04 DOC-21-454575 - Bestemmingsplan Wognum - Grote Zomerdijk 43, vaststelling door de gemeenteraad.
Tekst van het document
afbeelding bij dit plan
Bestemmingsplan Wognum - Grote Zomerdijk 43 Gemeente Medemblik TOELICHTING
Bestemmingsplan Wognum - Grote Zomerdijk 43 Gemeente Medemblik TOELICHTING
Kerkewijk 156 3904 JJ Veenendaal T. 0318 – 50 56 37 I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu
PLANGEGEVENS: IDN: Projectnummer: Titel:
Status Concept: Voorontwerp: Ontwerp: Vastgesteld:
Projectleider: Auteur:
NL.IMRO.0420.WOGGrZomerdijk43-VA01 Wognum - Grote Zomerdijk 43 Datum
Inhoudsopgave
TOELICHTING
6
Hoofdstuk1
Inleiding
6
Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Vigerende planologische situatie Opzet bestemmingsplan en toelichting
6 6 7 8
Beschrijving van de situatie
9
Huidige situatie Toekomstige situatie Beeldkwaliteitsplan
9 10 11
Beleidskader
12
Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Ladder voor duurzame verstedelijking Provinciaal beleid Structuurvisie Noord-Holland 2040 - Kwaliteit door veelzijdigheid Provinciale Ruimtelijke Verordening Gemeentelijk beleid Structuurvisie 2012-2022 'Sterke kust en sterk achterland' Duurzaamheid
12 12 13 13 14 14 15 16 16 17
Uitvoeringsaspecten
19
Flora en fauna Wettelijk kader Gebiedsbescherming Soortenbescherming Conclusie Bodemkwaliteit Wettelijk kader Resultaten onderzoek Conclusie Cultuurhistorie en archeologie Wettelijk kader Conclusie Luchtkwaliteit Wettelijk kader Beoordeling
19 19 19 20 21 22 22 22 24 24 24 26 26 26 27
1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk2 2.1 2.2 2.2.1 Hoofdstuk3 3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1 3.3.2 Hoofdstuk4 4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.3 4.3.1 4.3.2 4.4 4.4.1 4.4.2
Wognum - Grote Zomerdijk 43
3
4.4.3
4.12
Conclusie Parkeren en verkeer Parkeren Verkeer Conclusie Geluidhinder Wettelijk kader Onderzoek / beoordeling Conclusie Bedrijven en milieuzonering Wettelijk kader Onderzoek / beoordeling Conclusie Externe veiligheid Wettelijk kader Onderzoek / beoordeling Conclusie Kabels en leidingen Water Inleiding Beleidskader Watertoets Conclusie M.e.r.-beoordeling Wettelijk kader Vormvrije m.e.r.-beoordeling Conclusie Duurzaamheid
27 27 27 27 28 28 28 28 28 29 29 30 31 31 31 32 33 33 34 34 34 34 35 36 36 36 36 36
Hoofdstuk5
Juridische planbeschrijving
37
Inleiding Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Opbouw bestemmingen Bestemmingen Algemene regels Anti-dubbeltelregel Overige algemene regels Overgangs- en slotregels Overgangsregel Slotregel
37 37 37 37 38 38 38 39 39 39 39 39 39
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
40
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
40 40
4.5 4.5.1 4.5.2 4.5.3 4.6 4.6.1 4.6.2 4.6.3 4.7 4.7.1 4.7.2 4.7.3 4.8 4.8.1 4.8.2 4.8.3 4.9 4.10 4.10.1 4.10.2 4.10.3 4.10.4 4.11 4.11.1 4.11.2 4.11.3
5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.3 5.3.1 5.3.2 5.4 5.4.1 5.4.2 5.5 5.5.1 5.5.2 Hoofdstuk6 6.1 6.2
Wognum - Grote Zomerdijk 43
4
6.2.1
Overleg met overheidsinstanties
Wognum - Grote Zomerdijk 43
40
5
TOELICHTING Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de Grote Zomerdijk 43 bestaat het initiatief om de bestaande bebouwing op locatie, zowel glasopstanden als bijbehorende bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning, te moveren. Op deze locatie is het voornemen om drie losstaande grondgebonden woningen te realiseren.Initiatiefnemer is overeengekomen met het bevoegd gezag om ten behoeve van deze ontwikkeling voorliggend bestemmingsplan op te stellen. Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, omdat de planlocatie een agrarische bestemming heeft. Om woningbouw planologisch-juridisch mogelijk te maken, is een procedure tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) noodzakelijk. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het plan voorzien van een ruimtelijk juridisch kader. In deze toelichting wordt de beoogde ontwikkeling beschreven en wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. 1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Grote Zomerdijk in Wognum. De locatie ligt in het buitengebied op ongeveer anderhalve kilometer van de bebouwde kom. De planlocatie wordt omgeven door landbouwgrond en tuinkassen. Ook het perceel zelf van het initiatief bestaat voor een groot deel uit tuinkassen. De planlocatie is gelegen op de percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Wognum, sectie P, percelen 10, 813 en 814. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van 30.120 m2. In de onderstaande figuren is de ligging van het plangebied weergegeven.
