CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

07 DOC-22-583728 - bijlage 5: bijlage bij de Toelichting

Gemeenteraad 27 oktober 2022, gemeente MedemblikBij agendapunt: Rvs Vaststelling bestemmingsplan 'Beldersweg 25 Andijk' (pfh: J. Broeders)21.492 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Beldersweg 25 Bestemmingsplan 1 september 2022

bestemmingsplan Beldersweg 25

Inhoudsopgave

Bijlagen toelichting

3

Bijlage 1

Landschappelijke inpassing

4

Bijlage 2

Verkennend bodemonderzoek

19

Bijlage 3

Aanvullend bodemonderzoek

126

Bijlage 4

Akoestisch onderzoek

163

Bijlage 5

Quick scan ecologie

201

Bijlage 6

Stikstofonderzoek

211

Bijlage 7

Quick scan archeologie

234

Bijlage 8

Advies Veiligheidsregio

242

2

bestemmingsplan Beldersweg 25

Bijlagen toelichting

3

bestemmingsplan Beldersweg 25

Bijlage 1 Landschappelijke inpassing

4

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING BEELDKWALITEITSPLAN VOOR BELDERSWEG 25 te ANDIJK

26 maart 2021

Bezoekadres: Kennemerstraatweg 464 1851 NG HEILOO

Postadres: Postbus 7, 1850AA HEILOO

Contact: info@visserenvandam.nl 06 484 764 92

KvK nr: 67673627 BTW nr: NL857124018B01 IBAN: NL82INGB0006371250

Inleiding Initiatiefnemer is voornemens de kassen en de schuur te slopen op zijn perceel en wil daarvoor in de plaats een nieuwe woning met schuur realiseren. De wens is om een traditioneel ogende woning van 1 laag met kap en voorzien van hooiberg (met nok van maximaal 12 meter hoog) te realiseren en deze herontwikkeling landschappelijk goed in te passen . Hierom komt de voorgevelrooilijn terug te liggen ten opzichte van de naastgelegen woning langs de Beldersweg.. De woning zal westelijk op het perceel gepositioneerd worden, waardoor de afstand tot de lintbebouwing vergroot zal worden. Het achtergelegen perceel blijft bereikbaar.

2

Referentiewoning (Noordmeerweg 1a 1151 CV Broek in Waterland)

De kaprichtingen zullen zowel van het hoofdgebouw als bijgebouw bijna haaks op de weg gepositioneerd worden, in lijn met de verkavelingsrichting, deze staat iets uit het lood ten opzichte van de weg. De ‘hooiberg’ zal een verbijzondering in de architectuur zijn. De provinciale verordening biedt ruimte om bij bedrijfsbeëindiging een nieuwe woning te realiseren als gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie rekening gehouden wordt met de ambities, ontwikkelprincipes en ontstaansgeschiedenis van het toepasselijke ensemble en de provinciale structuren. Voorliggend document brengt in beeld hoe het initiatief landschappelijk wordt ingepast en rekening houdt met de Leidraad. En hoe de ruimtelijke omgevingskwaliteit hierdoor zal verbeteren.

Ligging perceel Het perceel is gelegen aan de Beldersweg 25 te Andijk (zie blauwe cirkel):

De plangrens van het initiatief wordt hieronder weergegeven:

3

Huidig straatbeeld

4

Beldersweg west - oost

Huidig zicht op locatie

5

Beldersweg randen locatie

Bestemmingsplan Dorpskernen III

De huidige bestemming is Agrarisch – Glastuinbouw 2, met een dubbelbestemming archeologie 3. Een bedrijfswoning is uitgesloten.

6

Ontstaansgeschiedenis en kernwaarden Leidraad West-Friesland is ontstaan uit grote hoeveelheden sediment die zijn afgezet door het Zeegat van Bergen. Dit getijdebekken, dat tot ver in het binnenland reikte, zorgde voor opslibbing van zand en klei uit zee. Hierop vestigde zich al vroeg een groot aantal mensen in een relatief hoge dichtheid. West-Friesland is dan ook een archeologisch waardevol gebied, met in de bodem relicten van nederzettingen uit Steentijd, Bronstijd, IJzertijd en Romeins tijd (zie ook archeologie). Vooral de resten uit de Midden- en Late-Bronstijd uit oostelijk West-Friesland zijn uniek. Vanaf de IJzertijd vernatte het gebied waardoor er veen tot ontwikkeling kwam. Dit maakte het gebied ongeschikt voor bewoning. Vanaf de vroege middeleeuwen werd het veen in ontginning genomen. Om het gebied te ontwateren werden vanuit bestaande veenrivieren parallelle sloten het veen in gegraven. Op de droge toplaag kon men vervolgens wonen en akkers aanleggen. Een deel van de ontginningen werd beperkt door natuurlijke grenzen of bezitsgrenzen maar elders trok men onder druk van de bodemdaling steeds verder het veen in – net als in andere veengebieden. Om droge voeten te houden werden de nederzettingen verplaatst naar de hoogste plaatsen in het landschap, ten oosten van Hoorn en bij Medemblik lagen veel nederzettingen op kreekruggen.

Kreekruggen zijn kronkelende zandbanen die op veel plaatsen in West-Friesland voorkomen. De zandbanen zijn met zand opgevulde restanten van voormalige getijgeulen. De meeste nederzettingen in de veenontginningen kregen de vorm van langgerekte linten. Veel plaatsnamen in West-Friesland eindigend op –woud, -woude en –broek (zoals Westwoud en Grootebroek) herinneren nog aan het onontgonnen landschap en de veenvegetatie. Het veenpakket dat zich eerder op de kleibodem had ontwikkeld, is inmiddels verdwenen door oxidatie. Het gebied heeft echter wel de ruimtelijke karakteristieken van een veenontginningsgebied behouden. Doordat de gronden ter weerszijden van de opgevulde getijdegeulen zijn ingeklonken en het zand in de geulen niet, zijn deze met zand gevulde geulen nu lichte verhogingen in het landschap. Dit noemt men reliëfinversie. Vanaf omstreeks de 11e eeuw begon men met het aanleggen van dijken om de veenontginningen tegen inbraken van de zee te beschermen. Vanaf de tweede helft van de 13e eeuw vormden deze dijken één geheel: de Westfriese Omringdijk. Door de gesloten dijk nam de invloed van de zee sterk af. Nog altijd vormt de Omringdijk door zijn hoogte en als scheiding tussen landschapstypen die in verschillende periode zijn ontstaan, de markante begrenzing van het oude zeekleigebied.

In polder Het Grootslag is het landschap in de jaren 80 ingrijpend getransformeerd, veel sloten werden gedempt en er werd een wegennetwerk aangelegd, waaronder de Beldersweg waaraan het initiatief gelegen is.

7

1900

1950

8

1975

2014 (Bron topotijdreis)

Landschappelijke karakteristiek West-Friesland Oost is een oud zeekleilandschap met de karakteristiek van een veenontginningsgebied. Kenmerken zijn de lange veenlinten en opstrekkende kavels haaks op de linten. In Polder het Grootslag is het oorspronkelijke karakter van het gebied door de ruilverkaveling verloren gegaan. De vaarverkaveling is verdwenen en het gebied is nu relatief grootschalig van opzet. Veel sloten zijn gedempt en wegen zijn aangelegd om het gebied te ontsluiten. Openheid en ruimtebeleving Dit oostelijke deel is het minst open ensemble van West-Friesland. Het verloor de grootschalige openheid door de aanleg van woongebieden, bedrijventerreinen en agrarische bebouwing en is nu matig open tot gesloten. Ruimtelijke dragers In het Westfriese landschap zijn de ontginningsstructuren, vaarten en dijkwegen de belangrijkste lokale structuurlijnen. De lintdorpen zijn beeldbepalend en zijn van oudsher de ruimtelijke dragers van verstedelijking en van stolpenreeksen. De linten zijn vaak gelegen op de kreekruggen (Schellinkhout, Wijdenes, Oosterblokker, Opperdoes) en op oude dijken (Zwaagdijk, Andijk). Dynamiek De stedelijke dynamiek slaat hier vooral neer rond Hoorn en in mindere mate in Enkhuizen en Medemblik. De Westfrisiaweg (N23) verbindt dit gebied met Alkmaar en via de Houtribdijk met Flevoland.

