CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

25 DOC-22-610154 Nota zienswijzen

Gemeenteraad 22 december 2022, gemeente MedemblikBij agendapunt: Bestemmingsplan Wognum-Bloesemgaerde Noord (pfh. J. Broeders)14.126 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het perceel Westeinderweg 7 is gelegen naast het plangebied. Op 2 mei 2017 is door het college omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van paardenstallen, een rijbak, een paddock en een mestbak. De ontwikkeling ligt binnen een straal van 100 meter van het plangebied. Er is een solarium, een poetsplaats, een eb en vloed bak, trainingsfaciliteiten en een longeerbak. In een dergelijke situatie moet niet worden gekeken naar de vraag of sprake is van hobbymatig of professioneel gebruik, maar moet worden beoordeeld of het hobbymatig gebruik van de paardenbak kan leiden tot lichthinder, geluidhinder, stofhinder en in het bijzonder geurhinder. Daarvoor is van belang of de hobbymatige activiteiten naar aard, omvang en intensiviteit zodanig verschillen van het bedrijfsmatig houden van paarden dat ondanks een afwijking van de afstanden uit de VNG-normering een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen kan worden gewaarborgd. Bij het plan is slechts een onderzoek naar geurhinder gevoegd. De overige aspecten zijn niet beoordeeld. Daarbij is bovendien van belang dat uit het geuronderzoek onvoldoende blijkt op welke data en met welke windrichtingen de geur is gemeten.

Gemeente Medemblik Reactienota zienswijzen bestemmingsplan Wognum - Bloesemgaerde Noord Reactie gemeente In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ zijn geen richtafstanden voor een (hobbymatige) paardenhouderij opgenomen, wel voor een paardenfokkerij. De richtafstand voor een paardenfokkerij bedraagt 50 meter ten opzichte van woningen in een rustig woongebied met betrekking tot mogelijk geurhinder tot nabijgelegen woningen van derden. Geurhinder zou kunnen worden ervaren vanaf de stal en mestopslag. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ten aanzien van de te realiseren woningen rekening gehouden met een richtafstand van 50 meter ten opzichte van de stal en mestopslag. In het bestemmingsplan is toegelicht dat voor de aspecten geluid en stof een kleinere richtafstand van toepassing is. In het geuronderzoek is de onderzoeksmethode toegelicht (Hoofdstuk 3). Het betreft een modelmatige beoordeling, waarbij met verspreidingsmodellen de geurbelasting vanuit dierenverblijven op geurgevoelige objecten is berekend en waarbij dus niet daadwerkelijk op de locatie gemeten is. Dit is een gebruikelijke en ook door de rechtspraak geaccepteerde wijze van geuronderzoek.

Het geuronderzoek is door de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord beoordeeld waarbij is aangegeven dat het wettelijk kader in het geuronderzoek op een juiste wijze is beschreven en dat er geen opmerkingen zijn over het gehanteerde beoordelingskader. Het opgestelde beoordelingskader is derhalve akkoord bevonden door de Omgevingsdienst. Het deskundigenrapport bevat voorts ook geen onvolkomenheden en de berekende geurniveaus zijn als juist aan te merken, zodat het geuronderzoek ten grondslag kan worden gelegd aan de vaststelling van het bestemmingsplan. l.

Door de realisatie van 51 woningen zal in de aanlegfase niet voldaan kunnen worden aan de uit te stoten stikstofemissies. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet weliswaar in een partiële vrijstelling voor de tijdelijke emissies gedurende de aanlegfase van bouwwerkzaamheden, maar de verwachting is dat de Afdeling Bestuursrechtspraak deze vrijstelling niet zal goedkeuren. Daarbij is bovendien van belang dat bij dit project slechts een inschatting is gemaakt van de uit te stoten emissies omdat er nog geen aannemer bekend is. Er is niet aangetoond dat deze inschatting correct is. Daarbij hebben gemeentes ook een verantwoordelijkheid om de stikstofemissies zo laag mogelijk te houden. Ook na de realisatie zal veel sprake zijn van verkeer waarbij bovendien ten onrechte de bezoekers van de woningen niet zijn meegenomen in de berekening. Reactie gemeente Het betreft de realisatie van maximaal 50 woningen. Het is niet duidelijke wat de indiener bedoeld met de stelling dat in de aanlegfase niet kan worden voldaan aan de uit te stoten stikstofemissies. In het onderzoek naar stikstofdepositie is aangetoond dat zowel in de gebruiksfase als de aanlegfase geen toename is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. In de rapportage van het stikstofdepositieonderzoek is aangegeven dat de materiële inzet zo goed mogelijk is ingeschat.