Luchtfoto met aanduiding plangebied (bron: GoogleMaps)
Wognum - Grote Zomerdijk 43
6
Uitsnede kadastrale kaart (bron: PerceelLoep) 1.3
Vigerende planologische situatie
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan 'Buitengebied'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de raad van de gemeente Medemblik op 22 februari 2018. In het bestemmingsplan kent het plangebied de enkelbestemmingen 'Agrarisch - Glastuinbouw 2' en 'Agrarisch', en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'.Op een klein stukje van het perceel is een functieaanduiding opgenomen in de vorm van 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur'.
Wognum - Grote Zomerdijk 43
7
Uitnsede bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl) De voor 'Agrarisch - Glastuinbouw 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor kassen, schuurkassen, kasschuren, bollentrekkassen, warenhuizen en overige bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van glastuinbedrijven. Deze bestemming is op de planlocatie enkel aanwezig op de huidige locatie van de tuinkassen. De omliggende gronden hebben de enkelbestemming 'Agrarisch' zijn bestemd voor het agrarische grondgebruik. Daarnaast is wonen ten behoeven van de agrarische bedrijfsvoering toegestaan, enkel ter plaatse van een agrarische bedrijfskavel. Tevens zijn er ondergeschikte functies binnen de bestemming toegestaan, zoals nutsvoorzieningen, extensief dagrecreatief medegebruik en bestaande fiets- en wandelpaden. De voor 'Waarde-Archelogie 3' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor, behalve voor de andere voorkomende bestemming(en), het behoud van de aldaar in of op de grond archeologische waarden. Bij grondroerende werkzaamheden voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 vierkante meter en dieper dan 0,40 meter onder het maaiveld moet worden aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn of geschaad worden. Conclusie Onderhavig initiatief is in strijd met het bestemmingsplan 'Buitengebied', omdat het realiseren van meerdere woningen niet past binnen 1.4
Opzet bestemmingsplan en toelichting
Het bestemmingsplan 'Wognum - Grote Zomerdijk 43' bestaat uit de volgende stukken: toelichting; verbeelding; planregels. De toelichting is niet juridisch bindend, maar vormt een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot heeft de toelichting als doel om het bestemmingsplan te begrijpen en de regels op een correcte manier na te leven. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en kunnen enkel in samenhang met elkaar 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden en opstallen aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels en bepalingen gekoppeld om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen.
De toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 staat stil bij de huidige en toekomstige situatie van het plangebied; in Hoofdstuk 3 is een beknopt overzicht opgenomen van de belangrijkste beleidsvisies van de verschillende overheden die relevant zijn voor het plangebied; de gevolgen of effecten op de planologische- en milieutechnische aspecten worden in Hoofdstuk 4 beschreven; in Hoofdstuk 5 worden de gehanteerde bestemmingen met bijbehorende regeling beschreven; Hoofdstuk 6 behandelt ten slotte de economische uitvoerbaarheid en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Hierin worden de resultaten beschreven van de gevolgde inspraakprocedure en het vooroverleg conform artikel 3.1.1 Bro.
Wognum - Grote Zomerdijk 43
8
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving van de situatie
Huidige situatie
Het plangebied bestaat in de huidige situatie hoofdzakelijk uit glasopstallen ten behoeve van de tuinbouw. Deze bebouwing beslaat ongeveer 9000 vierkante meter. Daarnaast is er nog een bedrijfswoning aanwezig. Het gebied bevindt zich in het buitengebied ten westen van Wognum, in het noordelijke gedeelte van de provincie Noord-Holland. Onderstaand enkele afbeeldingen om een beter beeld te krijgen.
