06 Beantwoording commissievragen VVD raadscie. 2-2 (agendapunt 8.1 Bespreeknotitie Richtinggevende kaders Meerjarenbeleidsplan en inkoop Wmo en Jeugd) en raadscie. 6-2 (agendapunt 4.1 Raadsvoorstel beleidsuitgangspunten Inkoop Jeugd en Wmo Westfriesland 2024 e.v.)
Tekst van het document
Beantwoording vragen voorafgaand aan de raadscommissie Nummer Zaaknummer Naam commissielid Fractie Onderwerp
DOC-23-641053 Z-22-434445 T. Beerepoot VVD Commissievragen VVD raadscie. 2-2 (agendapunt 8.1 Bespreeknotitie Richtinggevende kaders Meerjarenbeleidsplan en inkoop Wmo en Jeugd) en raadscie. 6-2 (agendapunt 4.1 Raadsvoorstel beleidsuitgangspunten Inkoop Jeugd en Wmo Westfriesland 2024 e.v.) Datum waarop de vraag is gesteld 27 januari 2023 Beantwoording uiterlijk woensdag 15:00 uur, voorafgaand aan de raadscommissie. Portefeuillehouder Afdeling
1.
In regionaal verband zijn de raadsvoorstellen voorbereid en uitgewerkt. Waarom zijn het evaluatierapport RGW, de beleidsuitgangspunten en de inkoop niet eerst, in regionaal verband, met elkaar besproken ?
antwoord
Het evaluatierapport RGW en de beleidsuitgangspunten inkoop zijn bestuurlijk en ambtelijk op regionaal niveau voorbereid en besproken. Ook het vervolgproces vindt in regionaal verband plaats.
2.
Voor segment B wordt een overbruggingsaanbod tot 01-01-2025 opgevraagd en segment C wordt verlengd tot 01-01-2025. De overige diensten worden weer voor 4 jaar ingekocht. Waarom worden niet alle diensten (volgens de eerste of tweede procedure) verlengd tot 01-01-2025 ?
antwoord
Alle contracten lopen per 01-01-2024 af. Daarom is voor de trajecten gekeken naar 2 opties: aanbesteden per 01-01-2024 of aanbesteden per 01-01-2025. Bij een keuze voor de laatste optie is een overbruggingsaanbod noodzakelijk. Hierop vormt alleen het contract voor jeugdhulp segment C een uitzondering, aangezien daar nog een verlengingsmogelijkheid in het contract zit. De afweging of een traject wordt aanbesteed per 2024 of 2025 is gemaakt op basis van de complexiteit van het traject (juridisch en inhoudelijk) en de complexiteit van het zorglandschap (hoeveel aanbieders leveren deze ondersteuning). Voor de meest complexe trajecten, namelijk segment B Jeugd en Wmo en segment C Jeugd is gekozen voor aanbesteden per 01-01-2025. Voor de minder complexe trajecten is gekozen voor aanbesteden per 01-01-2024, zodat 1) een overbruggingsaanbod niet nodig is en 2) de aanbestedingsdruk in de toekomst gelijker verdeeld is over de jaren.
3.
Waarom wordt de inkoop overigens in gescheiden trajecten uitgevoerd ? Bent u niet bang dat dit ten koste van de integrale samenwerking gaat ? Ook nu al wordt geconstateerd dat het werken met hoofd- en onderaannemers niet optimaal functioneert en dat de overgang van de jeugdzorg naar de WMO, bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd, niet vlekkeloos verloopt.
antwoord
De inkoop verloopt in gescheiden trajecten omdat afhankelijk van de aard van de ondersteuning verschillende voorwaarden aan aanbieders worden gesteld. Daarvoor zijn gescheiden trajecten vormgegeven. Nee, wij zijn niet bang dat dit ten koste gaat van de integraliteit omdat de integraliteit tussen de trajecten geborgd wordt in de beleidsuitgangspunten en projectstructuur: er is namelijk sprake van 1 set van beleidsuitgangspunten en een overkoepelende projectgroep en projectleider voor jeugdzorg en de Wmo.
