CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

11. Zicht op arbeidsmigranten, Een belevingsonderzoek naar de positie van EU-arbeidsmigranten, derdelanders en ontheemde Oekraïners in Nederland

Themabijeenkomst 17 maart 2025, gemeente Medemblik35.454 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

1.3 Verantwoording In deze paragraaf wordt ingegaan op de methodologische verantwoording van dit onderzoek. Achtereenvolgens wordt de opzet van de studie en de methode van dataverzameling beschreven. EU-burgers in plaats van EU-arbeidsmigranten Het gebruik van het woord EU-arbeidsmigrant is inmiddels een ingeburgerd begrip in de politiek en samenleving. Het ontbreekt echter aan een sluitende definitie van wie de EU-arbeidsmigrant is. Wie een EU-arbeidsmigrant is, blijft vaak arbitrair en is afhankelijk van welke bron er bekeken wordt. In beginsel gaat het om personen die vanwege werk naar Nederland zijn gekomen. Het is echter niet bekend hoelang en wanneer iemand een EU-arbeidsmigrant blijft. Het Aanjaagteam heeft een definitie van de kwetsbare arbeidsmigrant opgesteld. Daarbij is een duidelijk keuze gemaakt voor een inkomensgrens en verblijfsduur. Dit is echter niet een definitie die voor alle EUarbeidsmigranten geldt. Is bijvoorbeeld iemand die zes jaar in Nederland verblijft geen arbeidsmigrant meer? Of geldt dit vanaf tien jaar? Daarnaast is het de vraag of een kortverblijvende arbeidsmigrant die net iets meer dan 130 procent van het wettelijk minimumloon verdient, ook niet meer als (kwetsbare) arbeidsmigrant moet worden gezien.

Omdat in dit onderzoek voornamelijk naar inkomen is gekeken en niet naar verblijfsduur - hoewel hier wel voor wordt uitgesplitst op verschillende plaatsen - is de groep die in hoofdstuk 3 tot en met 9 centraal staat niet exact gelijk aan de definitie van het Aanjaagteam. Om die reden spreken we liever over EU-burgers met een bepaald inkomen. 25

Bovendien merken we op dat het begrip arbeidsmigrant vaak een negatieve connotatie heeft. De arbeidsmigrant wordt vaak beschouwd als een bron van overlast en mensen die onder erbarmelijke omstandigheden leven. Onze respondenten lijken op de hoogte te zijn van dit negatieve beeld over de arbeidsmigrant. Tijdens het uitvoeren van het veldwerk is er bewust voor gekozen om respondenten aan te spreken als EU-burgers die wonen, werken en leven in Nederland in plaats van hen als het vaak negatief opgevatte ‘arbeidsmigrant’ te bestempelen. Als we willen dat arbeidsmigranten als volwaardige en geen tweederangsburgers worden beschouwd dan is het ook van belang om te kijken naar hoe we over deze mensen spreken en schrijven. Bovendien is het vreemd dat de ene EU-burger een arbeidsmigrant wordt genoemd en de andere EU-burger een kennismigrant, terwijl logischerwijs beide groepen ‘arbeid’ als migratiemotief hebben. En beiden hebben in principe dezelfde rechtspositie. Het zijn van een EUburger zorgt ervoor dat zij bepaalde rechten hebben waardoor zij in Nederland mogen werken zonder werkvergunning of zonder dat ze aan andere regelgeving hoeven te voldoen. Toch verkeert de ene EU-burger niet in dezelfde positie als de andere.

Over het algemeen hebben in Nederland verblijvende EU-burgers met een betere arbeidsmarktpositie een hoger inkomen en zijn zij minder kwetsbaar dan EU-burgers aan de onderkant van de arbeidsmarkt in laagbetaalde banen. Kortom, een onderscheid naar arbeidsmarktpositie of inkomen lijkt dan ook het meest voor de hand liggend. Tot slot is er ook een praktische reden om te spreken over EU-burgers in plaats van EUarbeidsmigranten. In dit rapport vergelijken we EU-burgers met verschillende inkomens. De groep met een lager inkomen zou wellicht gerekend kunnen worden tot wat vaak bedoeld wordt met EUarbeidsmigranten. De groep met een hoger inkomen in dit onderzoek echter niet. Analyse naar inkomen laat zien dat de groep respondenten met een hoger inkomen zeer divers is. Het betreft daarom niet een eenduidige groep kennismigranten of expats. Om die reden is het logisch om die groep als EU-burgers met een hoger inkomen te benoemen. Omdat door het hele rapport vergelijkingen worden gemaakt op basis van inkomen is het voor de leesbaarheid van het rapport beter om, in plaats van EU-arbeidsmigranten en EU-burgers met een inkomen van minder of meer dan 130 procent van het wettelijk minimumloon te spreken over EU-burgers met een laag inkomen versus EU-burgers met een hoger inkomen.

Een belevingsonderzoek Bij het lezen van de resultaten van dit onderzoek is het van belang om te beseffen dat het een belevingsonderzoek betreft. De resultaten van dit onderzoek gaan in het bijzonder over de tevredenheid met verschillende levensdomeinen van EU-burgers met een inkomen van maximaal 130 procent van het minimumloon. De beleving van de respondenten zal niet altijd overeenkomen met de werkelijkheid. Tijdens het afnemen van de vragenlijst kwam vaak naar voren dat veel respondenten niet goed op de hoogte zijn van hun eigen situatie, bijvoorbeeld wanneer het gaat over registratie en/of zij zorgtoeslag ontvangen. Eén van de redenen hiervoor kan zijn dat een deel van deze respondenten in Nederland werkzaam is voor een uitzendbureau dat veel voor hen regelt. Zo zijn bijvoorbeeld uitzendbureaus die aangesloten zijn bij de ABU verplicht om internationale werknemers een aanbod te doen voor een zorgverzekering. Ook wordt de registratie als niet-ingezetene (in de RNI) of als ingezetene in het bevolkingsregister bij veel grotere uitzendbureaus gefaciliteerd voor Europese werknemers. In deze gevallen maakt de werkgever een afspraak bij bijvoorbeeld een RNI-loket en regelt vervoer. Vervolgens moeten alle personen wel individueel aan het loket komen en wordt hun identiteit vastgesteld zonder tussenkomst van de werkgever. Registratiegegevens

26

(o.a. BSN) worden ook altijd aan de persoon verstrekt en nooit aan de werkgever, de persoon is hier ook persoonlijk verantwoordelijk voor. Een ander aspect waarbij rekening gehouden dient te worden bij een belevingsonderzoek is dat er ook culturele effecten kunnen zijn. Bij het vragen naar de tevredenheid van een persoon, maakt een individu altijd een vergelijking met zijn eigen ervaringen en referentiekader. Het is goed mogelijk dat personen een redelijk positieve beleving van het leven in Nederland hebben wanneer zij uit een achtergestelde positie in het land van herkomst komen. Ook bij het oordelen over de manier waarop de Nederlandse samenleving is ingericht kan de cultuur een rol spelen. Zo kunnen er bijvoorbeeld grote verschillen zijn in het vertrouwen in instituties gebaseerd op ervaringen in het land van herkomst. Daar waar mogelijk worden vertekeningen in de resultaten voortkomend uit verschillen in de culturele beleving benoemd. Dit is echter niet altijd duidelijk. In vervolgonderzoek zou hier meer aandacht voor kunnen komen. De beleving van respondenten zegt vooral iets over de manier waarop zij hun positie ervaren maar zegt bijvoorbeeld niet zoveel over hun “objectieve” kwetsbaarheid en afhankelijkheid.

Het is goed mogelijk dat veel EU-burgers met een laag inkomen relatief tevreden zijn, maar dat zij ook kwetsbaar zijn voor baan- en woning verlies vanwege hun arbeidsmarktpositie. Afbakening en weergave van de doelgroepen Dit onderzoek is gericht op in Nederland verblijvende EU-burgers, derdelanders van buiten de EU/EFTA en ontheemde Oekraïners. Bij de afbakening van de doelgroep EU-burgers is uitgegaan van de definitie die door het Aanjaagteam is geformuleerd te weten: iemand die afkomstig is uit een ander EU-land en die tijdelijk in Nederland verblijft en hier werkzaam is (Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten, 2020). Meer specifiek richt dit onderzoek zich op wat het Interdepartementaal Projectteam Arbeidsmigranten (IPA) kwetsbare arbeidsmigranten noemt: EU-burgers en derdelanders, die voor werk en korter dan vijf jaar in Nederland verblijven, en ten hoogste 130 procent van het wettelijk minimumloon (WML) verdienen (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2023).3 De indruk bestaat dat ondanks de verschillen in rechtspositie er grote parallellen bestaan tussen verschillende groepen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Sinds de toetreding van Polen (2004), Bulgarije en Roemenië (beiden 2007) tot de Europese Unie, zijn steeds meer migranten naar andere Europese landen, waaronder Nederland, getrokken om te gaan werken (Seidler et al., 2023).