Aanzicht glasopstallen vanaf de Grote Zomerdijk (bron: GoogleMaps)
Aanzicht bedrijfswoning vanaf de Grote Zomerdijk (bron: GoogleMaps)
Wognum - Grote Zomerdijk 43
9
2.2
Toekomstige situatie
Op de locatie zullen drie vrijstaande lintwoningen worden gerealiseerd. De kavels van deze woningen staan haaks op de Grote Zomerdijk en hebben een afmeting van circa 25 bij 40 meter (1000 vierkante meter). Elke kavel heeft zijn eigen oprit, waarbij de meest oostelijke woning de oprit deelt met de eigenaar van het achtergelegen weiland. De te realiseren woningen maken onderdeel uit van een bestaand bebouwingslint langs de Grote Zomerdijk en zullen daarom allemaal verschillend zijn om zo goed in de omgeving te kunnen passen. Ten behoeve van de ontwikkeling is tevens een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Hieruit kan worden geconcludeerd dat, gezien de drie woningen dicht bij elkaar komen als een cluster, ze een landelijke uitstraling moeten hebben en voldoende verschillend moeten zijn. Hierbij is te denken aan verschillende grootte, kapvorm en exacte locatie. Om het wateroppervlak tussen de Grote Zomerdijk en de kavels niet te doorsnijden worden er gronddammen gerealiseerd. Onderstaand zijn enkele afbeeldingen opgenomen van de toekomstige situatie.
Schetsontwerp (bron: ErvenConsulenten)
Wognum - Grote Zomerdijk 43
10
Schetsontwerp t.o.v. huidige situatie (bron: ErvenConsulenten)
2.2.1
Beeldkwaliteitsplan
Voor de ontwikkeling aan de Grote Zomerdijk is tevens een beeldkwaliteitsplan opgesteld, om zo het nieuw in te richten gebied beter aan te laten sluiten bij de landelijke omgeving - resulterend in een betere beeldkwaliteit. Het volledige plan is te vinden in bijlage 1. Om aan te sluiten bij de omgeving is het doorzicht naar het landschap versterkt door de keuze voor drie compacte kavels, waar het landschap tussendoor loopt. Door deze kavels te clusteren richting het oostelijke deel van het perceel, worden de doorzichten ten westen van de te amoveren kas verbreed en versterkt. Ook tussen de woningen zijn doorzichten gemaakt door de weide tussen de kavels te trekken. Naast boven genoemde algemene landschapskenmerken binnen het nieuwe plan, zijn er ook specifieke aanbevelingen voor de woningen opgenomen in het beeldkwaliteitsplan. Deze aanbevelingen worden meegenomen in de daadwerkelijke ontwikkeling van het voorgenomen initatief. Om alle aanbevelingen in beeld te krijgen, is het beeldkwaliteitsplan als bijlage bijgevoegd.
Wognum - Grote Zomerdijk 43
11
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die op 13 maart 2012 door de minister is vastgesteld, vormt de overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie, natuur, waterveiligheid, milieukwaliteit en bescherming van het werelderfgoed. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Daarbij wordt ingezet op een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. In de SVIR zijn ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028 geformuleerd. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd: het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur; het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', zoveel mogelijk over aan provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen daarbij de ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. De sturing op verstedelijking, zoals afspraken over binnenstedelijk bouwen en doelstellingen voor herstructurering, laat het Rijk voor een groot deel los. In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, ruimte voor klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten en ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur. Verder is één van de nationale belangen die de SVIR benoemt, het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. Concreet betekent dit onder meer dat ruimte zorgvuldig moet worden benut en overprogrammering moet worden voorkomen.
Om die doelstellingen te bereiken, is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Alle stedelijke ontwikkelingen dienen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden. Conclusie Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling van beperkte omvang zonder strijdigheid met rijksbelangen. De ladder voor duurzame verstedelijking komt in paragraaf 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking aan de orde.
