11. Zicht op arbeidsmigranten, Een belevingsonderzoek naar de positie van EU-arbeidsmigranten, derdelanders en ontheemde Oekraïners in Nederland
Tekst van het document
Zicht op arbeidsmigranten Een belevingsonderzoek naar de positie van EU-arbeidsmigranten derdelanders en ontheemde Oekraïners in Nederland
November 2024
In opdracht van
Y. Seidler R. van Leeuwen J. de Boom B. Wieczorek O. Serafin K. van der Schans P. van Wensveen A.M.1Weltevrede
Colofon Zicht op arbeidsmigranten. Een belevingsonderzoek naar de positie van EUarbeidsmigranten, derdelanders en ontheemde Oekraïners in Nederland. Seidler, Y., Van Leeuwen, R., De Boom, J., Wieczorek, B., Serafin, O., Van der Schans, K., Van wensveen, P. & Weltevrede, A.M. Rotterdam, november 2024 Risbo/Erasmus Universiteit Rotterdam/ Postbus 1738 3000 DR Rotterdam tel.: 010-4082124 fax: 010-4081141 © Copyright Risbo BV. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van de Directie van het Instituut .
2
Voorwoord Voor u liggen de uitkomsten van de nulmeting van het meerjarenonderzoek ‘Zicht op arbeidsmigranten’. Hoewel er al veel onderzoek is gedaan naar de positie van arbeidsmigranten in Nederland, is er niet eerder op deze schaal aan de arbeidsmigranten zelf gevraagd hoe zij vinden dat het met hen gaat. Met dit onderzoek doen we een eerste aanzet om hun stem te laten horen over hun eigen positie. Dit onderzoek had niet uitgevoerd kunnen worden zonder de hulp van een groot aantal personen en instanties. In willekeurige volgorde danken wij de Stichting Bewonersbelangen Arbeidsmigranten, de ABU, NBBU, Eindhoven Airport, de Poolse Ambassade, FNV, VNG, de Provincie Zuid-Holland, Stichting Polka en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Wij danken alle werkgevers en huisvestende organisaties waar wij terecht konden om veldwerk uit te voeren. Ook gaat een woord van dank uit naar de begeleidingscommissie die met hun expertise en deskundigheid dit rapport naar een hoger plan getild hebben. Een speciaal woord van dank gaat uit naar Bartosz Wieczorek en Olimpia Serafin die niet alleen de coördinatie van het veldwerk op zich namen maar ons ook vanuit hun achtergrond leerden wat het betekent om naar Nederland te komen vanuit een ander land. Het uitvoeren van het veldwerk was niet mogelijk geweest zonder een team van gedreven student-assistenten.
Wij waarderen hun inzet enorm. Uiteindelijk valt of staat het succes van dit onderzoek met de deelname van de mensen waar het om gaat. Met dit onderzoek hebben we als doel gehad om hun stem hoorbaar te maken. Grote dank aan degenen die hun stem hebben laten horen!
Youri Seidler Projectleider Rotterdam, november 2024
3
4
Managementsamenvatting Dit onderzoek betreft de nulmeting van een meerjarenonderzoek dat als doel heeft om in kaart te brengen hoe het gaat met verschillende groepen die korter dan vijf jaar in Nederland verblijven, vanwege werk naar Nederland zijn gekomen en een inkomen van maximaal 130 procent van het wettelijk minimumloon (hierna WML) hebben. Meer specifiek gaat het om EU-burgers, personen van buiten de Europese Unie (hierna: derdelanders) en ontheemde Oekraïners. De groep EUburgers komt qua kenmerken overeen met de groep personen die door het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten als kwetsbare arbeidsmigranten zijn benoemd. Er is voor gekozen om ook derdelanders en ontheemde Oekraïners mee te nemen in dit onderzoek omdat zij naar verwachting vaak in een vergelijkbare arbeidsmarktpositie verkeren. Het onderzoek is een belevingsonderzoek waarvoor in bij meer dan 4.200 personen een vragenlijst is afgenomen. De valide respons betreft 3.042 respondenten. Nog niet eerder is op zo’n grote schaal in Nederland onderzoek gedaan waarbij zoveel mensen uit deze doelgroepen zijn bevraagd. De uitkomsten zijn gebaseerd op de antwoorden van 1.944 EU-burgers, 149 derdelanders en 260 Oekraïners, allen met een inkomen van maximaal 130 procent WML. De resultaten onder EU-burgers met een laag inkomen zijn vergeleken met die van EU-burgers met een inkomen van meer dan 130 procent WML (n=500).
Door op veel verschillende locaties en tijdstippen data te verzamelen is zo goed mogelijk geprobeerd tot een representatieve onderzoeksgroep te komen. Deze werkwijze heeft er zeer waarschijnlijk toe geleid dat het onderzoek representatief is voor onze specifieke doelgroep: EUburgers die legaal werkzaam is in loondienst binnen beroepen aan de “onderkant” van de arbeidsmarkt. Dit betekent ook dat het onderzoek waarschijnlijk in veel mindere mate representatief is voor arbeidsmigranten die informeel of illegaal werk doen en via malafide uitzendbureaus in Nederland werkzaam zijn en ook niet voor EU-burgers met een inkomen van meer dan 130 procent WML, zoals de zogenaamde kennismigranten. Naar onze mening is dit geen tekortkoming. In dit onderzoek is juist de focus gelegd op de gemiddelde relatief kort verblijvende arbeidsmigrant die in het legale circuit werkzaam is. De uitkomsten met betrekking tot derdelanders en ontheemde Oekraïners dienen als indicatief te worden beschouwd. In het onderzoek is in de eerste plaats gevraagd naar hoe de mensen om wie het gaat, zelf vinden dat het gaat op het gebied van werk, huisvesting, gezondheid en hun plek in de Nederlandse samenleving. De resultaten zijn, daar waar mogelijk, vergeleken met het Nederlands gemiddelde en andere herkomstgroepen die vaak in Nederland onderscheiden worden.
Op deze manier is ook de relatieve positie in kaart gebracht. Tot slot is getracht om inzicht te krijgen in hoe het met deze mensen gaat naarmate zij langer in Nederland verblijven. Om deze reden is ook aandacht geweest voor de verblijfsduur van respondenten. In deze samenvatting wordt eerst per thema de resultaten met betrekking tot de EU-burgers besproken, daarna volgen de resultaten over de derdelanders en ontheemde Oekraïners.
5
Arbeidsmarktpositie Er is onderzocht wat de arbeidskenmerken zijn van EU-burgers met een inkomen van maximaal 130 procent WML en hoe tevreden zij zijn met hun werk. EU-burgers met een lager inkomen hebben bovengemiddeld vaak flexibele en tijdelijke contracten Negen op de tien EU-burgers met een laag inkomen werkt in loondienst. Een klein deel is werkzoekend (4,2 procent). Het grootste deel van de EU-burgers met een laag inkomen dat in loondienst is, is werkzaam voor een Nederlands uitzendbureau (57 procent). Ruim één op de vier werkt voor een niet-Nederlands uitzendbureau (26 procent) of bij een detacheringsbureau dat buiten Nederland is gevestigd (5 procent). Het aandeel dat rechtstreeks bij een bedrijf in dienst is, is met 13 procent relatief beperkt. Dit geldt in het bijzonder wanneer dit vergeleken wordt met de groep EU-burgers met een hoger inkomen. Daarvan is 70 procent rechtstreeks bij een bedrijf in dienst. Het aandeel EU-burgers met een hoger inkomen dat via een Nederlands of nietNederlands uitzendbureau werkt is met respectievelijk 22 procent en 7 procent veel kleiner. In vergelijking met de groep met een hoger inkomen valt op dat het aandeel personen in loondienst kleiner en het aandeel ZZP’ers/ondernemers met 27 procent veel groter is. EU-burgers met een laag inkomen hebben in zeven op de tien gevallen een tijdelijk dienstverband.