Zoals in vraag 1 gesteld werken de gemeenten in regionaal verband samen en kopen zij ook gezamenlijk in. Naar aanleiding hiervan hebben wij de volgende vragen: 4.
A Uit het evaluatierapport RGW blijkt dat er in regionaal verband geen uniforme manier van werken geïmplementeerd is; dat dit voor meer administratieve lasten dan nodig zorgt en dat dit verder tot een gebrek aan sturingsmogelijkheden leidt. Wordt er vanaf heden wel voor een uniforme manier van werken gekozen en zo neen; waarom niet ? B. In Medemblik is het project Sociaal Domein in Balans opgestart. Wordt dit voor geheel West-Friesland uitgewerkt en zo neen; waarom niet ? C. In Medemblik wordt er een dashboard ontwikkeld waardoor de mogelijkheden om te analyseren en te sturen aanzienlijk verbeterd worden. Wordt dit in West-Fries verband opgepikt en zo neen; waarom niet ? D. Uit de evaluatie RGW blijkt dat zowel op het niveau van (een deel van) de Gemeenten als bij de netwerkorganisaties er op dit moment onvoldoende beeld lijkt te zijn van de ontwikkeling van de kosten en de zorginzet ? Pleit ook dit niet voor een meer intensieve samenwerking op dit gebied ? E. Op landelijk gebied dalen de kosten van de WMO. Binnen de regio West Friesland stijgen die echter door. Welke stappen worden er gezet om dit te verbeteren ? F. Gedurende de RGW-werkwijze zijn de kosten per cliënt in zowel de jeugdzorg als de WMO gestegen. Dit is een indicatie dat de mate van effectiviteit en middelen afgenomen is. Wat gaat u eraan doen om dit te verbeteren ? G.
In het rapport RGW kunnen wij lezen dat het de regio onvoldoende lukt om uit de ervaringen van de praktijk tot verbeteringen te komen. Welke stappen worden er gezet om dit te verbeteren ? H. De onderzoekers constateren dat het perspectiefplan een zware administratieve last met zich meebrengt. Deelt u deze constatering en zo ja; welke maatregelen treft u om dit te verbeteren ?
antwoord
4A. We herkennen de analyse van AEF en geven daarom extra aandacht aan uniformiteit bij de uitwerking van de inkoopdocumenten en de implementatieprocedure. In de beleidsuitgangspunten is dit standpunt als volgt verwerkt: “We gaan voor evenwichtige en transparante sturing en zetten daarbij in op het
versimpelen en beperken van de administratieve lasten. “We verstevigen onze regionale samenwerking en het opdrachtgeverschap.” 4B. Elke gemeente kent een eigen inrichting van de uitvoering, eigen systemen en werkprocessen. Sociaal domein in Balans kijkt specifiek naar de situatie in Medemblik en is niet 1-op-1 toepasbaar in andere gemeenten. Wel leren we van voorbeelden uit andere gemeenten en delen onze resultaten binnen de regio. 4C. De gemeenten in Westfriesland werken samen in de ontwikkeling van een regionaal dashboard waar de voortgang van zorg en ondersteuning inzichtelijk wordt. De indicatoren voor dit dashboard zijn ontwikkeld en op dit moment wordt regionaal onderzocht op welke manier gegevens gebundeld kunnen worden. 4D. De Westfriese gemeenten zien het belang van regionale samenwerking met betrekking tot de ontwikkeling van het dashboard. Daarmee krijgen we inzicht in de regionale ontwikkelingen van zorg en ondersteuning en zien we zowel inhoudelijke als financiële trends aankomen. 4E. Regionaal is er aandacht voor het effectiever en efficiënter inzetten van de gemeentelijke middelen voor Wmo en Jeugdhulp.