Omdat het een inschatting betreft, is een extra bron met een vermogen van 100 kw (vergelijkbaar met een grote graafmachine) opgenomen voor onvoorziene werkzaamheden gedurende 80 uur. In de inschatting van de verkeersgeneratie is rekening gehouden met bezoekersverkeer.

m. Uit het natuuronderzoek blijkt dat er verbeteringen voor het plangebied zijn voorgesteld. Niet gebleken is dat deze verbeteringen waaronder het verbreden van de wateren en het aanleggen van groenstructuren in het ontwerp zijn opgenomen. Reactie gemeente In het natuuronderzoek zijn conclusies en adviezen opgenomen. Geconcludeerd is dat de Wet natuurbescherming de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. Er zijn aanbevelingen gedaan om de natuur in het plangebied te versterken. Voor de uitvoerbaarheid van het plan is er geen noodzaak om deze maatregelen op te volgens. Het verbreden van wateren en het aanleggen van groenstructuren maakt echter onderdeel uit van het plan.

Gemeente Medemblik Reactienota zienswijzen bestemmingsplan Wognum - Bloesemgaerde Noord De overige aanbevelingen staan los van het bestemmingsplan en worden meegenomen in de uitwerking van het plan. n. Zoals blijkt uit het voorgaande zijn alternatieven mogelijk die wel ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Het alternatief waar uitvoering aangegeven zou worden is het alternatief van het plan ‘schiereilanden van de Bloesemgaerde’. Reactie gemeente Het huidige plan is ons inziens ruimtelijk aanvaardbaar is en gebaseerd is op een zorgvuldige studie. De uitgangspunten van het plan ‘schiereilanden van de Bloesemgaerde’ voldoet niet aan de door de gemeenteraad vastgestelde randvoorwaarden, waaronder het doel om voldoende sociale huurwoningen en betaalbare woningen mogelijk te maken. o. De ontwerpstukken zijn niet in overeenstemming met artikel 3.1 Wro, en deze stukken strekken niet ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zonder de belangen van de indiener hierbij te betrekken en te onderzoeken in hoeverre zij worden geraakt door dit plan, is gehandeld in strijd met de artikelen 3.1 Wro, 3:2 en 3:4 Awb. Het project is hierdoor niet uitvoerbaar, zodat de gemeenteraad gehouden is om het bestemmingsplan niet op deze wijze vast te stellen.

Reactie gemeente Zoals uit de beantwoording van de voorgaande onderdelen van de zienswijzen naar voren komt is ons inziens met het plan wel sprake van een goede ruimtelijke ordening en is sprake van een uitvoerbaar plan. 12. Schenkeveld advocaten namens reclamanten (DOC-22-572738/571726) a. Het plan ligt in het werkingsgebied ‘landelijk gebied’. Op grond van de provinciale Omgevingsverordening NH2020 moet worden voldaan aan eisen met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit. Er wordt niet voldaan aan de binnen het ensemble Westfriesland-Midden geldende waarden ‘openheid’, ‘publieke toegankelijkheid’ en ‘zichtlijnen tussen de dijk en het landschap’. De Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) heeft negatief geadviseerd over de planontwikkeling. Bovendien is in de toelichting op het plan geen motivering gegeven waarom de ontwikkeling voldoet aan de in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie en daarin genoemde landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Het plan is daarom in strijd met artikel 6.59, vierde lid van de Omgevingsverordening NH 2020. Het plan kan daarom naar het oordeel van de indiener niet op deze wijze worden vastgesteld. Overigens is het in dit kader ook nog mogelijk dat het College van Gedeputeerde Staten een reactieve aanwijzing gaat geven. Een dergelijke reactieve aanwijzing zal gelet op de jurisprudentie gegrond zijn.

Reactie gemeente In de provinciale Omgevingsverordening is bepaald dat bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied, in het ruimtelijk plan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. rekening wordt gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; b. bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en c. bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren. Op 28 oktober 2020 is het plan voorgelegd aan de ARO-commissie. De ARO heeft aanbevelingen gedaan die in het ontwikkelkader met de proefverkaveling zijn verwerkt. Deze aanpassingen zijn tot tevredenheid van de ARO-commissie doorgevoerd waarbij is aangeven dat er geen vervolgoverleg nodig is. Door de provincie is geen zienswijze ingediend op dit onderwerp.

