05 Beantwoording Commissievragen GroenLinks raadscie. 21-3 agendapunt 9.1 Beleidsplan minima
Tekst van het document
Zaaknummer
Z-23-482395
Documentnummer
DOC-24-814037
Naam commissielid
J. Kool
Fractie
GroenLinks
Onderwerp
Commissievragen GroenLinks raadscie. 21-3 agendapunt 9.1 Beleidsplan minima 18 maart 2024
Datum waarop de vraag is gesteld Beantwoording uiterlijk woensdag 15:00 uur voorafgaand aan de commissievergadering. Portefeuillehouder Yannick Nijsingh Afdeling Sociaal
1.
antwoord
2.
Antwoord
De ARSD signaleert dat al heel vroeg in het Beleidsplan minima Medemblik aangegeven wordt dat de financiële middelen beperkt zijn. U antwoord dat: ‘Wij hebben net als andere gemeenten vaker te maken met grote uitdagingen zoals armoedebestrijding daarbij krijgen wij niet altijd voldoende financiële middelen van het rijk om alle ambities te bewerkstelligen. Ons minimabeleid en het budget is daarom ambitieus maar wel realistisch. Desondanks doen wij al veel goed met het bestaande budget’. Ik kan het niet zo snel in de tekst terugvinden. Heeft u de tekst n.a.v. deze opmerking veranderd? De tekst is inderdaad geschrapt, dit naar aanleiding van de opmerking van de Adviesraad Sociaal Domein. Het Sociale Domeinbeleidsplan en het Armoedebeleidsplan pleiten sterk voor Kansgelijkheid voor kinderen. Hoe staat de gemeente Medemblik erin v.w.b. de voorschool? In de Gemeente Den Haag financiert de Gemeente dit voor kansarme kinderen. Deze voorschool werkt ons inziens heel preventief. Opgroeien in armoede maakt dat je je al heel snel een 2e rangs burger voelt en je daarnaar neigt te gedragen. Ook, of juist als kind. Bent u het daar mee eens? Wij dragen met subsidie ook bij aan de toegankelijkheid van de voorschool. Zowel met subsidie aan kinderopvangorganisaties voor zogenaamde reguliere peuters als voor deelname aan voorschoolse educatie programma’s op de peuteropvang.
We onderzoeken momenteel deze subsidieregeling voorschoolse voorzieningen. Daarbij bekijken we wat de reden is als kinderen niet naar de voorschool gaan en wat wij daarin kunnen betekenen. Ook werken we aan het opstellen van een lokaal onderwijsachterstanden beleid. Daarmee willen we de middelen die we vanuit het Rijk ontvangen zo goed mogelijk besteden aan het bevorderen van kansengelijkheid. Verder zijn we het met u eens dat opgroeien en leven in armoede betekent dat inwoners niet dezelfde kansen krijgen en dat zij zich als gevolg daarvan buitengesloten kunnen voelen. Juist door ons beleidsplan minima willen wij de gevolgen van armoede zoveel als mogelijk beperken en zorgen dat iedereen, ouders en kinderen, weer kan meedoen.
*ZB98578209F*
Beantwoording vragen voorafgaand aan de raadscommissie
3.
De afstand naar het gemeentehuis is voor veel burgers fysiek ver. Voor Wervershoof komt of is er een oplossing. Kan dit ook bekeken worden voor de andere kernen?
antwoord
We herkennen dat de afstand naar het gemeentehuis voor bepaalde burgers figuurlijk en letterlijk een drempel kan zijn om financiële hulp te vragen. Daarom onderzoeken de beleidsambtenaren minima en accommodatie samen met de consulenten, preventieve medewerkers en onze maatschappelijke partners de komende jaren de mogelijkheden om in meerdere kernen loketten te openen, zodat we ondersteuning zo dichtbij mogelijk de inwoners organiseren. In deze beleidsnotitie geeft u een lijstje aan met doelgroepen. Het zou fijn zijn als dat of eerder in de tekst gebeurd of dat u er in de tekst naar verwijst. Dat verhoogd m.i. de leesbaarheid. Is dat nog mogelijk?
4.
Antwoord
Direct na de aanleiding hebben we op pagina 6 een aparte paragraaf met doelgroepen beschreven. Zo is vrij vlot duidelijk wie we willen bereiken met dit beleidsplan. We hebben bewust gekozen voor deze logische opbouw.