De agrarische sector zorgt met bijvoorbeeld de fruitteelt, glastuinbouw, bollenbroeierijen, en zaadveredeling voor veel dynamiek in het landschap. Zeker ook in polder het Grootslag dragen deze sectoren bij aan een geheel eigen landschapsbeeld met omvangrijke bouwkavels en grote gebouwen, refererend aan het beeld van een bedrijventerrein. Het gebied ten zuidoosten van Wervershoof is aangewezen als glastuinbouwconcentratiegebied. Daarnaast vindt schaalvergroting en functieverbreding op de agrarische erven plaats. Hoogteligging Op de hoogtekaart is de Dijk goed zichtbaar en de slotenstructuur van de polder. Ook de “nieuwe” sloten langs de Beldersweg zijn zichtbaar.

9

Ambitie en ontwikkelprincipe Leidraad De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen: bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek, bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. Door de kassen te slopen en de sloot langs de Beldersweg te verlengen zal voorliggend plan het oorspronkelijke karakter van het gebied weer zichtbaar maken en zal de ruimtelijke kwaliteit op deze plek sterk verbeteren.

De openheid en ruimtebeleving zal door het slopen van de kassen en de schuur weer vergroot worden, behorend bij het kleinschalig en romantisch karakter van het binnendijkse landschap. Het zicht op het open en kleinschalige polderlandschap komt weer terug op deze plek.

Het slopen van de kassen zorgt ervoor dat het lint weer los komt van het agrarisch gebied. De beplantingsstructuur zal worden versterkt door opgaande beplanting alleen op het erf toe te voegen en geen beplanting langs de weg toe te voegen.

10

Welstandsnota Medemblik 2019

ligging locatie in Gebied 20: Buitengebied Van toepassing zijnde Welstandscriteria: Ligging • gebouwen met de voorgevel richten op de belangrijkste weg • gebouwen staan vrij op de kavel • rooilijnen van hoofdmassa's liggen terug en verspringen ten opzichte van elkaar • rooilijnen liggen parallel aan de weg of evenwijdig aan de verkaveling • bijgebouwen liggen achter het hoofdgebouw • opslag zoveel mogelijk achter op het terrein • landschappelijke inpassing maakt deel uit van de aanvraag Bouwmassa • gebouwen zijn individueel en afwisselend • woningen hebben bij voorkeur één bouwlaag met kap • geen dichte gevels of bergingen aan de straat • bijgebouwen hebben een eenvoudige vorm Architectonische uitwerking • de architectonische uitwerking en detaillering zijn zorgvuldig en gevarieerd • kozijnen, dakgoten, daklijsten en dergelijke eenvoudig tot rijk detailleren • gevelopeningen zijn staand • traditioneel Hollandse houten kozijnen en profileringen zijn ook bij toepassing van kunststof uitgangspunt • bijgebouwen waaronder schuren eenvoudiger maar net zo zorgvuldig detailleren als de hoofdmassa • wijzigingen en toevoegingen in stijl, maat en schaal zorgvuldig afstemmen op het hoofdvolume Materiaal en kleur • gevels in hoofdzaak uitvoeren in rood-bruine baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen • hellende daken van woningen en bijbehorende bijgebouwen in principe dekken met

donkere of rode keramische pannen • houtwerk schilderen: grote vlakken in donkere groentinten, donkerblauw of grijzen, kleinere elementen in traditionele contrasterende lichte tinten zoals gebroken wit dan wel lichtgroen of lichtgeel • kleuren zijn terughoudend Toevoegingen nav schetsontwerp: • Hooiberg zien als gevelaccent/verbijzondering. Hier afwijkende kapvorm toelaten binnen beeldkwaliteit. • Veel houtbeslagen gevels o.g., bij voorkeur zwart/antraciet. Oranje pannen op de hooiberg, daar waar de gevel wordt gepotdekseld een oranje trasraam, overig metselwerk (geveldelen) het roodbruine. • Variatie met donkere pannen open laten (bijv. 1 van de zadelkap delen). Gebakken pan. Stenen handvorm, geborsteld voegwerk.

11

Referenties beeldkwaliteit

12

Erfinrichtingsplan Op basis van de bestudeerde documenten zijn onderstaande hoofdelementen voor het erfinrichtingsplan voor de Beldersweg 25 bepaald, die als uitgangspunt zullen dienen voor de verdere planvorming. Het bouwvlak wordt westelijk op het perceel gepositioneerd, zodat de lintbebouwing weer los komt van de nieuwe bebouwing. De woning komt verspringend ten opzichte van de bestaande woning te liggen met aan de zijde van het bestaande lint leibomen en aan de westzijde een klein boomgaardje met fruitbomen in een carré, zodat het plan goed landschappelijk wordt ingepast. De bijgebouwen zullen in verband met de openheid achter de woning geplaatst worden. Water zal worden toegevoegd ter plaatse van de te slopen schuur, zodat enerzijds de zichtlijn en openheid richting de achtergelegen polder versterkt worden en anderzijds de Beldersweg landschappelijk wordt afgemaakt. Langs het water zullen wilgen komen. Aan deze zijde van de Beldersweg zal geen hoge beplanting komen. De beplantingsstructuur zal verder worden versterkt door opgaande beplanting alleen op het erf toe te voegen en geen beplanting langs de weg toe te voegen. Het voorerf zal een groen karakter krijgen en representatief worden ingericht, met voornamelijk gras en enkele solitaire bomen en boerenstruiken zoals boerenjasmijn, sering of hortensia. Het parkeren zal op het achtererf opgelost worden.

13

Erfinrichtingsplan op hoofdlijnen

Visualisaties

14

bestemmingsplan Beldersweg 25

Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek

19

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020403

INHOUDSOPGAVE

SAMENVATTING ............................................................................................................................ 2 1.

INLEIDING .............................................................................................................................. 3

2.

VOORONDERZOEK ............................................................................................................... 4 2.1 2.2 2.3

3.

BASISINFORMATIE ........................................................................................................ 4 HISTORISCH ONDERZOEK ........................................................................................... 4 ALGEMENE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ............................................... 5

OPZET BODEMONDERZOEK ............................................................................................... 6 3.1 3.2 3.3 3.4

4.

HYPOTHESE VERONTREINIGINGSSITUATIE ............................................................. 6 BEMONSTERINGSSTRATEGIE .................................................................................... 6 CHEMISCHE ANALYSES ............................................................................................... 7 TOETSINGSKADER ....................................................................................................... 7

RESULTATEN BODEMONDERZOEK ................................................................................... 9 4.1 4.2 4.3

RESULTATEN VELDONDERZOEK ................................................................................ 9 ANALYSERESULTATEN GROND ................................................................................ 11 ANALYSERESULTATEN GRONDWATER ................................................................... 11

5.

AANVULLEND BODEMONDERZOEK ................................................................................ 12

6.

ASBESTONDERZOEK ......................................................................................................... 13 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

ONDERZOEKSOPZET ................................................................................................. 13 TOETSINGSKADER ..................................................................................................... 13 RESULTATEN VELDONDERZOEK .............................................................................. 14 ANALYSERESULTATEN ASBEST IN PLAATMATERIAAL .......................................... 15 ANALYSERESULTATEN ASBEST IN GROND ............................................................ 15

7.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................. 16

7.

SLOTOPMERKINGEN .......................................................................................................... 18

8.