Gemeente Medemblik Reactienota zienswijzen bestemmingsplan Wognum - Bloesemgaerde Noord b. Indiener is van oordeel dat uw raad het uitgevoerde geuronderzoek van De Roever d.d. 6 oktober 2021 niet aan de motivering van het bestemmingsplan ten grondslag kan leggen. Het geuronderzoek is beperkt gebleven tot de vergunde situatie van cliënten, terwijl het geuronderzoek zich dient uit te strekken over wat planologisch maximaal mogelijk is op de gronden van cliënten. Overigens blijkt uit het geuronderzoek niet wanneer het onderzoek heeft plaats gevonden, en of het geuronderzoek op locatie heeft plaatsgevonden. Het is naar het oordeel van de indieners van belang bij een geuronderzoek dat alle relevante geuremissiebronnen van het perceel van cliënten worden bemonsterd onder representatieve omstandigheden. Reactie gemeente Op de locatie Westeinderweg 7 geldt ingevolge het bestemmingsplan “Dorpskernen IV” een woonbestemming (artikel 28) en een archeologie dubbelbestemming (artikel 38). Ingevolge artikel 28.2.3 onder c van dat bestemmingsplan geldt ter plaatse een verbod tot het bouwen van paardrijbakken en daarmee samenhangend geldt op grond van artikel 28.5 onder d en i van de planregels dat de gronden met een woonbestemming niet mogen worden gebruikt voor paardrijbakken.

Er is aan reclamanten op 2 mei 2017 een omgevingsvergunning met kenmerk Z17-002568 verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘afwijken van het bestemmingsplan’ voor het hobbymatige houden van paarden ter plaatse van de gronden van indieners. Voor het oprichten en gebruik van de paardijbakken is bij omgevingsvergunning aldus afgeweken van het vigerende bestemmingsplan. Tegen deze achtergrond bepaalt de afwijkingsvergunning uit 2017 de maximaal door indieners te benutten en ook benutte planologische mogelijkheden van hun perceel, waarmee in het geuronderzoek van De Roever ook rekening is gehouden (Hoofdstuk 4). In het geuronderzoek is de onderzoeksmethode toegelicht (Hoofdstuk 3). Het betreft een modelmatige beoordeling, waarbij met verspreidingsmodellen de geurbelasting vanuit dierenverblijven op geurgevoelige objecten is berekend en waarbij dus niet daadwerkelijk op de locatie gemeten is. Dit is een gebruikelijke en ook door de rechtspraak geaccepteerde wijze van geuronderzoek. Het geuronderzoek is door de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord beoordeeld waarbij is aangegeven dat het wettelijk kader in het geuronderzoek op een juiste wijze is beschreven en dat er geen opmerkingen zijn over het gehanteerde beoordelingskader. Het opgestelde beoordelingskader is derhalve akkoord bevonden door de Omgevingsdienst.

Het deskundigenrapport bevat voorts ook geen onvolkomenheden en de berekende geurniveaus zijn als juist aan te merken, zodat het geuronderzoek ten grondslag kan worden gelegd aan de vaststelling van het bestemmingsplan. c.

Ten aanzien van het al dan niet van toepassing zijn van het Activiteitenbesluit Milieubeheer wordt in de toelichting naar een in 2021 uitgevoerd bedrijfsbezoek verwezen. Voor indieners is het onduidelijk op wanneer dit bedrijfsbezoek heeft geplaatst gevonden, door wie het bedrijfsbezoek is verricht, wat de resultaten zijn van het bedrijfsbezoek en of dat overeenkomt met wat in de toelichting als uitkomst is aangegeven. Bovendien ontvangen de indieners graag een afschrift van het verslag dat kennelijk is opgesteld naar aanleiding van dit bezoek. Reactie gemeente Op 3 mei 2022 heeft een toezichthouder van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord een controlebezoek gebracht aan de locatie Westeinderweg 7. Er is geconstateerd dat op de locatie vier paarden worden gehouden. Er was een mestplaat van 9 m2 aanwezig, de mest werd niet hoog opgetast en er lag minder dan 10 m3 opgeslagen. Er zijn professionele voorzieningen voor het houden van en trainen van paarden aangelegd, waaronder 4 paardenboxen. De paarden worden echter hobbymatig gehouden conform de vergunningaanvraag van 12 maart 2017 en de omgevingsvergunning van 2 mei 2017. Als uitgangspunt voor vergunningverlening door het college gold, gelet op de beleidsruimte die het college bij vergunningverlening toekomt, dat de paardenstal en paardrijbak alleen hobbymatig mag worden gebruikt door de bewoners van Westeinderweg 7 (zie pag.