De afgelopen jaren zijn ook steeds meer arbeidsmigranten uit andere landen van buiten de EU (eventueel gedetacheerd via een EU-land zoals Polen) naar Nederland gekomen om te werken. In de onderzoeksopzet voor 2024 is ervoor gekozen om ook ontheemde Oekraïners mee te nemen in het onderzoek. De reden hiervoor is dat zij vaak een vergelijkbare arbeidsmarktpositie lijken te hebben als andere kwetsbare arbeidsmigranten. Vanwege praktische redenen is ervoor gekozen om de resultaten voor EU-burgers (hoofdstuk 3 tot en met 9) en derdelanders en ontheemde Oekraïners (hoofdstuk 10) los van elkaar te presenteren. De reden hiervoor is ook dat er veel meer EU-burgers bevraagd zijn dan Oekraïners en derdelanders en dat er grote verschillen zijn in de rechtspositie en motieven om naar Nederland te komen. Bij het presenteren van de resultaten over EU-burgers (hoofdstuk 3 tot en met 9) is ervoor gekozen om telkens te vergelijken tussen de groep met een inkomen van maximaal 130 procent van het 3

Jaarrapport IPA 2023 27

minimumloon en de groep met een hoger inkomen. De groep met een inkomen van maximaal 130 procent van het minimumloon noemen wij in dit rapport de doelgroep of EU-burgers met een laag inkomen. De groep met een hoger inkomen wordt gepresenteerd als vergelijkingsgroep. Er is daarbij geen onderscheid gemaakt naar verblijfsduur. Echter, dit gebeurt wel in veel aanvullende uitsplitsingen. Hierdoor is het toch mogelijk om te kijken naar verschillen tussen EU-burgers met een laag inkomen die hier korter en die hier langer verblijven. In hoofdstuk 10 wordt gerapporteerd over derdelanders en ontheemde Oekraïners met een inkomen van 130 procent van het wettelijk minimumloon en hoe hun positie zich verhoudt ten opzichte van EU-burgers met een vergelijkbaar inkomen. De survey De kern van dit onderzoek bestaat uit een grootschalige survey. De hiervoor gehanteerde survey is ontwikkeld door Risbo. Bij het ontwikkelen van de survey is uitgegaan van de thema’s waar de adviezen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten op gericht zijn. Het betreft de thema’s arbeid, wonen, registratie, informatie en gezondheid. Deze thema’s zijn aangevuld met het thema ‘waardering’. Het is van belang te weten in hoeverre EU-arbeidsmigranten zich gewaardeerd voelen in Nederland.

De adviezen van het Aanjaagteam zijn er immers op gericht om te voorkomen dat arbeidsmigranten worden beschouwd als tweederangsburgers. De manier waarop in Nederland werkzame EU-burgers zich in Nederland gewaardeerd voelen zien we als een belangrijke indicator voor de maatschappelijke positie. We kunnen uiteindelijk een ontwikkeling in kaart brengen wanneer we de positie voor meerdere jaren monitoren op de thema’s waarop de meeste inzet wordt gepleegd. Vergelijkbaarheid Zoals gezegd, is er bij het opstellen van de vragenlijst zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande en gevalideerde vragen van bijvoorbeeld het SCP, CBS en TNO. Veel vragen met betrekking tot wonen zijn gebaseerd op het WoON-onderzoek. Voor arbeid is gekeken naar de Enquête Beroepsbevolking (EBB) en de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA). Ook is er veelvuldig gebruik gemaakt van vragen uit de Survey Integratie Migranten (SIM) en vaker toegepaste vragensets zoals de Mental Health Inventory-5 (MHI-5). De belangrijkste reden om zoveel mogelijk vragen uit bestaande vragenlijsten over te nemen is dat dit de mogelijkheid biedt om de uitkomsten uit dit onderzoek één-op-één te vergelijken met het Nederlands gemiddelde of met andere groepen in de samenleving.

Op verschillende plekken in dit rapport worden de uitkomsten uit deze studie geduid met de uitkomsten van de onderzoeken waarop de vragenlijst gebaseerd is. Daarbij worden vergelijkingen gemaakt met verschillende groepen. Bij het doen van vergelijkingen zijn we afhankelijk van de groepen die onderscheiden worden in het onderzoek waarop een specifieke vraag gebaseerd is. Bij het maken van vergelijkingen is telkens gekeken naar groepen die het beste overeenkomen met de sociaaleconomische positie of herkomst van de doelgroepen uit dit onderzoek. Kernvragen en additionele vragen Vanwege de lengte van de vragenlijst is ervoor gekozen om een onderscheid te maken naar kernvragen en additionele vragen. Alle deelnemers aan de vragenlijst kregen altijd de kernvragen voorgelegd. De additionele vragen zijn verdeeld in drie delen. De respondenten kregen naast de kernvragen altijd één van de drie sets met additionele vragen. Op deze manier kon de vragenlijst aanzienlijk ingekort worden. Een gevolg van deze opzet is dat niet alle vragen door evenveel personen zijn beantwoord. Wanneer bij het bespreken van de resultaten staat benoemd dat 28

vragen door een derde van de respondenten zijn beantwoord, dan betreft het de resultaten van een aanvullende vraag die niet door iedereen beantwoord is. Beschikbare talen en testen De vragenlijst is in het Nederlands ontwikkeld en vervolgens vertaald naar acht andere talen, te weten Engels, Bulgaars, Spaans, Hongaars, Pools, Roemeens, Turks en Oekraïens. Hiermee is geprobeerd de drempel tot deelname zo laag mogelijk te maken. Nadat de vragenlijst is vertaald, is de vragenlijst getest door studenten met een voor dit onderzoek relevante moedertaal. De vragenlijst is verder getest tijdens twee buurtevenementen in Rotterdam en Den Haag onder Poolse en Bulgaarse personen. Naar aanleiding van deze testsessies zijn laatste aanpassingen gedaan en is de vragenlijst definitief gemaakt. Anonimiteit en incentive Deelname aan het onderzoek was anoniem. Dit houdt in dat in de vragenlijst niet is gevraagd naar namen, adressen of andere direct herleidbare persoonsgegevens. Er is ook niet gevraagd naar de namen van werkgevers of huiseigenaren. Onder deelnemers aan de vragenlijst werden drie tablets verloot. Om kans te maken op een tablet dienden deelnemers aan het eind van de vragenlijst hun emailadres achter te laten. Dit emailadres is volledig gescheiden opgeslagen van de antwoorden op de vragenlijst. Er bestaat geen mogelijkheid om de emailadressen en antwoorden aan elkaar te koppelen.

Manieren van dataverzameling Respondenten zijn op verschillende manieren benaderd om deel te nemen aan dit onderzoek. Een groot gedeelte van de respons is verzameld door fysiek op vindplekken aanwezig te zijn met een meertalig team van veldwerkers. Behalve fysieke dataverzameling vond een deel van de dataverzameling online plaats via verschillende kanalen. De meeste online respons is afkomstig via Facebook/Instagram. Om een zo groot mogelijk publiek te bereiken zijn in augustus en september 2024 betaalde advertenties uitgezet gericht op personen behorende tot de doelgroep(en) die in Nederland verbleven en werkzaam waren in sectoren waarin veel arbeidsmigranten actief zijn (Decisio, 2022a t/m 2022d). Een ander deel van de online werving verliep via de website workinnl.nl. Op deze overheidswebsite, die gericht is op nieuwkomers in Nederland, is een banner geplaatst met een oproep om de vragenlijst in te vullen. Vanuit de brancheverenigingen ABU en NBBU is onder aangesloten leden een oproep uitgegaan om aandacht te vragen voor het onderzoek en het bericht te verspreiden onder internationale werknemers. Tot slot is gebruik gemaakt van het Share My Voice-panel. Dit is een onderzoekspanel dat is opgezet door het Kenniscentrum Arbeidsmigranten.

In tabel 1.1 is een overzicht gegeven van het aantal respondenten per ingezette methode en het aandeel van het totaal dat per wervingsmethode is gevonden.