Het percentage met een vast contract (26 procent) is veel lager. Hetzelfde beeld zien we ook onder EU-burgers met een hoger inkomen, van hen heeft 67 procent een tijdelijk dienstverband en 27 procent een vast contract. Ruim de helft van de EU-burgers met een laag inkomen heeft vaste uren. Nog eens bijna een kwart (24 procent) heeft een contract waarbij sprake is van deels vaste uren, bijvoorbeeld in de vorm van een min/max contract.1 Eén op de tien EU-burgers met een laag inkomen heeft een 0-uren- of oproepcontract. Binnen de hogere-inkomensgroep heeft een veel groter percentage vaste uren (73 procent) en ook hebben zij minder vaak een contract waarbij sprake is van een wisselend aantal werkuren. EU-burgers met een laag inkomen hebben veel vaker een flexibele arbeidsrelatie dan in Nederland gemiddeld. Kwetsbaarheid en afhankelijkheid Een groot deel van de EU-burgers met een laag inkomen die kort in Nederland verblijft, lijkt relatief kwetsbaar. Zij werken vaak via tijdelijke contract met flexibele uren en huren woningen met tijdelijke contracten. Bovendien geven zij aan afhankelijk te zijn van de werkgever voor het werk en de woning. Zij hebben vaak te maken met onzekerheid hierover.
Een relatief groot deel van de EU-burgers is bang om hun baan te verliezen wanneer zij ziek zijn en een eveneens groot deel geeft aan, ondanks dat dit wettelijk verboden is, geen gescheiden huurcontract te hebben. Eveneens heeft een groot deel van deze EU-burgers een zorgverzekering via de werkgever geregeld en faciliteren sommige werkgevers de registratie in de BRP. Dit is overigens niet per definitie problematisch. Veel EU-burgers met een laag inkomen worden in het land van herkomst geworven om in Nederland te komen werken en komen naar Nederland met de belofte dat de werkgever alles regelt om legaal in Nederland te kunnen verblijven en werken.
Bij een min/max contract is er minimum en maximum aantal uren afgesproken dat de werknemer per periode kan werken. Dit biedt iets meer zekerheid dat een 0-uren of oproepcontract. 1
6
De meerderheid is tevreden met werk, maar tevredenheid blijft achter bij het Nederlands gemiddelde Meer dan de helft van de EU-burgers met een laag inkomen is tevreden met hun werk, de omstandigheden en voorwaarden waaronder zij werken. Iets meer dan een kwart is neutraal en vijftien tot achttien procent is (zeer) ontevreden. Onder de EU-burgers met een hoger inkomen is een veel groter deel tevreden. Onder deze groep is het percentage dat (zeer) tevreden is met hun werk rond de 75 procent. De resultaten van dit onderzoek wijzen erop dat de tevredenheid onder EU-burgers veel lager ligt dan gemiddeld in Nederland. Ook in vergelijking met personen die laaggeschoold werk doen is de tevredenheid onder EU-burgers met een laag inkomen aanzienlijk lager dan gemiddeld (58 procent ten opzichte van 77 procent van de laagopgeleide Nederlanders). EU-burgers met een hoger inkomen hebben een (veel) sterkere arbeidsmarktpositie EU-burgers met een hoger inkomen hebben een sterk afwijkende arbeidsmarktpositie ten opzichte van EU-burgers met een inkomen van maximaal 130 procent WML. Zij werken vaker rechtstreeks in dienst bij een bedrijf met vaste contracturen. Ook zijn zij meer tevreden met hun werk, arbeidsomstandigheden, -voorwaarden en zijn zij minder bang voor baanverlies bij ziekte. EU-burgers met een hoger inkomen hebben veel vaker hun baan gevonden terwijl ze al in Nederland waren.
De positie van deze EU-burgers is veel minder kwetsbaar. Signalen van carrière op de arbeidsmarkt bij langer verblijf in Nederland Een analyse naar achtergrondkenmerken wekt de indruk dat naarmate personen langer in Nederland verblijven, zij carrière op de arbeidsmarkt maken. Personen die langer dan 5 jaar in Nederland verblijven, verschillen qua arbeidskenmerken van personen die korter in Nederland zijn en een vergelijkbaar inkomen hebben. Zo zijn veel van hen rechtstreeks bij een bedrijf in dienst en hebben zij vaker een vaste aanstelling. Dit leidt echter niet tot een grotere tevredenheid met werk. De groep kort verblijvende EU-burgers met een laag inkomen zijn meer tevreden dan de groep die al langer in Nederland verblijft. Onder de groep die 4 maanden in Nederland is of tussen de 5 maanden en een jaar, is de tevredenheid met werk respectievelijk 61 procent en 63 procent. Onder de groep die 5 jaar of langer in Nederland is, betreft dit nog 52 procent. Permanente tijdelijkheid? Het is positief dat de EU-burgers die langer in Nederland verblijven carrière lijken te maken. Het is de vraag of dit komt doordat de positie verbetert of doordat personen die geen verbetering zien weer vertrekken (de zogenaamde survivor bias). Tegelijkertijd lijkt niet iedereen een betere positie te verkrijgen.
Ongeveer een derde van de EU-burgers die langer dan vijf jaar in Nederland verblijft heeft nog te maken met constructies die gericht zijn op tijdelijkheid. Zij hebben nog steeds een flexibel aantal werkuren, een tijdelijk contract en werken nog voor een Nederlands uitzendbureau. Bovendien zien we geen grotere tevredenheid met het werk onder EU-burgers met een laag inkomen naarmate men langer in Nederland verblijft. Registratie Het is van belang dat EU-burgers, derdelanders en ontheemde Oekraïners op de juiste manier geregistreerd staan. Sommige rechten worden opgebouwd naarmate men langer in Nederland verblijft. De verblijfsduur wordt gemeten aan de hand van per wanneer iemand in de Basis Registratie Personen (BRP) ingeschreven staat. Het is mogelijk om op twee manieren in de BRP in te schrijven: als ingezetene of niet-ingezetene.
7
Veel onwetendheid over de manier van registeren De helft van de EU-burgers met een laag inkomen geeft aan te zijn ingeschreven in de BRP als ingezetene. Een klein deel zegt als niet-ingezetene ingeschreven te zijn (8 procent). Eén op de zeven geeft aan op geen enkele manier ingeschreven te zijn in de BRP. Opvallend is dat een kwart van de respondenten niet weet of ze staan ingeschreven in de BRP (26 procent). In de groep met een hoger inkomen valt op dat het deel dat als ingezetene in de BRP ingeschreven zegt te staan veel groter is. Slechts een enkeling is naar eigen zeggen geregistreerd als nietingezetene. Eén op de twintig zou niet ingeschreven (5 procent) zijn en bijna één op de tien weet niet of ze in de BRP geregistreerd is, al dan niet als ingezetene of niet-ingezetene (9 procent). De inrichting van het registratiestelstel is voor veel EU-burgers met een laag inkomen (te) complex Een groot deel van de kort verblijvende EU-burgers geeft aan niet te weten hoe en of zij in de BRP ingeschreven is (al dan niet als ingezetene of niet-ingezetene). Tijdens de gesprekken die we voerden tijdens het veldwerk werd duidelijk dat voor veel van deze mensen onduidelijk is wat het verschil is tussen een ingezetene en een niet-ingezetene en of ze zich bij de gemeente of de RNI hebben ingeschreven.
