via Facebook hebben we hier nog eens extra aandacht voor gevraagd. Het indienen van een zienswijze is zo makkelijk mogelijk gemaakt via een digitaal formulier. De 17 ingekomen zienswijzen zijn van een schriftelijke reactie voorzien in de Nota zienswijzen (bijlage 1 bij het raadsvoorstel). Na het collegebesluit over het vast te stellen beleid is dit gedeeld met de indieners van de zienswijzen. Alle indieners zijn erop gewezen dat het mogelijk is om in te spreken in de commissievergadering. Het is aan uw raad om te beoordelen of de zienswijzen op een correcte wijze zijn beantwoord.