Onder het kopje ‘Financiën’ in de beleidsuitgangspunten wordt hier invulling aan gegeven, onder andere met het uitgangspunt: “Wij handelen vanuit kostenbewustzijn en kiezen consequent voor de meest effectieve en kwalitatieve, passende oplossing.” Lokaal zetten we binnen het project Sociaal domein in Balans en de spin-off daarvan in op 1) het verkrijgen van meer inzicht in hoe we onze middelen inzetten en 2) mogelijkheden om de middelen effectiever en efficiënter in te zetten. 4F. In het AEF rapport wordt aangegeven dat, hoewel een stijging van de kosten per cliënt zichtbaar is, het lastig is om op basis van de beschikbare data voor een beperkt aantal jaren conclusies te verbinden aan het effect van RGW op de effectiviteit van inzet van middelen. Onder andere op basis van de aanbevelingen in het AEF rapport en de input vanuit de raden werken we aan een effectievere inzet van onze middelen. 4G. We herkennen de analyse uit het AEF rapport en bespreken met de regio bij de verdere voorbereiding van de inkoop en de implementatie welke stappen moeten worden gezet om dit te verbeteren. Daarbij kijken we o.a. naar de aanbevelingen van AEF. 4H. Binnen de huidige inkooptermijn werken we aan het vereenvoudigen van de procedure rondom het perspectiefplan.
Begin dit jaar wordt een nieuwe versie van het perspectiefplan geïmplementeerd, waarin minder verschillende delen zitten en voor enkelvoudige aanvragen minder informatie wordt opgevraagd. Het verminderen van de administratieve last is daarnaast onderdeel van de beleidsuitgangspunten (zie ook de beantwoording van vraag 4A). Dit is een voortdurend aandachtspunt. 5.
De inkoop vindt regionaal plaats. Tijdens de informatieavond is ons medegedeeld dat Medemblik ook een eigen inkoper gaat aanstellen ? Waarom heeft u hiervoor gekozen resp. heeft u onvoldoende vertrouwen in het inkoopteam van de regio ?
antwoord
Om het lokale standpunt te vertalen naar een regionale uitwerking van de inkoopstrategie en vervolgens de regionale inkoopstrategie te vertalen naar lokale implementatie, is een eigen inkoper wenselijk.
6.
Uit het evaluatierapport RGW blijkt dat er gekozen is voor een open house systematiek met weinig kwaliteits- en geschiktheidseisen. In de diverse raadsvoorstellen vinden wij hier niets over terug. Waarom wordt de open house systematiek en het terugbrengen van het aantal aanbieders in deze niet ter discussie gesteld ?
antwoord
In het raadsvoorstel Beleidsuitgangspunten voor de inkoop Wmo en Jeugdhulp wordt gesproken van versimpeling van de keten. Onderdeel hiervan is dat we onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om het aantal aanbieders waarmee we samenwerken terug te brengen. Op pagina 7 van de bespreeknotitie Richtinggevende kaders Meerjarenbeleidsplan en inkoop Wmo en Jeugd, onder het kopje ‘Meer grip en sturing’ / ‘het versimpelen van de keten’, is dit standpunt verder uitgewerkt.
7.
Uit de stukken blijkt dat de uitgaven, zowel landelijk als in de regio, met 6 tot 10% stijgen terwijl zij in Medemblik met 15% stijgen. Verder bleek uit de informatieavond dat de afdeling Sociaal Domein duidelijk onderbezet is. Dit houdt in, dat, als de afdeling volledig bezet is, de kosten nog verder zullen stijgen. Hoe verklaart u het verschil tussen de regio/landelijk enerzijds en Medemblik anderzijds ?
antwoord
Bovenstaande vergelijking is gemaakt op basis van begrotingscijfers. De raad heeft in 2022 een correctie gedaan op de begroting van het sociaal domein, vandaar de forse stijging.
8.
In het rapport wordt voor de WMO een terugkeer naar de P*Q bekostiging in overweging gege-ven en uit “het veld” krijgen wij signalen dat dit hen voorkeur heeft omdat deze systematiek geen perverse prikkels bevat en dus mogelijk (veel) goedkoper zal uitpakken. Wat is uw visie in deze en waarom heeft u niet voor een terugkeer naar de P*Q bekostiging gekozen ?
antwoord
Er is nog geen keuze gemaakt voor een bekostigingssystematiek. Het AEF rapport laat voor- en nadelen zien van de verschillende inkoopsystemen. Deze voor- en nadelen worden meegenomen in de regionale afweging.
