08 DOC-21-348723 - Bijlage 8: Bijlagen ruimtelijke onderbouwing nieuwbouw supermarkt
Tekst van het document
Omgevingsvergunning nieuwbouw supermarkt Nibbixwoud
Bijlagen ruimtelijke onderbouwing
Omgevingsvergunning nieuwbouw supermarkt Nibbixwoud 27-01-2021
Omgevingsvergunning nieuwbouw supermarkt Nibbixwoud
Inhoudsopgave
Bijlagen ruimtelijke onderbouwing
4
Bijlage 1
Archeologisch onderzoek
5
Bijlage 2
Bodemonderzoek
31
Bijlage 3
Beknopte natuurtoets
61
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek
70
Bijlage 5
Watertoets
287
3
Omgevingsvergunning nieuwbouw supermarkt Nibbixwoud
Bijlagen ruimtelijke onderbouwing
4
Omgevingsvergunning nieuwbouw supermarkt Nibbixwoud
Bijlage 1 Archeologisch onderzoek
5
Nibbixwoud, Ganker Gemeente Medemblik (NH.) Een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Verkennende Fase Definitief Steekproefrapport 2020-07/13
Nibbixwoud, Ganker Gemeente Medemblik (NH.) Een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Verkennende Fase Definitief Steekproefrapport 2020-07/13
Nibbixwoud, Ganker Gemeente Medemblik (NH.) Een Archeologisch Bureauonderzoek en inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Verkennende Fase Een onderzoek in opdracht van BügelHajema Adviseurs bv Steekproefrapport 2020-07/13 ISSN 1871-269X Status: definitief auteur: drs. R. Exaltus, senior KNA-prospector/archeoloog (actor registratienummer 92909010) autorisatie: dr. J. Jelsma, senior KNA-prospector/archeoloog (actor registratienummer 35453178) Goedgekeurd namens de gemeente Medemblik, mevr. C. Soonius, regioarcheoloog d.d. 18 augustus 2020 De Steekproef bv werkt volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1 en BRL SIKB 4000. Dit onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 en 4003. Foto’s en tekeningen zijn gemaakt door De Steekproef bv, tenzij anders vermeld. © De Steekproef bv, Zuidhorn, september 2020 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder bronvermelding. De Steekproef bv aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. De Steekproef bv Archeologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Hogeweg 3 9801 TG Zuidhorn telefoon internet e-mail kvk
050 - 5779784 www.desteekproef.nl info@desteekproef.nl 02067214
Inhoud Samenvatting 1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Locatie en administratieve gegevens 2. Bureauonderzoek 2.1 Bronnen 2.2 Fysische geografie 2.3 Archeologie 2.4 Historische geografie 2.5 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel 3. Veldonderzoek 3.1 Aanpak 3.2 Resultaten veldonderzoek 4. Conclusies en advies Geraadpleegde Literatuur, Bronnen en Kaarten Lijst van Figuren en Tabellen Appendix I: Archeologische periodes Appendix II: Boorbeschrijvingen
1 1 2 4 4 4 6 8 9 10 10 11 13
Figuur 1.
Nibbixwoud, Ganker. Het plangebied ligt binnen de rode cirkel. Eén vierkant op de kaart komt overeen met één vierkante kilometer. De kaart is noordgericht. Bron: Opentopo.nl
Samenvatting In opdracht van BügelHajema Adviseurs bv is door De Steekproef bv een terrein onderzocht aan de Ganker te Nibbixwoud in de gemeente Medemblik. Het onderzoek was gericht op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Volgens het geldende bestemmingsplan Dorpskernen IV geldt een archeologische onderzoeksplicht voor grondroerende werkzaamheden die meer dan vijfhonderd vierkante meter beslaan en die dieper reiken dan veertig centimeter. In het plangebied zal een supermarkt worden gebouwd met een oppervlakte van vijftienhonderd vierkante meter. Tevens zal de bestaande parkeerplaats worden uitgebreid. Het terrein is nu nog in gebruik parkeerterrein en speelveld. Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een veldonderzoek door middel van boringen. Het plangebied ligt van oudsher op akker- en weiland tussen De Wijzend en Nibbixwoud, op relatief grote afstand van historische bebouwing. Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied hooguit een middelhoge verwachting voor resten van bewoning uit de bronstijd indien in de ondergrond een in de prehistorie bewoonbare rug aanwezig is. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn in het plangebied zes boringen geplaatst in een dichtheid van zes boringen per hectare.
Hierbij is gebruik gemaakt van een guts met een diameter van drie centimeter en een edelmanboor met een diameter van twaalf centimeter. In het plangebied liggen onder een veertig tot tachtig centimeter dik pakket van recent vergraven en/of opgebrachte grond, een afzetting van matig fijn zand die waarschijnlijk inderdaad een inversierug vormt. In geen van de boringen zijn vegetatiehorizonten of vuile lagen waargenomen die op prehistorische bewoning zouden kunnen wijzen. Het naboren tot in de top van het matig fijne zand met een megaboor heeft evenmin relevante archeologische indicatoren opgeleverd. Selectieadvies (KNA 4.1 VS07) door drs. R. Exaltus, senior KNA-archeoloog/-prospector Tijdens het booronderzoek zijn geen vegetatiehorizonten of anderszins vuile lagen aangetroffen die samen zouden kunnen hangen met bewoning in de prehistorie. Evenmin zijn relevante archeologische indicatoren gevonden. Tezamen met de gemiddeld tot ruim een meter beneden NAP verstoorde bodem geven de resultaten van het onderzoek derhalve geen directe aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Dit selectieadvies is inmiddels overgenomen door Archeologie West-Friesland met de volgende toevoeging: Het plangebied heeft een omvang van ca. 0,5 ha. De meeste bodemingrepen blijven binnen de geconstateerde geroerde bovengrond.
Alleen de nieuwbouw van de supermarkt en aanleg van kabels en leidingen zal dieper reiken dan de verstoorde bovengrond. Aangezien de omvang van de supermarkt 1500 m2 is, overschrijdt deze de vrijstellingsgrens voor archeologisch onderzoek niet. Indien de (grondroerende) plannen ongewijzigd blijven, is nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg niet noodzakelijk. Archeologie West-Friesland adviseert de voorgenomen ingrepen vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hiervan direct melding dient te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikels 5.10 & 5.11. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Medemblik.
1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doel (KNA 4.1 LS01) In opdracht van BügelHajema Adviseurs bv is door De Steekproef bv een terrein onderzocht aan de Ganker te Nibbixwoud in de gemeente Medemblik. Het onderzoek was gericht op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Volgens het geldende bestemmingsplan Dorpskernen IV geldt een archeologische onderzoekplicht voor grondroerende werkzaamheden die meer dan vijfhonderd vierkante meter beslaan en die dieper reiken dan veertig centimeter. In het plangebied zal een supermarkt worden gebouwd met een oppervlakte van vijftienhonderd vierkante meter. Tevens zal de bestaande parkeerplaats worden uitgebreid. Het plangebied als geheel meet ongeveer vijfduizend vierkante meter. Het terrein is nu nog in gebruik parkeerterrein en speelveld (zie Figuur 2). Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een veldonderzoek door middel van boringen. Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een archeologisch verwachtingsmodel van het gebied aan de hand van beschikbare fysisch-geografische, archeologische en historisch-geografische informatie. Tijdens het veldonderzoek is dit verwachtingsmodel getoetst. Het doel van het veldonderzoek is het vaststellen van de mate van gaafheid van het bodemprofiel en de aanwezigheid hierin van archeologische waarden.
Hierbij wordt gekeken naar de bodemopbouw en de mate waarin deze intact is en naar het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals bewerkt en verbrand vuursteen, aardewerk, bouwmateriaal, bot en houtskool.
Figuur 2.
Nibbixwoud, Ganker. Het plangebied gezien vanaf boorpunt 6 in noordwestelijke richting.