3/7 van de vergunning).

Gemeente Medemblik Reactienota zienswijzen bestemmingsplan Wognum - Bloesemgaerde Noord De paarden worden ook niet bedrijfsmatig gehouden. Illustratief hiervoor is naast de uitkomsten van de controle onder meer dat de eigenaren van Westeinderweg 7 bij de Omgevingsdienst op grond van het Activiteitenbesluit (en aldus terecht) geen melding hebben gedaan van (de aanvang van) bedrijfsmatige activiteiten ter plaatse. d. Er worden vijf paarden gehouden waarbij er overigens ook zes paarden zijn toegestaan en zijn vergund, aangezien er stallen zijn voor maximaal zes paarden. Deze paarden worden dagelijks getraind en lopen dagelijks in de paardenbak. Daarbij is van belang dat in de onderhavige kwestie er ook sprake is van een mestplaat. Voor de mestplaat geldt dat gelet op de aard en omvang van deze activiteit paragraaf 3.4.5 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer van toepassing is, en in het bijzonder artikel 3.45 en 3.46. Het gaat om mestopslag van 10 kuub dat betreft een totaalvolume van meer dan 3 kuub maar minder dan 600 kuub. Uit afdeling 3.4.5 van het Activiteitenbesluit volgt dat zowel wat betreft het dierenverblijf als de mestopslag een afstand van 50 meter tot een gevoelig object in acht genomen dient te worden indien dat object is gesitueerd buiten de bebouwde kom. Voor gevoelige objecten binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter.

In dit geval is, op het moment dat de woonwijk wordt gerealiseerd, sprake van een bebouwde kom. In dat geval geldt een afstand van 100 meter. De richtafstand dient naar het oordeel van cliënten dan ook 100 meter te zijn. Naar het oordeel van de indiener kan daarom door de raad het plan niet worden vastgesteld, omdat niet is voldaan aan de richtafstand. Reactie gemeente Op 2 mei 2017 is er door het college een vergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan voor onder andere het hobbymatig houden van paarden, de bouw van een paardenstal, de aanleg van een paardenbak en het realiseren van een mestbak. Daarbij is door indieners een tekening ingediend met 5 paardenboxen. Op basis daarvan is de vergunning ook verleend. Derhalve zijn ter plaatse niet 6 maar maximaal 5 paarden toegestaan. Bij de controle op 3 mei 2021 door de Omgevingsdienst is geconstateerd dat er in de 5 paardenboxen maar 4 paarden werden gehouden en dat er minder dan 10 m3 aan mest wordt opgeslagen. Voorts kan aan toepassing van de door indiener genoemde richtafstanden voor mestplaten niet worden toegekomen. Als voorwaarde voor de toepassing van de regels uit het Activiteitenbesluit over de afstand van mestplaten tot geurgevoelig objecten moet namelijk sprake zijn van een inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste lid van de Wet milieubeheer.

Hierboven is al gesteld dat de paarden door de cliënten van indiener hobbymatig worden gehouden en dat er op basis van de controle uit mei 2021 en overige omstandigheden (o.a. geen KvK-inschrijving, geen winstoogmerk, geen website) geconcludeerd kan worden dat de hobbymatige activiteiten geen bedrijfsmatige omvang hebben (hetgeen strijdig zou zijn met de vergunning als dat wel het geval was). Er is derhalve geen sprake van een inrichting aan de Westeinderweg 7 in de zin van artikel 1.1, eerste lid van de Wet milieubeheer zodat er op grond van het Activiteitenbesluit ook geen afstand aangehouden hoeft te worden van 100 meter van de opslagplaats van mest tot de dichtstbijzijnde woningen binnen het plangebied. Anders dan indiener stelt maakt de omvang van de op het perceel aanwezige mestbak niet dat er daardoor alsnog sprake zou zijn van een inrichting. e. Indiener merkt daarnaast ook op dat er bij de paardenbak vergunde lichtmasten zijn opgesteld. In de aan cliënten verleende omgevingsvergunning van 2017 is overwogen dat objectgerichte verlichting geplaatst dient te worden. Daarbij is echter uitgegaan van de situatie waarin er nog geen nieuwe ontwikkeling zou plaatsvinden. Indiener is daarom beducht op dat zij vanwege klachten niet in staat zijn om de lichtmasten op de hun gewenste wijze te gebruiken.