29

Tabel 1.1: Aantal respondenten naar wervingskanaal Totaal Vindplaatsen Facebook/Instagram Workinn.nl ABU-NBBU Share My Voice-panel Bron: Risbo

n 4.214 2.045 939 287 225 718

% 100 49 22 7 5 17

Opzet van het veldwerk De uitkomsten van dit onderzoek zijn grotendeels gebaseerd op grootschalig veldwerk dat heeft plaatsgevonden tussen 1 juni 2024 en 8 oktober 2024. In deze periode hebben 2.045 personen op locatie deelgenomen aan de survey. Op die locaties zijn personen aangesproken, zoveel mogelijk in de eigen taal, is hen uitgelegd wat het doel van het onderzoek is en hoe hun privacy wordt gegarandeerd. Vervolgens zijn de potentiële deelnemers aan het onderzoek gevraagd om de vragenlijst in te vullen. Dit kon op door ons meegebrachte tablets of op de eigen telefoon van de respondent. De veldwerkers hadden behalve tablets ook flyers mee in verschillende talen met daarop een QR-code die leidde naar de vragenlijst. Deelnemers konden de vragenlijst zelfstandig invullen. De veldwerkers waren beschikbaar voor vragen en opmerkingen. Met de locaties waar het veldwerk werd uitgevoerd is zoveel als mogelijk van tevoren contact gezocht en om toestemming gevraagd aan de eigenaar/beherende instantie voor het afnemen van vragenlijsten. De afname van vragenlijsten vond zoveel mogelijk in de buitenruimte of gemeenschappelijke ruimtes binnen woonlocaties plaats. Om de privacy van respondenten - en de veiligheid van de veldwerkers - te waarborgen werden geen privévertrekken betreden.

Bij het uitvoeren van onderzoeken naar gevoelige onderwerpen bestaat altijd het gevaar dat sociaalwenselijke antwoorden worden gegeven. Wanneer er sprake is van een sterke afhankelijkheid van de werkgever kan een respondent er uit angst bijvoorbeeld voor kiezen een rooskleuriger beeld te schetsen dan werkelijk ervaren wordt. In dit onderzoek is dit zoveel mogelijk geprobeerd te voorkomen door de vragenlijst volledig anoniem in te richten. Daarnaast zijn potentiële respondenten zoveel mogelijk aangesproken in de eigen taal, werd hen gewezen op de omgang met gegevens en is hen duidelijk gemaakt dat het een onafhankelijk onderzoek betreft. Ook kregen respondenten de mogelijkheid om de vragenlijst in te vullen op door ons meegebrachte tablets zodat zij niet hun eigen telefoon hoefden te gebruiken. Veldwerklocaties Het veldwerk heeft als doel om een zo representatief mogelijk beeld te krijgen van EU-burgers, ontheemde Oekraïners en derdelanders. Het veldwerk is geconcentreerd geweest in de provincies Zuid-Holland, Noord-Brabant, Limburg en Noord-Holland. Uit eerder onderzoek is bekend dat in deze provincies de meeste woonachtig zijn (KBA Nijmegen, 2020). Binnen deze provincies is een vindplaatsgerichte methode toegepast waarbij naar plekken is gegaan waarvan verwacht werd dat er veel personen uit de doelgroep aangetroffen zouden worden.

De meeste respondenten zijn geworven via grotere huisvestinglocaties verspreid over de eerdergenoemde provincies. Het betrof huisvestingslocaties met tussen de 50 en 300 inwoners afkomstig uit verschillende landen. Hier zijn zowel EU-burgers als derdelanders geworven. De

30

overgrote meerderheid van de bezochte huisvestingslocaties had een SNF-keurmerk.4 Sommige huisvestingslocaties waren eigendom van één werkgever/uitzendbureau. Bij andere locaties werd er door meerdere werkgevers/uitzendbureaus woonruimte gehuurd. In totaal zijn er 43 verschillende woonlocaties bezocht. Behalve dat bij huisvestinglocaties is gekeken, is er ook veldwerk verricht op andere locaties. In totaal is er veldwerk verricht in 34 gemeenten, bij 43 verschillende huisvestingslocaties, 6 taalscholen, 6 evenementen, 3 spreekuren, 8 Oekraïense opvanglocaties, 3 werkgevers, 2 ambassades, Eindhoven Airport en in de openbare ruimte. Dataopschoning en analyse Na afronding van het veldwerk is begonnen met opschonen van de data. In totaal is de vragenlijst door 4.214 mensen ingevuld. Een deel van de respondenten heeft de vragenlijst echter niet volledig ingevuld of heeft antwoorden gegeven die niet (kunnen) kloppen. Een eerste stap is dan ook om de data op te schonen waarbij onvolledige vragenlijsten zijn verwijderd. Bij het bespreken van de resultaten zijn alleen vragenlijsten meegenomen waarbij respondenten minimaal antwoord hebben gegeven over hun inkomen, arbeidsmarktpositie en woonpositie. In een tweede stap zijn studenten en andere niet-werkenden of personen waarvan het inkomen niet bekend is, uit het bestand verwijderd.

Dit omdat het onderzoek zich richt op werkenden en het inkomen nodig is om te bepalen tot welke groep men behoort. Ook mensen waarvan de nationaliteit niet vastgesteld kon worden, zijn niet meegenomen in de analyses. Hetzelfde geldt voor personen waarvan de verblijfsduur onbekend is. Werkzoekenden zijn wel in het analysebestand behouden, omdat de indruk bestaat dat zij primair vanwege redenen die samenhangen met werk in Nederland verblijven. Tabel 1.2: Opschoning van de respons Totale Respons Niet ver genoeg ingevuld Studenten/geen inkomen te bepalen Geen nationaliteit te bepalen/verblijfsduur onbekend Valide respons Bron: Risbo

N 4.214 777 141 254 3.042

% 100 18 3 6 72

De resultaten in dit rapport hebben betrekking op 3.042 personen afkomstig uit de EU, derde landen of Oekraïne. Het grootste deel van de verwijderde respons heeft betrekking op personen die de vragenlijst niet ver genoeg ingevuld hebben. Nog eens bijna 10 procent van de respons is uitgesloten omdat zij niet tot de doelgroep behoren, er geen inkomen, nationaliteit of verblijfsduur bekend is. In hoofdstuk 3 wordt meer uitgebreid ingegaan op de samenstelling van de groep EU-burgers die hebben deelgenomen aan de vragenlijst. In hoofdstuk 10 wordt hetzelfde gedaan voor derdelanders en ontheemde Oekraïners. In tabel 1.3 wordt meer uitgebreid ingegaan op de (valide) respons per wervingskanaal en de verdeling van respondenten tussen de doelgroep en vergelijkingsgroep.

SNF staat voor Stichting Normering Flexwonen. Huisvesting die dit keurmerk draagt, dient aan bepaalde voorwaarden te voldoen. De norm kent de onderdelen bezetting, ruimte, daglicht en verwarming, sanitair, hygiëne, voorzieningen, (brand)veiligheid, onderhoud en beheer en informatievoorziening. Zie ook https://www.normeringflexwonen.nl/de-norm 4

31

Tabel 1.3: respons per wervingskanaal naar valide respons en doelgroep/vergelijkingsgroep (n & %) Respons Valide respons % Valide % Doelgroep % Vergelijkingsrespons (valide respons) groep Totaal 4.214 3.042 72,2 77,4 22,6 Vindplaatsen 2.045 1.523 74,5 88,1 11,9 Facebook 939 598 63,7 59,0 41,0 Workinn.nl 287 156 54,4 61,5 38,5 ABU-NBBU 225 147 65,3 91,8 8,2 Share My Voice 718 618 86,1 38,4 61,6 Bron: Risbo

De valide respons is 72,2 procent (3.042 personen) ten opzichte van de totale respons. Hiervan behoort meer dan drie op de vier personen qua inkomen tot de doelgroep. Uit de tabel komt naar voren dat het grootste deel van de respondenten is geworven via de fysieke vindplaatsen. Meer dan de helft van de valide respons is fysiek op locatie geworven (1.523 personen). Van de groep respondenten die op deze manier is geworven, behoort bijna 90 procent qua inkomen tot de doelgroep van dit onderzoek. De overige tien procent behoort tot de vergelijkingsgroep. De valide respons onder deelnemers die via het Share my voice-panel zijn geworven is het hoogst (86,1 procent). Een groot deel van deze respondenten (61,6 procent) behoort qua inkomen tot de vergelijkingsgroep. Met andere woorden, het betreft relatief veel respondenten met een inkomen van meer dan 130 procent van het wettelijk minimumloon. Van de groep die via ABU/NBBU is geworven behoort meer dan 90 procent qua inkomen tot de doelgroep van het onderzoek. Het absolute aantal valide respons dat via dit kanaal is geworven is relatief klein.