1
1.2 Locatie en administratieve gegevens (KNA 4.1 LS02) Het plangebied ligt tussen de Korte Dres en de Ganker in de dorpskern van Nibbixwoud. Het terrein is overwegend in gebruik als speelveld. Het noordelijke deel bestaat uit een parkeerterrein. Het maaiveld ligt op ongeveer een halve meter beneden NAP. Tabel 1.
Nibbixwoud, Ganker. Administratieve gegevens.
Provincie
Noord-Holland
Gemeente
Medemblik
Plaats
Nibbixwoud
Toponiem
Ganker
Centrumcoördinaat plangebied 132,665/522,737 Bevoegde overheid
Gemeente Medemblik
Opdrachtgever
BügelHajema Adviseurs bv
OM-nr.
4872307100
ISSNnr.
1871 - 269X
Steekproef projectcode
2020-07/13
Geomorfologische context
Getij-inversierug
Beheer en plaats documentatie De Steekproef bv / Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE)
2
Figuur 3.
Nibbixwoud, Ganker. De in het plangebied voorgenomen bouw van een supermarkt met parkeervoorzieningen. Bron: Kees van Hoek Architect.
3
2. Bureauonderzoek 2.1 Bronnen Tijdens het bureauonderzoek is de bestaande relevante kennis van het plangebied verzameld. De gebruikte bronnen voor het bureauonderzoek zijn opgenomen in de lijst aan het einde van dit rapport. De onderzoeksmethode is afgestemd op het archeologisch beleid van de gemeente Medemblik. Aan de hand van het bureauonderzoek is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Voor de paragraaf over de fysische geografie zijn kaarten van de bodem, de geologie, geomorfologie en de fysische geografie geraadpleegd, evenals het Actueel Hoogtebestand Nederland. Voor de paragraaf over archeologie is onder andere ARCHIS 3, het archeologisch registratie- en informatiesysteem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd. In ARCHIS 3 kunnen vondstmeldingen, archeologische terreinen en eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken worden ingezien. Deze databank is toegankelijk voor organisaties die werkzaam zijn in de archeologie (zoeken.cultureelerfgoed.nl). Het bevat een GIS-systeem waarin de archeologische kaart en aardkundige kaarten geraadpleegd kunnen worden. Voor de paragraaf over de historische geografie is onder meer gebruik gemaakt van historische kaarten en de website topotijdreis.nl (hierop zijn topografische kaarten in te zien).
2.2 Fysische geografie (KNA 4.1 LS04) In de periode na de ijstijden (het Holoceen) smolten de ijskappen en raakte het Noordzeebekken gevuld met water. Vanaf het moment van binnendringen van de zee in West-Nederland begon een natuurlijk proces van ophoging van de bodem door de afzetting van zeezand en zeeklei alsmede door veengroei. Veengroei vond plaats onder invloed van de stijgende grondwaterspiegel. Dit veen dekte vaak het eerder gevormde getijdelandschap af. Dit landschap werd gekenmerkt door wadplaten die voornamelijk uit klei bestaan en kreken waarin en waarlangs voornamelijk zand is afgezet. Deze gordels van zandige afzettingen zijn ruggen gaan vormen waarop in de prehistorie hier en daar bewoning plaatsvond. De processen van sedimentatie van zand en klei en veengroei hielden vanaf 6000 vC min of meer gelijke tred met de doorgaande relatieve zeespiegelstijging. Langs de Noordzeekust ontstonden door golfwerking en zeestromingen strandwallen die zijn opgebouwd uit zand uit het Noordzeebekken. Door de stijging van de zeespiegel schoven de kustlijn en de daarbij behorende strandwallen steeds verder naar het oosten op. Rond 4000 vC veranderde dit en werd de WestNederlandse kust, ondanks de doorgaande relatieve zeespiegelstijging, een aanwaskust. Vanaf die tijd vormden zich jongere strandwallen aan de zeezijde van oudere strandwallen.
Het proces van aangroei van de kust door verbreding van de zone met strandwallen is doorgegaan tot circa 900 AD. Rond die tijd begon een periode met kustafslag, waarbij ook grote delen van het eerder gevormde veenlandschap zijn opgeruimd. Door inbraken vanuit het Zeegat van Bergen veranderde Westfriesland (wederom) in een waddengebied dat tweemaal per etmaal onder water liep. Het plangebied ligt in dit voormalige zeegat. Van groot belang voor het begrip van de landschapsontwikkeling in het plangebied is een nieuw landschappelijk model ontwikkeld (Van Zijverden 2017).
4
In het laat‐neolithicum bestond het landschap uit kreken en kommen. Het gebied werd in deze periode doorsneden door plaatsvaste kreken met duidelijk ontwikkelde oevers die werden geflankeerd door overslaggronden. De kreekoevers van de geulsystemen in hun eindfase zijn met uitzondering van extreem hoogwater gedurende het hele jaar exploiteerbaar geweest. Met name de hoger opgeslibde geulen van het Hauwert laagcomplex Laag B en C, werden in het laat-neolithicum bewoond. In de top van de langs de kreken gevormde oevers zijn dan ook vegetatie-horizonten gevormd. Deze liggen doorgaans rond 2,5 meter beneden NAP. De kreken doorsneden in deze periode grote natte komgebieden die vrijwel het hele jaar onder water stonden. In deze kommen groeide plaatselijk riet en is onder water klei afgezet. Deze “rietkommen” worden nu teruggevonden als dunne veenlaagjes en matig gerijpte klei met liggend blad van riet. Het plangebied ligt op een getij-inversierug die gedurende het neolithicum nog open water vormde. Op de overgang van het laat‐neolithicum naar de bronstijd vond een gebeurtenis plaats waarbij de verbinding met het Vecht‐bassin verloren ging. Door de verkleining van het bassin ontstond een vloed gedomineerde delta in oostelijk West‐ Friesland en een eb gedomineerde delta in westelijk West‐Friesland.
In de midden‐ bronstijd B bestond oostelijk West‐Friesland uit een volledig verzoet voormalig kwelderlandschap waarin geen sedimentatie meer optrad, terwijl westelijk West‐ Friesland nog steeds een open estuarium vormde met een geringe mate van sedimentatie. In de late bronstijd trad opnieuw een belangrijke verandering op. Het Zeegat van Bergen sloot zich, waardoor in de voormalige eb gedomineerde delta veengroei kon gaan plaatsvinden. Op basis van enkele waarnemingen van hoogveen verspreid over West-Friesland wordt over het algemeen aangenomen dat er sprake is geweest van een volledige hoogveenbedekking. Over deze hoogveenbedekking bestaat echter nog de nodige discussie, zowel over de verspreiding als de oorzaak van veenvorming. Aan de randen van dit uitgestrekte veengebied kon plaatselijk nog gewoond en geakkerd worden in de ijzertijd. De bodems bestaan uit kalkrijke leek- en woudeerdgronden of uit kalkarme poldervaaggronden. Beide zijn ontstaan in lichte zavel. De poldervaaggronden worden gekenmerkt door beginnende bodemvorming die overwegend bestaat uit rijping, ontkalking en ondiepe oxidatie. De leek- en woudeerdgronden worden gekenmerkt door een gerijpte bodem met in de top daarvan een donkere laag van respectievelijk vijftien tot dertig en dertig tot vijftig centimeter dikte.
Aangenomen wordt dat deze is ontstaan door de opname van voormalige veenbedekking in de bewerkte toplaag.
5
Figuur 4.
Nibbixwoud, Ganker. Uitsnede uit de gemeentelijke beleidskaart met rood omlijnd het plangebied.