Uit de toelichting blijkt onvoldoende in hoeverre de lichtmasten niet voor lichthinder zorgen en waarom dat in de gegeven situatie ruimtelijk aanvaardbaar is. Dit is niet onderzocht volgens de toelichting op het ontwerp bestemmingsplan. Gelet hierop is dit in strijd met de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Awb. Reactie gemeente In de vergunning is bepaald dat de lichtmasten objectgericht moeten zijn. Dit betekent dat uitstraling naar de omgeving moet worden voorkomen. De toekomstige situatie met woningen maakt dit niet anders.

Gemeente Medemblik Reactienota zienswijzen bestemmingsplan Wognum - Bloesemgaerde Noord f.

Op basis van de huidige opzet in het ontwerpbestemmingsplan, zullen de woningen over de gehele lengte aan de achtertuinen gaan grenzen aan het perceel waarop het bos staat. Toekomstige bewoners zullen geconfronteerd worden met overlast in de vorm van schaduwwerking van de bomen van het bos. Een bezonningsstudie ten aanzien van die woningen die met hun achtertuinen grenzen aan het bos ontbreekt in het ontwerpbestemmingsplan. Daarmee is niet inzichtelijk gemaakt of eventuele schaduwwerking ruimtelijk aanvaardbaar is, dat is in strijd met artikel 3:2 Awb. Daarnaast merken cliënten op dat toekomstige bewoners ook geconfronteerd worden met bladval uit de bomen, wat ook tot overlast leidt bij de nieuwe bewoners in de vorm van bladeren in de achtertuin. De cliënten van indiener willen voorkomen dat op basis van dat ‘overlast’ geschillen ontstaan met nieuwe bewoners. In de toelichting is niet inzichtelijk gemaakt of eventuele bladval op de percelen van de nieuwe bewoners ruimtelijk aanvaardbaar is. Dat is in strijd met artikel 3:2 Awb. Bovendien zullen door het toestaan van woningen grenzend aan het perceel onvermijdelijk discussies ontstaan over de bomen, bladval, en overhangende takken. Dit kan worden voorkomen door de woningen op een afstand verder vanaf de erfgrens te realiseren, en een ruimte te hanteren van twee meter.

Dit is niet opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan, op grond waarvan dit dient te worden aangepast. Reactie gemeente Over de gestelde overlast van de bomen is al eerder gecorrespondeerd met indiener. Dit naar aanleiding van een brief die zij eerder stuurde. In onze brief geven wij aan dat toekomstige bewoners niet kunnen eisen dat de bomen gekapt kunnen worden omdat de bomen er al meer dan 20 jaar staan. Wij gaven ook aan dat wij belangstellenden tijdig c.q. op voorhand informeren over de aanwezigheid van de bomen en de schaduwwerking zodat ze weten waar ze aan toe zijn. Er zullen toekomstige bewoners in het plangebied zijn die een beperkt deel van de dag schaduw zullen ondervinden van de bomen in het naastgelegen bos aan de westzijde. Omdat tijdens het overgrote deel van de dag geen sprake zal zijn van schaduw als gevolg van het bos is geen sprake van een onaanvaardbare situatie. Verder is van belang dat in het ontwikkelkader is opgenomen dat bomen en de schaduwwerking daarvan in het plan een belangrijke rol spelen in het kader van de klimaatadaptatie. Voor wat betreft de afstand van de woningen tot de perceelsgrens: de woningen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. De afstand van de grens van het bouwvlak tot aan de perceelsgrens van indieners varieert van circa 9 meter (zuiden plangebied) tot 15 meter (noorden).

g. Indieners dienen voor het onderhoud van de bomen in het bos in staat te zijn het nu naastgelegen perceel te betreden. Met de ontwikkeling van de woningen aan de zuidwestzijde, wordt dat onmogelijk. Zij kunnen daarmee niet hun ladderrecht uitoefenen als bedoeld in artikel 5:56 BW. Er is daarom sprake van een evident privaatrechtelijke belemmering. Daarnaast wensen indieners dat tussen de achtertuinen en het bos een afscheiding gecreëerd wordt. Voor velen is het niet duidelijk dat het bos niet openbaar is. Dat geldt dus evident voor nieuwe bewoners, die niet altijd bekend zijn met de directe omgeving. In de toelichting ontbreekt een visie van hoe het bos zich ruimtelijk verhoudt tot de geplande woningen aan de zuidwestzijde van het ontwerpbestemmingsplan. Dat is in strijd met artikel 3:2 Awb, en met de artikelen 3:4 en 3:46 van de Awb. Cliënten vernemen graag hoe uitvoering wordt gegeven in dit plan aan de te realiseren erfafscheiding, en ook hoe wordt geborgd (privaatrechtelijk en publiekrechtelijk) dat die erfafscheiding in stand blijft. Reactie gemeente Ook in de huidige situatie dienen de cliënten van indiener er voor te zorgen dat het bos vanaf het eigen perceel kan worden onderhouden. De voorgenomen ontwikkeling maakt dat niet anders. Er wijzigt niets in het ladderrecht van reclamanten.