5.
Het komt regelmatig voor dat burgers relatieschuw geworden zijn i.v.m. de financiële consequenties die het met zich mee kan brengen. Dit heeft ook vaak tot gevolg als mensen wel een relatie aangaan dat zij in twee woningen blijven wonen. Dit heeft ook een negatieve invloed op de woningvoorraad op de woningmarkt. Is hier aandacht voor en zo ja hoe dan? We erkennen dit probleem. Vanuit WerkSaam gaan we starten met een pilot om mensen een half jaar samen te laten wonen zonder korting op hun uitkering. Hierdoor krijgen inwoners de kans om aan de nieuwe situatie te wennen zonder dat het direct financiële gevolgen heeft. Op blz. 16 wordt er gesproken over partners. Later in het stuk wordt duidelijk wie hiermee bedoeld worden. Is het niet handiger om de partners te definiëren op het moment dat zij in het stuk aan de orde komen? Dat verhoogd m.i. de leesbaarheid. Nu blijf ik met de vraag zitten totdat ze benoemd worden. De partners worden eerder benoemd. Zo noemen we op pagina 6 onder de paragraaf ‘doelgroepen’ een aantal partners die onze lokale hulporganisaties zijn: de Voedselbank, de Kledingbank, Stichting Leergeld en Schuldhulpmaatje. Vervolgens benoemen wij op pagina 15 nog een aantal andere partners: MEE & De Wering, Jeugdfonds Sport & Cultuur en de Formulierenbrigade. Voor de volledige lijst verwijzen wij naar bijlage 1.
Daar hebben we een overzicht opgenomen van alle partners. Met dat overzicht is het in een oogopslag duidelijk wie onze partners zijn.
Antwoord
6.
Antwoord
7.
Ik lees in uw tekst: ‘Wij moedigen inwoners aan om bij financiële hulpvragen gebruik te maken van de beschikbare hulp in de eigen omgeving. Bedoelt u daarmee familie en vrienden? Collega’s?
Antwoord
Wij gaan uit van de eigen kracht van onze inwoners. De primaire verantwoordelijkheid van mensen is er op gericht dat zij eerst zelf in hun eigen omgeving hulp zoeken. Dus binnen hun eigen sociale netwerk. Dit kunnen familieleden zijn, vrienden, buren en/ of collega’s. Op deze manier maken wij gebruik van het gemeenschapsgevoel dat heerst in onze gemeente en de bereidwilligheid van inwoners om elkaar te helpen. Ook kunnen inwoners in de nabijgelegen dorpshuizen en sportverenigingen waar zij lid van zijn vragen om hulp bij financiële vragen. Op blz. 12 lees ik: ‘Het is van belang dat wij onze inwoners weten te vinden. Vraag: Hoe?
8.
Antwoord
9.
Antwoord
10.
Antwoord
11.
Antwoord
12.
Antwoord
Wij vinden inwoners met financiële problemen op verschillende manieren: - Consulenten die bij keukentafelgesprekken vragen naar de financiële situatie en waar nodig huisbezoeken afleggen om signalen op te volgen; - Partners zoals de Voedselbank en de Kledingbank die naar ons doorverwijzen op het moment dat inwoners om financiële hulp vragen en recht hebben op inkomensondersteuning; -Dorpshuizen, welzijn- en vrijwilligersorganisaties en sportverenigingen die geldproblemen onder inwoners herkennen en naar ons doorverwijzen. Als kinderen nog thuis wonen, wat door de woningnood helaas vaak het geval is en zij gaan inkomsten verwerven door een baan worden de ouders dan gekort in hun inkomen als zij b.v. een bijstandsuitkering hebben? Landelijk is afgesproken om de kostendelersnorm per 1 januari 2023 te verhogen tot jongeren van 27 jaar. Dit was daarvoor tot 21 jaar. De kostendelersnorm bepaalt dat als inwoners samenwonen met meer volwassenen, dat hun bijstandsuitkering daarop wordt aangepast. Hiermee zorgt het demissionaire kabinet ervoor dat er minder huishoudens met een bijstandsuitkering en werkende, inwonende kinderen gekort worden op hun uitkering. Dit betekent dat de gevolgen van de kostendelersnorm voor onze inwoners beperkt blijft. Blz. 13 Punt 4: ‘wij bevorderen initiatieven voor het verminderen van het aantal kinderen in armoede.