2.3 Archeologie (KNA 4.1 LS01, LS04) Volgens de gemeentelijke beleidskaart (zie Figuur 4) ligt het plangebied in een zone waarin archeologisch onderzoek vereist is bij bodemingrepen die groter zijn dan 2500 vierkante meter. In het plangebied liggen volgens het Archeologisch informatiesysteem Archis geen bekende archeologische vindplaatsen. Ongeveer tweehonderd meter ten zuidoosten van het plangebied ligt zaaknummer 3301432100. Hier is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd waarbij een sporenniveau uit de middeleeuwen is aangetroffen. Het gaat om ontginningssporen en niet om sporen van bewoning. Sporen uit de prehistorie ontbreken volledig. Respectievelijk honderd en honderdvijftig meter ten zuidwesten van het plangebied liggen de zaaknummers 2789385100 en 2789393100. Hier zijn tijdens een oppervlaktekartering aardewerkscherven uit de late middeleeuwen gevonden. Tweehonderd meter ten noordwesten van het plangebied ligt zaaknummer 2789360100. Ook hier zijn tijdens een oppervlaktekartering aardewerkscherven uit de late middeleeuwen aangetroffen. Zaaknummer 3985422100 tenslotte, betreft een door Archeologie West-Friesland in 2016 verricht booronderzoek op een terrein waarvoor op basis van het bureauonderzoek een hoge archeologische verwachting geldt voor vindplaatsen uit de bronstijd. Het is waarschijnlijk dat bewoningsresten dicht onder het maaiveld liggen.
Door het ontbreken van een duidelijke vondstlaag is het in
6
West-Friesland niet mogelijk om nederzettingsterreinen uit de bronstijd op te sporen aan de hand van boringen. Voornaamste doel van het verkennend booronderzoek was het vaststellen van de mate van verstoring in het plangebied. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat het zuidelijke terrein vrij diep verstoord is geraakt. Onder de verstoring is in de meeste gevallen een afgetopt zandpakket aanwezig dat te relateren is aan de getijdengeul die in het plangebied heeft gelegen. Omdat archeologische resten dicht onder het maaiveld worden verwacht, zullen deze grotendeels zijn verdwenen bij de aanleg van de zuidelijke sportvelden. De hoge verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie kan voor het plangebied ten zuiden van Het Woud naar beneden worden bijgesteld. Het noordelijke terrein is een stuk minder diep verstoord. Ook hier is een afgetopt bodemprofiel bestaande uit zandafzettingen gevonden. Op basis van het verkennend booronderzoek kan de hoge verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie in het noordelijk deel van het plangebied worden gehandhaafd. Ongeveer een halve kilometer ten noordwesten van het plangebied is een proefslevenonderzoek uitgevoerd door Archeologie West-Friesland (zaaknummer 4011179100). Hierbij is op het noordelijke sportveld van het SEW-terrein een beperkt aantal sporen uit de bronstijd, middeleeuwen en (met name) de nieuwe tijd aangetroffen.
De sporen lagen vrij dicht onder het maaiveld en zijn daardoor sterk afgetopt bij de aanleg van de sportvelden. De aangetroffen resten bleken onvoldoende om vervolgonderzoek te adviseren.
Figuur 5.
Nibbixwoud, Ganker. Uitsnede uit de Archis-kaart. Het plangebied wordt gevormd door zaaknummer 4872307100. De groene, genummerde punten zijn bekende vindplaatsen. De overige omlijnde terreinen zijn eerder gemelde onderzoeksgebieden.
7
2.4 Historische geografie (KNA 4.1 LS03) Het plangebied ligt van oudsher ten westen van de verbindingsweg van de bebouwing van De Wijzend naar die van Nibbixwoud dat voor het eerst in historische bronnen genoemd wordt in 1311 in een rekening van door de Baljuw van Medemblik geïnde boeten. In de nabijheid van het plangebied was geen bebouwing aanwezig. De latere bebouwing dateert uit de tweede helft van de twintigste eeuw. In deze periode is op het noordelijke helft van het plangebied een basisschool gebouwd die nog is afgebeeld op de topografische kaart uit 2010 (zie Figuur 6). Deze school is inmiddels gesloopt.
Figuur 6.
Nibbixwoud, Ganker. Het plangebied (binnen het rode kader) op uitsneden uit de topografische kaarten uit 1879 (boven) en 2010 (onder).
8
2.5 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel (KNA 4.1 LS05) Het plangebied ligt op een getij-inversierug op ongeveer een halve meter beneden NAP. Gedurende het neolithicum lag ter plaatse van het plangebied nog open water. Langs de flanken van de getij-inversierug kan een potentieel bewoonbaar niveau aanwezig zijn uit het laat-neolithicum. In voorgaande perioden was het landschap ongeschikt voor bewoning. In de bronstijd werden de relatief hooggelegen ruggen gebruikt voor bewoning en akkerbouw en vond op de aangrenzende, lagergelegen zones veeteelt plaats. Na de bronstijd werd het landschap wederom ongeschikt voor bewoning. Pas in de middeleeuwen is het landschap hier weer in (agrarisch) gebruik genomen. Uit deze periode zullen in het plangebied hooguit resten van sloten en ontginningsgreppels aanwezig zijn. Indien in de ondergrond bewoonbare ruggen aanwezig zijn, kunnen hierop bewoningsresten uit de bronstijd voorkomen. Gedurende voor bewoning geschikte perioden ontstaan veelal vegetatie-horizonten. Deze kunnen gekoppeld zijn aan vondstlagen die bestaan uit iets donkerder gekleurde lagen van zandige afzettingen en/of gerijpte klei met daarin houtskool, verbrand bot, vuursteen en aardewerk en dergelijke. De kans op de aanwezigheid van dergelijke resten is echter hooguit middelhoog.
Om de bovengenoemde archeologische verwachting te toetsen is een inventariserend veldonderzoek (booronderzoek) uitgevoerd. Dit wordt beschreven in Hoofdstuk 3.
9
3. Veldonderzoek 3.1 Aanpak (KNA 4.1 VS01, VS08) Over het 0,5 hectare grote plangebied zijn zes boorpunten verdeeld in twee noordoost-zuidwest gerichte boorraaien (zie Figuur 7). Hierdoor is een boordichtheid ontstaan van twaalf boringen per hectare. Op deze manier voldoet de toegepaste boordichtheid als verkennend boornetwerk om vast te stellen of in het plangebied inderdaad een in de prehistorie bewoonbare rug aanwezig is en vanaf welke diepte archeologische sporen aanwezig kunnen zijn. Alle boringen zijn geplaatst met een guts met een diameter van drie centimeter en zijn tenminste doorgezet tot anderhalve meter beneden het maaiveld. Van alle boorpunten is de NAP-hoogte bepaald.
Figuur 7.
Nibbixwoud, Ganker. Boorpuntenkaart met daarop de genummerde boringen. Bron: Klic-melding.
10
3.2 Resultaten veldonderzoek (KNA 4.1 VS02, VS03) Op 6 juli 2020 zijn zes boringen uitgevoerd. De ligging van de boorpunten is weergegeven in Figuur 7. De resultaten van het booronderzoek zijn afgebeeld in Figuur 9 en beschreven in Appendix II. Het reliëf in het plangebied varieert van 0,23 meter beneden NAP op boorpunt 2 tot 0,6 meter beneden NAP op boorpunt 6. De relatief hoge ligging van boorpunt 2 is het gevolg van de ligging op een aangebracht heuveltje op het speelveld. Bovenin deze boring is dan ook een bijna veertig centimeter dik pakket opgebracht zand aangetroffen. Bovenin alle overige boringen ligt een pakket recent vergraven klei en zand dat vermengd is met humus en zeer moderne insluitsels zoals vensterglas, moderne metaalresten en zelfs plastic. Het ontstaan van dit pakket is waarschijnlijk het gevolg van de inrichting tot speelveld en de bouw en sloop van de voormalige school. De dikte van deze moderne toplaag loopt uiteen van ruim vijftien centimeter op boorpunt 2 tot tachtig centimeter op boorpunt 4. Deze moderne toplaag gaat vervolgens op de boorpunten 2 tot en met 6 over in een pakket matig fijn zand met daarin enkele dunne kleilaagjes. Op de boorpunten 2 tot en met 5 loopt dit pakket door tot onderin de boringen (tot 2,2 meter beneden NAP op boorpunt 2). Op boorpunt 1 is direct onder de moderne toplaag ondoordringbaar puin aangetroffen.
