04 DOC-22-586480 - Toelichting ontwerp bestemmingsplan
Tekst van het document
verblijven. Voorbeelden van gevoelige functies in de jurisprudentie zijn: burgerwoningen, bedrijfswoningen, bedrijfs- en kantoorruimten en bijbehorende erven van een landbouwmechanisatiebedrijf, kampeerplaatsen en bij gevoelige objecten behorende tuinen. 3 Artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.
34
Er is in Nederland geen wettelijke regeling die minimaal aan te houden afstanden tussen gevoelige functies en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt beschrijft. In de praktijk is daarom een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 m tussen de betreffende agrarische gronden en woningen. Deze vuistregel is ontstaan vanuit de professionele fruitteelt (appels en peren). Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woonen leefklimaat bij de woningen gegarandeerd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd. De richtafstand van 50 meter heeft zijn oorsprong in het Streekplan 1996 van de Provincie Gelderland en is dus al meer dan 25 jaar oud. In die tijd was de regelgeving met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beperkt en er was veel minder sprake van toepassing van bijvoorbeeld drift reducerende spuitmethoden. Ook de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen was veel minder streng en door minder regels omgeven dan thans het geval is. De afstand van 50 m is aldus een indicatieve afstand.
Uit de jurisprudentie blijkt dat de Afdeling een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Onder omstandigheden en in een specifiek geval kan ervan worden afgeweken en dus een kortere of een langere afstand worden aangehouden. (Toekomstig) Gebruik agrarische grond rondom plangebied Het plangebied ligt omsloten met agrarische gronden welke conform het Bestemmingsplan zijn bestemd voor de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Op grond van het moederplan is in planologisch- juridische zin fruitteelt, bosbouw, sierteelt en bomenteelt toegestaan. Tussen deze vormen van agrarisch grondgebruik zitten zeer grote verschillen. De grondeigenaar en grondgebruiker is tevens initiatiefnemer tot dit plan. De gronden binnen het plangebied (achterzijde en zijkanten) zullen in de toekomst alleen gebruikt worden als grasland. In een worstcase scenario wordt grasland eens per zes jaar een keer bespoten. Om uit te sluiten dat de kans op belasting door drift verhoogd wordt is er aan de bestemming ‘agrarisch’ in het plangebied een aanduiding ‘grasland’ toegevoegd. Hierdoor kunnen deze gronden alleen voor de teelt van grasland worden gebruikt.
Beoordeling
Gebruik agrarische grond tegenover plangebied De gronden tegenover het plangebied zijn conform het Bestemmingsplan bestemd voor de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Op grond van het moederplan is in planologisch- juridische zin fruitteelt, bosbouw, sierteelt en bomenteelt toegestaan. Tussen deze vormen van agrarisch grondgebruik zitten zeer grote verschillen. Het is echter niet realistisch dat de grondeigenaar binnen de planperiode van het geldende bestemmingsplan het agrarisch grondgebruik ingrijpend wijzigt qua teelt naar bijvoorbeeld appel- en perenteelt in een
35
productieboomgaard. Daarom wordt in dit plan uitgegaan van de bollenteelt waarbij alleen neerwaarts wordt gespoten. Teler
Door de teler wordt gestreefd naar een goede bedekking van het gewas met beschermingsmiddel. Het is namelijk in het belang van de teler dat de gespoten middelen op de gewassen terecht komen en niet van het gebied afwaaien naast de gezondheidsredenen en milieu ook vanwege de hoge kosten van arbeid (loonwerk) en van gewasbeschermingsmiddelen. De teler of zijn uitvoerder is opgeleid voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen en zijn op de hoogte van de geldende wet- en regelgeving en de belangen van volksgezondheid en milieu. Conform het activiteitenbesluit dient er een optimum te zijn tussen spuitdop, spuitdruk, rijsnelheid en het chemisch effect van het middel waarbij zo min mogelijk middel verloren gaat. Er wordt daarom gespoten bij een zo laag mogelijke windsnelheid en door niet sneller te rijden dan 9 km/u. Tevens wordt gespoten met doppen die afhankelijk van de weersomstandigheden (luchtvochtigheid) worden afgesteld. In de ochtend zijn windsnelheid en temperatuur vaak laag en is de relatieve luchtvochtigheid hoger dan gedurende de rest van de dag. De gewassen worden daarom zoveel mogelijk bespoten in de ochtenduren.
Wettelijke en gebruikszones
De uitgangssituatie is dat moet worden uitgegaan van de perceelsgrens van de agrarisch bestemde gronden daar het bestemmingsplan teelten toestaat tot aan het bestemmingsvlak hierbij mag rekeningen gehouden worden met andere omgevingsfactoren. Conform het Activiteitenbesluit is spuiten boven oppervlaktewater niet toegestaan en langs oppervlaktewater waar bollen worden geteeld dient een teeltvrije zone van 1,5 meter te worden gehanteerd. De kortste afstand van de woning en de teeltgrens van de agrarische grond aan de overzijde is circa 28 meter. Omdat een teeltvrije zone van 1,5 meter gehanteerd moet worden tot het oppervlakte water komt de totale afstand op circa 29,5 meter.