REFERENTIES ..................................................................................................................... 19

BIJLAGEN 1 2 3 4.1 4.2 4.3 5 6 7

Regionale situatie Lokale situatie met boorpunten/asbestgaten Boorprofielen Analysecertificaten laboratorium Toetsing grond volgens BoToVa Toetsing grondwater volgens BoToVa Gegevens vooronderzoek Foto´s huidige situatie Monsternameplan en -formulier asbest

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020403

SAMENVATTING Naar aanleiding van de aanvraag van een omgevingsvergunning is door Landview BV een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie Beldersweg 25 te Andijk, gemeente Medemblik. In het mengmonsters van de baksteenhoudende bovengrond uit de boringen 5, 7 en 8 is in eerste instantie een matig verhoogd gehalte aan cadmium geconstateerd. Daarnaast zijn licht verhoogde gehalten aan koper, zink, kwik, lood, som PAK en hexachloorbenzeen aangetroffen. De drie individuele monsters zijn onderzocht. In de bovengrond ter plaatse van boring 5 is een sterke verontreiniging, tot boven de interventiewaarde, met cadmium geconstateerd. In de bovengrond ter plaatse van de boringen 7 en 8 is geen verhoogd gehalte aan cadmium geconstateerd. In het andere mengmonsters van de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan koper, cadmium en hexachloorbenzeen aangetroffen. In het mengmonster van de ondergrond is een licht verhoogd gehalte aan hexachloorbenzeen aangetroffen. In het grondwater is een lichte verhoging van arseen aangetroffen. De overige onderzochte stoffen zijn niet in verhoogde concentraties aangetroffen. Op de locatie is een verkennend asbestonderzoek NEN 5707 uitgevoerd. Nabij de kas ligt op het beton een stapel asbesthoudend plaatmateriaal. Geadviseerd wordt om het materiaal door een erkend en gespecialiseerd bedrijf te laten verwijderen.

Zintuiglijk is geen asbest aangetroffen op of in de bodem. Van de grond zijn 3 mengmonsters onderzocht, door het laboratorium is geen asbest boven de detectielimiet aangetroffen. Aangetoond is dat er geen asbest in de grond aanwezig is. De aangetroffen verhogingen zijn, met uitzondering van het verhoogde gehalte aan cadmium in de grond uit boring 5, dusdanig gering of verklaarbaar uit omgevingsfactoren. Voor het instellen van een vervolgonderzoek op het overgrote deel van de locatie wordt geen aanleiding gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, op het overgrote deel van de locatie geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik, wonen met tuin. Aangezien ter plaatse van boring 5 de interventiewaarde voor cadmium wordt overschreden, bestaan er mogelijk risico's voor de volksgezondheid. Op basis van de huidige gegevens is er op de locatie sprake van een vermoeden voor de aanwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging voor cadmium in de grond. Om de verontreinigingen beter in kaart te brengen is nader bodemonderzoek noodzakelijk. Aan het bevoegd gezag kan worden gevraagd een uitspraak te doen of aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk is en of er sprake is van een spoedeisende sanering.

Deze beslissing wordt genomen op basis van de actuele risico's voor de mens en het ecosysteem bij het huidige of beoogde gebruik. Ook worden de actuele verspreidingsrisico's in de afweging betrokken. De uiteindelijke toetsende en handhavende taak ligt bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente / OD NHN. Deze samenvatting en de rapportage van de onderzoeksgegevens vormen een geheel.

-2-

Landview BV Bodemonderzoek

1.

Rapportnummer 2020403

INLEIDING

In opdracht van VOF Weverink is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging op de locatie Beldersweg 25 te Andijk, gemeente Medemblik. Het onderzoek is verricht door Landview BV, in de periode augustus - oktober 2020, conform de offerte van 8 juni 2020 en de gedurende het project gemaakte afspraken. Een bodemonderzoek wordt steekproefsgewijs uitgevoerd en betreft daarmee dus een momentopname. Hierdoor hebben de onderzoeksresultaten een beperkte geldigheidsduur. Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740 richtlijnen voor een verdachte locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging. De hypothese voor het onderzoek is, dat er verhoogde gehalten van zware metalen en of PAK in de mogelijk puin houdende grond aanwezig zijn. Het asbestonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5707 richtlijnen voor een verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld. Het veldwerk is, door KIWA gecertificeerde medewerkers, uitgevoerd onder het procescertificaat BRL SIKB 2000, conform de protocollen 2001, 2002 en 2018. Aanleiding voor het onderzoek is het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Daarvoor is het noodzakelijk dat de kwaliteit van de bodem wordt vastgelegd..

Doel van het onderzoek is aan te tonen dat de verwachte verhoogde gehalten verontreinigende stoffen in de grond op de locatie niet tot meer gebruiksbeperkingen leiden dan beperkingen in het hergebruik. Van hergebruik is sprake wanneer grond, die bij eventueel graafwerk is vrijgekomen, buiten de locatie wordt toegepast. Daarnaast wordt nagegaan of er inderdaad geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen, behalve mogelijk arseen en of barium van nature, aanwezig zijn in het grondwater. Doel van het verkennend asbestonderzoek is na te gaan of de verdenking van asbest terecht is. De chemische analyses van de (asbestverdachte) grond en het grondwater zijn verricht door Eurofins Omegam te Amsterdam. Dit laboratorium is geaccrediteerd door de Raad van Accreditatie. Landview BV is een onafhankelijk en erkend onderzoeksbureau. Er bestaat tussen de opdrachtgever cq. eigenaar van de locatie en Landview BV geen andere relatie dan die tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Het procescertificaat van Landview BV en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. Dit rapport heeft de volgende opbouw. Hoofdstuk 2 bevat een evaluatie van het vooronderzoek NEN 5725.

De opzet van het bodemonderzoek en het toetsingskader worden in hoofdstuk 3 weergegeven. De resultaten van het veldonderzoek en analyses staan in de hoofdstukken 4 en 5. In hoofdstuk 6 staan de opzet en resultaten van het asbestonderzoek weergegeven. Hoofdstuk 7 bevat de conclusies die hieruit kunnen worden getrokken, samen met aanbevelingen voor eventuele vervolgstappen.

-3-

Landview BV Bodemonderzoek

2.

Rapportnummer 2020403

VOORONDERZOEK

Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek is in augustus 2020 een vooronderzoek uitgevoerd volgens NEN 5725. Doel van het vooronderzoek is na te gaan of er op, of binnen een straal van 25 meter van, de onderzoekslocatie sprake is van de aanwezigheid van puntbronnen of overige potentieel bedreigende activiteiten. Op basis van de verzamelde gegevens wordt de onderzoeksstrategie opgesteld (zie hoofdstuk 3).

2.1

BASISINFORMATIE

De aanleiding tot het onderzoek is het verkrijgen van een omgevingsvergunning. De regionale situatie rond de onderzoekslocatie staat weergegeven in bijlage 1. De locatie bevindt zich buiten de bebouwde kom van Andijk. In bijlage 2 is een situatietekening van het terrein gegeven. Tabel 1: overzicht basisgegevens Kadastraal bekend : gemeente Andijk, sectie K, nummer 4242 (gedeeltelijk) Oppervlakte totaal : circa 4.500 m² Oppervlakte asbestverdacht : circa 4.500 m² Gebruik verleden : agrarisch Gebruik heden : agrarisch (woning met kas) Gebruik toekomst : mogelijk woningbouw

2.2

HISTORISCH ONDERZOEK

De gegevens van het historisch onderzoek zijn verzameld door Landview BV. Hierbij is gebruik gemaakt van informatie verkregen uit gesprekken met de opdrachtgever, eigenaren en of gebruikers van de locatie. Daarnaast is informatie verkregen van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (OD NHN). De informatie is bij voorkeur digitaal verkregen. Wanneer daartoe de noodzaak bestond, is aanvullende informatie verzameld door middel van archiefbezoek bij de gemeente of andere archieven. Voor verzamelen van de informatie is gebruik gemaakt van onderstaande bronnen. Tabel 2: overzicht geraadpleegde bronnen Aard Bron Bodeminformatie BIS Bodemkwaliteit Bodembedreigende activiteiten Toepassingen asbest Dempingen, activiteiten Voormalige activiteiten Bijzondere waarden

website OD NHN bodemkwaliteitskaart website OD NHN, www.bodemloket.nl locatie-inspectie, eerdere onderzoeken historische kaarten, opdrachtgever, locatie-inspectie lokale / regionale archieven, historische kaarten https://maps.noordholland.nl/extern/gisviewers/bodemvisie/ Archeologie http://archeologieinnederland.nl Verhardingen, bebouwingsgraad opdrachtgever / gebruiker, locatie-inspectie Eerdere onderzoeken opdrachtgever, eigen archief, OD NHN

relevantie groot gering X X X X X X X X X X

Bodemgebruik en situatie op het terrein: De locatie bevindt zich in landelijk gebied. De te onderzoeken locatie betreft een terrein met een oppervlakte van circa 4.500 m2, waarop een kas en een loods aanwezig is. De bestaande bebouwing wordt gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe woning (met tuin). De loods dateert, volgens de BAG viewer van het kadaster, uit 1960. De kas dateert volgens de gegevens uit 1985.