Het is aan toekomstige bewoners om een eventuele erfafscheiding te realiseren en daarin zelf een keuze te maken.

Gemeente Medemblik Reactienota zienswijzen bestemmingsplan Wognum - Bloesemgaerde Noord h. Door de realisatie van 50 woningen zal in de aanlegfase niet voldaan kunnen worden aan de uit te stoten stikstofemissies. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet weliswaar in een partiële vrijstelling voor de tijdelijke emissies gedurende de aanlegfase van bouwwerkzaamheden, maar de verwachting is dat de Afdeling Bestuursrechtspraak deze uitzondering niet zal goedkeuren. Daarbij is bovendien van belang dat bij dit project slechts een inschatting is gemaakt van de uit te stoten emissies omdat er nog geen aannemer bekend is. Er is niet aangetoond dat deze inschatting correct is. Daarbij hebben gemeentes ook een verantwoordelijkheid om de stikstofemissies zo laag mogelijk te houden. Ook na de realisatie zal veel sprake zijn van verkeer waarbij bovendien ten onrechte de bezoekers van de woningen niet zijn meegenomen in de berekening. Reactie gemeente Het is niet duidelijke wat de indiener bedoeld met de stelling dat in de aanlegfase niet kan worden voldaan aan de uit te stoten stikstofemissies. In het onderzoek naar stikstofdepositie is aangetoond dat zowel in de gebruiksfase als de aanlegfase geen toename is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar.

In de rapportage van het stikstofdepositieonderzoek is aangegeven dat de materiële inzet zo goed mogelijk is ingeschat. Omdat het een inschatting betreft, is een extra bron met een vermogen van 100 kw (vergelijkbaar met een grote graafmachine) opgenomen voor onvoorziene werkzaamheden gedurende 80 uur. In de inschatting van de verkeersgeneratie is rekening gehouden met bezoekersverkeer. i.

Uit het natuuronderzoek blijkt dat er verbeteringen voor het plangebied zijn voorgesteld. Niet gebleken is dat deze verbeteringen waaronder het verbreden van de wateren en het aanleggen van groenstructuren in het ontwerp zijn opgenomen. Reactie gemeente In het natuuronderzoek zijn conclusies en adviezen opgenomen. Geconcludeerd is dat de Wet natuurbescherming de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. Er zijn aanbevelingen gedaan om de natuur in het plangebied te versterken. Voor de uitvoerbaarheid van het plan is er geen noodzaak om deze maatregelen op te volgens. Het verbreden van wateren en het aanleggen van groenstructuren maakt echter onderdeel uit van het plan. De overige aanbevelingen staan los van het bestemmingsplan en worden meegenomen in de uitwerking van het plan.

j.

De ontwerpstukken zijn niet in overeenstemming met artikel 3.1 Wro en deze stukken strekken niet ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zonder de belangen van de indiener hierbij te betrekken en te onderzoeken in hoeverre zij worden geraakt door dit plan, is gehandeld in strijd met de artikelen 3.1 Wro, 3:2, 3:4 en 3.46 van de Awb. Het project is hierdoor niet uitvoerbaar, zodat de gemeenteraad gehouden is om het bestemmingsplan niet op deze wijze vast te stellen. Reactie gemeente Zoals uit de beantwoording van de voorgaande onderdelen van de zienswijzen naar voren komt is ons inziens met het plan wel sprake van een goede ruimtelijke ordening en is sprake van een uitvoerbaar plan.

13. Reclamant DOC-22-572629 Indiener verbaast zich over de verdeling van de woningen. Indiener vraagt zich af waarom voor meer middeldure en dure koopwoningen is gekozen (50%) en niet voor doorstroming en de jeugd die graag in Wognum willen blijven wonen. Er is nu een verdeling van 25% sociale huurwoningen, 25% goedkope koopwoningen en 50% middeldure en dure koopwoningen. Waarom niet 50% goedkope koopwoningen, 25% middeldure en dure koopwoningen en 25% sociale huurwoningen? Misschien kan er ook aan seniorenwoningen worden gedacht.