1.4 Representativiteit Om de uitkomsten van het surveyonderzoek te duiden en op waarde te schatten is de representativiteit van de onderzoeksgroep een belangrijk criterium. In elk onderzoek waarbij het doel is om iets te kunnen zeggen over de populatie (de gehele doelgroep waar het onderzoek op is gericht) is representativiteit van belang. Immers, de zeggingskracht van de onderzoeksresultaten is beperkt als deze resultaten alleen voor een specifiek deel van de populatie geldig zijn. In algemene zin kan worden gesteld dat de grootte van de onderzoeksgroep, de steekproefmethode en de variëteit van de onderzoeksgroep van invloed zijn op de representativiteit. Idealiter wordt er uit een “bekende” stabiele, totale populatie een aselecte of systematische steekproef getrokken en worden alleen de personen in deze steekproef bevraagd. In theorie is het mogelijk om een steekproef te trekken uit de Basis Registratie Personen (BRP). Dit is echter kostbaar, tijdrovend en naar verwachting niet representatief voor onze specifieke doelgroep: EU-burgers die vanwege een arbeidsmotief naar Nederland zijn gekomen, een inkomen van maximaal 130 procent van het wettelijk minimumloon (WML) hebben en korter dan vijf jaar in Nederland zijn. Op basis van de CBS-migrantenmonitor zijn er statistieken bekend over de groep EU-burgers met een inkomen van maximaal 130 procent WML.

Uit de migrantenmonitor wordt duidelijk dat een meerderheid van de groep EU-burgers met een laag inkomen als niet-ingezetene in Nederland verblijft. Dit maakt het trekken van een aselecte steekproef op basis van de BRP problematisch. De BRP bestaat uit twee delen, het ingezetene deel en het niet-ingezetene deel. Iemand wordt een ingezetene na inschrijving bij de gemeente waar hij/zij woont. Niet-ingezetenen zijn personen die zich in de Registratie Niet-Ingezetenen hebben ingeschreven als iemand met een tijdelijke 32

relatie met Nederland. Van de ingezetenen in de BRP is over het algemeen bekend waar zij wonen. Voor de groep die als niet-ingezetene in de BRP staat geregistreerd is het opgegeven adres veelal onbetrouwbaar. Het is bekend dat de data in de RNI vervuild is, bijvoorbeeld omdat personen zich niet hoeven uit te schrijven bij vertrek uit Nederland en er niet uitvoerig gecontroleerd wordt op de juistheid van de adressen en gegevens. De onvolledigheid van de BRP vanwege het ontbreken van betrouwbare informatie over niet-ingezetenen maakt het voor dit onderzoek niet mogelijk om een representatieve steekproef te trekken. Een andere mogelijkheid is een vindplaatsgerichte dataverzamelingsmethode. Met deze methode worden respondenten gezocht op locaties waar op basis van bestaande kennis wordt verwacht de doelgroep aan te treffen. Door dit op een groot aantal verschillende plaatsen en op verschillende tijdstippen te doen, mag worden verwacht dat er een valide dwarsdoorsnede van de doelgroep in het onderzoek is betrokken. Indien mogelijk en nodig kunnen door middel van weging nog kleine correcties in de onderzoeksgroep worden doorgevoerd. De data die binnen dit onderzoek zijn verzameld, worden gekenmerkt door een (zeer) omvangrijke onderzoeksgroep en de grote variatie (in bijvoorbeeld leeftijd, geslacht, verblijfsduur, nationaliteit etc.) van de onderzoeksgroep.

Het is in theorie mogelijk om bij eventuele verschillen in de verdeling over deze kenmerken tussen de onderzoeksgroep en de doelgroep te corrigeren voor eventuele vertekeningen door weging toe te passen. Hiervoor is het wel noodzakelijk dat bekend is wat de samenstelling (naar genoemde achtergrondkenmerken) is van de doelgroep van kort verblijvende EU-burgers met een laag inkomen. De meest betrouwbare statistiek die beschikbaar is en inzicht geeft in de samenstelling van de groep EU-burgers met een laag inkomen is de CBSmigrantenmonitor. Echter, deze is niet gedetailleerd en compleet genoeg om te gebruiken als weeginstrument. Zo ontbreken er (gedetailleerde) gegevens over de samenstelling van de groep EU-burgers naar geslacht, leeftijd en verblijfsduur (van niet-ingezetenen). Het toepassen van weging op basis van de CBS-migrantenmonitor is daardoor incompleet en niet zinvol. Nog niet eerder is in Nederland op deze schaal onderzoek gedaan naar de groep kort verblijvende EU-burgers met een laag inkomen. Hoewel het een belevingsonderzoek betreft, is er op dit moment geen betere bron om te kijken hoe het met deze mensen gaat, dan henzelf. Door op veel verschillende locaties en tijdstippen data te verzamelen is zo goed mogelijk geprobeerd tot een representatieve onderzoeksgroep te komen.

Deze werkwijze heeft er zeer waarschijnlijk toe geleid dat het onderzoek representatief is voor onze specifieke doelgroep (zie paragraaf 1.1). Het betreft dan de groep EU-burgers die legaal werkzaam is in loondienst binnen beroepen aan de “onderkant” van de arbeidsmarkt. Een kanttekening daarbij is dat wij makkelijker/beter in contact kwamen met grote en middelgrote uitzendbureaus die op het eerste gezicht legaal te werk gaan. Dit betekent ook dat het onderzoek waarschijnlijk in veel mindere mate representatief is voor arbeidsmigranten die informeel of illegaal werk doen en via malafide uitzendbureaus in Nederland werkzaam zijn. Mogelijk dat deze groep wel via andere wervingskanalen heeft deelgenomen aan het onderzoek. Naar onze mening is dit geen tekortkoming. Met dit onderzoek is juist geprobeerd om in kaart te brengen hoe het gaat met de gemiddelde EU-burger die in het reguliere, legaal georganiseerde deel van de onderkant van de arbeidsmarkt actief is. Van de malafide uitzendbureaus is immers al bekend dat zij illegaal handelen, werknemers slecht en onheus bejegen en dat er veel misstanden plaatsvinden. Onderzoek waarbij ingegaan wordt op de aard en omvang van misstanden waarmee kortverblijvende EU-burgers aan de onderkant van de arbeidsmarkt mee te vragen krijgen, vraagt een geheel andere insteek van het onderzoek. 33

1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 volgt een kort overzicht van de beleidscontext waarbinnen dit onderzoek is uitgevoerd. Dat hoofdstuk is voornamelijk gebaseerd op het jaarrapport van het Interdepartementaal Projectteam Arbeidsmigranten (IPA). In hoofdstukken 3 tot en met 9 wordt uitgebreid ingegaan op de positie van EU-burgers die in Nederland werkzaam zijn. Achtereenvolgens staan de thema’s arbeid, registratie, wonen, gezondheid, informatie en ‘waardering en toekomst’ centraal. In hoofdstuk 10 wordt ingegaan op de positie van derdelanders en ontheemde Oekraïners. In de conclusie van het rapport (hoofdstuk 11) wordt daar waar mogelijk de positie van EU-burgers, derdelanders en ontheemde Oekraïners met elkaar vergeleken.

34

2. Beleidscontext In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de beleidscontext waarbinnen dit onderzoek is uitgevoerd en welke maatregelen er momenteel of binnenkort van kracht zijn die erop gericht zijn om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren. Dit hoofdstuk is grotendeels gebaseerd op het jaarrapport van het Interdepartementaal Projectteam Arbeidsmigranten (IPA). Aantallen Op basis van de CBS-migrantenmonitor is bekend dat er op 31-12-2022 anderhalf miljoen werkende EU-burgers en derdelanders in Nederland zijn.5 Hiervan heeft ongeveer een derde een inkomen van maximaal 130 procent van het minimumloon (515.750 personen). Van deze personen zijn er 251.540 afkomstig uit de Europese Unie waarvan 200.820 uit één van de EU-11 landen. Ruim 263.000 werkenden met een laag inkomen in Nederland zijn afkomstig uit zogenaamde derde landen waaronder Oekraïners (23.520 personen) en Turken (21.660) relatief grote groepen vormen. Aanjaagteam In 2020 is door het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten onder leiding van Emile Roemer een serie aanbevelingen gedaan om de positie van arbeidsmigranten in Nederland te verbeteren en misstanden tegen te gaan (Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten, 2020). De kern van het advies is dat arbeidsmigranten behandeld moeten worden als gelijkwaardige en volwaardige deelnemers van de samenleving en dat de regelgeving hierop ingericht moet zijn.