36
De wijze waarop de agrarische gronden binnen het plangebied gebruikt kunnen worden is beperkt tot grasland. De belasting van het plangebied door eventueel drift is daardoor nihil. De kortste afstand tot de agrarische percelen aan de overzijde zijn met circa 29,5 meter ook voldoende omdat er niet te verwachten is dat de gronden binnen de planperiode gebruikt gaan worden voor de fruitteelt, door de eisen uit het Activiteitenbesluit, de aanwezigheid van watergangen en de planologische fixatie van de woningen. Hierdoor wordt er recht gedaan aan de belangen van de bloembollentelers en bewoners van het plangebied. Met andere woorden, er gaat vanwege de wijziging van de bestemming van ‘agrarisch’ naar ‘wonen’ geen negatieve werking uit ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de aangrenzende agrarische gronden, noch treden er door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de directe omgeving van het plangebied negatieve effecten voor de volksgezondheid op. 4.1.4 Externe veiligheid Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten, zoals woningen, moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal dodelijke slachtoffers beperkt blijft. Het Vuurwerkbesluit en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stellen afstandseisen aan risicovolle bedrijfsactiviteiten.
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zien toe op transportroutes met gevaarlijke stoffen en op transport via buisleidingen). De risico’s worden beoordeeld op twee maatstaven; het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het PR geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogelijk zijn. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten geldt deze norm als streefwaarde. Ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de het invloedsgebied van risicovolle activiteiten moet een bestuurlijke verantwoording plaatsvinden van het groepsrisico.
Conclusie
Algemeen
De verantwoording bevat de volgende elementen: - de personendichtheid; - de hoogte van het groepsrisico; - maatregelen ter beperking van het groepsrisico; - de voor- en nadelen van alternatieve locaties; - de mogelijkheden voor bestrijding van calamiteiten; - de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied. Binnen het plangebied wordt een bestaande bedrijfswoning omgezet naar de bestemming ‘wonen’ en wordt er een nieuwe (stolp)woning toegevoegd. Binnen het plangebied worden er daardoor twee kwetsbare objecten toegevoegd aan het gebied. Het plangebied bevindt zich niet binnen de 10-6 contour (+900 meter) van een gevaarlijke inrichting, buisleiding (+ 1 km) of route gevaarlijke stoffen. Evenmin bevindt het plangebied zich binnen de invloedssfeer van dergelijke inrichtingen,
Beoordeling
37
buisleidingen en routes. Zie ook navolgende uitsnede van de risicokaart. Een verantwoording van het groepsrisico is hierdoor niet vereist.
Uitsnede verbeelding Risicokaart met punaise de omgeving van het plangebied.
Conclusie
Algemeen
Beoordeling
Boorpuntenkaart verkennend bodemonderzoek Grote Zomerdijk 4a te Wognum
38
Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.1.5 Bodem Bij functiewijzigingen die leiden tot een verandering van de bestaande bestemming moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem de realisatie van de gewenste functie toestaat. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden. Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Grondslag Bodemkwaliteitsbureau. In bijlage 3 van deze toelichting is dit onderzoek opgenomen.
De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de huidige bestemming en voor de geplande sloop van de bebouwing en kas. De onderzoeksresultaten vormen mogelijk wel een belemmering voor de aanvraag van een omgevingsvergunning (bouw). De sterke olieverontreiniging moet nader onderzocht worden en hoogstwaarschijnlijk volgt daarna een bodemsanering. Deze verontreiniging is aangetroffen waar vroeger een HBO tank gevestigd was. De aanwezige bebouwing en verharding vormt een belemmerende factor voor het uitvoeren van een nader onderzoek ten oosten en westen van de vastgestelde olieverontreiniging. Gezien het feit dat er tussen de geplande sloop en bouw enkele jaren tijd zitten, zal dit nader onderzoek in die periode worden uitgevoerd. Via het Bouwbesluit en de Wet Bodem zijn er voldoende waarborgen die ervoor zorgen dat het woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Zo mag het perceel conform het Bouwbesluit pas in gebruik worden genomen als de locatie nader is onderzocht en zo nodig is gesaneerd. Het aspect bodem is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.1.6 Geluid De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Langs wegen en spoorwegen liggen zones. Voor wegen tot 30 km/uur is geen geluidszone van toepassing.
Voor wegen met een maximumsnelheid tot 30 km/uur is geen geluidszone van toepassing. Binnen deze zones moet voor de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de deze wet zijn vastgelegd. Het plangebied ligt in de geluidszone van de Grote Zomerdijk. Hiervoor geldt een maximumsnelheid van 60 km per uur. De weg heeft dus een geluidszone (250 meter) en het plangebied ligt hierbinnen. In het kader van het aspect geluid is de geluidskaart van de gemeente Medemblik geraadpleegd. Op de kaart wordt het gemiddelde geluidsniveau op de gevel van woningen langs wegen aangegeven.
Conclusie
Wettelijk kader
Beoordeling
Voor het beoordelen van de situatie is het van belang een onderscheidt te maken tussen de bestaande (agrarische) bedrijfswoning die wordt omgezet naar (burger)wonen en de nieuw te bouwen woning. Voor het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning is geen hogere waarden nodig. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een (agrarische) bedrijfswoning naar een (burger)woning. Geluidsgevoelige ruimten komen niet dichter op de weg dan in de huidige situatie.