We zien dan ook een grote discrepantie tussen de uitkomsten van dit onderzoek en de cijfers in de CBS-Migrantenmonitor. Mogelijk dat dit ook deels komt doordat een deel van de werkgevers de inschrijving in de BRP faciliteert. In deze gevallen hoeven de werknemers alleen op de juiste tijd klaar staan en brengt de werkgever ze naar het loket waar zij zichzelf dienen in te schrijven. Het is goed mogelijk dat in deze gevallen niet duidelijk is voor de recent aangekomen EU-burgers op wat voor manier zij in de BRP ingeschreven staan. Hoe langer men in Nederland verblijft des te vaker zij als ingezetene in de BRP geregistreerd staan. Wanneer wordt gekeken naar de kenmerken van geregistreerde personen (als ingezetene of nietingezetene), dan valt een aantal verschillen op. De sterkste samenhang zien we bij verblijfsduur. Personen die langer in Nederland verblijven geven veel vaker aan als ingezetene in de BRP geregistreerd te staan dan korter verblijvende groepen met een vergelijkbaar inkomen. Ook zien we dat het aandeel dat niet geregistreerd is of niet weet hoe zij geregistreerd staat, fors afneemt naarmate personen langer in Nederland verblijven.
EU-burgers met een hoger inkomen zeggen veel vaker als ingezetene ingeschreven te staan in de BRP Binnen de groep met een hoger inkomen valt op dat het deel dat als ingezetene is ingeschreven in de BRP veel groter is in vergelijking met de groep met een lager inkomen. Slechts een enkeling is ingeschreven als niet-ingezetene. Eén op de twintig is niet ingeschreven en bijna één op de tien weet niet of ze in de BRP staat ingeschreven. Woonpositie In het onderzoek is gekeken naar de manier waarop werkende EU-burgers met een laag inkomen in Nederland wonen. Behalve dat er is gekeken naar woonkenmerken, is ook de tevredenheid met de woonsituatie onderzocht. EU-burgers met tijdelijke contracten wonen bovengemiddeld vaak in huurwoning van werkgever Uit de resultaten valt op te maken dat de EU-burgers met een laag inkomen een afwijkende woonpositie hebben ten opzichte van de gemiddelde Nederlander. Zo wonen zij vaker in een huurwoning met tijdelijke contracten en zijn zij minder vaak in het bezit van een koopwoning dan de gemiddelde Nederlander. Daarnaast is een groot aandeel EU-burgers met een inkomen van 8
maximaal 130 procent WML afhankelijk van de werkgever wat betreft de woning. Zo geeft het overgrote deel van deze EU-burgers aan dat zij hun woning hebben gevonden via de werkgever, huren zij de woning van de werkgever en geldt dat bij een deel van hen, hoewel dit wettelijk verboden is, hun huurcontract gekoppeld is aan de arbeidsovereenkomst. Niet alleen de manier waarop EU-burgers hun woning huren verschilt van de gemiddelde Nederlander, ook hoe vaak zij hun woonruimte delen met anderen verschilt. EU-burgers wonen bovengemiddeld vaak in een gedeelde woning, waarbij een groot deel hun slaap- en/of sanitaire ruimte(s) deelt met anderen. EU-burgers met een laag inkomen zijn iets minder tevreden met hun woning dan gemiddeld Onder EU-burgers met een laag inkomen die een woning huren is 62 procent (zeer) tevreden met de huurwoning. Uit het WoON-onderzoek komt naar voren dat ongeveer 70 procent van de mensen die een woning huren (corporatie of private huur) (zeer) tevreden is met hun woning (Stuart-Fox et al. 2022). Een verschil van ongeveer 8 procentpunten. In vergelijking met het aandeel (zeer) tevreden EU-burgers die in Zuid-Holland wonen (53 procent), is het verschil met het Nederlands gemiddelde groot te noemen.
Bij langer verblijf verandert de manier waarop EU-burgers met een laag inkomen wonen EU-burgers met een laag inkomen, lijken een wooncarrière door te maken wanneer zij langer verblijven in Nederland. Zo neemt het aandeel respondenten dat woont in een huurwoning met een tijdelijk contract af en het aandeel EU-burgers met huurwoning met een contract voor onbepaalde tijd of een koopwoning toe bij een langere verblijfsduur. De eerder geconstateerde afhankelijkheid van de werkgever voor de woning neemt af naarmate de EU-burger langer in Nederland verblijft. Er vindt dan een verschuiving plaats van huren via de werkgever, naar huren in de private of corporatiesector. Het delen van een woning neemt ook geleidelijk af bij een langere verblijfsduur. Zo zien we een halvering van het aandeel EU-burgers dat de woning deelt met personen van buiten het gezin bij een verblijfsduur van meer dan 5 jaar. Deze EU-burgers wonen vaker in een eigen (huur)woning. Een deel blijft ook bij langer verblijf huren van de werkgever Ondanks dat er duidelijk verschuivingen zijn naarmate men langer in Nederland verblijft, geldt dit niet voor iedereen. Ongeveer een derde van de EU-burgers met een inkomen van maximaal 130 procent WML heeft na vijf jaar nog een huurwoning met een tijdelijk contract. Eveneens een derde huurt na vijf jaar nog steeds een woning van de werkgever.
Het aandeel dat een particuliere huurwoning heeft, neemt sterk toe naarmate men langer in Nederland verblijft. Mogelijk dat dit een natuurlijke verschuiving is. Zo zijn bijvoorbeeld op (veel) huisvestingslocaties gericht op arbeidsmigranten kinderen niet toegestaan en is er vaak sprake van het delen van een slaapkamer (en sanitair). Mogelijk dat veel mensen die langer in Nederland verblijven uiteindelijk op zoek gaan naar een eigen woonruimte waar ze wel met kinderen kunnen wonen of een eigen slaapruimte hebben. Het is goed denkbaar dat wanneer EU-burgers ervoor kiezen om zich voor langere tijd in Nederland te vestigen zij een eigen woning gaan zoeken. Op dat moment zijn zij vaak afhankelijk van het aanbod in de vrije huursector.
9
Gezondheid Binnen dit thema is gekeken naar de ervaren gezondheid, het vertrouwen in de gezondheidszorg en de mentale gezondheid. Bovengemiddeld lage ervaren gezondheid onder EU-burgers met een laag inkomen De resultaten uit dit onderzoek wijzen erop dat de ervaren gezondheid onder EU-burgers met een laag inkomen slechter dan gemiddeld is. Van de groep EU-burgers met een laag inkomen ervaart 70 procent hun gezondheid als (zeer) goed. In de vergelijkgingsgroep met een hoger inkomen is dit 75 procent. Van de Nederlanders zonder migratieachtergrond ervaart 78 procent een (zeer) goede gezondheid (Dagevos et al., 2022). Uit ander onderzoek blijkt dat 83 procent van de Polen in Nederland de gezondheid als goed beoordeeld (Dagevos et al., 2022). Dat is fors hoger dan in dit onderzoek. Een verklaring die wordt gegeven is een bias in de populatie: migranten uit Polen die naar Nederland komen zijn relatief jong en oefenen beroepen uit waarvoor een goede fysieke gezondheid nodig is. Binnen de groep respondenten met een laag inkomen die hun als gezondheid (zeer) goed ervaren, zijn mannen vaker positief dan vrouwen over hun gezondheidssituatie. Ouderen ervaren een slechtere gezondheid dan jongeren en jongvolwassenen. Het valt op dat hoe langer EUarbeidsmigranten hier blijven, hoe minder vaak ze hun gezondheid als (zeer) goed ervaren. Mogelijk dat dit samenhangt met de leeftijd.