Dit is waarschijnlijk een overblijfsel van de schoolgebouwen die hier tot voor kort stonden. In boring 6 loopt het pakket matig fijn zand door tot 0,75 meter beneden het maaiveld. Hieronder is een door zandlaagjes onderbroken kleipakket aanwezig. Op het scheidsvlak van deze beide lagen is een brok van elders aangevoerd veen waargenomen (zie Figuur 8). In geen van de boringen zijn onder de moderne toplaag vegetatiehorizonten of anderszins vuile lagen aangetroffen die samen zouden kunnen hangen met bewoning in de prehistorie.
Figuur 8.
Nibbixwoud, Ganker. Het veenbrok dat in boring 6 tussen het pakket klei (links) en het pakket zand (rechts) is aangetroffen.
Op alle boorpunten is tot in de top van het matig fijne zand nageboord met een edelmanboor met een diameter van twaalf centimeter. Het zorgvuldig doorzoeken van het hierbij opgeboorde materiaal heeft slechts enkele zeer moderne glas- en metaalresten opgeleverd die afkomstig zijn uit de bouwvoor. Relevante archeologische indicatoren die op archeologische sporen (anders dan brandlaagjes) zouden kunnen wijzen, ontbreken echter volledig. Om deze redenen is het KNA-onderdeel Waardestelling in dit rapport niet nader uitgewerkt.
11
Figuur 9.
Nibbixwoud, Ganker. Weergave van de resultaten van het booronderzoek in de vorm van boorstaten.
12
4. Conclusies en Advies (KNA 4.1 VS07) Het plangebied ligt van oudsher op akker- en weiland tussen De Wijzend en Nibbixwoud, op relatief grote afstand van historische bebouwing. Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied hooguit een middelhoge verwachting voor resten van bewoning uit de bronstijd indien in de ondergrond een in de prehistorie bewoonbare rug aanwezig is. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn in het plangebied zes boringen geplaatst in een dichtheid van zes boringen per hectare. Hierbij is gebruik gemaakt van een guts met een diameter van drie centimeter en een edelmanboor met een diameter van twaalf centimeter. In het plangebied liggen onder een veertig tot tachtig centimeter dik pakket van recent vergraven en/of opgebrachte grond, een afzetting van matig fijn zand die waarschijnlijk inderdaad een inversierug vormt. In geen van de boringen zijn vegetatiehorizonten of vuile lagen waargenomen die op prehistorische bewoning zouden kunnen wijzen. Het naboren tot in de top van het matig fijne zand met een megaboor heeft evenmin relevante archeologische indicatoren opgeleverd. Selectieadvies (KNA 4.1 VS07) door drs. R.
Exaltus, senior KNA-archeoloog/-prospector Tijdens het booronderzoek zijn geen vegetatiehorizonten of anderszins vuile lagen aangetroffen die samen zouden kunnen hangen met bewoning in de prehistorie. Evenmin zijn relevante archeologische indicatoren gevonden. Tezamen met de gemiddeld tot ruim een meter beneden NAP verstoorde bodem geven de resultaten van het onderzoek derhalve geen directe aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Dit selectieadvies is inmiddels overgenomen door Archeologie West-Friesland met de volgende toevoeging: Het plangebied heeft een omvang van ca. 0,5 ha. De meeste bodemingrepen blijven binnen de geconstateerde geroerde bovengrond. Alleen de nieuwbouw van de supermarkt en aanleg van kabels en leidingen zal dieper reiken dan de verstoorde bovengrond. Aangezien de omvang van de supermarkt 1500 m2 is, overschrijdt deze de vrijstellingsgrens voor archeologisch onderzoek niet. Indien de (grondroerende) plannen ongewijzigd blijven, is nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg niet noodzakelijk. Archeologie West-Friesland adviseert de voorgenomen ingrepen vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie.
In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hiervan direct melding dient te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikels 5.10 & 5.11. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Medemblik.
13
Geraadpleegde Literatuur, Bronnen en Kaarten ANWB, 2005. Topografische Atlas Noord-Holland 1:25.000. ANWB bv, Den Haag. archeologieinnederland.nl Centraal Archeologisch Archief (CAA) en Centraal Monumenten Archief (CMA) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) [ARCHIS]. Exaltus, R. P. & G. Kortekaas, 2008. prehistorische branden op Groningse kwelders. Paleo-aktueel 19 Groningen. Exaltus, R.P., P.J. Orbons 2013. ArcheoPro archeologisch rapport 12100, Plangebied Hoef en Haag, Hagestein, Gemeente Vianen, Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O); Bodemmicromorfologisch- en paleobotanisch onderzoek. Kadata Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) versie 4.1. College voor de Archeologische Kwaliteit (www.sikb.nl). Mulder, E.F.J. de & J.H.A. Bosch, 1982. Holocene Stratigraphy, Radiocarbon Datings and Paleogeography of Central and Northern North-Holland (The Netherlands). Mededelingen Rijks Geologische Dienst 36:3, 111-160. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff & T.E. Wong, 2003. De Ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten. Gemeente Medemblik, Archeologische beleidskaart. 12 Provinciën, 2006/2007. Atlas van Topografische Kaarten. Nederland 1955-1965. Uitgeverij 12 Provinciën, Landsmeer. 12 Provinciën, 2005. Luchtfoto-Atlas Noord-Holland 1:14 000. Uitgeverij 12 Provinciën, Landsmeer. 12 Provinciën, 2009.
Topografische Atlas Noord-Holland 1:25000. Uitgeverij 12 Provinciën, Landsmeer Provincie Noord-Holland. Cultuurhistorische waardenkaart (http://geo.noord-holland.nl/chw). Uitgeverij Nieuwland, 2006. Grote Historische Topografische Atlas ±1894-1933. Noord-Holland 1 : 25 000. Uitgeverij Nieuwland, Tilburg. Vos, P. & S. de Vries. 2013. Paleogeografische Kaarten van Nederland, tweede generatie (versie 2.0). Op 11 april 2014 gedownload van www.archeologieinnederland.nl. Deltares,Utrecht Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, 1992. Grote Historische Provincie Atlas 1:25 000. Noord-Holland 1849-1859. Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, Groningen. www.topotijdreis.nl Zijverden van W, 2017. After the deluge. A palaeogeographical reconstruction of Bronze Age West-Frisia (2000-800 BC)
Lijst van Figuren en Tabellen Figuur 1:
Topografische kaart van de onderzoekslocatie.
Figuur 2:
Foto van het plangebied.
Figuur 3:
De in het plangebied voorgenomen plannen.
Figuur 4:
Uitsnede van de gemeentelijke beleidskaart.
Figuur 5:
Uitsnede van de Archis-kaart.
Figuur 6:
Uitsneden van historische topografische kaarten van 1879 en 2010.
Figuur 7:
Boorpuntenkaart.
Figuur 8:
Foto van brok veen tussen pakket klei en pakket zand.
Figuur 9:
Boorstaten.
Tabel 1: Administratieve gegevens van het plangebied.