Wognum - Grote Zomerdijk 43
12
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. In het Barro worden een aantal projecten opgesomd die een groot Rijksbelang hebben. Per project worden regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. De regels zijn een uitwerking van de onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. In het Barro zijn veertien onderwerpen met bijzonder rijksbelang beschreven: Rijksvaarwegen; Project mainportontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie; Hoofdvaarwegen en landelijke spoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden; Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Conclusie Het initiatief valt niet onder een van de projecten uit het Barro. Door de gewenste ontwikkeling zal geen nationaal belang worden geschaad. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Nationaal belang 13, zoals geformuleerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro verwijst naar het Bro; geformuleerd is dat deze toetsing een procesvereiste is bij alle nieuwe ruimtelijke besluiten en plannen ten aanzien van bijvoorbeeld kantoorlocaties en woningbouwlocaties. Gemotiveerd dient te worden hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt ten aanzien van het ruimtegebruik. De kernbepaling van de Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt: 'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.' Om dit te onderbouwen dienen de volgende stappen te worden doorlopen: 1.
er dient een beoordeling plaats te vinden door betrokken overheden of de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte; 2. indien er een vraag is aangetoond, dient een beoordeling plaats te vinden door betrokken overheden of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. Indien het bestemmingsplan de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, is een motivering benodigd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Stedelijke ontwikkeling
Wognum - Grote Zomerdijk 43
13
Om aan deze verplichting uit het Bro te kunnen voldoen dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het Bro is het begrip stedelijke ontwikkeling als volgt vastgelegd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie blijkt dat er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de realisatie van 12 woningen. Onderhavig initiatief betreft de bouw van 1 woning en de sanering van overtollige bebouwing, waardoor het doorlopen van de laddertoets niet noodzakelijk is. Conclusie Op basis van jurisprudentie blijkt dat het doorlopen van de laddertoets voor voorliggend initiatief niet noodzakelijk is. 3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Structuurvisie Noord-Holland2040 - Kwaliteit door veelzijdigheid
Op 22 juni 2010 is door de Provinciale Staten van Noord-Holland de structuurvisie Noord-Holland 2040 'Kwaliteit door veelzijdigheid' vastgesteld. Op 3 november 2010 is deze in werking getreden. In deze structuurvisie geeft de gemeente aan welke provinciale belangen een rol spelen bij de ruimtelijlke ordening in Noord-Holland. Met deze belangen is een leidraad gegeven waarop de ruimte in Noord-Holland de komende dertig jaar moet worden ontwikkeld. In het bijbehorende uitvoeringsprogramma zijn deze belangen uitgewerkt in concrete activiteiten om de visie te realiseren, en via de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie is de doorwerking naar gemeentelijke bestemmingsplannen geregeld. Het uitgangspunt voor 2040 in Noord-Holland is 'kwaliteit door veelzijdigheid'. Noord-Holland moet aantrekkelijk blijven in wat het is, namelijk een diverse, internationaal concurrerende regio, in contact met het water en uitgaande van de kracht van het landschap. Gelet op deze doelstelling heeft de provincie een aantal provinciale belangen aangewezen. De drie hoofdbelangen vormen de ruimtelijke hoofddoelstelling van de Provincie. Hieronder zijn deze drie hoofdbelangen weergegeven.
Wognum - Grote Zomerdijk 43
14
Hoofddoelstellingen ruimtelijk beleid (bron: Provincie Noord-Holland) De provinciale structuurvisie is uitsluitend bindend voor de provincie en niet voor gemeenten en inwoners. Om de provinciale belangen, die in de strcutuurvisie zijn gedefinieerd, door te laten werken heeft de provincie Noord-Holland de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie opgesteld. Hierin wordt een aantal algemene regels vastgesteld omtrent de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen over onderwerpen in zowel het landelijk als het bestaand bebouwd gebied van Noord-Holland, waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Conclusie Onderhavig initiatief betreft het verwijderen van glasopstanden en een bedrijfswoning in ruil voor drie bouwkavels voor vrijstaande woningen. Deze woningen worden ingepast in de lintstructuur van de omgeving. Als gevolg hiervan treedt een grote kwaliteitsverbetering op voor de omgeving. Het initiatief is daarmee passend binnen de strucuurvisie waarin 'ruimtelijke kwaliteit' één van de hoofdbelangen is.