De langer verblijvende EU-burgers met een laag inkomen zijn ook vaak ouder dan de korter verblijvende EU-burgers. Volgens Cremers (2021) ervaren arbeidsmigranten een goede gezondheid wanneer zij in Nederland aankomen maar verslechtert dit naarmate zij langer in Nederland zijn. Een deel van de gezondheidsklachten zou te maken hebben met het werk, bijvoorbeeld door werkdruk en werkstress, de werkomgeving, en het uitvoeren van lichamelijk of emotioneel zwaar werk (Goorts & Smal, 2022). Veel EU-burgers met een laag inkomen ervaren angst- of depressiegevoelens Meer dan drie op de vier EU-arbeidsmigranten met een laag inkomen geven aan de afgelopen vier weken angst of depressiegevoelens gehad te hebben. Met name in de provincie Zuid-Holland worden veel psychische klachten ervaren. Respondenten die staan ingeschreven als ingezetene geven vaker aan psychische klachten te ervaren dan niet-ingezetenen of ongeregistreerde EUburgers met een laag inkomen. Vergeleken met de psychische gezondheid onder Nederlanders zonder migratieachtergrond is er een zeer groot verschil in mentale gezondheid. Beperkt vertrouwen in de Nederlandse gezondheidszorg De meeste EU-burgers met een laag inkomen zijn neutraal over hun vertrouwen in de gezondheidzorg. Bijna een derde heeft (zeer) veel vertrouwen en bijna een derde juist (zeer) weinig.
Opvallend is dat vooral Roemenen aangeven (zeer) veel vertrouwen in de gezondheidszorg te hebben, terwijl van de Polen slechts een zeer klein aandeel vertrouwen heeft in de Nederlandse gezondheidszorg (22 procent). Verblijfsduur lijkt van weinig invloed op de mate van vertrouwen van EU-burgers in de Nederlandse gezondheidszorg. In vergelijking met andere herkomstgroepen in Nederland is het vertrouwen onder EU-burgers in de Nederlandse gezondheidszorg erg laag (Dagevos et al., 2022, De Boom et al., 2023). Laag vertrouwen in de Nederlandse gezondheidszorg komt overeen met de resultaten uit eerder onderzoek onder EU-arbeidsmigranten (Seidler et al., 2023; Bergsma & Dozeman, 2021; Goorts & Smal, 2022). Het verschil met het zorgsysteem in Polen, waar veel wordt gebruik gemaakt van commerciële gezondheidszorg, leidt tot andere verwachtingen omtrent de gezondheidzorg (Seidler et al., 2023). Goede informatievoorziening speelt een belangrijke rol bij het vertrouwen in 10
de Nederlandse zorg: goede informatie bij aankomst in Nederland draagt bij aan meer vertrouwen in de Nederlandse zorg (Goorts & Smal, 2022). Afhankelijkheid van de werkgever voor zorgverzekering Verschillende uitkomsten wijzen erop dat er sprake is van een afhankelijkheid van de werkgever voor wat betreft de zorgverzekering. Een derde van de EU-burgers met een laag inkomen is niet meer verzekerd wanneer zij hun baan kwijtraken. Nog eens een derde weet niet of zij na ontslag nog verzekerd zullen zijn. Naarmate men langer in Nederland verblijft is men minder bang om onverzekerd te zijn bij baanverlies. Bijna twee derde van de EU-arbeidsmigranten met een laag inkomen hebben hun zorgverzekering geregeld hebben via de werkgever. Dit terwijl 81 procent van de EU-arbeidsmigranten met een hoger inkomen dit juist zelf geregeld hebben. Naarmate men langer in Nederland verblijft wordt steeds vaker de zorgverzekering zelf geregeld en neemt de afhankelijkheid van de werkgever af. Langer verblijf leidt tot slechtere gezondheid De arbeidsmarkt- en woonpositie van EU-burgers met een laag inkomen verbetert naarmate zij langer in Nederland verblijven. De ervaren gezondheid van EU-burgers met een laag inkomen neemt echter af naarmate men langer in Nederland verblijft.
Hoewel dit kan samenhangen met de gemiddelde hogere leeftijd van de groep die hier langer verblijft, oudere personen ervaren een slechtere gezondheid, is het ook mogelijk dat het type werk en de positie in de maatschappij ertoe leidt dat men een steeds slechtere gezondheid gaat ervaren. Informatiepositie Respondenten is gevraagd hoe zij informatie verzamelen over het wonen en werken in Nederland, voordat zij naar Nederland kwamen en sinds zij in Nederland zijn. Vooral online wordt informatie gezocht De meeste EU-burgers met een laag inkomen hebben voor vertrek informatie gezocht over het wonen en werken in Nederland, vooral via internet en via vrienden, kennissen of familie. Deze uitkomst komt overeen met uitkomsten uit eerder onderzoek (Sobczyk-Turek & Cremers, 2023). Eenmaal in Nederland zoekt men nog vaker naar informatie en bovendien vaker via digitale kanalen. De informatiepositie van veel EU-burgers met een laag inkomen lijkt voor verbetering vatbaar De meerderheid van de respondenten is niet bekend met Nederlandse instanties die opkomen voor hun rechten en/of werkomstandigheden. Ook weten zij vaak niet waar in Nederland zij (fysiek) naartoe kunnen om informatie te krijgen over het wonen en werken in Nederland.
Dit brengt hen in een kwetsbare positie: in eerdere hoofdstukken zagen we dat EU-burgers relatief vaak afhankelijk zijn van de werkgever voor bijvoorbeeld hun woning en de zorgverzekering. Uit de resultaten blijkt dat de werkgever hier echter vaak niet over communiceert met de EU-burgers. Wanneer de EU-burgers informatie willen inwinnen om hun kwetsbare positie te verbeteren, kan het dat zij de juiste kanalen niet weten te vinden. Dit blijkt ook uit de uitkomst dat een groot deel van de EU-burgers meer informatie zou willen ontvangen over wonen en werken in Nederland, maar dat zij gelijktijdig geen weet hebben van fysieke informatiepunten waar zij deze informatie zouden kunnen inwinnen.
11
Een zwakke informatiepositie en onduidelijkheid Op verschillende terreinen werd tijdens het uitvoeren van dit onderzoek duidelijk dat de inrichting van het Nederlandse systeem voor veel EU-burgers met een laag inkomen (te) complex en onduidelijk is. Veel van deze EU-burgers wisten bijvoorbeeld niet hoe zij in de BRP geregistreerd staan, of wat het verschil is tussen ingezetene en niet-ingezetene. Ook is er ook veel onbekendheid met de CAO, de Nederlandse Arbeidsinspectie en de vakbond en is het voor veel EU-burgers met een laag inkomen lang niet altijd duidelijk of ze voor een Nederlands of buitenlands bedrijf werken en wat voor contract ze precies hebben. Ook zien we dat voor het vergaren van informatie gebruik wordt gemaakt van de informele kanalen en dat officiële kanalen van bijvoorbeeld de overheid vaak minder bekend zijn. Waardering Binnen dit thema is respondenten gevraagd in hoeverre zij zich thuis en gewaardeerd voelen in Nederland, te maken hebben met discriminatie en met wie zij sociale contacten onderhouden. Een klein deel van de EU-burgers met een laag inkomen voelt zich gewaardeerd in Nederland Van de EU-burgers met een inkomen van maximaal 130 procent WML geeft ruim een kwart aan zich gewaardeerd te voelen, tegenover 21 procent niet. De helft geeft aan zich soms gewaardeerd te voelen.