Appendix I: Archeologische periodes paleolithicum: paleolithicum vroeg: paleolithicum midden: paleolithicum laat: paleolithicum laat A: paleolithicum laat B:
ijzertijd: tot 300.000 BP 300.000 - 35.000 BP 35.000 BP - 8.800 vC 35.000 - 18.000 BP 18.000 BP - 8.800 vC
mesolithicum: mesolithicum vroeg: mesolithicum midden: mesolithicum laat:
8.800 - 7.100 vC 7.100 - 6.450 vC 6.450 - 4.900 vC
neolithicum: neolithicum vroeg: neolithicum vroeg A: neolithicum vroeg B: neolithicum midden: neolithicum midden A: neolithicum midden B: neolithicum laat: neolithicum laat A: neolithicum laat B:
5.300 - 4.200 vC 5.300 - 4.900 vC 4.900 - 4.200 vC 4.200 - 2.850 vC 4.200 - 3.400 vC 3.400 - 2.850 vC 2.850 - 2.000 vC 2.850 - 2.450 vC 2.450 - 2.000 vC
bronstijd: bronstijd vroeg: bronstijd midden: bronstijd midden A: bronstijd midden B: bronstijd laat:
2.000 - 1.800 vC 1.800 - 1.100 vC 1.800 - 1.500 vC 1.500 - 1.100 vC 1.100 - 800 vC
pleistoceen: elsterien saalien weichselien holoceen:
2,5 miljoen - 10.000 BP 475.000 - 410.000 BP 200.000 - 130.000 BP 116.000 - 10.000 BP 10.000 - heden
vC nC BP
= = =
voor Christus na Christus before present; present = 1950
ijzertijd vroeg: ijzertijd midden: ijzertijd laat:
800 - 500 vC 500 - 250 vC 250 - 12 vC
romeinse tijd: romeinse tijd vroeg: romeinse tijd vroeg A: romeinse tijd vroeg B: romeinse tijd midden: romeinse tijd midden A: romeinse tijd midden B: romeinse tijd laat: romeinse tijd laat A: romeinse tijd laat B:
12 vC - 70 nC 12 vC - 25 nC 25 - 70 nC 70 - 270 nC 70 - 150 nC 150 - 270 nC 270 - 450 nC 270 - 350 nC 350 - 450 nC
middeleeuwen: middeleeuwen vroeg: middeleeuwen vroeg A: middeleeuwen vroeg B: middeleeuwen vroeg C: middeleeuwen vroeg D: middeleeuwen laat: middeleeuwen laat A: middeleeuwen laat B:
450 - 1.050 nC 450 - 525 nC 525 - 725 nC 725 - 900 nC 900 - 1.050 nC 1.050 - 1.500 nC 1.050 - 1.250 nC 1.250 - 1.500 nC
nieuwe tijd: nieuwe tijd vroeg: nieuwe tijd midden: nieuwe tijd laat:
1.500 - 1.650 nC 1.650 - 1.850 nC 1.850 – heden
Algemeen
Steentijd (tot 2000 vC) De steentijd is opgedeeld in het paleolithicum, mesolithicum en neolithicum. Het paleolithicum (oude steentijd) wordt vooral gekenmerkt door de ijstijden. Na het laatpaleolithicum verbetert het klimaat. Vindplaatsen uit het late paleolithicum zijn vooral te herkennen aan concentraties vondstmateriaal (bewerkt en/of verbrand vuursteen, houtskool) met weinig en moeilijk te herkennen grondsporen zoals kuilen, paalgaten en houtskoolconcentraties die mogelijk wijzen op haardplaatsen. Vondsten uit het mesolithicum of midden steentijd, gekenmerkt door sporen en vondsten van rondtrekkende jagers en verzamelaars, bestaan voornamelijk uit bewerkt vuursteen, verbrande hazelnootdoppen en houtskoolfragmenten. Mesolithische grondsporen zijn vooral oppervlakte-haarden en haardkuilen. In een natte omgeving kunnen ook werktuigen van gewei of hout bewaard zijn gebleven. Voorbeelden hiervan zijn geweibijlen, bogen, visfuiken, etc. In het neolithicum (nieuwe steentijd) werden dieren gehouden en in het neolithicum werd eveneens akkerbouw bedreven. Grondsporen uit deze periode kunnen bestaan uit paalgaten van bijvoorbeeld boerderijen, resten van beschoeiingen, greppels, (afval)kuilen en haardplaatsen. Aardewerk komt in deze tijd voor, evenals bewerkt (vuur)steen en geslepen bijlen.
Metaaltijden (2000-12 vC) In de bronstijd en ijzertijd kwam bemesting en wisselbouw binnen de akkerbouw voor. Sporen uit de bronstijd en ijzertijd kunnen bestaan uit kuilen, paalgaten van boerderijplattegronden, bijgebouwen of spiekers, waterkuilen of -putten, erf- ofakkerafscheidingen en sporen van akkerbewerking zoals de kruiselings getrokken voren van een eergetouw. Houtskool kan duiden op de aanwezigheid van haarden voor voedselbereiding of het bakken van aardewerk. Ook kunnen er restanten gevonden worden die duiden op metaalbewerking, zoals stukken ovenwand, brons- of ijzerslakken, sintels, mallen, smeltkroezen, metaal bedoeld voor omsmelten, etc. Vondsten kunnen verder bestaan uit bijvoorbeeld metalen voorwerpen of voorwerpen van aardewerk zoals vaatwerk, maar ook slingerkogels, rammelaars, spinklosjes en weefgewichten. Romeinse tijd (12 vC-450 nC) In de romeinse tijd vormde de Rijn de noordelijke grens van het romeinse rijk. Langs deze grens, de limes, werden grensposten, nederzettingen en wegen gebouwd. In het noorden van Nederland zijn ook romeinse vondsten gedaan, maar dit zijn voornamelijk losse vondsten als romeinse munten, mantelspelden en scherven romeins aardewerk. Middeleeuwen en nieuwe tijd (450 nC-heden) Na een afname in de bevolkingsdichtheid aan het einde van de romeinse tijd en de periode erna, steeg deze weer in het begin van de middeleeuwen.
Vondsten uit de middeleeuwen en later bestaan voornamelijk uit scherven aardewerk, waaronder importaardewerk, munten en metalen voorwerpen (zoals mantelspelden, spijkers), resten van aardewerkproductie, metaalbewerking, wolbewerking etc. Belangrijke gebouwen (bijvoorbeeld kerken en borgen) werden van baksteen / kloostermoppen gebouwd.
Appendix II Boorbeschrijvingen Boorbeschrijving volgens ASB 5.2 Boor Coördinaten LDO Lithologie Nr GD B K 1 132.673 55 K/Z 522737 bST 2 132.648 42 Z 1 522706 58 K/Z 150 Z 1 3 132.629 45 K/Z 522.685 160 Z 1 4 132.665 80 K/Z 522.676 160 Z 1 5 132.688 53 K/Z 522.702 160 Z 1 6 132.710 55 K/Z 522.724 77 Z 1 82 VBrok 150 K
B V
B Z
2
BS B H 3
Kleur HK TK BR OR GE BR GR BR GR BR GR BR GR BR GR BR GR
IK
GR
DO
GR
DO
GR
DO
GR
DO
GR
DO
GR
DO
Overige kenmerken VLK CO PLH VS SST
AIS BH N
BI
GI
VRG GE
OPG VRG
GE
EKL
INV VRG
GE
EKL
INV VRG
GE
EKL
INV VRG
GE
EKL
INV VRG
GE
EKL
DO Msl
INV VER GET
Betekenis van de afkortingen: LDO – Onderzijde boortraject Lithologie: GD – Onverharde sedimenten: G = grind, K = klei, L = leem, V = veen en Z = zand, Bst = Baksteen, Vbrok = veenbrok Bijmengsels: BK = bijmengsel klei, BS = bijmengsel silt, BZ =bijmengsel zand, BV= bijmengsel veen, BH = bijmengsel humus. Betekenis toegevoegde cijfers: 1 = zwak, 2 = matig, 3 = sterk en 4 = uiterst. Kleur: HK = hoofdkleur, BL = blauw, BR = bruin, GE = geel, GN = groen, GR = grijs, OL = olijf, OR =oranje, PA = paars, RO = rood, RZ = roze, WI = wit, ZW = zwart. TK = Tweede kleur (kleurafkortingen als boven). IK = Intensiteit kleur: LI = licht en DO = donker VLK = Vlekken (V): 2e en 3e letter is kleurafkorting als boven, 1 = weinig, 2 = matig , 3= veel Overige kenmerken: CO = Consistentie (C ): ZSL-zeer slap, SLA-slap, MSL-matig slap, MST-matig stevig, STV-stevig SCH = Schelpesten VS = veensoorten SST = Sedimentaire structuren; ZL = zandlaagjes, KL = kleilaagjes, EKL = enkele kleilaagjes BHN = Bodemhorizont; BI = Bodemkundige interpretaties; OPG = opgebracht, VRG = vergraven GI = Geologische interpretaties; GET = getijdenafzetting. INV = inversierug AIS = Archeologische indicatoren; P = (baksteen)puin
Omgevingsvergunning nieuwbouw supermarkt Nibbixwoud
Bijlage 2 Bodemonderzoek
31
Landview BV Bodemonderzoek
Rapportnummer 2018467
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING .............................................................................................................................. 2
2.