39
Voor de nieuw te bouwen woning is de geluidsbelasting berekend door middel van een geluidsdonderzoek dat is uitgevoerd door Anteagroup. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij de toelichting toegevoegd. Ten gevolge van de Kerkweg is de hoogste berekende geluidbelasting op de beoordelingspunten 36 dB inclusief 5 dB aftrek ex artikel 110g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op de beoordelingspunten derhalve niet overschreden. Ten gevolge van de Grote Zomerdijk is de hoogste berekende geluidbelasting op de beoordelingspunten 45 dB inclusief 5 dB aftrek ex artikel 110g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op de beoordelingspunten derhalve niet overschreden. Kijkende naar de geluidniveaus op 7,5 m blijkt dat nergens op het perceel de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden ten gevolge van de Kerkweg en de Grote Zomerdijk. Geconcludeerd kan worden dat op het gehele bouwvlak gebouwd kan worden.
Geluidcontour Kerkweg en Grote Zomerdijk 7,5 meter
Conclusie
Wettelijk kader
40
Vanuit de Wgh zijn er, geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling en er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. 4.1.7 Luchtkwaliteit Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 (hierna: “Wlk”) en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen betreffende luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu.
In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 is 40 µg/m3; voor PM2,5 is dat 25 µg/m3. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende vier voorwaarden voldoet: 1. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2. een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3. een project draagt slechts in ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in; 4. past binnen het NSL of een regionaal programma van maatregelen. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden omdat deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m3 verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Bij woningen ligt de grens op 1.500 bij één ontsluitingsweg. Het plan beoogt de wijziging van een agrarische bestemming naar een woonbestemming.
Eén (agrarische) bedrijfswoning wordt omgevormd naar een (burger) woning en er wordt een extra nieuwe (burger) woning in de vorm van een stolp toegevoegd in ruil voor sloop van voormalige agrarische opstallen en erfverharding. Dit plan blijft daarmee ruimschoots binnen de grenswaarde van 1.500 woningen. Het plan draagt hierdoor in zeer beperkte mate bij aan luchtverontreiniging en is daardoor op grond van het besluit ‘niet in betekende mate’ (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan grenswaarden.
Beoordeling
41
Daarnaast blijkt uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van het RIVM dat de luchtkwaliteit ter plaatse goed is; er worden geen grenswaarden overschreden (PM10 PM2,5 of NO2).
Uitsnede Grootschalige concentratie Depositiekaarten Nederland, bron RIVM Geodatasite
Uitsnede Grootschalige concentratie Depositiekaarten Nederland, bron RIVM Geodatasite
Conclusie
42
Het aspect “luchtkwaliteit” vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.2 Omgevingsaspecten 4.2.1 Water In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst waterbeleid 21e eeuw (WB’21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de “watertoets” de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem. De Europese Kaderrichtlijn Water is gericht op het bereiken van een goede ecologische waterkwaliteit in alle Europese wateren. In 2015 moet dat gerealiseerd zijn. De lidstaten moeten in 2009 (inter)nationale stroomgebiedbeheersplannen vaststellen waarin zij aangeven welke maatregelen ze gaan nemen om de doelstelling te halen. De provincie NoordHolland maakt volledig deel uit van het deelstroomgebied Rijndelta en het daarbinnen begrensde deelstroomgebiedsdistrict Rijn-West.
Beleid
Europees beleid
43
Binnen Rijn-West werkt Noord-Holland samen met alle betrokken waterbeheerders (Rijkswaterstaat, buurprovincies, waterschappen en gemeenten) aan het opstellen van het regionale deel van het genoemde stroomgebiedbeheersplan Rijndelta. Rijksbeleid
In het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat in 2015 het watersysteem op orde moet zijn en blijven. Water moet weer de ruimte krijgen en is mede sturend voor het ruimtelijk beleid. Als een van de eerste stappen is afgesproken dat de waterschappen in beeld brengen hoeveel waterberging er nodig is om aan de zogenaamde werknormen te kunnen voldoen. Voor stedelijk gebied houdt dit bijvoorbeeld in, de hoeveelheid wateroppervlak die nodig is om te zorgen dat bij neerslag het waterpeil maar eens in de 100 jaar tot aan het maaiveld kan stijgen.
Provinciaal beleid
In het provinciaal Waterplan Noord-Holland is het Europese en nationale beleid vertaald naar wat er binnen de provincie moet gebeuren om het water zo goed mogelijk te blijven. Het Provinciaal Waterplan staat niet op zichzelf. Water heeft met heel veel zaken te maken, variërend van landbouw tot recreatie en van stadsuitbreidingen tot gezond drinkwater. Daarom is het Provinciaal Waterplan afgestemd met het beleid op het gebied van natuur, recreatie, landschap, cultuurhistorie, milieu, landbouw, ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer. In het Provinciaal Waterplan is het waterbeleid beschreven aan de hand van de thema’s veiligheid, wateroverlast en watertekort, waterkwaliteit en grond- en drinkwater. Het Provinciaal Waterplan fungeert hierbij als het kader voor de uitvoering: het is de basis voor allerlei te nemen maatregelen door de Provincie, waterschappen en gemeenten gedurende de looptijd van het plan. Het is dus geen uitvoeringsprogramma. Er zal een apart uitvoeringsprogramma worden opgesteld dat jaarlijks wordt aangepast.