In het accountantsrapport over 2021 kunnen wij lezen dat de lasten in het sociaal domein stijgen en dat de uitgaven in het sociaal domein aandacht verdienen. Voor het sociaal domein is in 2021 een bedrag van EUR 44.900.000,-- in de boeken opgenomen. Uit het interne rapport blijkt dat deze uitgaven met 15% gestegen zijn waardoor zij op een bedrag van EUR 51.635.000,-- uitgekomen zouden moeten zijn. In ditzelfde interne rapport wordt echter van een bedrag van EUR 40.508.000,- uitgegaan. Tenslotte werd tijdens de informatieavond aangegeven dat wij meer voor het sociaal domein ontvangen dan dat wij eraan uitgeven. Naar aanleiding hiervan hebben wij de volgende vragen.
9.
antwoord
A Hoe verklaart u het verschil in uitgaven tussen het eigen interne rapport van de afdeling en het accountantsrapport van BDO ? B Hoe is het mogelijk dat er de afgelopen jaren vele malen op de stijgende uitgaven in het sociale domein en de te lage uitkering van het rijk gewezen is en dat ons afgelopen maandag medegedeeld werd dat het bedrag dat wij jaarlijks voor het sociaal domein ontvangen hoger is dan het bedrag dat wij eraan uitgeven ?
A. In het accountantsverslag van 2021 heeft de accountant een zelfgekozen clustering van het sociaal domein opgenomen. In het interne rapport zijn we uitgegaan van de clustering volgens de IV3-methodiek (zoals toegepast door het CBS). B. In de begroting 2022 en begroting 2023 zijn de extra inkomsten vanuit het gemeentefonds, en de door het rijk gegarandeerde, besparing voor jeugdzorg opgenomen. Dit laat zien dat het rijk de laatste jaren ziet dat er extra geld nodig is om het sociaal domein goed uit te voeren. Uit het BDO rapport van 1 september 2021 bleek dat er 1,6 milijoen verschil zat tussen wat we uitgeven en wat binnenkomt op het sociaal domein. Op verzoek van de raad hebben we nog een keer onderzoek laten doen, waarin we onze gegevens hebben vergeleken met inkomsten vanuit het gemeentefonds en gegevens van andere gemeenten. De resultaten hiervan zijn afgelopen maandag (op 23 januari j.l.) gepresenteerd en komen overeen met de conclusie van BDO.
10.
Wij missen nog steeds een duidelijke vergelijking tussen de West-Friese werkwijze en die van Hollands Kroon. Het interne onderzoek wekt de indruk dat wij het goed doen maar eerder on-afhankelijk onderzoek heeft uitgewezen dat vrijwel alle West-Friese Gemeenten in de achter-hoede presteren. Wat gaan de gezamenlijke West-Friese Gemeenten eraan doen om de resultaten te verbeteren ?
antwoord
Wij herkennen de conclusie dat Medemblik in de achterhoede presteert niet. In het AEF rapport wordt de Westfriese werkwijze vergeleken met andere systematieken. Daarnaast heeft u een informatienota en presentatie ontvangen met een financiële vergelijking met andere gemeenten, waaronder gemeente Hollands Kroon. Deze input gebruiken we om resultaten in de regio te verbeteren.
11.
Werkt Incluzio Holland Kroon ook volgende de RGW systematiek ?
antwoord
Nee, Incluzio werkt niet volgens de RGW systematiek.
12.
In het rapport Resultaat Gestuurd Werken zijn 6 verbeteropties en een aantal aanbevelingen opgenomen. Kunt u toezeggen dat deze allemaal uitgevoerd worden ?
antwoord
Nee, wij kunnen dat op dit moment niet toezeggen. De input van de raad is hierin belangrijk. Vervolgens bespreken we de vervolgacties in de regio.