Hierdoor krijgen kinderen een ‘goede’ start. Is het niet correcter en eerlijker om te stellen: ‘Een betere start’ We zetten de afgelopen jaren maar ook de komende jaren stevig in op het verminderen van het aantal kinderen in armoede. Ieder kind dat in armoede opgroeit, is er 1 teveel. Daarom zijn we ambitieus op dit gebied en krijgt het veel aandacht van ons. Niets voor niets is het een apart beleidsdoel in het beleidsplan minima. We zijn pas tevreden als we zoveel mogelijk kinderen een ‘goede’ of in elk geval een ‘betere’ start kunnen geven, om hun leven beter te maken. U noemt een aantal oorzaken die armoede veroorzaken of bevorderen. Moet u daarbij ook niet heel simpel: Ontslag, echtscheiding en/of ziekte benoemen? Armoede is heel complex en kent meerdere oorzaken, die regelmatig ook met elkaar samenhangen (stapeling van problemen). In ons beleidsplan noemen wij een aantal oorzaken die onze partners bij inwoners gesignaleerd hebben en waar wij concrete maatregelen voor hebben bedacht. Wij zien zeker dat armoede ook andere oorzaken kent, zoals ontslag, echtscheiding en ziekte. Onze opsomming in het beleidsplan is niet limitatief. Daarbij zijn we duidelijk: inwoners hebben in eerste instantie een eigen verantwoordelijkheid. Als ze er zelfstandig of met behulp van hun netwerk niet uitkomen is de gemeente er. Hoe komt u in contact met inwoners die zorg mijdend zijn?
In de vroeg signalering hebben wij actief contact met inwoners die financiële problemen hebben, maar hiervoor niet zelf om hulp vragen. We leggen contact door naar aanleiding van signalen van partners over betalingsachterstanden de inwoners te bellen, gecombineerd met eventueel een huisbezoek. Dit doet schuldhulpverlening. In de gevallen dat inwoners de hulp nog niet wensen, blijft het aanbod openstaan. De verdere aanpak op vroeg signalering werken we uit in het regionaal kaderplan schuldhulpverlening.
13.
Antwoord
Om als minima niet in de schulden te komen is het belangrijk dat er gespaard kan worden voor belangrijke uitgaven als een wasmachine, of zoals al eerder aangekaart een brug om beter te kunnen eten. In de praktijk zien wij dat minima die dit goed doen, gestraft worden doordat ze geen kwijtschelding van gemeentelijke lasten kunnen krijgen omdat ze volgens de belastingdienst “vermogen” hebben. Eerder leken er niet echt mogelijkheden te zijn, zijn er nu in dit nieuwe beleidsplan manieren te bedenken om deze mensen tegemoet te komen, bijv. door in de belastingverordeningen een vrije voet in te stellen hoeveel iemand mag sparen om nog wel kwijtschelding te krijgen? Door verschillen in de wet- en regelgeving tussen de sociale dienst en belastingen (participatiewet en Invorderingswet), wijken de vermogensvrijstellingen tussen beide af. Onder andere de vrij te laten banktegoed, overwaarde woning en de waarde van de auto. De berekening van het vrij te laten bedrag aan financiële middelen met betrekking tot een verzoek om kwijtschelding is onder andere geregeld in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. De gemeente Medemblik maakt gebruik van de geboden beleidsvrijheid om het totaalbedrag aan financiële middelen maximaal te verhogen. Dit is vastgelegd in de kwijtscheldingsverordening.
Het is niet mogelijk om de financiële vermogensgrensvrijstelling, voor de kwijtschelding, te verhogen tot de grens zoals bepaald in artikel 34 van de Participatiewet. De betalingscapaciteit wordt vergeleken met de normbedragen kwijtschelding. De normbedragen kwijtschelding hangen samen met de bijstandsnormen. Als de bijstandsnormen wijzigen, worden ook de normkosten van bestaan voor de kwijtschelding aangepast. We gebruiken de maximale norm van 100%. Het vermogen dat iemand mag hebben is per situatie anders. We houden rekening met: de gezinssamenstelling, de inkomsten en de uitgaven.