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier: Waterprogramma 2016-2021
Op 16 december 2015 is het Waterprogramma 2016-2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. In het Waterprogramma 2016 - 2021 wordt antwoord gegeven op de vragen: • Hoe wordt in de toekomst gezorgd voor veilige dijken, droge voeten en voldoende schoon en gezond water in Hollands Noorderkwartier? • Welke benadering wordt daarvoor gekozen? • Welke kosten en inzet gaan daarmee gepaard? Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) presenteert in het Waterprogramma het beleid, de maatregelen, de programma’s en de projecten die ze in de periode 2016 - 2021 gaan uitvoeren. Het Hoogheemraadschap bouwt voort op de regionale Deltavisie en verankert de landelijke Deltabeslissingen. Met het Waterprogramma wordt richting gegeven aan het waterbeheer tussen 2016 en 2021. Dat is nodig, want de klimaatverandering en de veranderende maatschappij dwingen tot aanscherping en heroverweging van onze keuzes. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Veranderende patronen in communicatie en participatie in de maatschappij vragen grotere betrokkenheid en intensievere dialoog met de partners en belanghebbenden.
44
Bovendien zijn er steeds meer partijen betrokken bij het waterbeheer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Om achteruitgang van het watersysteem te voorkomen, vraagt het Waterprogramma in ruimtelijke plannen om maatregelen die de nadelige effecten van verharding voorkomen of compenseren. Dit is vastgelegd in de keur van het Hoogheemraadschap. In 2016 heeft het hoogheemraadschap een nieuwe Keur en bijbehorende Algemene Regels vastgesteld. Artikel 4.2 Verbod versnelde afvoer door verhard oppervlak is in de nieuwe Keur gewijzigd. In de nieuwe Keur 2016 is nu het volgende opgenomen: “Artikel 3.3 Verbod versnelde afvoer door nieuw verhard oppervlak. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen.”
Keur en algemene regels
In de Algemene Regels 2016 zijn vervolgens de volgende aanvullingen opgenomen: “Artikel 23. nieuw verhard oppervlak. Op grond van artikel 3.9, eerste lid van de keur geldt een vrijstelling van de vergunningplicht van artikel 3.3 voor het aanbrengen van nieuw verhard oppervlak indien: 1. de bebouwing of verharding van de onverharde grond door een of meer aaneengesloten bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte minder dan 800 m2 bedraagt en; 2. de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10% van het oppervlak van het desbetreffende peilvak beslaat en; 3. het desbetreffende watersysteem de toename van de piekafvoer kan verwerken.” Met behulp van de watertoets wordt getoetst of binnen nieuwe plannen voldoende aandacht aan de waterhuishouding is besteed. Uitgangspunt van de watertoets is dat de initiatiefnemer en de waterbeheerder samen werken aan het ruimtelijk plan, waarbij het wateraspect volledig wordt ingevuld. In de dagelijkse praktijk van de ruimtelijke ordening is de positie van de waterbeheerder met de introductie van de watertoets sterker geworden.
Watertoets
Er is een watertoets uitgevoerd voor dit plan. In bijlage 5 is deze opgenomen. Er is geen sprake van een toename van de verharding van meer dan 800 m2. Er is sprake van een gescheiden stelsel waardoor geen sprake is van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild water naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan als schoon worden beschouwd. Voorts wordt niet gebouwd in een beschermingszone van een waterkering en wordt er geen water gedempt. Het Hoogheemraadschap heeft verzocht terughoudend om te gaan met uitlogende materialen zoals koper, lood en zink. Hier zal bij de bouw rekening mee worden gehouden. In het plan zal tevens rekening worden gehouden met het principe van ruimtelijke adaptatie.
Beoordeling
Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Conclusie
45
4.2.2 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/ of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten is geregeld in deze wet. Beoordeling
Er is een quickscan en een Aeriusberekening door Vonk Groenservice uitgevoerd voor dit plan. Zie bijlage 6 en 7 van deze toelichting.
Natuurnetwerk Noord-Holland
Het plangebied valt ruim buiten de Natuur Netwerk Nederland (NNN). In NoordHolland heeft het Natuurwerk (vroeger Ecologische Hoofdstructuur genaamd) evenwel geen externe werking en kan daarmee buiten beschouwing blijven.
Natura 2000
Natura 2000-gebieden kennen wel externe werking. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied met instandhoudingsdoelstellingen voor stikstofgevoelige natuurwaarden is Eilandspolder, gelegen op 12 km van het plangebied. Het slopen van diverse opstallen en het bouwen van een nieuwe woning hebben daarop geen invloed.
Stikstof
Daarnaast is op basis van de nieuwste versie van AERIUS-Calculator aangetoond dat de voorgenomen plannen geen emissie veroorzaakt (>0,00 mol/ ha/jaar) veroorzaakt op Natura 2000-gebieden (bijlage 7). Dit houdt in dat voor de plannen geen vergunning nodig is t.a.v. emissie.
Soortenbescherming
Vogels In de te slopen bebouwing zijn tijdens het veldbezoek geen vogels en geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Alle inheemse broedvogels zijn als zodanig beschermd volgens de bepalingen van het beschermingsregime Vogelrichtlijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen datum genoemd voor het broedseizoen. Op het moment dat inheemse vogels broeden, mogen geen werkzaamheden of activiteiten plaatsvinden die het broedproces verstoren, dus ongeacht de periode van het jaar. Om de aanwezigheid van broedvogels zoveel mogelijk te vermijden dient de uitvoering van de werkzaamheden plaats te vinden buiten de periode van 15 maart tot en met 15 juli. Mocht tijdens de uitvoering van werkzaamheden onverhoopt op broedende vogels gestuit worden, dan dienen de werkzaamheden stilgelegd te worden en naar een later tijdstip te worden opgeschort.