Gemeente Medemblik Reactienota zienswijzen bestemmingsplan Wognum - Bloesemgaerde Noord Reactie gemeente Het uitgangspunt is dat woningen worden gebouwd voor verschillende doelgroepen. Dit leidt tot een gevarieerde woonomgeving. Er is behoefte aan verschillende woningen in verschillende prijsklassen. Om tot een financieel haalbaar plan te komen zijn ook duurdere woningen nodig. Bovendien leidt tot een acceptabele woningdichtheid en aansluiting bij de aangrenzende wijk. Het bouwen van duurdere woningen leidt bovendien tot doorstroming. 14. Reclamant DOC-22-574422 a. Indiener kan zich niet vinden in het totaal van 51 woningen. De voorgestelde woningdichtheid van 32 woningen per hectare past niet bij een landelijk woongebied. De norm voor een agrarische inrichting heeft een woningdichtheid van 10 woningen per hectare en de norm voor een landelijke inrichting heeft een woningdichtheid van 20 woningen per hectare. Indiener verzoekt om deze norm van agrarische/landelijke woon- en leefgebied met een woningdichtheid van 10 tot maximaal 20 woningen per hectare op het in te richten woon- en leefgebied van 1,7 hectare aan te houden wat betekent een maximaal totaal aantal van 34 woningen voor het totale plangebied en deze gelijkmatig verdeeld over het bouwterrein in te passen.

Reactie gemeente In het bestemmingsplan worden binnen het plangebied geen 51 maar maximaal 50 woningen mogelijk gemaakt. Het plangebied is ruim 2,3 hectare groot. De woningdichtheid in een plangebied dient te worden bepaald inclusief het openbaar groen en verkeer- en verblijfsgebied. De woningdichtheid komt hiermee op nog geen 22 woningen per hectare. Voor woningdichtheid gelden geen normen. Gemiddeld gezien is 22 woningen per hectare een lage woningdichtheid voor een dorpse uitbreiding. Ook binnen Wognum is deze dichtheid relatief laag. b.

De inhoud van de overige onderdelen van de zienswijze is gelijk aan de onderdelen c, g en h uit de zienswijzen van reclamant 2. Reactie gemeente Voor de beantwoording wordt verwezen naar de reactie onder 2.

15. Reclamant DOC-22-575387 a. In het ontwerpbestemmingsplan en nog veel eerder in de kader stellende notitie over woningbouwplan ‘Bloesemgaerde-Noord’ is een maximum van 50 woningen ingetekend. Het is voor de indiener onduidelijk hoeveel woningen per categorie er nu uiteindelijk gaan komen. En of er dus toch getornd gaat worden aan het aantal van maximaal 50 woningen. Reactie gemeente Het bestemmingsplan staat maximaal 50 woningen toe conform de vastgestelde kaderstellende notitie. b. In het rapport ‘Verkeerskundig onderzoek Bloesemgaerde-Noord Wognum’ staan slordige fouten die het professionele karakter van dit rapport teniet doen. Zo wordt op pagina 16 zowel bij ‘Stolphoevelaan’ als bij ‘Kerkweg’ in het kopje een andere weg benoemd dan in de onderliggende tekst. Als dit al niet goed wordt opgeschreven, waar zijn dan nog meer fouten gemaakt? Reactie gemeente Op bladzijde 16 van dit onderzoeksrapport staan inderdaad 2 verschrijvingen. Ons inziens doet dit geen afbreuk aan de kwaliteit van het uitgevoerde onderzoek. c.

Het rapport is een aaneenschakeling van aannames. Ik mis in het rapport de grote hoeveelheid schoolgaande fietsers die over de Westeinderweg en de Kerkstraat ’s morgens hun weg vinden naar school (in Hoorn) en ’s middags weer terug naar huis gaan (in Spanbroek/Opmeer/Aartswoud). Zeker ’s morgens gaat de forens met auto die fietsers niet opzoeken en zal via de rotonde bij de Conferencelaan zijn uitweg gaan zoeken.