-4-

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020403

Tussen het woonhuis en de kas zijn verhardingen aanwezig; asfalt, stelconplaten en klinkers. Het overige deel van de locatie is niet verhard. Aan de oostzijde van de weg bevindt zich oude lintbebouwing (Middenweg). Aan de west- en noordzijde bevinden zich agrarische percelen. Volgens de bodemkwaliteitskaarten bevindt de locatie zich voor de bovengrond in zone B5 (buitengebied). Voor de ondergrond valt de locatie in zone O5 (buitengebied). Uit de kaarten blijkt dat op de locatie grond van kwaliteit “landbouw/natuur” verwacht kan worden. Bedrijvigheid / Potentiële bronnen van verontreiniging: Uit de Bodemrapportage van de OD NHN blijkt, dat op de locatie diverse bodemonderzoeken hebben plaatsgevonden. Tijdens de uitgevoerde onderzoeken uit 1994 en 1998 zijn hooguit licht verhoogde gehalten aan som PAK en EOX geconstateerd. In 2000 is een nulsituatie onderzoek uitgevoerd. Op basis van het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt en het feit dat de twee verdachte activiteiten boven een betonvloer plaatsvinden of hebben gevonden is besloten dat er geen onderzoek hoeft plaats te vinden (zie bijlage 5). Langs de Middenweg (oude lintbebouwing) zijn meerdere onderzoeken uitgevoerd, lokaal zijn sterke verontreinigingen aangetroffen. Bodemloket (www.bodemloket.nl) en het Het Westfries Archief hebben geen aanvullende gegevens over de locatie of de directe omgeving beschikbaar.

Vergelijking tussen luchtfoto’s en topografische atlassen uit verschillende perioden heeft opgeleverd, dat het verkavelingspatroon tot nu vrijwel niet gewijzigd is; de verkavelingstructuur is altijd haaks op de wegenstructuur geweest. De Beldersweg is voor het eerst zichtbaar op de topografische kaart van 1983. Bij bodemonderzoeken op vergelijkbare locaties zijn in puin houdende (boven)grond regelmatig verhoogde gehalten van zware metalen en of polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) aangetroffen, als gevolg van menselijke activiteiten in het verleden. Aangezien het een agrarisch gebruik betreft kunnen verhoogde gehalte aan bestrijdings- en gewasbeschermingsmiddelen (OCB’s) aanwezig zijn. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er brandstoftanks, met bodemvreemd materiaal gedempte sloten of aangevoerde verstevigingmaterialen op de locatie aanwezig zijn. Asbestverwachting: Op de locatie is een agrarisch bedrijf gevestigd. Vanwege een eventuele (ver)bouwdatum tussen de jaren ’30 en ’80 kunnen in de opstallen asbesthoudende materialen verwerkt zijn. Door uitvoering van een asbestinventarisatie onderzoek, welke geen deel uitmaakt van dit onderzoek, kan bekeken worden of asbesthoudende stoffen gebruikt zijn.

De grond op dergelijke locaties is regelmatig puinhoudend, puin is potentieel asbesthoudend Gezien de aard van de locatie is de kans op het aantreffen van asbestresten in de bodem als gevolg van bedrijfsmatige activiteiten, gebruik van asbesthoudende bouwstoffen, stortingen van asbestafval of asbestcalamiteiten wegens bijv. brand in de bodem, aanwezig. Het is niet de verwachting dat er meer dan 50 mg/kg ds asbest in de grond aanwezig is.

2.3

ALGEMENE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE

Op grond van kaartmateriaal en gegevens van de Rijksgeologische Dienst (RGD), het voormalige Instituut voor Cultuurtechniek en Waterhuishouding (ICW), de voormalige Stichting voor Bodemkartering (STIBOKA), het DLO Staring Centrum, de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO) en Landview BV kan de volgende bodemopbouw worden verwacht.

-5-

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020403

De locatie is gelegen in een gebied met een maaiveldhoogte van circa 2 m -NAP. Het freatisch grondwater bevindt zich op circa 1 m -maaiveld (mv). Dit betreft het ondiepe grondwater dat onder invloed van neerslag staat. De grondwaterstroming is naar het aanwezige oppervlaktewater toe gericht. Gezien de ligging nabij het IJsselmeer is er waarschijnlijk sprake van lokale kwel (opwaartse stroming van het grondwater). De Pleistocene ondergrond, afgezet tijdens de laatste ijstijd, bevindt zich op een diepte tussen de 10 en 20 m -NAP. Deze goed doorlatende zandlagen worden beschouwd als het 1e watervoerende pakket. Gedurende verschillende overstromingsfasen zijn in het Holoceen, vanaf circa 10.000 jaar geleden, door de zee op de Pleistocene ondergrond mariene sedimenten afgezet en is plaatselijk veenvorming opgetreden. Deze Holocene afzettingen vormen de slecht tot matig doorlatende deklaag. De locatie is gesitueerd in een voormalig waddenlandschap met geulen, kreken en kwelders. In de geulen en kreken is vooral zand afgezet, terwijl op de kwelders kleien sedimenteerden. De locatie ligt op een vlakte van getijafzettingen (kwelders) die voornamelijk bestaan uit zeeklei. Plaatselijk kunnen hierop veenresten voorkomen. Door menselijke beïnvloeding zijn natuurlijke bodemprofielen gewijzigd.

3.

OPZET BODEMONDERZOEK

3.1

HYPOTHESE VERONTREINIGINGSSITUATIE

Op grond van het vooronderzoek is voor de opzet van het bodemonderzoek uitgegaan van een verdachte locatie met heterogeen verdeelde verontreiniging, waar verhoogde gehalten van zware metalen en of polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) aangetroffen kunnen worden in de mogelijk puin houdende (boven)grond. Aangezien het een agrarisch gebruik betreft kunnen verhoogde gehalte aan bestrijdings- en gewasbeschermingsmiddelen (OCB’s) aanwezig zijn. In het grondwater worden, behalve arseen en of barium van nature, geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen verwacht.

3.2

BEMONSTERINGSSTRATEGIE

Uitgaande van een verdachte locatie met een oppervlakte van 4.500 m² worden, conform de NEN 5740 (VED-NL) en de BRL SIKB 2000 richtlijnen de onderstaande werkzaamheden verricht. Tabel 3: Werkzaamheden: Aantal grondboringen tot circa 0,5 m –mv Aantal grondboringen tot de grondwaterstand Aantal peilbuizen plaatsen (NEN) en monstername

14 3 1

Aantal analyses grond

3

Aantal analyses grondwater

1

De grond wordt in principe bemonsterd in trajecten van 0,5 m. Van deze algemene richtlijn kan worden afgeweken als tijdens het veldwerk duidelijk afwijkende lagen, zintuiglijke verontreinigingen of verschillende grondsoorten worden geconstateerd. De grondwaterstand bevindt zich op dusdanige diepte, dat de kwaliteit van het grondwater in het onderzoek dient te worden betrokken. Hiertoe wordt boring verricht, welke met een peilbuis wordt afgewerkt. De filterstelling van deze peilbuis is circa 0,5 m tot 1,5 m -grondwaterstand. Na een wachttijd van één week voor het herstel van het bodemchemisch evenwicht zal één grondwatermonster uit deze peilbuis worden genomen. Een zintuiglijke inspectie van het maaiveld en de opgeboorde grond op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen maakt deel uit van het onderzoek.