46
Ontheffing van de verbodsbepalingen is, vanwege de stringente eisen gesteld onder de Europese Vogelrichtlijn, niet mogelijk gedurende het broedseizoen. Grondgebonden zoogdieren Volgens de beschikbare bronnen en aanwezige biotopen kunnen wat betreft beschermde zoogdieren alleen algemene soorten als bosmuis en huisspitsmuis gebruik maken van het plangebied als leefgebied. Bij het veldbezoek is geconstateerd dat het pand niet als verblijfplaats door marterachtigen gebruikt wordt. Voor de potentieel aanwezige beschermde zoogdieren geldt een vrijstelling van het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkeling. Een ontheffing van de verbodsbepalingen voor de uitvoering van de werkzaamheden is vanwege beschermde grondgebonden zoogdieren dan ook niet aan de orde. Vleermuizen Op basis van de kenmerken van de omgeving kunnen algemene soorten vleermuizen als gewone dwergvleermuis en laatvlieger het plangebied gebruiken als leefgebied. Deze soorten komen vrijwel in geheel Nederland voor. De meest strikte bescherming gaat uit naar vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Tijdens het veldbezoek is gekeken naar plekken die dienst kunnen doen als verblijfplaats voor vleermuizen. Degelijke plekken zijn niet aangetroffen. Gezien de openheid van de schuren is het uitgesloten dat er vleermuizen een verblijfplaats kunnen hebben op de planlocatie.
In het plangebied is geen structuur voorhanden die speciaal geschikt is als vliegroute van vleermuizen. Het plangebied kan gebruikt worden als foerageergebied. Foerageergebied van vleermuizen is alleen beschermd wanneer het onmisbaar is voor het voortbestaan van een populatie. Dat is hier niet het geval. Amfibieën Op basis van verspreidingsgegevens en de aanwezige habitats kan het plangebied wat betreft amfibieën alleen een betekenis hebben als leefgebied voor gewone pad en bruine kikker. Binnen het terrein is geen geschikt voortplantingswater aanwezig. Het voorkomen van strikt beschermde soorten amfibieën wordt gezien de bekende verspreidingsgegevens en de beschikbare habitat uitgesloten. Voor gewone pad en bruine kikker geldt een vrijstelling voor de Wet natuurbescherming binnen de provincie Noord-Holland. Een ontheffing van de verbodsbepalingen voor de uitvoering van de werkzaamheden vanwege amfibieën is dan ook niet aan de orde. Flora Volgens de beschikbare bronnen zijn geen beschermde planten bekend uit het onderzoeksgebied. Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde planten of planten van de Rode Lijst aangetroffen. Een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Natuurwetbeschermingswet voor de uitvoering van de werkzaamheden is vanwege beschermde planten niet aan de orde.
47
Overige beschermde soorten Op basis van verspreidingsgegevens en de aanwezige habitats is het voorkomen van beschermde soorten uit de soortgroepen reptielen, vissen en insecten uitgesloten. Een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming voor de uitvoering van de werkzaamheden is vanwege beschermde reptielen, vissen en insecten dan ook niet aan de orde. Conclusie
Met in achtneming van de adviezen vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Ondanks dat voor een aantal soorten bij de ingreep een vrijstelling geldt, dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht, deze geldt altijd en voor alle planten en dieren, onafhankelijk van beschermingsstatus en/of ontheffing of vrijstelling is verleend. 4.2.3 Archeologie Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Op grond van het overgangsrecht van deze wet zijn de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht gebleven totdat de Omgevingswet in werking treedt. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Voor het plangebied geldt een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’.
Om te kunnen bouwen dient er bij een project dat een oppervlakte van meer dan 500 m2 behelst en waarbij dieper dan 0,4 meter onder maaiveld wordt gegraven een archeologisch rapport dan wel een QuickScan van Archeologie West-Friesland te worden overlegd.
Beoordeling
48
Het perceel is beoordeeld door Archeologie West-Friesland. De QuickScan is te vinden in bijlage 8. Op basis van de bodemkaart en geologische ontstaansgeschiedenis van het gebied geldt binnen het plangebied een hoge tot middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie. Op de beleidskaart archeologie is deze verwachting vertaald naar vrijstellingsgrenzen van 1.000 en 2.500 m2. Deze vrijstellingsgrenzen zijn opgenomen in de verbeelding en de regels in de vorm van een dubbelbestemming. Binnen deze dubbelbestemming geldt een vergunningplicht voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden. Werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud van de gronden zijn uitgezonderd van de vergunningplicht.
De locatie van het plangebied (zwarte stippellijn) op de vereenvoudigde bodemkaart De Vier Noorderkoggen (1975).
De dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 wordt gewijzigd in Waarde Archeologie 4 en 6. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.2.4 Cultuurhistorie In 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (Momo) in werking getreden. Onder meer heeft dit tot gevolg dat in bestemmingsplannen cultuurhistorie meegewogen dient te worden. Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De Grote Zomerdijk ligt in het buitengebied van de gemeente Medemblik in West-Friesland. Het landschap van de gemeente Medemblik is een typisch cultuurlandschap; een landschap dat is ontstaan in een wisselwerking van de mens met zijn omgeving. Tot het eind van de 13e eeuw had Westfriesland - waar het buitengebied van Medemblik deel van uitmaakt - een eilandkarakter doordat het aan alle kanten was omgeven door water. Op sommige plaatsen kwamen nederzettingen voor die grote en veelvuldige wateroverlast ondervonden door de getijdenwerking van de Zuiderzee. Al vroeg werd er begonnen met de strijd tegen het water door het graven van sloten, de aanleg van dijken en bemaling. Niet alleen het buitenwater baarde zorgen, ook de afvoer van het overtollige regenwater vergde veel inspanning.