Gemeente Medemblik Reactienota zienswijzen bestemmingsplan Wognum - Bloesemgaerde Noord Dat geeft extra drukte op de rotonde bij de Conferencelaan. Hoe gaat deze drukte in betere banen geleid worden? Reactie gemeente In paragraaf 5.4 van het verkeerskundig onderzoek is ingegaan op het effect op de bestaande schoolfietsroute. Voor wat betreft de zienswijze van indiener hebben wij verkeerskundig bureau Goudappel om advies gebracht. In hun advies van 3 november 2022 geven zij aan dat op basis van rationele verkeerskundige aspecten de route via de Westeinderweg en de Kerkstraat een logischere route is dan via de Conferencelaan. In hun advies onderbouwen ze dat. Goudappel stelt dat op beide routes sprake is van schoolgaand (doorgaand) fietsverkeer en dat het daarom geen invloed heeft op de routekeuze in de ochtendspitsperiode van de toekomstige bewoners. d. In het document “Bestemmingsplan Regels” staat op pagina 12 (artikel 6.2.1 sub d) dat er een afstand van ten minste 3,00 meter wordt aangehouden tot de perceelgrens. In datzelfde document staat op pagina 13 (artikel 6.2.3 sub c) dat van het eerdere artikel 6.2.1 sub d mag worden verkleind. Dat is een open eind. Er staat immers niet met hoeveel er mag worden verkleind. Daarnaast wordt er ook gebouwd aan een slootkant.

Mag ook daar van de 3,00 meter afgeweken worden? Wat is het gevolg van de toenemende druk op de walkant van zo een verkleining van 3,00 meter? En waar kan eventuele schade worden verhaald? Indiener stelt voor om artikel 6.2.3 sub c niet van toepassing te verklaren voor de percelen liggende aan de slootkant. Reactie gemeente De afstand van ten minste 3 meter tot de perceelsgrens geldt voor hoofdgebouwen. Daarnaast dienen hoofdgebouwen binnen een bouwvlak te worden gebouwd. De afwijking zorgt voor de nodige flexibiliteit in het plan. Bij het besluit tot het verlenen van de afwijking zal er echter zorgvuldig gekeken moeten worden naar alle belangen die spelen, waaronder de druk op walkant. Indiener kan tegen dit besluit eventueel bezwaar maken als hij het er niet mee eens is. 2. ONTVANGEN ADVIES Omgevingsdienst Noord-Holland Noord a. Het is bekend dat de tennisvereniging padelbanen wil aanleggen. Gelet op recente ontwikkelingen en het landelijke klachtenpatroon over de padelsport, wordt geadviseerd om aan dit aspect aandacht te besteden in de ruimtelijke onderbouwing en te motiveren waarom er (uitgaande van de maximaal planologische mogelijkheden, dus bijvoorbeeld het realiseren van padelbanen) sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Reactie gemeente Voor de beantwoording wordt verwezen naar de reactie onder zienswijze 9. b.

De tekst over bodem in het bestemmingsplan is akkoord. In verband met aangetroffen asbestverontreiniging dient nog nader onderzoek te worden uitgevoerd. Reactie gemeente Dit wordt voor kennisgeving aangenomen. Er vindt nog nader onderzoek plaats naar de aangetroffen asbestverontreiniging

3. WIJZIGINGEN Regels 1. In artikel 6 Wonen wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hiermee wordt bepaald dat voor een nieuwe woning een omgevingsvergunning kan worden verleend als ofwel een geluidswal zal zijn aangelegd met zodanige specificaties dat de normen uit het Activiteitenbesluit niet worden overschreden als gevolg van de padelbaan, ofwel als voor de geluidbelasting vanwege de padelbaan een maatwerkvoorschrift is of zal worden genomen in overeenstemming met het akoestisch rapport.

Gemeente Medemblik Reactienota zienswijzen bestemmingsplan Wognum - Bloesemgaerde Noord

2. In artikel 2 Wijze van meten wordt artikel 2.6 in overeenstemming gebracht met het bestemmingsplan Dorpskernen IV. Toelichting 1. In paragraaf 3.3.1 en 3.4.1 wordt de tekst over het Regionale Actieprogramma gewijzigd naar het regionale Woonakkoord. Bijlagen bij de toelichting 1. Toevoegen als bijlage 11: Advies Goudappel 3 november 2022 met kenmerk 013590.20221103.N1.01. 2. Toevoegen als bijlage 12: Bezonningsstudie Breen Stedenbouw 3. Bijlage 8: toevoegen getekend besluit hogere waarden Wet geluidhinder

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=668e0ad8-ccda-4418-9414-d1e74dea6095