-6-

Landview BV Bodemonderzoek

3.3

Rapportnummer 2020403

CHEMISCHE ANALYSES

De grondmengmonsters en het grondwatermonster worden geanalyseerd op de stoffen van de standaardpakketten. Deze stoffen, die zijn geselecteerd door de overheid, vormen de belangrijkste parameters (graadmeters) voor mogelijke verontreinigingen. De analyses worden, conform de AS3000 richtlijnen, uitgevoerd door Eurofins Omegam uit Amsterdam. Dit laboratorium is geaccrediteerd door de Raad van Accreditatie. Grond De grondmonsters worden gekoeld getransporteerd en opgeslagen. De boven- en ondergrond worden onderzocht op de gehalten aan barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie (GC). Tevens worden bestrijdingsmiddelen onderzocht (OCB’s) De gehalten worden weergegeven in milligram per kilogram droge stof (mg/kg ds). Hiertoe wordt van de grond(meng)monsters het droge stofgehalte vastgesteld. Tevens worden representatieve monsters geanalyseerd op de gehalten aan organische stof en lutum (klei) ter vaststelling van de toetsingswaarden. Grondwater De grondwaterstand bevindt zich rond 1 m –mv. De vluchtige aromatische koolwaterstoffen en de vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen worden daarom bij voorkeur in het grondwater onderzocht. De aanwezigheid van deze vluchtige stoffen kan namelijk eerder worden aangetoond in het grondwater dan in de grond.

Het grondwater wordt onderzocht op de concentraties aan arseen, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, aromatische stoffen (inclusief naftaleen), (vluchtige) halogeen koolwaterstoffen en minerale olie. De concentraties worden weergegeven in microgrammen per liter (µg/l). De pH (zuurgraad), Ec (soortelijke geleiding) en troebelheid worden in het veld bepaald.

3.4

TOETSINGSKADER

Het toetsingskader voor verontreinigende stoffen in grond wordt gevormd door de achtergrond- en interventiewaarden uit de Regeling Bodemkwaliteit en de Circulaire Bodemsanering. Voor de toetsing van de grondwaterkwaliteit wordt het toetsingskader gevormd door de streef- en interventiewaarden. De analyseresultaten worden geïnterpreteerd aan de hand van deze toetsingskaders (zie bijlagen 4.2 en 4.3). De norm voor barium is (tijdelijk) ingetrokken. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium. De toetsingswaarden voor de verschillende stoffen in de grond zijn afhankelijk van de hierin aanwezige hoeveelheid klei (lutum) en organische stof, omdat de verontreinigingen zich aan deze bodemdelen hechten. De achtergrondwaarde (AW2000) van een bepaalde stof komt overeen met de gehalten zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. Bij overschrijding van deze achtergrondwaarde of de streefwaarde in het grondwater kunnen we spreken van een lichte verhoging.

Indien het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde (tussenwaarde) wordt overschreden, kunnen we spreken van een matige verhoging.

-7-

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020403

De interventiewaarde is de waarde waarboven sprake is van een ernstige vermindering of dreigende vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij overschrijding van de interventiewaarde spreken we van een sterke verontreiniging. Als grondmengmonsters zijn onderzocht, kunnen de gehalten in afzonderlijke monsters hoger zijn. In een aanvullend of nader onderzoek kunnen vervolgens de enkelvoudige monsters worden geanalyseerd. Alleen met aanvullende analyseresultaten kan doorgaans voldoende inzicht worden verkregen in de omvang van de verontreinigingen. De ernst van een verontreiniging is, conform de Wet Bodembescherming (Wbb), gerelateerd aan een omvangscriterium. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te kunnen spreken, dient voor ten minste één stof de interventiewaarde te worden overschreden in minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater. Als een voldoende beeld van de verontreinigingen is verkregen, kan een inschatting worden gemaakt van de eventuele risico's voor de volksgezondheid en de mogelijke gebruiksbeperkingen van de locatie. Verontreinigingen die geheel of grotendeels na 1 januari 1987 zijn ontstaan, vallen onder de zorgplicht in de Wbb en dienen in principe zo spoedig mogelijk, ongeacht de ernst van de verontreiniging, te worden verwijderd.

-8-

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020403

4.

RESULTATEN BODEMONDERZOEK

4.1

RESULTATEN VELDONDERZOEK

Het veldonderzoek is, zonder afwijkingen op de uitvoeringsvoorschriften, uitgevoerd op 31 augustus 2020 door de heer H. Manshanden. Tijdens het veldwerk zijn de volgende aandachtspunten voor mogelijke bodemverontreiniging naar voren gekomen. In de kas is een A/B bak aanwezig waarin bemestingsmiddelen worden gemengd. In de schuur is op de betonvloer een opslag van olievaten en bestrijdings- en gewasbeschermingsmiddelen aanwezig, de schuur was afgesloten. Gelijkmatig verdeeld over het terrein zijn handmatig met behulp van de Edelmanboor 3 grondboringen tot de grondwaterstand en zijn 14 boringen tot 0,5 m -mv verricht. Daarnaast is 1 peilbuisboring verricht, waarin een filter is geplaatst. De peilbuis is geplaatst in de kas, nabij de mengbak. Ter plaats van de schuur is aan de buitenzijde van de opslag een boring tot de grondwaterstand verricht. Het algemene, kenmerkende bodemprofiel op de locatie tot een diepte van circa 2,3 m -mv bestaat overwegend uit sterk siltige klei in de diepere ondergrond zijn zand en veenlagen aanwezig. Lokaal is een dunne laag zand opgebracht voor het straatwerk. Tijdens het veldwerk zijn lokaal zwakke tot matige bijmengingen met baksteenpuin waargenomen. De zintuiglijke bijzonderheden staan in de onderstaande tabel weergegeven. Tabel 4: Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Boring 04 05 07 08

Diepte boring (m -mv) 1,20 0,50 0,50 0,50

Traject (m -mv) 0,50 - 0,90 0,10 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50

Grondsoort

Waargenomen bijzonderheden

Klei Klei Klei Klei

matig gleyhoudend matig baksteenhoudend zwak baksteenhoudend zwak baksteenhoudend

Zintuiglijk is geen asbestverdacht materiaal op het maaiveld of in de opgeboorde grond aangetroffen. Aangezien de boringen met een Edelmanboor (diameter 12 cm) zijn verricht, is deze informatie slechts indicatief. Aan de buitenzijde van de kas liggen asbestverdachte golfplaten, deze liggen echter op het beton. Er is voor gekozen om een asbestonderzoek volgens de NEN 5707 voor een verdachte locatie met een duidelijke verontreinigingskern uit te voeren. Ter plaatse van de woning en het schuurtje. De resultaten van het verkennend asbestonderzoek staan weergegeven in hoofdstuk 6. Uit de in het veld genomen enkelvoudige monsters van de grond zijn door het laboratorium, volgens de opdracht van Landview BV, in totaal 3 mengmonsters samengesteld. Bij de monstername en monsterselectie is soms afgeweken van de trajecten van 0,5 m gezien de geconstateerde textuurverschillen en verdachtheid. In de onderstaande tabel staat de monster selectie en de bijbehorende analyses weergegeven. Tabel 5: Monsterselectie Analysemonster mm1

Traject (m -mv) 0,00 - 0,50

mm2

0,00 - 0,60

mm3

0,50 - 1,00

Deelmonsters

Analysepakket

05 (0,10 - 0,50) 07 (0,00 - 0,50) 08 (0,00 - 0,50) 01 (0,00 - 0,50) 02 (0,15 - 0,60) 14 (0,00 - 0,50) 18 (0,00 - 0,50) 01 (0,50 - 1,00) 02 (0,60 - 0,90) 03 (0,50 - 0,95) 04 (0,50 - 0,90)