De adviezen richten zich op een betere bescherming van arbeidsmigranten via regelgeving op het gebied van onder andere werk en huisvesting, waarbij een grotere rol voor de overheid is vereist. Hierna volgt een kort overzicht van de verschillende maatregelen die recentelijk van kracht geworden zijn of die op korte termijn (naar verwachting) ingevoerd zullen worden. Bij de eerste herhaalmeting van dit onderzoek zal gekeken worden of er verschuivingen in de positie waargenomen worden op de terreinen waarop maatregelen toegepast zijn.

2.1 Maatregelen Aanjaagteam Het doel van de aanbevelingen van het Aanjaagteam is om de in Nederland verblijvende arbeidsmigranten volwaardig te kunnen laten deelnemen aan de samenleving. Daarnaast is de intentie om uitbuiting van werknemers te bestrijden, slechte huisvesting aan te pakken en oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt te voorkomen. Met dit uitgangspunt zijn op zeven thema’s concrete maatregelen geformuleerd. Deze thema’s zijn: ‘arbeidsmigranten en beleid’, ‘werk’, ‘registratie’, ‘huisvesting’, ‘zorg en welzijn’, ‘handhaving en toezicht’ en ‘informatie en dienstverlening’. Zowel in dit hoofdstuk als in het verdere rapport worden grofweg dezelfde thema’s gehanteerd. Om de aanbevelingen in de praktijk te brengen is het Interdepartementaal Projectteam Arbeidsmigranten (IPA) opgericht.

In de migrantenmonitor wordt onderscheid gemaakt naar EU-, EFTA- en derde landen. In dit hoofdstuk worden burgers uit EFTA-landen niet besproken. Het betreft in totaal 1.030 EFTA-burgers met een laag inkomen. 5

35

“Het IPA is organisatorisch werkzaam onder verantwoordelijkheid van de minister van SZW (opdrachtgever: DG-Werk), waarbij in de aansturing wordt gewerkt met een DGStuurgroep met vertegenwoordigers van alle betrokken departementen: SZW, BZK, VWS, LNV, EZK en J&V. Het interdepartementale projectteam bestaat uit beleidsmedewerkers, die in hun ministerie belast zijn met het betreffende beleid en/of het intern afstemmen van beleidsmaatregelen die voortvloeien uit het rapport van het Aanjaagteam. De ministeries zijn zelf verantwoordelijk voor de implementatie van de aanbevelingen op het eigen beleidsterrein en onderhouden daartoe ook de contacten met de voor hen relevante stakeholders.” (IPA Position Paper, 2022) Enkele maatregelen en wetten zijn al geïmplementeerd. Een groot deel start later, is nog in ontwikkeling of wordt momenteel onderzocht. Hierna wordt per thema uiteengezet welke concrete maatregelen in verregaande ontwikkeling of geïmplementeerd zijn. Arbeidsmigranten en beleid Op het gebied van beleid zijn twee maatregelen geformuleerd, namelijk het oprichten van een netwerk sleutelpersonen en het ontwikkelen van een ondersteuningsprogramma VNG. Het doel van deze twee maatregelen is om arbeidsmigranten meer te betrekken bij en in het beleid, door bij het ontwikkelen van (nieuw) beleid rekening te houden met de doelgroep en het af te stemmen op hun leefwereld en behoeften. •

Netwerk sleutelpersonen arbeidsmigranten Het netwerk bestaat uit personen die dagelijks in contact zijn met EU-arbeidsmigranten en directe hulp aan hen verlenen, bijvoorbeeld via zorg- en welzijnsorganisaties of vakbonden. Drie doelen van het netwerk zijn (1) het verzamelen van ervaringen bij arbeidsmigranten, (2) het toetsen van beleidsinitiatieven en -richtingen bij arbeidsmigranten, en (3) het onder de aandacht brengen van initiatieven en informatie vanuit de (Rijks)overheid.

•

Ondersteuningsprogramma VNG Sinds april 2022 worden gemeenten door het ondersteuningsteam arbeidsmigranten van de VNG ondersteund om op het gebied van arbeidsmigranten tot een samenhangend beleid en regionale samenwerking tussen gemeenten te komen. Daarnaast wordt op verschillende thema’s (in werkgroepen) kennis ontwikkeld en gecommuniceerd richting gemeenten en worden workshops georganiseerd. Verder worden er trainingen en webinars georganiseerd.

Werk In het advies van het Aanjaagteam wordt uitgebreid stilgestaan bij de rol van de uitzendbureaus. De drie geformuleerde doelen zijn (1) het aanpakken van misstanden in de uitzendsector, (2) eerlijk werk garanderen en (3) gezond en veilig werk bevorderen. Een belangrijke maatregel op het gebied van werk, is het toelatingsstelsel voor bestaande en startende uitleners (uitzendbureaus). Deze wet zou per 2026 in werking treden maar is uitgesteld. Een ander deel van de maatregelen wordt nog onderzocht. Nu al van toepassing zijn de caoafspraken voor uitzendkrachten en de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD).

36

•

•

In de ABU en NBBU CAO’s voor uitzendkrachten is een inkomensgarantie van tenminste het wettelijk minimumloon (WML) in de eerste twee maanden afgesproken en is bepaald dat er geen schulden kunnen worden opgebouwd voorafgaand aan de start van het werk. Ook is rondom huisvesting die gehuurd wordt van de uitzender, afgesproken dat de uitzendkracht bij beëindiging van de uitzendovereenkomst vier weken de tijd krijgt om de huisvesting te verlaten. Deze afspraken gelden voor de sectoren waar dit in de cao is geregeld, zoals de uitzend- en vleessector, maar zijn nog niet van toepassing op alle sectoren waarin veel arbeidsmigranten in Nederland werkzaam zijn. Om ervoor te zorgen dat Nederlandse bedrijven die zakendoen in het buitenland, rekening houden met mensenrechten, werkomstandigheden en milieu, moeten bedrijven inzichtelijk maken wat er gebeurt in hun keten, misstanden bespreekbaar maken en oplossen. Momenteel wordt er (Europese) IMVO-wetgeving gemaakt waarin deze verplichting wettelijk wordt geregeld, zodat slechte omstandigheden sneller geïdentificeerd en voorkomen worden. De Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) is op 5 januari 2023 in werking getreden. De richtlijn verplicht bedrijven om te rapporteren over de impact van hun activiteiten op mens en milieu, en zo te zorgen voor meer transparantie.

Registratie Arbeidsmigranten kunnen als ingezetene of als niet-ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven staan. Arbeidsmigranten moeten staan ingeschreven in de BRP om aanspraak te kunnen maken op bepaalde rechten. Bij een verwacht verblijf korter dan vier maanden, kunnen arbeidsmigranten zich als niet-ingezetene laten inschrijven bij de RNI (registratie voor niet-ingezetenen). Het komt voor dat arbeidsmigranten die toch langer dan vier maanden in Nederland verblijven, ten onrechte als niet-ingezetene geregistreerd blijven staan of dat arbeidsmigranten niet melden wanneer zij Nederland weer verlaten. Maatregelen zijn erop gericht om de registratie te verbeteren. •

•

Sinds oktober 2022 kunnen niet-ingezetenen vrijwillig een tijdelijk verblijfsadres en contactgegevens in de BRP registreren, zodat contact met hen kan worden opgenomen en hen er bijvoorbeeld aan herinneren zich als ingezetene te laten registreren bij langer verblijf. Een groot deel van de arbeidsmigranten laat inderdaad een verblijfsadres registreren. 40 gemeenten ontvangen nu lijsten met tijdelijke verblijfadressen. In 2023 is de mogelijkheid tot voorinschrijving voor niet-ingezetenen gerealiseerd, waarmee de benodigde gegevens al vóór de afspraak bij het RNI-loket digitaal ingevuld kunnen worden. Daarmee kunnen overtypfouten worden voorkomen, wordt het inschrijfproces bij de loketten versneld, kunnen contactgegevens vooraf geverifieerd worden via sms of e-mail en wordt de wachttijd voor arbeidsmigranten verminderd.