Gekeken naar de achtergrondkenmerken dan zien we dat er vooral verschil lijkt te bestaan tussen de leeftijdsgroepen. De groep 35-44-jarige EU-burgers met een laag inkomen voelt zich relatief het minst gewaardeerd (21 procent), de groep 55-68 jaar het meest (40 procent). Er lijkt geen duidelijk verband tussen het zich gewaardeerd voelen en de verblijfsduur in Nederland. Een derde voelt zich thuis in Nederland Onder EU-burgers met een laag inkomen voelt een derde zich thuis en meer dan een vijfde zich niet thuis. Het beeld onder EU-burgers met een hoger inkomen is nagenoeg hetzelfde. Er lijkt geen samenhang te zijn tussen het thuis voelen in Nederland en de verblijfsduur. De resultaten wijzen erop dat EU-burgers met een lager inkomen zich (veel) minder vaak thuis voelen dan de gemiddelde Nederlander en andere groepen met een andere migratieachtergrond. Mogelijk dat de relatief korte verblijfsduur hier een belangrijke rol in speelt. EU-burgers met een laag inkomen hebben vooral intensieve contacten met landgenoten We zien dat bijna een derde van de EU-burgers met een laag inkomen dagelijks contact heeft met Nederlandse vrienden en kennissen. Het aandeel binnen deze groep dat nooit of minder dan één keer per jaar contact heeft met Nederlandse vrienden en kennissen is even groot. Het contact met vrienden en kennissen uit de eigen herkomstgroep is intensiever.
Daarvoor geldt dat meer dan de helft dagelijks contact heeft met “eigen vrienden” (57 procent). Relatief veel EU-burgers met een laag inkomen ervaren discriminatie Aan een derde van de respondenten is gevraagd of ze zelf wel eens gediscrimineerd zijn. Van deze groep EU-burgers zegt bijna een kwart vaak tot zeer vaak te worden gediscrimineerd. Bijna de helft zegt dit (bijna) nooit te hebben ervaren. De ervaren discriminatie is hoger dan uit eerder onderzoek naar voren kwam. Dagevos et al. (2022) constateren dat 16 procent van de Polen in Nederland (zeer) vaak zelf zijn gediscrimineerd. Uit analyse van de open antwoorden over discriminatie ontstaat de indruk dat er veel discriminatie wordt ervaren tussen de verschillende nationaliteiten EU-burgers onderling, bijvoorbeeld op de werkvloer.
12
Toekomst en taal De respondenten is gevraagd hoe lang zij in Nederland verwachten te verblijven, waar zij hun toekomst zien en wat de behoefte is om de taal te leren. Een groot deel verwacht voor langere tijd in Nederland te blijven Van de EU-burgers met een laag inkomen zegt ruim een kwart niet te weten hoelang men nog in Nederland blijft. Bijna een kwart (23 procent) van de respondenten zegt definitief in Nederland te willen blijven. Een kleiner deel (15 procent) denkt Nederland binnen een jaar weer te verlaten. Vergelijken we de groep EU-burgers met een laag inkomen met die uit de hogere-inkomensgroep dan lijken de respondenten met een hoger inkomen vaker langer te willen blijven. Beperkte taalbeheersing maar wel de wens om de taal te leren De overgrote meerderheid van de EU-burgers met een laag inkomen, vindt dat hun taalbeheersing slecht tot zeer slecht is. Bijna zeven op de tien EU-burgers met een laag inkomen zegt de Nederlandse taal graag beter te willen beheersen. De drempels om de taal te leren die het vaakst zijn benoemd, zijn het gebrek aan tijd, energie en dat de taal te moeilijk wordt gevonden. 18 procent zegt geen drempels te ervaren om de taal te leren.
De positie van derdelanders en ontheemde Oekraïners Behalve dat er is gekeken naar EU-burgers met een laag inkomen, zijn er ook derdelanders (n=149) en ontheemde Oekraïners (n=260) met een inkomen van maximaal 130 procent WML bevraagd. Hun positie is vergeleken met die van EU-burgers met een vergelijkbaar inkomen. De groep ontheemde Oekraïners wijkt op veel terreinen sterk af van derdelanders en EU-burgers De aanname dat veel Oekraïners met een laag inkomen in dezelfde arbeidsmarktpositie verkeren als EU-burgers met een vergelijkbaar inkomen, lijkt grotendeels te kloppen. Zij werken vaak in dezelfde sectoren met een tijdelijk contract. Wel werken zij vaker rechtstreeks in dienst bij een bedrijf. Dit komt vermoedelijk doordat de ontheemde Oekraïners vallen onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne waardoor er voor hen andere regels gelden op de arbeidsmarkt dan voor derdelanders. Overeenkomsten in de arbeidsmarktpositie daargelaten, zien we vooral verschillen met de groepen derdelanders en EU-burgers. Zo bestaat de groep ontheemde Oekraïners uit meer vrouwen (met kinderen), hoogopgeleiden, verblijven zij relatief kort in Nederland en hebben zij een ander migratiemotief. Logischerwijs is het uitbreken van de oorlog van grote invloed op de positie van ontheemde Oekraïners in Nederland. Dit heeft ook effect op hun positie en tevredenheid in Nederland.
Zo zijn zij minder tevreden met hun werk en woning, hebben zij een slechte informatiepositie en verkeren zij in een slechte gezondheid. De mentale gezondheid is bovendien nog slechter dan onder EU-burgers. Er is een aantal mogelijke verklaringen voor deze verschillen. De belangrijkste verklaring is dat men door de oorlog heeft moeten vluchten en grotendeels onvoorbereid naar Nederland is gekomen. Daarnaast bestaat de verwachting dat het werk dat zij doen van tijdelijke aard is. Mogelijk dat zij hierdoor geneigd zijn ander soort werk aan te nemen dan normaal. We zien dan ook dat de ontheemde Oekraïners minder vaak werk doen dat past bij hun opleidingsniveau. Qua huisvesting wonen veel van de respondenten in een tijdelijke opvanglocatie waar zij zijn geplaatst en zelf geen keuze in hebben gehad. Zij zijn dan ook vaker ontevreden over de woning.
13
De positie van derdelanders komt grotendeels overeen met EU-burgers met een vergelijkbaar inkomen, maar er zijn afwijkingen Omdat de groep derdelanders met een inkomen van maximaal 130 procent van het WML veelal op dezelfde locaties is geworven als de EU-burgers met een vergelijkbaar inkomen, is het niet verrassend dat zij op een aantal terreinen sterke overeenkomsten vertonen. Zo zijn zij nagenoeg even tevreden met hun werk, arbeidsomstandigheden en huisvesting. Vermoedelijk omdat zij vaak hetzelfde werk doen en op dezelfde locaties wonen. Er is echter ook een aantal verschillen te benoemen. Bijna alle bevraagde derdelanders hebben een tewerkstellingsvergunning om in Nederland te werken. In vergelijking met de EU-burgers is een relatief groot deel werkzoekend. Ook valt het op dat een relatief groot deel van de derdelanders aangeven niet in de BRP (als ingezetene of niet-ingezetene) ingeschreven te staan en dat een eveneens groot deel niet weet of zij ingeschreven is. De groep derdelanders ervaart een iets minder goede gezondheid en heeft het minste vertrouwen in de Nederlandse gezondheidszorg van de onderscheiden groepen. De mentale gezondheid is nagenoeg gelijk aan die van EU-burgers met een vergelijkbaar inkomen. Ook de informatiepositie is vergelijkbaar met die van EU-burgers.