EERDER ONDERZOEK.......................................................................................................... 3
3.
OPZET BODEMONDERZOEK ............................................................................................... 4 3.1 3.2 3.3 3.4
4.
HYPOTHESE VERONTREINIGINGSSITUATIE ............................................................. 4 BEMONSTERINGSSTRATEGIE .................................................................................... 4 CHEMISCHE ANALYSES ............................................................................................... 4 TOETSINGSKADER ....................................................................................................... 5
RESULTATEN BODEMONDERZOEK ................................................................................... 6 4.1 4.2
RESULTATEN VELDONDERZOEK ................................................................................ 6 ANALYSERESULTATEN GROND .................................................................................. 7
5.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN................................................................................... 7
6.
SLOTOPMERKINGEN ............................................................................................................ 8
7.
REFERENTIES ....................................................................................................................... 9
BIJLAGEN 1 2.1 2.2 3 4
Lokale situatie met boorpunten Analysecertificaten laboratorium Toetsing grond volgens BoToVa Boorprofielen Foto´s huidige situatie
Landview BV Bodemonderzoek
1.
Rapportnummer 2018467
INLEIDING
In opdracht van Gemeente Medemblik is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging op de locatie Ganker 3 te Nibbixwoud, gemeente Medemblik. Het onderzoek is verricht door Landview BV uit Hoorn, in n 2018, conform de offerte van 1 november 2018. Een bodemonderzoek wordt steekproefsgewijs uitgevoerd en betreft daarmee dus een momentopname. Hierdoor hebben de onderzoeksresultaten een beperkte geldigheidsduur. Het bodemonderzoek is uitgevoerd gebaseerd op de NEN 5740 richtlijnen voor een niet-verdachte locatie. De hypothese voor het onderzoek is, dat er licht verhoogde gehalten van zware metalen en of PAK in de grond aanwezig zijn. Het veldwerk is, door KIWA gecertificeerde medewerkers, uitgevoerd onder het procescertificaat BRL SIKB 2000, conform het VKB protocol 2001. Aanleiding voor het onderzoek is de mogelijke overdracht van het terrein. Op de locatie is in 2014 reeds bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek wordt door de RUD NHN nog als representatief beschouwd. Het te verkopen perceel is echter groter dan het in 2014 onderzochte deel, op het niet onderzochte deel moet een aanvullend onderzoek worden verricht. Doel van het aanvullend onderzoek is aan te tonen dat de verwachte verhoogde gehalten verontreinigende stoffen in de grond op de locatie niet tot meer gebruiksbeperkingen leiden dan beperkingen in het hergebruik.
Van hergebruik is sprake wanneer grond, die bij eventueel graafwerk is vrijgekomen, buiten de locatie wordt toegepast. De verwachting is dat de verwachte verontreinigingen vergelijkbaar zijn met de eerder uitgevoerde bodemonderzoeken De chemische analyses van de grond zijn verricht door Eurofins Omegam te Amsterdam. Dit laboratorium is geaccrediteerd door de Raad van Accreditatie. Landview BV is een onafhankelijk en erkend onderzoeksbureau. Er bestaat tussen de opdrachtgever cq. eigenaar van de locatie en Landview BV geen andere relatie dan die tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Het procescertificaat van Landview BV en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. Dit rapport heeft de volgende opbouw. Hoofdstuk 2 bevat een samenvatting van de eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. De opzet van het bodemonderzoek en het toetsingskader worden in hoofdstuk 3 weergegeven. De resultaten van het veldonderzoek en analyses staan in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 bevat de conclusies die hieruit kunnen worden getrokken, samen met aanbevelingen voor eventuele vervolgstappen.
-2-
Landview BV Bodemonderzoek
2.
Rapportnummer 2018467
EERDER ONDERZOEK
Op de locatie zijn in 2014 een verkennend bodemonderzoek en aanvullende bodemonderzoeken uitgevoerd. De resultaten staan weergegeven in de rapporten met de nummers 2013464, 2013464-A en 2013464-A2. In 2014 is circa 4.000 m 2 onderzocht. Het te verkopen deel heeft echter een oppervlakte van circa 5.800 m2. Tijdens het onderzoek is een “hot-spot” met een sterke verontreiniging aan som PAK geconstateerd (bovengrond boring 6). In de uitgevoerde aanvullende onderzoeken zijn geen verontreinigingen boven de interventiewaarde gemeten. In de 3 enkelvoudige bovengrondmonsters zijn hooguit lichte verontreinigingen met som PAK geconstateerd. In het enkelvoudige ondergrondmonster ter plaatse van boring 6a zijn geen verontreinigingen met som PAK geconstateerd. De licht verhoogde gehalten aan som PAK voldoen aan het verwachtingspatroon en worden vaker aangetroffen op vergelijkbare locaties. De aangetroffen sterke verontreiniging met som PAK kan uit het voor- en veldonderzoek niet direct worden verklaard. Mogelijk zijn in de grond minuscule stukjes kool of teer aanwezig. Het nu uitgevoerde grondonderzoek heeft uitgewezen dat op de locatie geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is op de locatie sprake van een “hot-spot”.
Voor het overige zijn op de locatie hooguit licht verhoogde gehalten aan zware metalen en som PAK geconstateerd. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan barium en zink aangetroffen. Ter plaatse van de gedempte sloten is geen bodemvreemd materiaal aangetroffen. Tijdens de onderzoeken is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Tijdens een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) wordt de bodem niet specifiek op asbest onderzocht. Om uit te sluiten of er asbest in de bodem aanwezig is, is de uitvoering van een asbestonderzoek conform NEN 5707 noodzakelijk. Voor de aanwezigheid van asbest in de grond zijn tijdens het uitgevoerde bodemonderzoeken echter geen aanwijzingen geconstateerd. Het onderzoek wordt door de RUD NHN nog als representatief beschouwd. De asbestinventarisatie van de voormalige school is nogmaals bekeken, hieruit wordt geconcludeerd dat de locatie niet asbestverdacht is. Voor aanvullend onderzoek ter plaatse van het reeds onderzochte deel wordt dan ook geen aanleiding gezien. De nu te onderzoeken locatie heeft een oppervlakte van circa 1.800 m2, waarop zich geen bebouwing bevindt. Op de locatie loopt een pad, mogelijk is bodemvreemd materiaal gebruikt om het pad te verstevigen.
De belangrijkste bronnen voor mogelijke bodemverontreiniging zijn brandstoftanks, met bodemvreemd materiaal gedempte sloten of aangevoerde verstevigingmaterialen. Volgens de tot nu toe gegeven informatie zijn deze bronnen van bodemverontreiniging niet aanwezig. De aanwezige sloten zijn op basis van het eerdere onderzoek gedempt met lokaal materiaal, het is de verwachting dat de gedempte sloot op nu te onderzoeken locatie eveneens is gedempt met lokaal materiaal. Voor een uitgebreide weergave van de resultaten van de eerdere bodemonderzoeken, wordt verwezen naar de genoemde rapporten.
-3-
Landview BV Bodemonderzoek
Rapportnummer 2018467
3.
OPZET BODEMONDERZOEK
3.1
HYPOTHESE VERONTREINIGINGSSITUATIE
Op grond van het vooronderzoek is voor de opzet van het bodemonderzoek uitgegaan van een nietverdachte locatie, waar licht verhoogde gehalten van zware metalen en of polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) aangetroffen kunnen worden in de (boven)grond. Op de locatie loopt een pad, nagegaan moet wordt of onder het pad bodemvreemd materiaal aanwezig is. De grondwaterstand bevindt zich op een diepte van circa 1 meter minus maaiveld (m –mv), waardoor de kwaliteit van het grondwater tevens in het onderzoek zou moeten worden betrokken. De peilbuis die geplaatst is in 2014 wordt, conform de NEN 5740, nog representatief geacht voor een oppervlakte van maximaal 7.000 m 2. Er zijn geen aanwijzingen dat er op de locatie bronnen van bodemverontreiniging aanwezig zijn, voor aanvullend grondwateronderzoek wordt dan ook geen aanleiding gezien.