Huisvesting Het Aanjaagteam concludeert dat als het gaat om huisvesting, er voor EU-arbeidsmigranten en derdelanders te weinig locaties zijn, de kwaliteit slecht is en dat ze vaak afhankelijk zijn van werkgevers voor huisvesting. Drie door het Aanjaagteam geformuleerde doelen zijn (1) het verbeteren kwaliteit van de huisvesting, (2) meer huisvesting realiseren en (3) het versterken van de huurpositie van arbeidsmigranten. De meeste concrete maatregelen gaan over het zorgen voor een betere kwaliteit van de huisvestingslocaties. ontheemde Oekraïners hebben onder Richtlijn Tijdelijke Bescherming toegang tot gemeentelijke opvang. 37

•

Kwaliteit huisvesting De Wet goed verhuurderschap stelt vanaf juli 2023 een landelijke basisnorm voor goed verhuurderschap, waarmee gemeenten ongewenst verhuurgedrag zoals woondiscriminatie, intimidatie, onredelijke servicekosten en een te hoge borg, tegen te gaan. Voor arbeidsmigranten zijn er extra regels waar verhuurders en verhuurbemiddelaars zich aan moeten houden, zoals het scheiden van de huur- en arbeidsovereenkomsten en het informeren in begrijpelijke taal. In aanvulling op de algemene regels, kunnen gemeenten een verhuurvergunning instellen, waarin voorwaarden voor de verhuur aan arbeidsmigranten kunnen worden gesteld. Ook moet iedere gemeente op 1 januari 2024 een meldpunt hebben waar anoniem en kosteloos meldingen kunnen worden gedaan van ongewenst verhuurgedrag. Ter ondersteuning bij toezicht en handhaving van de wet krijgen gemeenten eenmalig 9,2 miljoen euro in 2023 en structureel 12,4 miljoen. Ook via de Omgevingswet, die in 2024 in werking is getreden, worden eisen gesteld aan de kwaliteit van huisvesting.

•

Hoeveelheid huisvesting Via het programma Een thuis voor iedereen wordt gewerkt aan voldoende betaalbare woningen voor alle aandachtsgroepen. In het programma is opgenomen dat alle gemeenten vanaf 2023 werken aan integrale en regionaal afgestemde ‘woonzorgvisies’ waarmee invulling wordt gegeven aan de woon-, zorg- en ondersteuningsbehoefte van alle aandachtsgroepen, waaronder arbeidsmigranten. De eerste regio’s zouden medio 2024 klaar zijn. Aandachtspunt hierbij is dat gemeenten vanwege problemen met het systeem van registratie weinig zicht hebben op de aantallen arbeidsmigranten.

•

Betere huurpositie Met de inwerkingtreding van de Wet goed verhuurderschap is de loskoppeling van de huur- en arbeidsovereenkomst verplicht gesteld.

Zorg en welzijn Om de toegang tot de zorg voor arbeidsmigranten te verbeteren, hebben zorgverzekeraars de afgelopen jaren maatregelen genomen. Eind 2022 hebben Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en de ministeries van SZW en VWS een convenant ondertekend. Dit convenant legt een gezamenlijke commitment vast om de toegang tot zorg voor arbeidsmigranten te verbeteren, op het gebied van de zelfredzaamheid en onafhankelijkheid van arbeidsmigranten, de verantwoordelijkheden van werkgevers en de verantwoordelijkheden van zorgaanbieders. •

Verlengde zorgfaciliteiten zijn noodzakelijk om ervoor te zorgen dat mensen niet onverzekerd zijn als ze hun baan verliezen. Met het beëindigen van de arbeidsovereenkomst vervalt ook de zorgverzekeringsplicht. Dankzij Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden (sinds 2022 in werking) kunnen onverzekerde arbeidsmigranten toch de noodzakelijke medische zorg vergoed krijgen. 60% tot 70% van de zorggebruikers heeft een niet-Nederlandse nationaliteit. Het lijkt erop dat zorgverleners de weg naar deze regeling beter weten te vinden.

38

•

• • •

Zorgverzekeraars hebben al veel stappen gezet om de toegang tot zorginformatie te verbeteren, zoals het zonder DigiD kunnen inloggen in de online omgeving om zaken rondom de zorgverzekering te bekijken en te regelen, het gemakkelijker voor arbeidsmigranten om een DigiD aan kunnen vragen, betere voorlichting in relevante talen. In het zorgconvenant is afgesproken dat zorgverzekeraars zorgaanbieders actiever aanspreken op onterechte weigering of behandeling van arbeidsmigranten. Het ministerie van VWS heeft in 2023 met Pharos afspraken gemaakt over het verzamelen, verrijken en delen van kennis en expertise wat betreft de gezondheidszorg aan arbeidsmigranten. Via het Plan van Aanpak kwetsbare dakloze EU-burgers wordt extra aandacht besteed aan deze doelgroep, aan de hand van pilots voor kortdurende opvang en het ontwikkelen van een checklist gelijke behandeling voor dakloze EU-burgers. Deze maatregelen zijn echter minder relevant voor de deelnemers in dit onderzoek.

Handhaving en toezicht Maatregelen rondom handhaving en toezicht richten zich voornamelijk op het beschikbaar stellen van budget en het verbeteren van samenwerkingen. Een deel ervan hangt samen met maatregelen die nog in werking moeten treden, en zijn daarmee nog niet van toepassing. Voorbeelden van maatregelen zijn meer onaangekondigde inspecties van huisvesting en landelijke en lokale samenwerkingsverbanden. Informatie en dienstverlening Onder het thema Informatie en dienstverlening vallen twee doelen, namelijk (1) betere toegang tot informatie, dienstverlening en recht en (2) het verruimen van de mogelijkheden tot integratie. De belangrijkste maatregel die al van toepassing is, is de ontwikkeling in Landelijk dekkende informatievoorziening. •

Het effectief bereiken van arbeidsmigranten vraagt om gerichte en duidelijke informatie, hulp en dienstverlening in de eigen taal en op het juiste moment. Het is belangrijk om informatievoorziening, hulp en dienstverlening dicht bij de arbeidsmigrant te organiseren. Daarom is het ministerie van SZW begin 2024 gestart met het project Work in NL. De kern van het project bestaat uit het coördineren van goede ondersteuning voor arbeidsmigranten in alle 35 arbeidsmarktregio’s. Onderdeel van het project zijn onder andere het opzetten van fysieke en mobiele informatiepunten, digitale informatievoorziening en specialistische hulp. Het ministerie van SZW verbindt alle betrokken partijen en organiseert in iedere regio een goede structuur om arbeidsmigranten beter te ondersteunen.

39

40

3. De onderzoekspopulatie EU-burgers In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de respondenten die aan het onderzoek hebben meegewerkt en die voldoen aan de selectiecriteria. Dat betekent dat het EU-burgers zijn die werken, ze zijn op basis van hun inkomen verdeeld in twee groepen. De situatie van deze groep staat centraal in de hoofdstukken 4 tot en met 9. In de tabellen 3.1 tot en met 3.3 is de onderzoekspopulatie nader bekeken op een aantal achtergrondkenmerken, daar is naast het totaal ook een onderscheid gemaakt tussen EUburgers met een lager inkomen (tot 130 procent van het wettelijk minimumloon) en EU-burgers met een hoger inkomen (meer dan 130 procent van het wettelijk minimumloon). Tabel 3.1: Achtergrondkenmerken respondenten, deel 1 Totaal

<130% WML

>130% WML

n

%

n

%

n

%

Totaal

2.444

100

1.944

100

500

100

Geslacht

2.416

1.925

491

Man

1.365

56,5

1.095

56,9

270

55,0

Vrouw

1.051

43,5

830

43,1

221

45,0

Leeftijd

2.416

1.921

495

16-24 jaar

493

20,4

462

24,0

31

6,3

25-34 jaar

867

35,9

711

37,0

156

31,5

35-44 jaar

588

24,3

403

21,0

185

37,4

45-54 jaar

352

14,6

255

13,3

97

19,6

55-68 jaar

116

4,8

90

4,7

26

5,3

Geboorteland

2.441

1.942

499

Polen

1.261

51,7

1.048

54,0

213

42,7

Bulgarije

333

13,6

223

11,5

110

22,0

Roemenië

514

21,1

431

22,2

83

16,6

Rest EU-11

6

185

7,6

152

7,8

33

6,6

Rest EU-27

7

148

6,1

88

4,5

60

12,0

Bron: Risbo

In totaal hebben 2.444 personen een (nagenoeg) volledige vragenlijst ingevuld. Daarvan hebben er 1.944 een inkomen tot 130 procent van het wettelijke minimumloon, 500 personen verdienen meer dan 130 procent van het wettelijk minimumloon. Het aandeel mannen is met 57 procent groter dan het aandeel vrouwen, 43 procent. De verdeling is in beide onderzoeksgroepen vergelijkbaar. Eén op de vijf respondenten is 24 jaar of jonger. Ruim een kwart is 25 tot 34 jaar, een kwart is tussen de 35 en 44 jaar. 15 procent is tussen de 45 en 54 jaar, een klein deel is ouder dan 55 jaar. De groep ‘Rest EU-11’ met een inkomen van minder dan 130%WML bestaat uit Hongaren (n=50), Letten (n=28), Slovenen (n28), Litouwers (n=24) , Tsjechen (n=14) en Kroaten (n=8). 7 De groep ‘Rest EU-27’ met een inkomen van minder dan 130% WML bestaat uit voor het grootste deel uit Spanjaarden (n=39), Portugezen (n=21) en Italianen (n=10). 6