Dit had te maken met de stijging van de zeespiegel, maar ook
Conclusie
Algemeen
Beoordeling
49
met de daling van de bodem. De Westfriese Omringdijk is omstreeks 1250 tot stand gekomen, maar pas in de loop van de 14e eeuw lukte het om een gesloten dijkring om heel Westfriesland heen te leggen. Vanaf deze tijd kon men zich permanent vestigen. Het huidige landschap herbergt nog veel elementen uit de periode van de veenontginningen en is van hoge historische geografische waarde. De verkaveling heeft een grote samenhang met de ontginnings- en bewoningsassen, de afwateringskanalen en de dijken. In de omgeving van Medemblik vinden voornamelijk agrarische activiteiten plaats. Door grootschalige werkzaamheden, inclusief de bijbehorende ruilverkaveling ten behoeve van de waterbeheersing in het gebied zijn zichtbare veranderingen in, onder andere met betrekking tot de waterlopen, het gebied ontstaan. Door de Archeologiedienst Westfriesland is daarom ook een quickscan uitgevoerd. Uit deze quickscan blijkt de er vanuit cultuurlandschappelijk oogpunt rekening moet worden gehouden met de indeling van de percelering, de openheid van het landschap en de Grote Zomerdijk en zijn bermsloten. Het plangebied ligt in een verkavelingsgebied van zeer hoge historischgeografische waarde. Binnen het plangebied staat geen historische bebouwing. De resultaten van deze quickscan vormen de basis van het Beeldkwaliteitsplan en het Inrichtingsplan.
De inhoud van beide plannen zijn als voorwaardelijke verplichting vastgelegd in de regels. Conclusie
Wetgeving
Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.2.5 Verkeer en parkeren Uitgangspunt van de gemeente is dat de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van de parkeernormen in de ‘Parapluplan Parkeren Medemblik 2019’, met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode, welke door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld. De gemeente hanteert voor het bepalen van de parkeerbehoefte de richtlijnen van het CROW (CROWkerncijfers, publicatie 317 - kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). De richtlijnen van het CROW gaan uit van een bandbreedte van minimale en maximale parkeercijfers. Het aanhouden van een bandbreedte kan leiden tot allerlei discussies over de verschillende invloedsfactoren. Bij het opstellen van de parkeerregels heeft de gemeente ervoor gekozen om uit te gaan van het gemiddelde van de minimale en maximale parkeerkerncijfers (afgerond naar boven).
Toetsing
50
Voor dit plan zijn de volgende parkeerkerncijfers van toepassing. Per woning zal er minimaal 2,0 en maximaal 3 parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd.
Functie
Gebiedskenmerk
Minimaal
Maximaal
Woning
Niet stedelijk buitengebied
2,0
2,8
Voor haaksparkeren zijn parkeervakken van 2,4 a 2,5 m breed nodig. Naast ruimte voor de auto zelf van doorgaans 1.80 m is er ruimte nodig voor het in- en uitstappen. De lengte van een parkeerplaats is 5 m. Voor het inrijden en het maken van de bocht moet de straatbreedte 6 m breed zijn. Per parkeerplaats is er circa 12,5 m2 nodig. Voor het totaal aantal maximaal benodigde parkeerplaatsen per woning is er 37,5 m2 nodig (3 parkeerplaatsen totaal per woning maal 12,5 m2 per parkeerplaatsen). In het plangebied is ruim voldoende voor het realiseren van de maximale parkeerbehoefte. De Grote Zomerdijk heeft ruim voldoende capaciteit voor de verkeersafwikkeling van de extra stolpwoning. Als gevolg van de ontwikkeling wijzigt de verkeersgeneratie van het plangebied. In de voormalige situatie trok het agrarisch bedrijf met de bedrijfswoning relatief veel vrachtverkeer aan. In de toekomstige situatie wordt de verkeersgeneratie voornamelijk gegenereerd door personenauto’s. In de toekomstige situatie neemt de verkeersgeneratie van het plangebied dan ook af. De Grote Zomerdijk is breed genoeg voor elkaar passerend verkeer. De verkeerssituatie ter plaatse is overzichtelijk. Vanuit de in- en uitrit is voldoende zicht op de weg. Door de gemeente Medemblik hoeven in de planomgeving geen maatregelen van verkeerskundige aard genomen te worden.