AS3000: Standaard bodem incl lutum humus OCB

AS3000: Standaard bodem incl lutum humus OCB

AS3000: Standaard bodem incl lutum humus OCB

-9-

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020403

Ter bemonstering van het grondwater is grondboring 1 afgewerkt met een peilbuis. Het filter is conform NEN geplaatst, gebaseerd op de tijdens het veldonderzoek ingeschatte grondwaterstand van circa 0,9 m -mv. De verbinding tussen filter en stijgbuis is geklemd. Het filter is voorzien van een filterkous. Tot een halve meter boven het filter is het boorgat opgevuld met filtergrind; hierboven is een halve meter opgevuld met Bentoniet (zwelklei). De peilbuis is niet ingemeten ten opzichte van NAP, omdat bij verkennend bodemonderzoek hieraan geen prioriteit wordt gegeven. Om representatieve grondwatermonsters te verkrijgen is, na het plaatsen van de peilbuis en voor de monstername, een hoeveelheid water afgepompt gelijk aan driemaal de boorgatinhoud. Tijdens het afpompen zijn de Ec en de pH van het opgepompte water gemeten totdat deze constant bleven. Bij het schoonpompen is een goede toestroming van het grondwater geconstateerd. De bemonstering is op 08 september 2020 door de heer H. Manshanden uitgevoerd. De filterstelling van de bemonsterde peilbuis, de grondwaterstand (gws), de zuurgraad (pH), de soortelijke geleiding (Ec), de troebelheid en eventuele zintuiglijke afwijkingen zijn weergegeven in tabel 3. Tabel 6: Metingen grondwater Peilbuis 01

Filterdiepte (m -mv) 1,50 - 2,50

Grondwater-stand (m -mv) 0,92

pH (-) 7,1

EC (µS/cm) 932

Troebelheid (NTU) 78

De soortelijke geleiding en de zuurgraad van het grondwater, gemeten in het veld, weken niet af van de te verwachten waarden, gezien het bodemtype en de geohydrologische situatie op de locatie. De natuurlijke troebelheid ligt tussen 0 en 10 FTU. Naar onze mening is, ondanks de verhoogde troebelheidswaarde, toch een representatief monster verkregen voor analyse. Bij de interpretatie wordt rekening gehouden met de gemeten hogere troebelheid. De boorpunten (1 t/m 18) zijn aangegeven op de situatietekening van bijlage 2. In bijlage 3 worden de beschrijvingen van de boringen, de peilbuis, de zintuiglijke waarnemingen en de monstername weergegeven. Zintuiglijk waarneembare afwijkingen ten aanzien van de aanwezigheid van bodemvreemde bijmengingen en de kleur van het bodemmateriaal zijn qua aard en mate beschreven.

- 10 -

Landview BV Bodemonderzoek

4.2

Rapportnummer 2020403

ANALYSERESULTATEN GROND

Ter vaststelling van de toetsingswaarden voor de grond zijn voor dit onderzoek het organische stofgehalte en de lutumfractie van representatieve grondsoorten door het laboratorium bepaald. De analyseresultaten staan weergegeven op de analysecertificaten van bijlage 4.1, waarop tevens de gebruikte analysemethoden zijn aangegeven. De toetsing voor de grond volgens de BoToVa (Bodem Toets- en Validatieservice) van Rijkswaterstaat Leefomgeving staat weergegeven in bijlage 4.2. Tabel 7: Overschrijdingstabel grond Analysemonster mm1

mm2

mm3 > AW >I Index

Traject (m -mv) 0,00 - 0,50

> AW (+index)

> I (+index)

Koper (0,11) Zink (0,4) Cadmium (0,89) Kwik (0,01) Lood (0,11) PAK 10 VROM (0,1) Hexachloorbenzeen (HCB) (-) 0,00 - 0,60 Koper (0,15) Cadmium (0,01) Hexachloorbenzeen (HCB) (0,01) 0,50 - 1,00 Hexachloorbenzeen (HCB) (0,01) : > Achtergrondwaarde : > Interventiewaarde : (GSSD - AW) / (I - AW)

-

BBK monster-conclusie indicatief Niet Toepasbaar > industrie

-

Klasse industrie

-

Klasse wonen

In het mengmonster van de baksteenhoudende bovengrond (mm1) overschrijdt het gehalte aan cadmium het gemiddelde van de achtergrond- en de interventiewaarde. Daarnaast overschrijden de gehalten aan koper, zink, kwik, lood, som PAK en hexachloorbenzeen de achtergrondwaarden. In het mengmonster van de bovengrond (mm2) overschrijden de gehalten aan koper, cadmium en hexachloorbenzeen de achtergrondwaarden. In het mengmonster van de ondergrond (mm3) overschrijdt het gehalte aan hexachloorbenzeen de achtergrondwaarde.

4.3

ANALYSERESULTATEN GRONDWATER

De analyseresultaten staan weergegeven op de analysecertificaten van bijlage 4.1, waarop tevens de gebruikte analysemethoden zijn aangegeven. De toetsing voor het grondwater volgens de BoToVa staat weergegeven in bijlage 4.3. Tabel 8: Overschrijdingstabel grondwater Peilbuis 01 >S >I Index

Filterdiepte > S (+index) (m -mv) 1,50 - 2,50 Arseen (0,02) : > Streefwaarde : > Interventiewaarde : (GSSD - S) / (I - S)

> I (+index) -

In het grondwatermonster uit de peilbuis overschrijdt de concentratie van arseen de streefwaarde.

- 11 -

Landview BV Bodemonderzoek

5.

Rapportnummer 2020403

AANVULLEND BODEMONDERZOEK

Gezien de analyseresultaten van het mengmonster van de baksteenhoudende bovengrond is in een 2de fase een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Aangezien het gehalte aan cadmium in het mengmonster van de bovengrond (mm1) de halve som van de achtergrond- en interventiewaarde overschrijdt, bestaat formeel een vermoeden van ernstige bodemverontreiniging. Alvorens een nader onderzoek wordt ingesteld, worden in eerste instantie enkelvoudige grondmonsters onderzocht voor het verkrijgen van een beeld over de ruimtelijke verdeling van de verontreinigingen. Daarnaast kan meer zekerheid over mogelijke actuele risico's voor de volksgezondheid en eventuele gebruiksbeperkingen worden verkregen. Voor een betere inschatting van de omvang van de verontreinigingen zijn de 3 enkelvoudige baksteenhoudende monsters geanalyseerd op het gehalte aan cadmium, inclusief organische stof en lutum. De analyseresultaten staan weergegeven op de analysecertificaten van bijlage 4.1, waarop tevens de gebruikte analysemethoden zijn aangegeven. De toetsing voor de grond volgens de BoToVa (Bodem Toets- en Validatieservice) van Rijkswaterstaat Leefomgeving staat weergegeven in bijlage 4.2. Tabel 9: Overschrijdingstabel grond Analysemonster 5 7 8 > AW >I Index

Traject (m -mv) 0,10 - 0,50

> AW (+index)

> I (+index)

-

Cadmium (3,5)

0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 : > Achtergrondwaarde : > Interventiewaarde : (GSSD - AW) / (I - AW)

-

BBK monster-conclusie indicatief Niet Toepasbaar > Interventiewaarde Altijd toepasbaar Altijd toepasbaar

In het bovengrondmonster uit boring 5 overschrijdt het gehalte aan cadmium de interventiewaarde. In de bovengrondmonsters uit de boringen 7 en 8 is geen verhoogd gehalte aan cadmium geconstateerd.

- 12 -

Landview BV Bodemonderzoek

6.

Rapportnummer 2020403

ASBESTONDERZOEK

Bij een verkennend asbestonderzoek wordt met een relatief geringe onderzoeksinspanning nagegaan of de verdenking op de aanwezigheid van asbest in de bodem terecht is. Tevens kan een indicatieve uitspraak gedaan worden over het asbestgehalte in de bodem. Een verkennend asbestonderzoek bestaat uit een visuele inspectie van het maaiveld en de opgeboorde of opgegraven grond uit de actuele contactzone of de ondergrond. Een uitspraak over mogelijke verontreiniging van de bodem kan worden gedaan op basis van verzamelde stukken asbesthoudend materiaal en (meng)monsters grond.