41

Bij de respondenten met lager inkomen is een groter deel jonger dan 25 jaar, de groep van 35 tot 44 jaar is juist kleiner bij respondenten met een lager inkomen. Ongeveer de helft van de respondenten is geboren in Polen. Eén op de vijf is geboren in Roemenië en 14 procent is geboren in Bulgarije. Een klein deel, 8 procent komt uit één van de overige EU-11 landen.8 De overige 6 procent komt uit en van de andere EU-27 landen.9 Van de respondenten met een lager inkomen is een groter deel afkomstig uit Polen of Roemenië, het aandeel Bulgaren en mensen uit een van de andere EU-27 landen is kleiner in de groep met een laag inkomen. Tabel 3.2: Achtergrondkenmerken respondenten, deel 2 Totaal

<130% WML

>130% WML

n

%

n

%

n

%

Totaal

2.444

100

1.944

100

500

100

Verblijfsduur NL10

2.444

1.944

500

4 maanden of korter

467

19,1

441

22,7

26

5,2

5-12 maanden

365

14,9

329

16,9

36

7,2

1 tot 3 jaar

438

17,9

385

19,8

53

10,6

3 tot 5 jaar

394

16,1

307

15,8

87

17,4

5 jaar of langer

780

31,9

482

24,8

298

59,6

Gezinssamenstelling

2.314

Alleenstaand zonder kinderen

938

Alleenstaand met kind(eren) Gezin zonder kinderen Gezin met kinderen

1.827

487

40,5

831

45,5

107

22,0

221

9,6

168

641

27,7

508

9,2

53

10,9

27,8

133

27,3

514

22,2

320

17,5

194

39,8

Bron: Risbo

Ongeveer één op de vijf respondenten woont vier maanden of korter in Nederland, bijna een derde woont langer dan vijf jaar in Nederland. Hier is een duidelijk verschil in de twee onderzoeksgroepen. Van de respondenten met een lager inkomen is een groter deel kort in Nederland. Zo is 23 procent hier korter dan 4 maanden, terwijl dit bij de respondenten met een hoger inkomen 5 procent is. Het deel dat langer dan vijf jaar in Nederland is, is bij de personen met een laag inkomen 25 procent, bij de respondenten met een hoger inkomen is 60 procent langer dan vijf jaar in Nederland. Van alle respondenten is 40 procent alleenstaand en is 10 procent alleenstaand met kinderen. Ruim een kwart van de respondenten heeft een partner en geen kinderen, 22 procent van de respondenten heeft een gezin met kinderen. Ook hier is er een groot verschil tussen de twee groepen, van de respondenten met een lager inkomen is een groter deel alleenstaand zonder Naast Polen, Roemenië, Bulgarije behoren Estland, Hongarije, Kroatië, Letland, Litouwen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië tot de EU-11 landen. 9 Het gaat om België, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Malta, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Zweden. Nederlanders zijn niet in het onderzoek meegenomen. 10 Respondenten is gevraagd naar hun laatste onafgebroken verblijf in Nederland.

Bij de vraagstelling is aan respondenten expliciet uitgelegd dat een vakantie naar het land van herkomst niet als afgebroken verblijf wordt gezien maar dat het op- en neer reizen voor bijvoorbeeld seizoenswerk hier wel onder valt. Er is geen harde definitie gekozen voor onafgebroken/afgebroken verblijf in Nederland. De lezer dient zich te beseffen dat de gerapporteerde verblijfsduur de opgegeven verblijfsduur van respondenten is en deze niet geverifieerd kan worden met de geregistreerde verblijfsduur in de BRP. 8

42

kinderen, het deel alleenstaanden met kinderen is wel vergelijkbaar. Ook het aantal gezinnen zonder kinderen is vergelijkbaar, het aandeel gezinnen met kinderen is veel kleiner in de groep met een lager inkomen. Tabel 3.3 Achtergrondkenmerken respondenten, deel 3 Totaal n Opleidingsniveau N

%

2.429

n

%

1.935

>130% WML n

%

494

Tot en met basisonderwijs

170

7,0

155

8,0

15

3,0

Voortgezet onderwijs

980

40,3

855

44,2

125

25,3

(Middelbaar) Beroepsonderwijs

604

24,9

522

27,0

82

16,6

675

27,8

403

20,8

272

55,1

Universiteit/hoger onderwijs Migratiemotief

<130% WML

N

2.444

1.944

500

Economisch

1643

67,2

1331

68,5

312

62,4

Betere toekomst

674

22,8

517

26,6

157

31,4

Met partner mee

379

12,8

313

16,1

66

13,2

Gevlucht voor oorlog

15

0,5

10

0,5

5

1,0

Anders

244

8,3

160

8,2

84

16,8

Bron: Risbo

Vier op de tien respondenten heeft een opleiding op het voorgezet onderwijs, dit is de grootste groep. Ongeveer een kwart heeft een diploma in het middelbaar onderwijs en iets meer dan een kwart heeft een opleiding in het hoger onderwijs afgerond. Een klein deel (7 procent) heeft alleen de basisschool afgemaakt. Bij de respondenten met een lager inkomen heeft een groter deel een diploma in het voortgezet of middelbaar onderwijs dan in de groep met een hoger inkomen. Eén op de vijf respondenten uit de groep met een lager inkomen heeft een opleiding in het hoger onderwijs, in de groep met een hoger inkomen heeft een aanzienlijk groter deel in hoger onderwijsdiploma, 55 procent. Aan de respondenten is de vraag voorgelegd met welke reden zij naar Nederland zijn gekomen. Daarbij was het mogelijk om meer dan één reden te noemen, het totaal van de antwoorden telt daarom op tot meer dan 100 procent. De belangrijkste reden is om naar Nederland te komen is economisch, het werk, twee op de drie noemt dit motief. Een betere toekomst wordt door 22 procent genoemd en 13 procent is met hun partner mee naar Nederland gekomen. De verschillen tussen de respondenten met een lager en een hoger inkomen zijn niet opvallend groot.

43

In tabel 3.4 staat welk deel van de respondenten in Nederland is met hun partner en of kinderen. In de rijen staat de gezinssamenstelling, voor elk van deze groepen is in de kolommen beschreven welk deel met het hele gezin in Nederland is, welk deel alleen in Nederland is en welk deel met een deel van het gezin in Nederland is, en hoe dit verschilt tussen de inkomensgroepen. Deze vraag is niet gesteld aan alleenstaanden. Tabel 3.4: Gezinssamenstelling van gezinnen in het onderzoek* Totaal N=1.320

<130% WML N=-955

>130% WML N=365

Hele gezin

Alleen in NL

Deel van gezin

Hele gezin

Alleen in NL

Deel van gezin

Hele gezin

Alleen in NL

Deel van gezin

Alleenstaand, met kinderen

22,7

56,9

20,4

16,6

63,8

19,6

43,8

33,3

22,9

Gezin zonder kinderen

66,7

33,3

66,7

33,3

66,9

33,1

51,5

28,5

75,3

10,5

Gezin met kinderen 60,5 21,6 Bron: Risbo *Vraag niet gesteld aan alleenstaanden

17,8

20,1

14,2

Van de alleenstaanden met kinderen, is 23 procent hier met het hele gezin en is 57 procent alleen in Nederland, van 20 procent is nog een deel van het gezin niet in Nederland. Bij de groep met een lager inkomen is een groter deel alleen in Nederland dan in de groep met een hoger inkomen. Van de respondenten zonder kinderen is twee derde deel samen in Nederland, één op de drie is alleen in Nederland. Hier is geen verschil tussen respondenten met een lager en respondenten met een hoger inkomen. Van de gezinnen met kinderen is 61 procent hier met het hele gezin, 22 procent is alleen in Nederland en van 18 procent is een deel van het gezin (nog) niet in Nederland. In de groep met een lager inkomen is de helft hier met het hele gezin, in de groep met een hoger inkomen is drie kwart hier met het hele gezin. In tabel 3.5 zijn de vragen ‘Hoe lang bent u onafgebroken in Nederland?’ en ‘Wanneer kwam u voor het eerst naar Nederland?’ tegen elkaar afgezet. Hiermee wordt inzichtelijk wie er ook vóór het huidige verblijf al eens in Nederland heeft gewerkt. Tabel 3.5: Welk deel is van de respondenten voor het huidige verblijf al in Nederland geweest Totaal eerste keer