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Conclusie
4.2.6 Kabels en leidingen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. In of nabij het plangebied lopen geen hoofdkabels. Ook liggen er geen relevante zones over het plangebied. Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Beoordeling en conclusie
4.2.7 Duurzaamheid Overheden en de samenleving zijn zich er steeds meer van bewust dat we meer moeten zorgen voor het milieu, zoals energiezuinig bouwen, het bevorderen van
51
zonne-energie, duurzaam materiaal gebruik en gescheiden afvalverwerking. De aandacht hiervoor is dan ook groot. De bijdrage die bouwplannen kunnen leveren aan de klimaatdoelstellingen is een kans die niet onbenut moet worden gelaten. Hoewel er wettelijk geen ruimte is om strengere eisen te stellen dan in het Bouwbesluit is vermeld proberen overheden via diverse stimuleringsmaatregelen duurzaamheid vroeg en integraal mee te laten nemen door initiatiefnemers. Beoordeling en conclusie
52
Initiatiefnemer zal rekening houden met het aspect duurzaamheid bij de planvorming en uitvoering daarvan. Zo zal de nieuw te bouwen woning gasloos worden gebouwd en zal hij zich voor andere adviezen tot het Servicepunt Duurzame Energie. Hiermee wordt voldaan aan het aspect ‘duurzaamheid’.
5. Economische uitvoerbaarheid 5.1 Inleiding Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de financieel haalbaar plan en anderzijds door de wijze van kostenverhaal door de gemeente (grondexploitatie en eventuele planschade).
5.2 Beoordeling plan De kosten voor het ontwikkelen van het plan komen voor rekening van initiatiefnemer. Aangenomen wordt dat deze over de financiële middelen beschikt om het plan uit te kunnen voeren.
Financiële haalbaarheid
Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een plan een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Er is in dit geval geen sprake van een bouwplan zoals opgenomen in het Bro. Het opstellen van een exploitatieplan is daarmee niet aan de orde.
Grondexploitatie
De begeleiding van de planologische procedure is door middel van het heffen van leges gedekt. Daarnaast is het aanleggen van voorzieningen in het aangrenzende openbaar gebied niet aan de orde en wordt het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing door de initiatiefnemer bekostigd. Voor de gemeente Medemblik zijn derhalve geen kosten verbonden aan het opstellen en uitvoeren van dit plan. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst afgesloten waarin de eventuele planschade wordt geregeld.
Planschade
5.3 Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het plan is voldoende aangetoond.
53
6. Juridische regeling 6.1 Planonderdelen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Verbeelding
Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende planregel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1. via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In het voorschrift van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen; 2. via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de planregels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen bestemmingsregel hebben.
Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de planregels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens).
Planregels
De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. Het hoofdstuk “inleidende regels bestaat uit een tweetal artikelen te weten de begrippen en de wijze van meten. In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de planregels worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/- bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld.
54
De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel. De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden. 2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de planregels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook een aanlegvergunningstelsel opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Eerst voor gebouwen, dan voor de overige bouwwerken. Deze worden genoemd ‘bouwwerken, geen gebouwen zijnde’, en betreffen de constructies van enig omvang die toch geen gebouw zijn. Te denken valt aan erfscheidingen, hekwerken, lichtmasten, speelvoorzieningen, vlaggenmasten, lantaarnpalen, en dergelijke. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel een aanlegvergunningstelsel en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels.
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regel betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Toelichting
6.2 De bestemmingen 6.2.1 Planvorm Het bestemmingsplan Buitengebied 2018 heeft een conserverend karakter met de nodige flexibiliteit via een wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. Voor dit plangebied wordt gebruik gemaakt van de wijzigingsbevoegdheden waarbij de planvorm van het bestemmingsplan aansluit bij dit bestemmingsplan waarmee de ruimtelijke kwaliteit in het gebied als zodanig kan worden versterkt.
55
6.2.2 De verbeelding Op de verbeelding zijn de twee woonfuncties en de agrarische functie bestemd, waardoor het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsregels, de bouwregels en gebruiksregels alsmede de afwijkingsbevoegdheden te vinden. De bestemming wonen bestaat uit een bestemmingsvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar het woongebruik toegestaan is. In de regels zijn regels opgenomen met betrekking tot de situering van de bebouwing in het bestemmingsvlak. Vanwege de ligging van het plangebied in een omgeving met een zekere archeologische verwachtingswaarde is naast de woonbestemming de dubbelbestemming “waarde -archeologie 4” en ‘waarde-archeologie 6” toegevoegd. Tevens zijn aan de overgebleven gronden de bestemming agrarisch toegekend. Tenslotte is de specifieke bouwaanduiding “Stolp” opgenomen voor de bestaande en nieuw te bouwen woning, analoog aan het bestemmingsplan Buitengebied 2018, waardoor extra regels van toepassing zijn. 6.2.3 Regels Het bestemmingsplan bevat een duidelijke regeling die aansluit op het onderliggende bestemmingsplan Buitengebied 2018 en het Bouwbesluit.