3.2.2
Provinciale Ruimtelijke Verordening
In de Provinciale Ruimtelijke Verordening is de doorwerking van de Structuurvisie Noord-Holland 2040 in bestemmingsplannen nader uitgewerkt. Deze verordening is gelijktijdig met de structuurvisie vastgesteld en in werking getreden. In de verordening zijn verschillende regels opgenomen. Er zijn regels voor zowel het bestaand bebouwd gebied als het landelijk gebied, regels voor uitsluitend het bestaand bebouwd gebied en regels voor uitsluitend het landelijk gebied. Op verschillende regels die van belang zijn voor het plangebied wordt hieronder ingegegaan. Aardundige waarden In de provincie Noord-Holland komen verschillende aardkundige monumenten en aardkundig waardevolle gebieden voor. Binnen de begrenzing van het plangebied ligt geen aardkundig waardevol gebied. Ook aardkundige monumenten zijn niet aanwezig in het plangebied of in de directe omgeving hiervan. Landelijk gebied
Wognum - Grote Zomerdijk 43
15
Wanneer er sprake is van verstedelijking in het landelijk gebied moet rekening worden gehouden met de volgende aspecten, met het oog op de ruimtelijke kwaliteit van de directe omgeving; de kernkwaliteiten van de landschapstypen en aardkundige waarden; de kernkwaliteiten van de bestaande dorpsstructuur waaraan wordt gebouwd; de openheid van het landschap; de historische structuurlijnen; cultuurhistorische objecten.
De nieuw te realiseren woningen vallen niet binnen bestaand stedelijk gebied, en zal dus verstedelijking van het landelijk gebied betekenen. Op basis van artikel 15 lid 2 van de verordening, moet een toelichting van een bestemmingsplan tenmisnte een verantwoording geven van de mate waarin de nieuwe functies rekening houden met; de ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap; de ordeningsprincipes van het landschap; de bebouwingskarakteristieken; de inpassing van de nieuwe functies in de wijdere omgeving; de bestaande kwaliteiten van het gebied en de maatregelen die nodig zijn om negatieve effecten op deze kwaliteiten op te heffen in relatie tot de nieuwe functies.
Voor het plangebied zijn deze genoemde aspecten uitgewerkt in het beeldkwaliteitsplan, dat als bijlage 1 is opgenomen bij deze toelichting. Het voorliggende bestemmingsplan sluit aan bij de hierin gestelde eisen ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie 2012-2022 'Sterke kust en sterk achterland'
Op 28 februari 2013 is de gemeentelijke Structuurvisie 2012-2022 ‘Sterke kust en sterk achterland’ vastgesteld. De structuurvisie betreft een actualisatie en harmonisering van het beleid van de voormalige gemeenten Andijk, Medemblik en Wervershoof en bevat een beschrijving op hoofdlijnen van de te verwachten ruimtelijke ontwikkelingen voor de komende jaren. Daarbij worden de opgaven en ambities voor de komende tien jaar in beeld gebracht op het gebied van: regionale samenwerking, landschap en cultuurhistorie, wonen, voorzieningen en leefbaarheid, economie en bedrijvigheid, bereikbaarheid en ontsluiting, natuur en water en duurzaamheid. Wognum is in de structuurvisie aangemerkt als een centrumdorp, met hieromheen liggend bestaande lintbebouwing. Daarnaast ligt het plangeb ied in een omgeving welke is getypeerd als 'karakteristieke lintdorpen, woon- en werkgebieden achter het lint, open agrarisch gebied tussen de linten'. De structuurvisie geeft aan dat de historische linten belangrijke structuurdrages zijn voor het gebied en fungeren als dragers voor nieuwe ontwikkelingen. Uitgangspunt is het in stand houden en versterken van de laanbeplanting in de linten. Functieverandering van bestaande panden en herstructurering van locaties is mogelijk, verdichting is niet gewenst om zo het behoud van de doorzichten naar het achterland te verzekeren.