3.2
BEMONSTERINGSSTRATEGIE
Gebaseerd op de NEN 5740 strategie voor een niet-verdachte locatie (ONV) van 1.800 m2 worden de onderstaande werkzaamheden verricht. Werkzaamheden: Aantal grondboringen tot circa 0,5 m –mv Aantal grondboringen tot de grondwaterstand Aantal peilbuizen plaatsen (NEN) en monstername Werkzaamheden gedempte sloot: Aantal grondboringen tot circa 2 m –mv voor boorraaien
8 3 -
5
Aantal analyses bovengrond Aantal analyses ondergrond Aantal analyses grondwater
2 1 -
Aantal analyses grond
-
Vooralsnog is het niet de verwachting dat de sloten zijn gedempt met bodemvreemd materiaal. Indien bodemvreemd materiaal aanwezig is, kunnen aanvullende analyses noodzakelijk zijn. Een zintuiglijke inspectie van het maaiveld en de opgeboorde grond op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen maakt deel uit van het onderzoek. Vijf van de bovengenoemde boringen worden verricht langs het pad en worden schuin tot onder het pad geboord.
3.3
CHEMISCHE ANALYSES
De grondmengmonsters worden geanalyseerd op de stoffen van de standaardpakketten. Deze stoffen, die zijn geselecteerd door de overheid, vormen de belangrijkste parameters (graadmeters) voor mogelijke verontreinigingen. De analyses worden, conform de AS3000 richtlijnen, uitgevoerd door Eurofins Omegam uit Amsterdam. Dit laboratorium is geaccrediteerd door de Raad van Accreditatie. De grondmonsters worden gekoeld getransporteerd en opgeslagen. De boven- en ondergrond worden onderzocht op de gehalten aan barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie (GC).
-4-
Landview BV Bodemonderzoek
Rapportnummer 2018467
De gehalten worden weergegeven in milligram per kilogram droge stof (mg/kg ds). Hiertoe wordt van de grond(meng)monsters het droge stofgehalte vastgesteld. Tevens worden representatieve monsters geanalyseerd op de gehalten aan organische stof en lutum (klei) ter vaststelling van de toetsingswaarden.
3.4
TOETSINGSKADER
Het toetsingskader voor verontreinigende stoffen in grond wordt gevormd door de achtergrond- en interventiewaarden uit de Regeling Bodemkwaliteit en de Circulaire Bodemsanering. De analyseresultaten worden geïnterpreteerd aan de hand van deze toetsingskaders (zie bijlage 2.2). De norm voor barium is (tijdelijk) ingetrokken. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium. De toetsingswaarden voor de verschillende stoffen in de grond zijn afhankelijk van de hierin aanwezige hoeveelheid klei (lutum) en organische stof, omdat de verontreinigingen zich aan deze bodemdelen hechten. De achtergrondwaarde (AW2000) van een bepaalde stof komt overeen met de gehalten zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. Bij overschrijding van deze achtergrondwaarde of de streefwaarde in het grondwater kunnen we spreken van een lichte verhoging. Indien het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde (tussenwaarde) wordt overschreden, kunnen we spreken van een matige verhoging.
De interventiewaarde is de waarde waarboven sprake is van een ernstige vermindering of dreigende vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij overschrijding van de interventiewaarde spreken we van een sterke verontreiniging. Als grondmengmonsters zijn onderzocht, kunnen de gehalten in afzonderlijke monsters hoger zijn. In een aanvullend of nader onderzoek kunnen vervolgens de enkelvoudige monsters worden geanalyseerd. Alleen met aanvullende analyseresultaten kan doorgaans voldoende inzicht worden verkregen in de omvang van de verontreinigingen. De ernst van een verontreiniging is, conform de Wet Bodembescherming (Wbb), gerelateerd aan een omvangscriterium. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te kunnen spreken, dient voor ten minste één stof de interventiewaarde te worden overschreden in minimaal 25 m 3 grond of 100 m3 grondwater. Als een voldoende beeld van de verontreinigingen is verkregen, kan een inschatting worden gemaakt van de eventuele risico's voor de volksgezondheid en de mogelijke gebruiksbeperkingen van de locatie. Verontreinigingen die geheel of grotendeels na 1 januari 1987 zijn ontstaan, vallen onder de zorgplicht in de Wbb en dienen in principe zo spoedig mogelijk, ongeacht de ernst van de verontreiniging, te worden verwijderd.
-5-
Landview BV Bodemonderzoek
Rapportnummer 2018467
4.
RESULTATEN BODEMONDERZOEK
4.1
RESULTATEN VELDONDERZOEK
Het veldonderzoek is, zonder afwijkingen op de uitvoeringsvoorschriften, uitgevoerd op 15 november 2018 door de heer F. Borst. Tijdens het veldwerk zijn geen aandachtspunten voor mogelijke bodemverontreiniging naar voren gekomen. Op de locatie is een fietspad en stoep aanwezig. Tijdens de werkzaamheden kwam een medewerker van de gemeente op het werk kijken. Hij heeft aangegeven dat het fietspad een paar jaar geleden is aangelegd. Het is daarom niet de verwachting dat er verdacht materiaal onder het fietspad aanwezig is. Gelijkmatig verdeeld over het terrein zijn handmatig met behulp van de Edelmanboor 3 grondboring/en tot circa 1,5 m -mv en 9 boringen tot 0,5 m -mv verricht. Het algemene, kenmerkende bodemprofiel op de locatie tot een diepte van circa 1,5 m -mv bestaat overwegend uit een afwisseling van siltige klei en matig fijn zand. Ter plaatse van de gedempte sloot is een boorraai verricht van 5 boringen tot 2 m -mv. Ter plaatse van de gedempte sloot is eveneens een afwisseling van zand en klei aanwezig. Er zijn geen zintuiglijk bijmengingen met bodemvreemd materiaal geconstateerd. De sloot is vermoedelijk gedempt met lokaal materiaal. Voor een aanvullend analytisch onderzoek is geen aanleiding gezien. Tijdens het veldwerk zijn zeer lokaal zintuiglijk, ter plaatse van boring 2 en boring 6, resten met baksteen waargenomen.
Voor het overige zijn zintuiglijk in de grond geen verontreinigingen waargenomen. Zintuiglijk is geen asbestverdacht materiaal op het maaiveld of in de opgeboorde grond aangetroffen. Aangezien de boringen met een Edelmanboor (diameter 12 cm) zijn verricht, is deze informatie slechts indicatief. Resten met baksteen worden als niet asbest verdacht beschouwd. Uit de in het veld genomen enkelvoudige monsters van de bovengrond zijn door het laboratorium, volgens de opdracht van Landview BV, twee enkelvoudige grondmonsters samengesteld, uit de grond van de boringen 2 en 6. Uit de monsters van de ondergrond is één mengmonster samengesteld. Bij de monstername is soms afgeweken van de trajecten van 0,5 m gezien de geconstateerde verschillen in grondsoort. In de onderstaande tabel staat de monsterselectie weergegeven. Tabel 1: Monsterselectie Analysemonster mm1 mm2 mm3
Traject (m -mv) 0,10 - 0,55 0,15 - 0,50 0,50 - 1,20
Deelmonsters
Analysepakket
02 (0,10 - 0,55) 06 (0,15 - 0,50) 01 (0,50 - 0,90) 01 (0,90 - 1,15) 02 (0,80 - 1,00) 02 (1,00 - 1,20)
AS3000: Standaard bodem incl lutum en humus AS3000: Standaard bodem incl lutum en humus AS3000: Standaard bodem incl lutum en humus
Tijdens de werkzaamheden is voor het plaatsen van een peilbuis geen aanleiding gezien. De boorpunten (1 t/m 17) zijn, samen met de locaties van de oude boorpunten, aangegeven op de situatietekening van bijlage 1. In bijlage 3 worden de beschrijvingen van de boringen, de zintuiglijke waarnemingen en de monstername weergegeven. Zintuiglijk waarneembare afwijkingen ten aanzien van de aanwezigheid van bodemvreemde bijmengingen en de kleur van het bodemmateriaal zijn qua aard en mate beschreven.