6.1

ONDERZOEKSOPZET

Op basis van de tot nu toe bekende gegevens betreft de locatie een verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld. We gaan er, in eerste instantie, van uit dat er desondanks geen of nauwelijks asbest aanwezig is, waardoor gewerkt kan worden met een basispakket veiligheidsmaatregelen. De locatie heeft een oppervlakte van circa 4.500 m2. Het maaiveld wordt uitgebreid visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. Indien asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen, moet de locatie mogelijk worden verdeeld in meer en minder verdachte deellocaties met mogelijk verschillende onderzoekshypotheses. De visuele inspectie en de monstername zullen, door KIWA gecertificeerde medewerkers, volgens de NEN 5707, het procescertificaat BRL SIKB 2000 en protocol 2018 worden uitgevoerd. Indien de grond > 50 volume% bodemvreemd materiaal bevat, worden de veldwerkzaamheden conform de NEN 5897 uitgevoerd. Gezien de resultaten van het eerder uitgevoerde bodemonderzoek, kunnen de werkzaamheden echter conform de NEN 5707 worden uitgevoerd. Doel van het verkennend asbestonderzoek is na te gaan of de verdenking van asbest terecht is. Middels inspectie en meting wordt nagegaan of de verwachting terecht is, dat niet meer dan 50 mg (gewogen) asbest / kg ds in en op de grond aanwezig is. Op de locatie worden handmatig gaten gegraven (min.

0,3 x 0,3 m) tot in de onverdachte ondergrond (circa 0,5 m –mv). Tabel 10: Werkzaamheden asbestonderzoek NEN 5707 Locatie 4.500 m2, proefgaten 14

analyses grond asbest

3

De uitkomende grond wordt visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Van de gezeefde grond worden 3 mengmonsters samengesteld, welke door het laboratorium wordt onderzocht op de aanwezigheid van asbest.

6.2

TOETSINGSKADER

Indien visueel geen asbesthoudend materiaal is waargenomen en analytisch geen aantoonbaar gehalte aan asbest wordt gevonden, kan worden geconcludeerd dat op de locatie geen asbest is aangetoond. Indien tijdens een verkennend asbestonderzoek een gehalte aan asbest kleiner dan de helft van de interventiewaarde wordt gevonden, is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader asbestonderzoek de interventiewaarde niet zal worden overschreden. Bij een gehalte aan asbest groter dan de helft van de interventiewaarde zal een nader asbestonderzoek, gericht op het vaststellen van de omvang van de verontreiniging, uitgevoerd dienen te worden.

- 13 -

Landview BV Bodemonderzoek

6.3

Rapportnummer 2020403

RESULTATEN VELDONDERZOEK

De visuele inspectie en monstername is op 14 september 2020 uitgevoerd door de heer F. Borst. Door de eigenaar van het perceel is aangegeven dat in het midden van de kas geen gaten gegraven mogen worden in verband met de gewassen in de kas. Een aantal gaten is aan de rand van de kas gegraven. Tijdens de visuele inspectie was het zicht groter dan 50 meter en was van het maaiveld minimaal 25% vrij van objecten, vegetatie en plassen. De bovengrond op de locatie is als verdachte bodemlaag beschouwd. De veldwerkzaamheden zijn volgens de planning uitgevoerd. De veldvochtigheid was tijdens de veldwerkzaamheden hoog genoeg (>10%), waardoor het risico op het vrijkomen van vezels uit de bodem zeer gering was. De inspectie-efficiëntie wordt ingeschat op maximaal 70% (zie bijlage 7). Op de locatie ligt, op het beton, naast de kast een stapel golfplaten. Om na te gaan of dit daadwerkelijk asbesthoudend is, is een los deel hiervan meegenomen (plaat). Tijdens de visuele inspectie is op het maaiveld geen asbestverdacht plaatmateriaal (stukken groter dan 20 mm) waargenomen. Op basis van de visuele inspectie hoeft de onderzoeksopzet (diffuus belaste locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging) niet te worden gewijzigd. Op de locatie zijn 14 proefgaten gegraven van circa 0,3 x 0,3 m tot circa 0,5 m –mv. De verdachte laag heeft een dikte van circa 0,5 m.

In de verdachte laag zijn bijmengingen met baksteen waargenomen. Zeer lokaal zijn bijmengingen met puin, beton en glas aangetroffen. Onder de verdachte laag zijn zintuiglijk geen bijmengingen meer aanwezig. In de onderstaande tabel staan de waaarnemingen per proefgat weergegeven. Tabel 11: Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Boring Gat 01

Diepte boring (m -mv) 1,20

Gat 02 Gat 03 Gat 04 Gat 05 Gat 07

0,50 0,50 0,50 1,20 0,50

Gat 08 Gat 10 Gat 11 Gat 12

0,50 0,50 0,50 1,20

Gat 14

0,50

Traject (m -mv) 0,15 - 0,50 0,50 - 0,90 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,20 - 0,50 0,15 - 0,50 0,00 - 0,50

Grondsoort

Waargenomen bijzonderheden

Klei Zand Klei Klei Klei Klei Klei

0,00 - 0,50 0,15 - 0,50 0,10 - 0,50 0,00 - 0,50 0,70 - 1,20 0,00 - 0,50

Klei Klei Klei Klei Zand Klei

resten baksteen matig gleyhoudend resten baksteen resten baksteen, resten beton resten baksteen resten baksteen zwak puinhoudend, resten baksteen, zwak zandhoudend resten baksteen resten baksteen resten baksteen resten baksteen matig gleyhoudend resten baksteen, resten glas

De grond uit de proefgaten is uitgelegd, geharkt en gezeefd. In de grond uit de gaten en in de opgeboorde grond is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Op basis van de waarnemingen is de onderzoeksopzet niet gewijzigd. Van de uitkomende grond is 1 mengmonster samengesteld (een per deellocatie) en door het laboratorium, volgens de opdracht van Landview BV, onderzocht op de aanwezigheid van asbest (materiaal kleiner dan 20 mm). In de onderstaande tabel staat de monsterselectie weergegeven. Tabel 12: Monsterselectie Analysemonster mmas1 mmas2 mmas3

Traject (m -mv) 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50

Deelmonsters

Analysepakket

Gat 1, 2, 3 en 4 Gat 5, 6, 7, 8 en 9 Gat 10, 11, 12, 13 en 14

AS3000 : Asbest grond NEN5898 < 17.5kg AS3000 : Asbest grond NEN5898 < 17.5kg AS3000 : Asbest grond NEN5898 < 17.5kg

- 14 -

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020403

De locaties van de gaten zijn aangegeven op de situatietekening van bijlage 2. In bijlage 3 worden de beschrijvingen van de gaten, de zintuiglijke waarnemingen en de monstername weergegeven.

6.4

ANALYSERESULTATEN ASBEST IN PLAATMATERIAAL

Van het aangetroffen plaatmateriaal, stukken groter dan 20 mm, is door het laboratorium 1 deel onderzocht op de aanwezigheid van asbest. De analyseresultaten van de monsters staan weergegeven op de analysecertificaten van bijlage 4.1, waarop tevens de gebruikte analysemethoden zijn aangegeven. Het onderzochte plaatmateriaal dat is aangetroffen op het beton (plaat) bestaat voor 5-10% uit crysotielasbest. Het betreft hechtgebonden asbest.

6.5

ANALYSERESULTATEN ASBEST IN GROND

Van de grond zijn 3 mengmonsters samengesteld, welke door het laboratorium zijn onderzocht op het gehalte aan asbest, conform NEN 5898. Het gaat hierbij om materiaal met afmetingen kleiner dan 20 mm. De analyseresultaten van het onderzoek naar asbest staan weergegeven op de analysecertificaten van bijlage 4.1, waarop tevens de gebruikte analysemethoden zijn aangegeven. Tabel 10: Asbest in grond Analysemonster

Traject (m -mv)

mmas1 mmas2 mmas3

0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50

Gewogen concentratie asbest mg/kg d.s. (fractie < 20 mm) <0,6 <0,2 <0,2

Soort asbest

-

In de onderzochte grond uit de 3 mengmonsters is door het laboratorium geen asbest boven de bepalingsgrens aangetroffen.