Ten aanzien van wonen wordt in de structuurvisie aangegeven dat de basis voor nieuwe ontwikkelingen 'woningbouw passend bij de aard en schaal van de ker' is; kwaliteit in plaats van kwantiteit (in alle kernen is woningbouw mogelijk); duurzaamheid (mensen moeten kunnen blijven meedoen in de maatschappij); de landschappelijke en cultuurhistorische identiteit van de locatie (het open landschap moet in stand blijven, nieuwe bebouwing sluit aan op het DNA van het dorp waar gebouwd wordt). Conclusie
Wognum - Grote Zomerdijk 43
16
Onderhavig initiatief voorziet in het realiseren van drie vrijstaande woningen, passend in de lintenstructuur van de omgeving. Hiervoor in ruil worden bestaande glasopstanden en overige bebouwing verwijderd. Bij de herontwikkeling van dit gebied zal er rekening worden gehouden met doorzichten naar het achterland. De bedrijfsgebouwen gaan weg, en tussen de kavels van de woningen in is veel ruimte opgenomen om een impuls te geven aan het open karakter van de doorzichten. 3.3.2
Duurzaamheid
Het gemeentelijke beleid voor het toekomstgericht (duurzaam) ontwikkelen van de gemeente Medemblik is vastgelegd in de beleidsnota Duurzaam Medemblik. De brede aanpak van duurzaamheid maakt Medemblik concreet met de thema's: gebiedsontwikkeling, inkopen en aanbesteden, mobiliteit, energieopwekking, energiebesparing en bewustwording. Binnen deze thema's kan de gemeente sturen op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Medemblik als duurzame gemeente betekent ook dat er ruimte is voor economische groei, dat ontwikkelingen aansluiten op de identiteit van het landschap en dat er ruimte is voor participatie en flexibiliteit in gebruiksmogelijkheden van gebouwen en ruimte. De economische belangen, de sociaal maatschappelijke betekenis en de landschappelijke en natuurlijke basis zijn met elkaar in evenwicht. De bevolking is erg betrokken, er zijn veel vrijwilligers. Bewoners en bedrijven zijn belangrijke partners voor de gemeente om de (duurzame) ambities te verwezenlijken. Medemblik is (ook) in de toekomst een veilige en leefbare gemeente. Dit impliceert een aantrekkelijke, schone en herkenbare omgeving, waar de inwoners trots op zijn. Leefbaarheid hangt in belangrijke mate af van duurzaamheid. De milieuregelgeving, het milieubeleid (inclusief Europese Richtlijnen) dragen bij aan een gezond en veilig leefklimaat in een aantrekkelijke groene omgeving.
Deze leefomgeving (met vitale natuur) wordt behouden. Nieuwe ontwikkelingen vinden plaats zonder de biodiversiteit aan te tasten of natuurlijke hulpbronnen uit te putten. Medemblik heeft niet alleen oog voor de behoeften van nu, maar ook voor de leefbaarheid in de toekomst. Duurzaamheid staat vaak synoniem voor fysieke duurzaamheid: Energieneutraal bouwen wordt de norm voor de nabije toekomst. In de komende jaren gaat Nederland steeds energiezuiniger bouwen. Van een epc 04 (in 2015) tot energieneutraal in 2020. Dat ligt vast in Europees en Nederlands overheidsbeleid. Zeer energiezuinig en energieneutraal bouwen biedt nu al een marktvoordeel ten opzichte van standaard nieuwbouw. De gemeente Medemblik streeft naar een energie-efficiënte, duurzame omgeving. Medemblik wil de projectontwikkelaars meenemen in de transitie naar energieneutraal bouwen en/of renoveren. Hiervoor biedt de gemeente kosteloos een sublicentie van het programma GPR Gebouw (een online tool) aan om een objectief oordeel te kunnen geven over de duurzaamheid van de bouwplannen. De Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord (RUD NHN) is in het bezit van een licentie en verstrekt op verzoek van de gemeente een sublicentie aan de ontwikkelaar, architect of bouwer. De gemeente maakt voor de geplande nieuwbouw afspraken met de ontwikkelende partij over het gebruik van dit programma.
De online tool GPR Gebouw is een hulpmiddel om de duurzaamheid van ontwerp voor een gebouw of woning objectief inzichtelijk te maken vanuit een aantal vaste thema's. Wanneer bij renovatieplannen en nieuwbouw van woningen een energielabel wordt overlegd, hoeft er voor dit onderdeel geen gebruik te worden gemaakt van GPR Gebouw. Fysieke duurzaamheid In aansluiting op de beleidsnota Duurzaam Medemblik is het streven om 20% van de huidige energievraag in de gemeente in 2020 met hernieuwbare energiebronnen op te wekken. Dat kan binnen en buiten de gemeentegrenzen worden gerealiseerd. De fysieke duurzaamheid hangt samen met kleine interventies en maatregelen in het buitengebied. Iedere ontwikkeling draagt bij aan de verduurzaming door bijvoorbeeld: Alternatief voor fysieke oplossingen (o.a. digitaliseren). Duurzaam slopen (afval is nieuwe grondstof). Materiaalgebruik en -hergebruik. Energiereductie en (collectieve) hernieuwbare energievoorzieningen**.