De bevraagde derdelanders voelen zich het meest gewaardeerd van de onderscheiden groepen in Nederland (40 procent), verwacht het langst te blijven en een groot deel (85 procent) wil de Nederlandse taal beter leren beheersen. Mogelijk dat derdelanders vanwege hun verschil in rechtspositie meer op Nederland georiënteerd zijn voor hun toekomst. Zij kunnen in vergelijking met EU-burgers minder eenvoudig naar een ander EU-land vertrekken om daar te gaan werken. Voor de meeste derdelanders zal hun toekomst dan ook liggen in het land van herkomst of in Nederland. Conclusie De kernvraag van dit onderzoek is: hoe vinden EU-burgers, derdelanders en ontheemde Oekraïners zelf dat het met hen gaat in Nederland? Het is goed daarbij te beseffen dat de beleving van de respondenten vooral iets zegt over de manier waarop zij hun positie ervaren maar niet zoveel over hun daadwerkelijke kwetsbaarheid en afhankelijkheid. De meerderheid is tevreden en er zijn signalen van opwaartse mobiliteit De uitkomsten van dit onderzoek zijn enerzijds positief, bijvoorbeeld met betrekking tot de absolute tevredenheid rondom wonen, werken en de gezondheid. Een meerderheid van de EUburgers, derdelanders en ontheemde Oekraïners is tevreden met hun werk, woning en gezondheid. Ook zien we dat er duidelijke signalen zijn van het maken van carrière op de woningen arbeidsmarkt.
EU-burgers met een laag inkomen die langer in Nederland wonen, gaan op andere manieren wonen en werken dan korter verblijvende groepen met een laag inkomen. Zo wonen zij vaker in ander soort huisvesting en hebben ze een ander soort arbeidsovereenkomst. Zij lijken de constructies die ingericht zijn op tijdelijkheid en flexibiliteit (voor werknemers en werkgevers) te ontgroeien. Voor de groep personen die deze stappen maakt, lijkt de markt dus te werken zoals deze bedoeld is. Het is ook mogelijk dat er sprake is van een zogenaamde survivor bias, waarbij alleen de mensen die het redden of waar het goed mee gaat in Nederland (of in beeld) blijven. Hierdoor kan een vertekening ontstaan in de populatie die er na vijf jaar nog is. De relatieve positie blijft voor verbetering vatbaar en een deel heeft te maken met permanente tijdelijkheid Aan de andere kant duiden de uitkomsten van dit onderzoek erop dat de relatieve positie (sterk) achterblijft bij het Nederlands gemiddelde en andere herkomstgroepen in Nederland. Hoewel de meerderheid van de EU-burgers positief is, is het aandeel Nederlanders dat tevreden is met hun 14
werk en woning (veel) hoger. Hiervoor is benoemd dat er duidelijk signalen zijn dat de onderscheiden groepen carrière maken op de woning- en arbeidsmarkt. We zien echter ook dat dit niet voor iedereen geldt. Een groot deel van de personen die langer dan vijf jaar in Nederland verblijft, blijft steken in woon- en werkconstructies die ingericht zijn op tijdelijkheid, die vooral tot bestaansonzekerheid leiden. Een ander zorgelijk signaal betreft de gezondheid. Hoewel de gezondheid relatief goed is bij personen die kort verblijven in Nederland, zien we dat deze afneemt naarmate men langer in Nederland verblijft. Het aandeel EU-burgers, derdelanders en ontheemde Oekraïners met een laag inkomen dat problemen heeft met de mentale gezondheid is schrikbarend hoog, zowel in absolute zin als in vergelijking met de Nederlandse bevolking en andere herkomstgroepen. Risico op isolatie Een aantal uitkomsten duidt erop dat de groep EU-burgers met een laag inkomen in een positie dreigt te raken waarin zij geïsoleerd zijn van de Nederlandse samenleving. Zo heeft meer dan de helft van deze EU-burgers weinig contact met personen Nederlanders en juist veel met de eigen herkomstgroep. Er lijkt sprake van veel bonding binnen de eigen herkomstgroep en weinig bridging met andere groepen.
Ook zien we dat voor het vergaren van informatie gebruik wordt gemaakt van vrienden en kennissen en minder van officiële overheidswebsites. De mate waarin EU-burgers met een laag inkomen zich gewaardeerd voelen in de Nederlandse samenleving neemt af bij een langer blijf in Nederland. Tegelijkertijd heeft een relatief groot deel van de EUburgers met een laag inkomen de intentie om zich (semi-)permanent in Nederland te vestigen. Derdelanders en ontheemde Oekraïners: overeenkomsten op de arbeidsmarkt maar verder vooral verschillen Het lijkt aannemelijk dat maatregelen die genomen worden om de positie van EUarbeidsmigranten ook een (positief) effect zullen hebben op de arbeidsmarktpositie van derdelanders en Oekraïense ontheemde omdat een groot deel van hen in dezelfde soort sectoren en functies actief is. Het zou goed zijn als de groepen derdelanders en ontheemde Oekraïners meeprofiteren van maatregelen bedoeld voor EU-arbeidsmigranten. Tegelijkertijd moet er oog gehouden worden voor hun unieke rechtspositie en de verschillen waartoe dit leidt. Met name de positie van de groep ontheemde Oekraïners is zorgelijk te noemen. Zij ervaren minder vaak een goede gezondheid, hebben een lage mentale gezondheid en zijn minder tevreden met hun werk en woning.
Wellicht dat dit deels zal verbeteren naarmate zij langer in Nederland zijn, maar de gevolgen van de oorlog in hun thuisland moeten niet onderschat worden. Voor de groep derdelanders geldt dat we met name een beeld hebben van een kleine groep derdelanders die in Nederland werkzaam is via een tewerkstellingsvergunning. Er is ook een groep die in Nederland werkt volgens de A1-regeling die extra kwetsbaar zouden zijn (Adviesraad Migratie, 2024). Deze groep blijft buiten beeld in dit rapport. Geen tweederangsburgers? Het doel om EU-burgers en derdelanders die in Nederland laagbetaald werk doen geen tweederangsburgers te laten zijn, is nog niet bereikt. Hiervoor zijn de verschillen (in negatieve zin) met het Nederlandse gemiddelde en andere al langer gevestigde groepen in Nederland op allerlei levensdomeinen nog te groot. Ook de mate van waardering en waarin men zich thuis voelt in Nederland wijst erop dat er nog een lange weg te gaan is. Bovendien lijkt het erop dat de sociaalculturele positie juist onder druk komt te staan naarmate men langer in Nederland verblijft. Het risico bestaat dat er een groep werkenden in Nederland ontstaat die wel de intentie heeft om zich permanent in Nederland te vestigen, maar geïsoleerd en kwetsbaar zijn. Voortdurende inzet om 15
de positie van deze groepen, die onderdeel zijn van de samenleving en vaak onmisbaar werk verrichten voor de Nederlandse economie, lijkt dan ook zeer belangrijk.
16
Inhoudsopgave Voorwoord ............................................................................................................................. 3 Managementsamenvatting ..................................................................................................... 5 Begrippenlijst....................................................................................................................... 19 1.
2.
Inleiding ....................................................................................................................... 23 1.1
Doel van het onderzoek......................................................................................... 24
1.2
Onderzoeksvragen ................................................................................................ 25
1.3
Verantwoording .................................................................................................... 25
1.4
Representativiteit ................................................................................................. 32
1.5
Leeswijzer ............................................................................................................ 34
Beleidscontext .............................................................................................................. 35 2.1
Maatregelen Aanjaagteam .................................................................................... 35
3.
De onderzoekspopulatie EU-burgers .............................................................................. 41
4.
Arbeidsmarktpositie...................................................................................................... 47
5.