- 15 -

Landview BV Bodemonderzoek

7.

Rapportnummer 2020403

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

In het mengmonsters van de baksteenhoudende bovengrond uit de boringen 5, 7 en 8 is in eerste instantie een matig verhoogd gehalte aan cadmium geconstateerd. Daarnaast zijn licht verhoogde gehalten aan koper, zink, kwik, lood, som PAK en hexachloorbenzeen aangetroffen. De drie individuele monster zijn onderzocht. In de bovengrond ter plaatse van boring 5 is een sterke verontreiniging, tot boven de interventiewaarde, met cadmium geconstateerd. In de bovengrond ter plaatse van de boringen 7 en 8 is geen verhoogd gehalte aan cadmium geconstateerd. In het andere mengmonster van de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan koper, cadmium en hexachloorbenzeen aangetroffen. In het mengmonster van de ondergrond is een licht verhoogd gehalte aan hexachloorbenzeen aangetroffen. In het grondwater is een lichte verhoging van arseen aangetroffen. De overige onderzochte stoffen zijn niet in verhoogde concentraties aangetroffen. De hypothese dat in de grond verhoogde gehalten verontreinigende stoffen aanwezig zijn, wordt in het onderzoek bevestigd. De hypothese dat in het grondwater geen verhoogde concentraties aanwezig zijn, behalve van nature verhoogde concentraties, wordt in het onderzoek bevestigd. De verhoogde gehalten van zware metalen en som PAK in de grond kunnen worden verklaard door de aanwezigheid van baksteen in de grond.

In baksteen houdende grond worden regelmatig verhoogde gehalten aan dergelijke stoffen aangetroffen. Daarnaast kunnen de verontreinigingen zijn ontstaan door menselijke activiteiten op de locatie. Het licht verhoogde gehalte aan hexachloorbenzeen kan mogelijk worden verklaard door het gebruik van bestrijdingsmiddelen (OCB’s) in het verleden. De geconstateerde gehalten voldoen aan de te verwachte kwaliteit in vergelijkbare omstandigheden. Voor het instellen van een vervolgonderzoek wordt daarom geen aanleiding gezien. In (delen van) Nederland worden in het grondwater veelvuldig verhoogde concentraties arseen geconstateerd, waarvoor een natuurlijke oorzaak wordt verondersteld. In het kader van verkennend bodemonderzoek wordt aan een vervolgonderzoek geen hoge prioriteit gegeven. Op de locatie is een verkennend asbestonderzoek NEN 5707 uitgevoerd. Nabij de kas ligt op het beton een stapel asbesthoudend plaatmateriaal. Geadviseerd wordt om het materiaal door een erkend en gespecialiseerd bedrijf te laten verwijderen Tijdens de visuele inspectie van het verkennend asbestonderzoek is er geen asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen op het maaiveld. Tijdens het graven van de proefgaten, het zeven/ uitharken van de grond en de monstername is eveneens geen asbestverdacht materiaal waargenomen.

Van de grond zijn 3 mengmonsters onderzocht, door het laboratorium is geen asbest boven de detectielimiet aangetroffen. Aangetoond is dat er geen asbest in de grond aanwezig is. De toetsingswaarde van 50 mg/kg d.s. wordt niet overschreden. Op basis van de nu bekende gegevens wordt de onderzochte locatie, als asbestvrij beschouwd en wordt voor aanvullend asbestonderzoek geen aanleiding gezien. Er zijn tevens geen redenen om aan te nemen dat in de kas wel asbest aanwezig is in de grond. De aangetroffen verhogingen zijn, met uitzondering van het verhoogde gehalte aan cadmium in de grond uit boring 5, is dusdanig gering of verklaarbaar uit omgevingsfactoren. Voor het instellen van een vervolgonderzoek op het overgrote deel van de locatie wordt geen aanleiding gezien.

- 16 -

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020403

Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, op het overgrote deel van de locatie geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik, wonen met tuin. Aangezien ter plaatse van boring 5 de interventiewaarde voor cadmium wordt overschreden, bestaan er mogelijk risico's voor de volksgezondheid. Teneinde hierover uitspraken te kunnen doen en na te kunnen gaan in hoeverre risico's voor de ecologie of verspreidingsrisico's aanwezig zijn, is nader onderzoek noodzakelijk. Hiertoe dient in eerste instantie de omvang van de verontreinigingen beter in kaart te worden gebracht. Als de verontreinigingssituatie voldoende vaststaat, kan aan het bevoegd gezag worden gevraagd een uitspraak te doen of er sprake is van een spoedeisende sanering. Deze beslissing wordt genomen op basis van de actuele risico's voor de mens en het ecosysteem bij het huidige of beoogde gebruik. Ook worden de actuele verspreidingsrisico's in de afweging betrokken. Indien sprake is van een spoedeisende sanering, zal een tijdstip worden bepaald waarop met de sanering dient te worden begonnen. Daarnaast kan spoed aanwezig zijn voor het nemen van sanerende maatregelen wegens nieuwbouwplannen of overdracht van het terrein. Bij graafwerkzaamheden op het terrein kunnen er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie bestaan.

Voor hergebruik van grond buiten de locatie is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Sterk verontreinigde grond mag niet buiten de locatie worden toegepast. Op basis van de nu bekende gegevens moet worden gesteld dat op de locatie mogelijk sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Alle werkzaamheden in en op de sterk verontreinigde bodem (o.a. graafwerkzaamheden) worden als saneringswerkzaamheden gezien. Deze werkzaamheden moeten worden gemeld aan het bevoegd gezag, bijvoorbeeld middels een melding in het kader van Besluit Uniforme Saneringen (BUS-melding). Nu wordt reeds aangegeven dat de aannemer die de eventuele (sanering) werkzaamheden, in of op de bodem, uit gaat voeren BRL 7000 gecertificeerd moet zijn en dat de saneringswerkzaamheden moeten worden begeleid door een milieukundig begeleider, welke is gecertificeerd voor de BRL 6000. Gezien de geconstateerde verontreinigingen in de grond zullen graafwerkzaamheden op last van de ARBO moeten gebeuren onder extra veiligheidsmaatregelen. Conform de CROW400 wordt graafwerk op de locatie, ondanks de overschrijding van de interventiewaarde voor zink, geen veiligheidsklasse van toepassing. Deze indeling is indicatief en moet worden gecontroleerd door een veiligheidsdeskundige. De uiteindelijke toetsende en handhavende taak ligt bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente / OD NHN.

- 17 -

Landview BV Bodemonderzoek

8.

Rapportnummer 2020403

SLOTOPMERKINGEN

Het onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht door Landview BV. Een bodem- of asbestonderzoek wordt steekproefsgewijs uitgevoerd. Hierdoor hebben de onderzoeksresultaten een beperkte geldigheidsduur. Hoewel de grootste zorgvuldigheid wordt betracht bij de uitvoering van het onderzoek is het, juist door de steekproefsgewijze bemonstering, mogelijk dat plaatselijk afwijkingen in het bodemprofiel aanwezig zijn, welke tijdens het onderzoek niet naar voren zijn gekomen. Landview BV aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor hieruit voortvloeiende schade of gevolgen van welke aard dan ook. Bodemonderzoek dient in principe na eventuele sloop van opstallen plaats te vinden. Aangezien inpandige boringen niet mogelijk waren, kan het bevoegd gezag aanvullend onderzoek eisen na sloop. Dit om na te gaan of onder de (voormalige) bebouwing afwijkend bodemmateriaal aanwezig is. In dit kader wordt tevens opgemerkt dat Landview BV niet kan instaan voor de volledigheid en juistheid van door derden verstrekte informatie en van eventueel door derden uitgevoerd (voor)onderzoek. Het uitgevoerde bodem- en asbestonderzoek betreft een momentopname. Beïnvloeding van bodemkwaliteit zal ook plaats kunnen vinden na uitvoering van dit onderzoek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=590aee8e-4659-4d15-ab1d-11eb05c930f1