-6-
Landview BV Bodemonderzoek
4.2
Rapportnummer 2018467
ANALYSERESULTATEN GROND
Ter vaststelling van de toetsingswaarden voor de grond zijn voor dit onderzoek het organische stofgehalte en de lutumfractie van representatieve grondsoorten door het laboratorium bepaald. De analyseresultaten staan weergegeven op de analysecertificaten van bijlage 2.1, waarop tevens de gebruikte analysemethoden zijn aangegeven. De toetsing voor de grond volgens de BoToVa (Bodem Toets- en Validatieservice) van Rijkswaterstaat Leefomgeving staat weergegeven in bijlage 2.2. In de onderstaande tabel staan de resultaten weergegeven. Tabel 2: Overschrijdingstabel grond Analysemonster mm1 mm2 mm3 > AW >I Index
5.
Traject (m -mv) 0,10 - 0,55 0,15 - 0,50 0,50 - 1,20
> AW (+index)
> I (+index)
-
-
BBK monster-conclusie indicatief Altijd toepasbaar Altijd toepasbaar Altijd toepasbaar
: > Achtergrondwaarde : > Interventiewaarde : (GSSD - AW) / (I - AW)
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
In de (meng)monsters van de boven- en ondergrond zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. Ter plaatse van de gedempte sloten is geen bodemvreemd materiaal aangetroffen voor analytisch onderzoek is geen aanleiding De hypothese dat in de grond licht verhoogde gehalten verontreinigende stoffen aanwezig zijn, wordt in het onderzoek niet bevestigd, er zijn geen verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik. Bij graafwerkzaamheden op het terrein kunnen er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie bestaan. Voor hergebruik van grond buiten de locatie is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Indicatief getoetst aan het Besluit Bodemkwaliteit is de grond op de nu onderzochte locatie vrij toepasbaat. Volgens de CROW400 is bij graafwerkzaamheden geen veiligheidsklasse van toepassing. De uiteindelijke klasse dient bepaald te worden door een veiligheidsdeskundige. Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Tijdens het aanvullend bodemonderzoek is de bodem niet specifiek op asbest onderzocht.
In de grond zijn resten baksteen aangetroffen, baksteen wordt als niet asbestverdacht aangemerkt. Om uit te sluiten of er asbest in de bodem aanwezig is, is uitvoering van een asbestonderzoek conform NEN 5707 noodzakelijk. De uitvoering van een asbestonderzoek conform NEN 5707 wordt door Landview BV, gezien de resultaten van de verschillende bodemonderzoeken, niet noodzakelijk geacht.
-7-
Landview BV Bodemonderzoek
6.
Rapportnummer 2018467
SLOTOPMERKINGEN
Het onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht door Landview BV uit Hoorn. Een bodemonderzoek wordt steekproefsgewijs uitgevoerd. Hierdoor hebben de onderzoeksresultaten een beperkte geldigheidsduur. Hoewel de grootste zorgvuldigheid wordt betracht bij de uitvoering van het onderzoek is het, juist door de steekproefsgewijze bemonstering, mogelijk dat plaatselijk afwijkingen in het bodemprofiel aanwezig zijn, welke tijdens het onderzoek niet naar voren zijn gekomen. Landview BV aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor hieruit voortvloeiende schade of gevolgen van welke aard dan ook. In dit kader wordt tevens opgemerkt dat Landview BV niet kan instaan voor de volledigheid en juistheid van door derden verstrekte informatie en van eventueel door derden uitgevoerd (voor)onderzoek. Het uitgevoerde bodemonderzoek betreft een momentopname. Beïnvloeding van bodemkwaliteit zal ook plaats kunnen vinden na uitvoering van dit onderzoek. Naarmate er een langere tijd is verstreken na uitvoering van het onderzoek, dient meer voorzichtigheid te worden betracht bij het gebruik van de resultaten van het onderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen overdracht. De uiteindelijke toetsende en handhavende taak voor de aanvraag van een omgevingsvergunning ligt bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente. Dit rapport mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd.
-8-
Landview BV Bodemonderzoek
7.
Rapportnummer 2018467
REFERENTIES
*
Verkennend bodemonderzoek Ganker 3a te Nibbixwoud, rapportnummer 2013464, Landview BV, Hoorn, 24 maart 2014.
*
Aanvullend bodemonderzoek Ganker 3a te Nibbixwoud, rapportnummer 2013464-A, Landview BV, Hoorn, 3 april 2014.
*
Aanvullend bodemonderzoek 2de fase Ganker 3a te Nibbixwoud, rapportnummer 2013464, Landview BV, Hoorn, 8 april 2014.
*
Bodem, Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, NEN 5725:2017. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft, oktober 2017.
*
Bodem, Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, NEN 5740/A1. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft, februari 2016.
*
Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB procescertificaat voor Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek BRL SIKB 2000. Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, vigerende versie.
*
Bodem, boorsystemen en monsternemingstoestellen voor grond, sediment en grondwater, die worden toegepast bij bodemverontreinigingsonderzoek, NPR 5741. Nederlands Normalisatieinstituut, Delft, 1994.
*
Wijziging Circulaire bodemsanering. Vigerende versie. Staatscourant, ’s-Gravenhage.
*
Wijziging Regeling bodemkwaliteit. Vigerende versie. Staatscourant, ’s-Gravenhage.
*
Leidraad Bodembescherming. Vigerende aflevering. SDU uitgeverij, 's-Gravenhage.
*
Kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater in Noord-Holland benoorden het IJ. Regionale studies, Werkgroep Noord-Holland, Instituut voor Cultuurtechniek en Waterhuishouding, Wageningen, 1982.
*
Grondwaterkwaliteit. Een eerste presentatie van grondwaterkwaliteitsgegevens uit het Provinciaal Meetnet Grondwaterkwaliteit, Provincie Noord-Holland, december 1996.
*
Tijdreis, over 200 jaar topografie. www.topotijdreis.nl
-9-
BIJLAGE 2.1 ANALYSECERTIFICATEN LABORATORIUM Locatie Projectnummer
: Ganker 3 te Nibbixwoud : 2018467
Project code:
831389
Landview B.V. T.a.v. de heer P.S. Krommenhoek Postbus 4060 1620 HB HOORN
Uw kenmerk : 2018467-Ganker Ons kenmerk : Project 831389 Validatieref. : 831389_certificaat_v1 Opdrachtverificatiecode : CUOO-LUPF-QKCK-MAQC Bijlage(n) : 2 tabel(len) + 2 bijlage(n)
Amsterdam, 21 november 2018 Hierbij zend ik u de resultaten van het laboratoriumonderzoek dat op uw verzoek is uitgevoerd in de door u aangeboden monsters. De resultaten hebben uitsluitend betrekking op de monsters, zoals die door u voor analyse ter beschikking werden gesteld. Het onderzoek is, met uitzondering van eventueel uitbesteed onderzoek, uitgevoerd door Eurofins Omegam volgens de methoden zoals ze zijn vastgelegd in het geldende accreditatie-certificaat L086 en/of in de bundel "Analysevoorschriften Eurofins Omegam". De in dit onderzoek uitgevoerde onderzoeksmethoden van de geaccrediteerde analyses zijn in een aparte bijlage als onderdeel van dit analyse-certificaat opgenomen. De methoden zijn, voor zover mogelijk, ontleend aan de accreditatieprogramma's/schema's en NEN- EN- en/of ISO-voorschriften. Ik wijs u erop dat het analyse-certificaat alleen in zijn geheel mag worden gereproduceerd. Ik vertrouw erop uw opdracht volledig en naar tevredenheid te hebben uitgevoerd. Heeft u naar aanleiding van deze rapportage nog vragen, dan verzoek ik u contact op te nemen met onze klantenservice. Hoogachtend, namens Eurofins Omegam,
Ing. J. Tukker Manager productie
Op dit certificaat zijn onze algemene voorwaarden van toepassing. Dit analyse-certificaat mag niet anders dan in zijn geheel worden gereproduceerd.