eerder geweest

4 maanden of korter

60,8

5 tot 12 maanden

<130% WML

>130% WML

eerste keer

eerder geweest

eerste keer

eerder geweest

39,2

60,3

39,7

69,2

30,8

71,8

28,2

72,3

27,7

66,7

33,3

1 tot 3 jaar

65,5

34,5

67,5

32,5

50,9

49,1

3 tot 5 jaar

66,2

33,8

68,1

31,9

59,8

40,2

5 jaar of langer Bron: Risbo

61,2

38,8

64,5

35,5

55,7

44,3

Van de personen die korter dan vier maanden in Nederland zijn, heeft 39 procent eerder al in Nederland gewerkt. Er is geen eenduidig verband tussen de huidige verblijfsduur en het deel van 44

de respondenten dat al eens eerder in Nederland heeft gewerkt. Over de hele lijn heeft 28 tot 39 procent al eens eerder in Nederland gewerkt. Er is wel een aantal verschillen tussen de twee inkomensgroepen. Van de respondenten met een laag inkomen die hier korter dan 4 maanden zijn, is een groter deel al in Nederland geweest. Dat is opvallend, omdat van de respondenten met een lager inkomen die hier langer zijn juist een kleiner deel eerder in Nederland is geweest, dan bij de groep met een hoger inkomen.

45

46

4. Arbeidsmarktpositie Regelmatig verschijnen er nieuwsberichten over de arbeidsomstandigheden van EU-burgers in Nederland: zij worden vaak onterecht op staande voet ontslagen11, de werkomstandigheden zijn te zwaar volgens de inspectie12 en zij zijn vaker slachtoffer van ongelukken op het werk13. Het Aanjaagteam richt zich dan ook op het aanpakken van misstanden binnen de uitzendsector, het garanderen van eerlijk werk en het bevorderen van een gezond en veilig werkklimaat. Op dit moment zijn er al cao-afspraken voor uitzendkrachten van toepassing, zoals een inkomensgarantie van het wettelijk minimumloon (WML) in de eerste twee maanden voor EUburgers. In dit hoofdstuk bekijken we de arbeidsmarktpositie van EU-burgers in de vorm van de werksituatie en de ervaren tevredenheid met het werk. Belangrijkste uitkomsten • 70 procent van de EU-burgers met een laag inkomen heeft tijdelijke contracten; een derde van de Nederlanders heeft een flexibele arbeidsrelatie. EU-burgers hebben dus vele malen vaker een en flexibel contract dan gemiddeld. • Hoe langer een EU-burger in Nederland verblijft, hoe vaker zij een vast contract hebben voor werk. Echter blijft het uitzendbureau de meest voorkomende werkgever. • Een derde van de EU-burgers met een laag inkomen is te hoog opgeleid voor het werk dat zij momenteel uitvoeren.

• EU-burgers maken relatief veel overuren vergeleken met gemiddelde Nederlander, maar krijgen dit vaak niet uitbetaald. 75 procent van de EU-burgers met een laag inkomen krijgt de overuren altijd uitbetaald. • De meerderheid EU-burgers (meer dan 50 procent) is tevreden met werk, maar relatief gezien blijft de tevredenheid achter bij het Nederlands gemiddelde (79 procent) en in vergelijking met laagopgeleide Nederlanders (77 procent). • Tevredenheid stijgt bij langere verblijfsduur in Nederland. De tevredenheid ligt het laagst bij EU-burgers in de dienstverlening en schoonmaaksector (resp. 39 en 49 procent) en het hoogst bij EU-burgers die in de bouwsector werken (68 procent). • Percentage EU-burgers die arbeidsconflict heeft met werkgever ligt twee keer zo hoog als bij gemiddelde Nederlander (15 vs. 7 procent). • Derde van EU-burgers met laag inkomen is bang om baan te verliezen, angst op baanverlies is het grootst in de bouwsector en in de logistiek, transport, glas- landen tuinbouwsectoren (resp. 43 en 38 procent).

4.1 Werksituatie In tabel 4.1 staat de werksituatie van in Nederland werkzame EU-burgers weergegeven, uitgesplitst naar inkomen.

https://nos.nl/artikel/2540928-jaarlijks-duizenden-arbeidsmigranten-op-staande-voet-ontslagen-vaak-onterecht https://nos.nl/artikel/2540046-arbeidsinspectie-eist-maatregelen-pakketdiensten-werkomstandigheden-te-zwaar 13 https://nos.nl/artikel/2534679-arbeidsmigranten-vaker-slachtoffer-van-dodelijke-ongelukken-op-het-werk 11 12

47

Tabel 4.1: werksituatie van EU-burgers naar inkomen (n & %) EU <130% WML

EU >130% WML

n

%

n

%

Totaal

1.916

100

492

100

Loondienst

1.733

90,4

341

69,3

ZZP/ondernemer

23

1,2

132

26,8

Informeel werk

15

0,8

2

0,4

Werkzoekend

81

4,2

7

1,4

Overig

64

3,3

10

2,0

Bron: Risbo

Negen op de tien EU-burgers met een laag inkomen is in loondienst. Een klein deel is werkzoekend (4,2 procent). In vergelijking met de groep met een hoger inkomen valt op dat het aandeel personen in loondienst kleiner en het aandeel ZZP’ers/ondernemers met 27 procent veel groter is. Het is mogelijk dat door de manier waarop het veldwerk is uitgevoerd, er een selectieve groep is gesproken bestaande uit EU-burgers met een laag inkomen die in loondienst zijn. Overigens valt het op dat wanneer wordt gekeken naar de groep ZZP’ers/ondernemers als geheel, de overgrote meerderheid (85 procent) een inkomen boven 130 procent van het minimumloon heeft. In figuur 4.1 staat voor de EU-burgers weergegeven in welke sectoren zij werkzaam zijn. Daarbij is wederom onderscheid gemaakt naar inkomen. Voor de personen in loondienst is opgenomen bij wat voor soort bedrijf zij werken, het soort contract dat zij hebben en wat voor soort contracturen zij hebben.

48

Bouw

2

Dienstverlening

3 3

19

Sector

Landbouw, glas- en tuinbouw

16

5

Logistiek en transport 2 4

Schoonmaak Voedings- en vleesindustrie

11

5 9

Overig

47

Soort bedrijf

NL uitzendbureau

Soort contract

56

18

57

22

niet-NL uitzendbureau

26

7

Niet-NL detacheringsbureau

5

1

13

Rechtstreeks bij een bedrijf

70

Tijdelijk contract

67 26 27

Vast contract 4

Weet ik niet

6

54

Vast Contracturen

70

Deels vast (min/max)

6

Wisselend (0-uren)

8 4

Geen formele uren Weet niet

3

0

73

24 10

9 8

10

20

<130% WML

30

40

50

60

70

80

90

100

>130% WML

Figuur 4.1: Arbeidskenmerken van EU-burgers naar inkomen (%) Bron: Risbo

Veelal werkzaam in de logistiek Meer dan de helft van de EU-burgers met een laag inkomen (56 procent) is werkzaam in de logistiek en transportsector (56 procent). Andere sectoren waarin relatief veel EU-burgers met een laag inkomen werken zijn de land- glas- en tuinbouw (16 procent) en de voedings- en vleesindustrie (11 procent). Van de groep met een hoger inkomen werkt het grootste deel in overige sectoren (bijvoorbeeld ICT of de financiële sector). Werkend via een (Nederlands of niet-Nederlands) uitzendbureau Het grootste deel van de EU-burgers met een laag inkomen dat in loondienst is, is werkzaam voor een Nederlands uitzendbureau (57 procent). Ruim één op de vier werkt voor een niet-Nederlands uitzendbureau (26 procent) of bij een detacheringsbureau dat buiten Nederland is gevestigd (5 procent). Het aandeel dat rechtstreeks bij een bedrijf in dienst is, is met 13 procent relatief beperkt. Dit geldt in het bijzonder wanneer dit vergeleken wordt met de groep met een hoger inkomen. Daarvan is 70 procent rechtstreeks bij een bedrijf in dienst. Het aandeel met een hoger inkomen dat via een Nederlands of niet-Nederlands uitzendbureau werkt is met respectievelijk 22 procent en 7 procent veel kleiner in vergelijking met de lagere inkomensgroep. 49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=d5d13f8e-574f-4ab2-a236-6724c0518734