6
7
8
4.1
Werksituatie ......................................................................................................... 47
4.2
Tevredenheid met werk ......................................................................................... 56
4.3
Conclusie............................................................................................................. 66
Registratie .................................................................................................................... 69 5.1
Registratiegraad ................................................................................................... 69
5.2
Conclusie............................................................................................................. 75
Woonpositie ................................................................................................................. 77 6.1
Kenmerken van woonpositie ................................................................................. 77
6.2
Ervaren woonpositie ............................................................................................. 87
6.3
Conclusie............................................................................................................. 90
Gezondheid .................................................................................................................. 93 7.1
Ervaren gezondheid .............................................................................................. 93
7.2
Kenmerken van de gezondheidspositie .................................................................. 96
7.3
Conclusie........................................................................................................... 106
Informatiepositie ........................................................................................................ 109 8.1
Manier van informeren ........................................................................................ 109
8.2
Kennis van organisaties....................................................................................... 110
8.3
Oordeel over informatievoorziening ..................................................................... 111
8.4
Conclusie........................................................................................................... 112
17
9
Waardering en toekomst ............................................................................................. 113 9.1
Waardering, thuis voelen en discriminatie ........................................................... 113
9.2
Verblijfsintentie .................................................................................................. 120
9.3
Taal .................................................................................................................... 120
9.4
Conclusie........................................................................................................... 123
10
Werkende derdelanders en ontheemde Oekraïners.................................................. 125
10.1
De doelgroepen van dit hoofdstuk ....................................................................... 126
10.2
De onderzoekspopulatie ..................................................................................... 128
10.3
Arbeidsmarktpositie ........................................................................................... 130
10.4
Registratie .......................................................................................................... 134
10.5
Woonpositie ....................................................................................................... 134
10.6
Gezondheid ........................................................................................................ 136
10.7
Informatie .......................................................................................................... 139
10.8
Waardering en toekomst ..................................................................................... 141
10.9
Conclusie........................................................................................................... 143
11
Conclusie .............................................................................................................. 145
Literatuurlijst ..................................................................................................................... 149 Bijlage 1 Tabellen ............................................................................................................ 151
18
Begrippenlijst Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten Het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten (hierna: Aanjaagteam) is op 4 mei 2020 door het toenmalige kabinet opgericht om voorstellen te doen om de werk- en leefomstandigheden van arbeidsmigranten structureel te verbeteren. Het Aanjaagteam heeft twee adviezen uitgebracht onder leiding van Emile Roemer. Basis Registratie Personen (BRP) De Basisregistratie Personen (BRP) bevat persoonsgegevens van inwoners van Nederland (ingezetenen) en van personen die Nederland hebben verlaten (niet-ingezetenen). Personen die korter dan 4 maanden in Nederland wonen kunnen ook als niet-ingezetenen in de BRP staan. Derdelanden Alle landen buiten de EU/EFTA. EFTA De EFTA is een samenwerkingsverband tussen Liechtenstein, Noorwegen, IJsland en Zwitserland. Enquête Beroepsbevolking (EBB) De Enquête Beroepsbevolking (EBB) is een grootschalig en langlopend onderzoek dat door het CBS uitgevoerd wordt. Doel van het onderzoek is het verstrekken van informatie over de relatie tussen mens en arbeidsmarkt. Hierbij worden kenmerken van personen in verband gebracht met hun positie op de arbeidsmarkt. Europese Unie De Europese Unie (EU) is een economische en politieke samenwerking van 27 Europese landen (lidstaten). Een belangrijk onderdeel van de Europese Unie zijn het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal.
Vanuit het vrij verkeer van personen en diensten kunnen EUburgers in Nederland werken zonder een werkvergunning. EU-27 Alle landen van de Europese Unie: België, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Zweden en de EU-11 landen. EU-11 Uitbreidingslanden van de EU (exclusief Cyprus en Malta): Bulgarije, Estland, Hongarije, Kroatië, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije en Tsjechië. Ingezetene Iemand die als inwoner van Nederland is ingeschreven in de BRP. In dit rapport wordt de CBSdefinitie van een ingezetene gehanteerd. Mental Health Inventory-5 (MHI-5)
19
De Mental Health Inventory 5 is een internationale standaard voor een specifieke meting van de psychische gezondheid, bestaande uit 5 vragen. De MHI-5 is feitelijk een deelschaal van de Short Format 36 ofwel SF-36, een uitvoerige internationale standaard voor de meting van gezondheid. De MHI-5 betreft vragen die steeds betrekking hebben op hoe men zich in de afgelopen 4 weken voelde. Migrantenmonitor De Migrantenmonitor is een onderzoek dat het CBS jaarlijks uitvoert in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). De Migrantenmonitor gaat over migranten in Nederland die geboren zijn in (kandidaat-)lidstaten van de Europese Unie (EU), exclusief Nederland. Vanaf verslagjaar 2021 zijn aanvullend migranten uit de European Free Trade Association (EFTA) en derde landen opgenomen in de Migrantenmonitor. De populatie bestaat uit de personen die op peilmoment staan ingeschreven als ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP) en/of werkzaam zijn in Nederland of die een uitkering ontvangen. Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) De Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) is een grootschalige jaarlijkse enquête uitgevoerd door het CBS die de veranderingen in het werk en de werkomstandigheden van werknemers in Nederland volgt en de gevolgen ervan voor hun gezondheid en duurzame inzetbaarheid.
Niet-ingezetene Personen die korter dan 4 maanden in Nederland (verwachten te) wonen of personen die een relatie hebben met Nederland. Bijvoorbeeld als werknemer (zie ook Registratie Niet-Ingezetenen) Ontheemde Oekraïners Oekraïense vluchtelingen die na de Russische invasie van Oekraine naar Nederland zijn gekomen. Personen die op of na 27-11-2021 naar Nederland zijn gekomen. Registratie Niet Ingezetenen (RNI) De Registratie Niet-Ingezetenen (RNI) is bedoeld voor personen in het buitenland die een relatie hebben met de Nederlandse overheid. Ook mensen die korter dan 4 maanden in Nederland verblijven kunnen zich inschrijven in de RNI. Bij inschrijving in de RNI ontvang je een Burgerservicenummer. Survey Integratie Migranten Een door het SCP uitgevoerd onderzoek over de positie van personen met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse, Poolse, Iraanse en Somalische achtergrond, een achtergrond in het Caribisch deel van het Koninkrijk en zonder migratieachtergrond. Dit onderzoek is sinds 1988 tien keer uitgevoerd. Verblijfsduur (onafgebroken verblijf) Wanneer we in dit onderzoek spreken over verblijfsduur dan bedoelen we de huidige periode van onafgebroken verblijf in Nederland.
Bij de vraagstelling is aan respondenten expliciet uitgelegd dat een vakantie naar het land van herkomst niet als afgebroken verblijf wordt gezien maar dat het op- en neer reizen voor bijvoorbeeld seizoenswerk hier wel onder valt. Er is geen harde definitie gekozen voor onafgebroken/afgebroken verblijf in Nederland.
20
Wettelijk minimumloon Alle werknemers vanaf 21 jaar hebben recht op het wettelijk minimumloon. Dit is het loon dat iedereen die werkt minimaal moet ontvangen. Voor jongere werknemers geldt het minimumjeugdloon. WoON-onderzoek Het WoonOnderzoek Nederland (WoON) is een groot, langlopend landelijk onderzoek dat elke drie jaar door het CBS en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt uitgevoerd. Het onderzoek geeft al decennialang inzicht in de woonsituatie van huishoudens, tevredenheid, verhuiswensen en woonlasten.