Regels uit het onderliggende bestemmingsplan die voor dit plangebied niet relevant of van toepassing zijn, zijn niet in dit bestemmingsplan opgenomen. De regeling biedt voldoende bebouwingsruimte aan de achter- en zijkant van woning. De regels zijn opgedeeld in de onderstaande hoofdstukken: Inleidende regels
Bestemmingsregels
Conform SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In het hoofdstuk Bestemmingsregels zijn in de planregels alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Waar noodzakelijk is gebruikgemaakt van aanduidingen om toegestaan gebruik nader te specificeren. Agrarisch - grasland De agrarische bestemming is bedoeld voor de uitoefening van agrarische bedrijven. Voor de agrarische gronden in dit bestemmingsplan is er geen mogelijkheid meer tot het bouwen van gebouwen wegens het ontbreken van een bouwvlak. Aan de bestemming ‘agrarisch’ is een aanduiding ‘grasland’
56
toegevoegd waardoor de kans op drift van het spuiten van landbouwgewassen tot nihil wordt gereduceerd. Wonen - Stolp Stolpen zijn veelal groter dan ‘gewone’ burgerwoningen en zijn door de uitstraling karakteristiek voor het buitengebied. Gezien de uitkomsten van het beeldkwaliteitsplan krijgen beide woonbestemmingen de aanduiding ‘stolp’. De stolp heeft een minimale maat van 10 bij 10 meter en maximaal 20 bij 20 meter. Het bouwvlak heeft daarom een afmeting van 20 bij 20 meter. In de regels is de mogelijkheid opgenomen om de vorm van het bouwvlak te wijzigen. Onder voorwaarden kan een stolp worden gesplitst in meerdere woningen. Voor de nieuw te bouwen stolpwoning is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarbij wordt geregeld dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van deze woning slechts wordt verleend zodra vaststaat dat alle voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is gesloopt. Daarnaast is in de specifieke gebruiksregels de uitvoering van de ontwikkeling verbonden aan het beeldkwaliteitsplan en het inrichtingsplan. De woonfunctie mag bij recht gecombineerd worden met een aan-huisverbonden beroep: een (vrij) beroep dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat gericht is op het verlenen van diensten. Voor de vestiging van een aan-huis-verbonden beroep zijn in de regels een aantal criteria opgenomen.
Waarde - Archeologie 4 Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Voor het bouwen van bouwwerken die de aangegeven grenzen overschrijden, namelijk dieper dan 40 cm beneden peil en tevens met een oppervlakte van meer dan 1.000 m2, moet een archeologisch rapport worden overlegd, waaruit blijkt dat de aanwezige archeologische waarden niet wezenlijk worden geschaad. Voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden die dieper dan 40 cm beneden peil plaatsvinden en tevens een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 bedragen, geldt een vergunningplicht. Het betreft onder andere werken en werkzaamheden zoals diepploegen en het scheuren van grasland of het aanbrengen van diepwortelende beplanting. Werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud zijn uitgezonderd van de vergunningplicht. Waarde - Archeologie 6 Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Voor het bouwen van bouwwerken die de aangegeven grenzen overschrijden, namelijk dieper dan 40 cm beneden peil en tevens met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2, moet een archeologisch rapport worden overlegd, waaruit blijkt dat de aanwezige archeologische waarden niet wezenlijk worden geschaad.
Voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden die dieper dan 40 cm beneden peil plaatsvinden en tevens een oppervlakte van meer dan 2.500 m2
57
bedragen, geldt een vergunningplicht. Het betreft onder andere werken en werkzaamheden zoals diepploegen en het scheuren van grasland of het aanbrengen van diepwortelende beplanting. Werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud zijn uitgezonderd van de vergunningplicht. Algemene regels
In dit hoofdstuk van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De algemene regels bestaan uit de volgende artikelen. Antidubbeltelregel De antidubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelregel wordt bindend voorgeschreven in artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening. Algemene bouwregels Voor het bouwen langs wegen en nabij stolpen zijn nadere eisen met betrekking tot de situering van de bebouwing gesteld. Oogmerk van deze regels is het behoud van het waardevol landschappelijk beeld van enerzijds de historische lintbebouwing langs wegen en anderzijds de stolp als zelfstandige hoofdvorm in zijn directe omgeving. Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat een algemene regeling waarin het wordt verboden om de gronden anders te gebruiken dan waarvoor zij bestemd zijn. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt omschreven in welke gevallen bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bouwregels.
Dit betreft bijvoorbeeld de bevoegdheid om af te wijken om kleine nutsvoorzieningen mogelijk te maken en om van de voorgeschreven maten en percentages af te wijken, maar ook om het bouwvlak te overschrijden. Bij dit laatste wordt met name gedacht aan het ruimte en flexibiliteit bieden ten behoeve van toekomstige bebouwing die binnen de woonbestemming wordt ontwikkeld. De omgevingsvergunning wordt overigens alleen verleend wanneer hiermee geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan aspecten als het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de woonen milieusituatie van aangrenzende percelen. Verder is een afwijking mogelijk om een bestaande woning door een stolp te vervangen. Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt omschreven in welke gevallen en tot welke omvang bestemmingsgrenzen kunnen worden gewijzigd. Dit biedt ruimte en flexibiliteit in de regels zonder dat een goede ruimtelijke ontwikkeling van het plangebied wordt geschaad. In dat kader zijn aan toepassing van de afwijkingsbevoegdheid ruimtelijke randvoorwaarden verbonden.
58
Algemene procedureregels De procedureregel voorziet in rechtsbescherming voor belanghebbenden in het geval het bevoegd gezag voornemens is nadere eisen te stellen. In het afsluitende onderdeel van de regels komen de overgangsregels en de slotregel aan de orde.
Overgangs- en slotregel
59
7. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Overleg Het plan is conform ex art. 3.1.1. Bro voorgelegd aan de specifieke overlegpartners. PM reacties opnemen.
7.2 Zienswijzen Op de procedure is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan wordt het ontwerpbesluit voor zes weken ter inzage worden gelegd. Eenieder kan in deze periode zienswijzen indienen. Indien er binnen de termijn zienswijzen worden ingediend, worden deze hier samengevat en van een antwoord voorzien.
7.3 Conclusie PM
60