21
22
1. Inleiding Aanleiding onderzoek De afgelopen jaren is er veel aandacht ontstaan voor de positie van EU-arbeidsmigranten en die van Oekraïense ontheemden in Nederland vanwege de slechte en onzekere leefomstandigheden waarin zij relatief vaak lijken te verkeren. Er zijn verschillende maatregelen genomen die als doel hebben de (maatschappelijke) positie van arbeidsmigranten in Nederland te verbeteren - naar aanleiding van de adviezen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten (2020a, 2020b). In opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voeren wij – Risbo, een onderzoeksinstituut verbonden aan de Erasmus Universiteit - een meerjarig onderzoek uit; A) om de positie te monitoren, en B) om te kijken of de getroffen maatregelen een positieve invloed gaan hebben op die positie. De maatregelen richten zich op wat het Interdepartementaal Projectteam Arbeidsmigranten (IPA) kwetsbare arbeidsmigranten noemt: EU-burgers en derdelanders, die voor werk en korter dan vijf jaar in Nederland verblijven, en ten hoogste 130 procent van het wettelijk minimumloon (WML) verdienen (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2023). Dit onderzoek richt zich daarom hoofdzakelijk op deze groep.
Voorliggend onderzoek betreft de nulmeting van een meerjarenonderzoek dat als doel heeft om de positie in kaart te brengen van verschillende groepen in Nederland - die korter dan vijf jaar in Nederland verblijven; - vanwege werk naar Nederland zijn gekomen en; - een inkomen van maximaal 130 procent van het wettelijk minimumloon hebben. - Meer specifiek gaat het om EU-burgers, derdelanders2 en ontheemde Oekraïners. Nog niet eerder zijn in Nederland zoveel mensen uit deze doelgroepen bevraagd. Doelgroep van het onderzoek De doelgroep van dit onderzoek is gebaseerd op de criteria die door het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten is vastgesteld. Om vast te stellen of iemand tot de beoogde doelgroep van dit onderzoek behoort zijn drie criteria van belang: herkomst, verblijfsduur en inkomen. • • •
Herkomst: EU-burgers; derdelanders van buiten de EU (gedetacheerd of met een tewerkstellingsvergunning (hierna: twv)), ontheemden uit Oekraïne Verblijfsduur: korter dan vijf jaar in Nederland Inkomen: maximaal 130 procent van het wettelijk minimumloon
Er is een aantal redenen waarom in dit onderzoek naast EU-burgers, ook de positie van derdelanders en ontheemde Oekraïners wordt bekeken. De eerste is de aanname dat deze groepen vaak hetzelfde soort banen hebben en daardoor vaak in vergelijkbare situaties verkeren. Tegelijkertijd hebben EU-burgers, derdelanders en ontheemde Oekraïners verschillende rechtsposities. Zo maken EU-burgers gebruik van het vrij verkeer van personen en diensten om in Met derdelanders worden personen bedoeld die van buiten de Europese Unie of EFTA komen en in Nederland werkzaam zijn. 2
23
Nederland te kunnen werken, werken derdelanders hier via een detacheringsconstructie of met een tewerkstellingsvergunning en vallen ontheemde Oekraïners onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne (zie ook paragraaf 10.1 voor een uitgebreidere beschrijving van de rechtspositie van derdelanders en ontheemde Oekraïners). De verschillen in rechtspositie maakt dat het relevant is een onderscheid te maken naar herkomst en te kijken of hun positie in de Nederlandse maatschappij ook verschilt. Een andere assumptie is dat de arbeidsmarktpositie van deze groepen, en daarmee samenhangend een zwakke sociaaleconomische status, ertoe leidt dat zij kwetsbaar zijn voor uitbuiting en armoede. Eén van de ideeën is dat hun positie verbetert naarmate zij langer in Nederland zijn. Om deze reden wordt ook gekeken naar de verblijfsduur. Om te kunnen focussen op personen onderaan de arbeidsmarkt, is ervoor gekozen om te kijken naar personen met een inkomen van maximaal 130 procent WML. Deze inkomensgrens wordt ook door het CBS gehanteerd in de migrantenmonitor. Door hetzelfde inkomenscriterium te kiezen is het mogelijk een aantal uitkomsten uit dit onderzoek met de migrantenmonitor te vergelijken. De gedachte is dat personen met een laag inkomen vaker in een afhankelijke en kwetsbare positie verkeren dan personen met een hoger inkomen.
Om een aantal van deze assumpties te toetsen zijn tijdens het veldwerk voor dit onderzoek ook mensen die niet aan alle criteria voldeden bevraagd. In dit rapport vergelijken we meer specifiek personen met een hoger en lager inkomen (zie ook paragraaf 1.3).
1.1 Doel van het onderzoek In de eerste plaats is het de bedoeling om na te gaan hoe de mensen waar het om gaat, zelf vinden hoe het met hen gaat op het gebied van werk, huisvesting, gezondheid en hun plek in de Nederlandse samenleving. Het gaat dan ook om een belevingsonderzoek. Vele respondenten zijn gevraagd een speciaal hiervoor ontwikkelde vragenlijst in te vullen. Een belevingsonderzoek is per definitie subjectief omdat het gaat om de meningen van personen zelf. Dit maakt dat de antwoorden van respondenten niet altijd overeenkomen met de geregistreerde werkelijkheid. Dit zien we bijvoorbeeld bij onderwerpen waarover verwarring over het proces en/of formaliteiten bestaan, zoals bij de registratie in de BRP. Dit onderzoek geeft inzicht in de onduidelijkheden die er bestaan, bijvoorbeeld met betrekking tot registratie en zorgverzekering. Behalve dat er wordt gekeken naar de mate van tevredenheid van de respondenten is er ook geprobeerd deze resultaten te vergelijken met het Nederlands gemiddelde en andere herkomstgroepen die vaak in Nederland onderscheiden worden. Om dit te verwezenlijken is de survey voor zover mogelijk gebaseerd op vragen die afkomstig zijn uit andere veelal toonaangevende representatieve onderzoeken.
Op deze manier wordt ook de relatieve positie in kaart gebracht en onderzocht of de doelgroepen een gelijkwaardige positie in de Nederlandse samenleving hebben. Als dat niet het geval is, wordt gekeken hoeveel deze groep daar dan nog van afwijkt. Een derde doel is om een ontwikkeling van de positie van de groepen in kaart te brengen. Dit wordt op twee manieren gedaan. Bij vervolgmetingen van dit onderzoek zullen zoveel mogelijk vergelijkbare vragen worden gesteld waarmee een ontwikkeling in de tijd zichtbaar kan worden
24
gemaakt. Daarbij zal in het bijzonder worden gekeken of er sprake is van een positieve ontwikkeling op de gebieden waarop beleidsmatig (extra) inzet is gepleegd. Omdat in 2024 de nulmeting plaatsvond, is het in dit rapport nog niet mogelijk geweest om over een ontwikkeling in de tijd te rapporteren. Er zijn immers nog geen resultaten van meerdere meetmomenten met elkaar te vergelijken. Wel is het mogelijk geweest om te kijken of de positie van de doelgroepen verandert, naarmate zij langer in Nederland verblijven.
1.2 Onderzoeksvragen Dit onderzoek dient als nulmeting naar de positie van kortverblijvende EU-burgers, derdelanders en ontheemde Oekraïners met een laag inkomen in Nederland. Met dat doel zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld. 1. Welke maatregelen en beleid gericht op de verbetering van de positie van personen behorende tot een van de doelgroepen zijn in 2024 van kracht? 2. Hoe ziet de populatie van korter dan 5 jaar in Nederland verblijvende EU-burgers, derdelanders en ontheemde Oekraïners met een inkomen van maximaal 130 procent van het wettelijk minimumloon eruit? 3. Wat zijn kenmerken van de manieren waarop zij wonen, werken en leven in Nederland? 4. Hoe ervaren kort verblijvende EU-burgers, derdelanders en ontheemde Oekraïners met een laag inkomen hun situatie in Nederland voor wat betreft de: • Arbeidsmarktpositie; • Woonpositie; • Gezondheid; • Informatiepositie; • Waardering.