Wognum - Grote Zomerdijk 43
17
Verduurzaming mobiliteit. Opzetten ecologische kringlopen; water, reststoffen en warm-te/energie. Sloten, binnenwater met elkaar verbinden. Natuurvriendelijke oevers toepassen. Verbreding van watergangen. Aanleggen infrastructuur voor duurzame mobiliteit.
Conclusie Onderhavig initiatief voorziet in het realiseren van drie vrijstaande woningen. Hiervoor in ruil worden bestaande glasopstanden en overige bebouwing verwijderd. Bij de herontwikkeling van dit gebied zal er rekening worden gehouden met het duurzaamheidsbeleid. De woningen zullen voldoen aan geldende wet- en regelgeving.
Wognum - Grote Zomerdijk 43
18
Hoofdstuk 4
Uitvoeringsaspecten
In dit hoofdstuk zullen de relevante uitvoeringsaspecten bij het plan worden besproken. Hierin is aandacht voor de verschillende milieuaspecten zoals flora en fauna en luchtkwaliteit, en is er aandacht voor milieuzonering, verkeer en parkeren en externe veiligheid. 4.1
Flora en fauna
4.1.1
Wettelijk kader
Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen. Het doel is om met één wet en minder regels de wet makkelijker te kunnen toepassen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten. Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen.
Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld. Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de plantenen diersoorten die in het plangebied voorkomen. Zorgplicht Voorts geldt bij uitvoering van werkzaamheden ten allen tijde een de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden een algemeen beschermde soort als konijn, veldmuis of gewone pad wordt aangetroffen zij de ruimte en tijd moet krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren verplaatst worden naar een naastgelegen ruimte waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.
Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota's en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten. 4.1.2
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op circa 7,5 kilometer afstand van het Natura-2000 gebied 'Markermeer & IJmeer'. Het plangebied is geen onderdeel van Natuurnetwerk Nederland.
Wognum - Grote Zomerdijk 43
19
In het verkennend ecologisch onderzoek dat is uitgevoerd door Ecoresult (bijlage 2), komt het volgende naar voren: Beschermde gebieden Natura 2000 Significante negatieve effecten van stikstofemissie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten op basis van de afstand (10,1 km tot het dichtstbijzijnde gebied met stikstofgevoelige habitats) tot het plangebied en de aard van de activiteiten (herinrichting bestaande schuur) die hier zullen plaatsvinden. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing of vergunning is niet nodig. Omgevingsverordening NH2020 Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt voorhand uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig. In de Omgevingsverordening ligt de planlocatie in het 'Landelijk gebied'. IN paragraaf 3.2 wordt hier nader op ingegaan. Beschermde houtopstanden Het plangebied bevindt zich niet binnen de bebouwde kom van Wognum, echter worden er geen bomen gekapt. In dit geval wordt de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet overtreden. 4.1.3
Soortenbescherming
Beschermde soorten Jaarrond beschermde nesten De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot schadelijke effecten op potentieel aanwezige verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van de huismus. Aanvullend veldonderzoek is nodig. Indien huismus aanwezig is en een overtreding van een verbodsbepaling niet kan worden voorkomen, dient een ontheffing of vergunning te worden aangevraagd. Overige Vogelrichtlijnsoorten met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht. Algemene vogels en niet jaarrond beschermde nesten Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van vogels met niet jaarrond beschermde nesten en algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Vleermuizen De voorgenomen sloop van de woning leidt tot een negatief effect op potentieel aanwezige voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis).
Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Nader onderzoek is nodig. Indien voortplantings- en vaste rusten verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met de werkzaamheden kan worden gestart. Overige Habitatrichtlijnsoorten worden niet verwacht. Nationaal beschermde soorten
Wognum - Grote Zomerdijk 43
20
Het plangebied is potentieel geschikt als vaste rust- en verblijfplaats en essentieel functioneel leefgebied voor wezel, hermelijn en bunzing. Door de werkzaamheden kunnen deze verblijfplaatsen en kan potentieel essentieel functioneel leefgebied verdwijnen. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om de aanwezigheid van marterachtigen vast te stellen. Aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd door middel van cameravallen in de periode maart- augustus gedurende 6 weken. Daarnaast is het plangebied geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Noord-Holland een vrijstelling geldt. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wèl geldt voor deze soorten een meldingsplicht. Tevens dient er altijd rekening te worden gehouden met vrijgestelde soorten als muizen, egels, amfibieën en algemeen broedende vogels. Hiervoor geldt de algemene zorgplicht tijdens de periode dat er werkzaamheden worden uitgevoerd. Stikstofdepositie Sinds 2015 was het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) van kracht. Het programma bevatte een integrale beoordeling van de bron- en gebiedsgerichte maatregelen voor de aanpak van de stikstofproblematiek. Deze maatregelen werden getroffen in en nabij de Natura 2000-gebieden die onderdeel zijn van het PAS.
Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) geldt het PAS voor geen enkel Natura 2000-gebied meer. Dit betekent ook dat de collectieve passende beoordeling via het PAS door de uitspraak is komen te vervallen. Met de AERIUS Calculator kunnen de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op Natura 2000-gebieden worden bepaald. Door de uitspraak is in het kader van dit bestemmingsplan ook gekeken naar de mogelijk te verwachten effecten. Zoals aangegeven ligt het Natura-2000 gebied 'Markermeer & IJmeer' op circa 7,5 kilometer van het plangebied. Er is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator. Hieruit blijkt dat de gewenste ontwikkeling niet leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar in de gebruikersfase. Gezien de wettelijke verplichting om nieuw te bouwen woningen gasloos te bouwen, is er in de gebruikersfase enkel uitstoot door de verkeersgeneratie van de drie woningen. Deze depositie is niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. De realisatiefase is volgens de partiële vrijstelling conform artikel 2.9a Wnb, op basis van de Wet Stikstofreductie en natuurverbetering, niet opgenomen in de berekening. Tijdelijke stikstofemissies in de fase van de bouw, sloop en aanleg zijn hiermee vrij van een natuurvergunningplicht.
Gezien de realisatiefase van onderhavig initiatief een fase van tijdelijke aard is, is de realisatiefase niet van belang voor de berekening. De begeleidende rapportage en de uitdraai van de berekening is te vinden in bijlage 4 en 6. 4.1.4
Conclusie
Er is nader veldonderzoek noodzakelijk naar de aanwezigheid van de huismus en de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis). Wanneer blijkt dat deze soorten aanwezig zijn moet er mogelijk ontheffing worden aangevraagd. Het plangebied is daarnaast potentieel geschikt als vaste rust- en verblijfplaats en essentieel functioneel leefgebied voor wezel, hermelijn en bunzing. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om de aanwezigheid van marterachtigen vast te stellen. Aanvullend onderzoek soorten Door Otte Groen Advies is aanvullend onderzoek gedaan. Het complete onderzoeksrapport is als bijlage 3 bijgevoegd. De conclusies van het aanvulend onderzoek luiden als volgt. Huismussen: Op basis van de uitgevoerde veldonderzoeken valt met zekerheid vast te stellen dat op de planlocatie geen verblijfplaatsen aanwezig zijn van de huismus. Kleine marterachtigen: Op basis van de uitgevoerde onderzoeksinspanning door middel van de resultaten van marterboxen, de
Wognum - Grote Zomerdijk 43
21
sporenbuizen en de wildvalcamera is met zekerheid vast te stellen dat de kleine marterachtigen de planlocatie niet gebruiken als foerageergebied. Negatieve effecten op deze soort zijn uitgesloten. Vleermuizen: Foerageergebied De gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger zijn meerdere malen foeragerend waargenomen. De gewone dwergvleermuis was met grote regelmaat aanwezig. De ruige dwergvleermuis en laatvlieger zijn slechts enkele malen gehoord en gezien. Vlieg- en migratieroutes Het vliegpatroon was enigszins diffuus. Echte overduidelijke vliegroutes waarbij met een zekere regelmaat vleermuizen passeren zijn niet aangetroffen. Verblijfplaatsen Tijdens de veldbezoeken zijn geen waarnemingen gedaan waaruit de aanwezigheid van verblijfplaatsen blijkt. In het najaar is enkel tijdens het laatste avondonderzoek op 20 september 2021 is enkele malen een baltsende gewone dwergvleermuis gehoord. Het baltsen vond plaats boven de oprit. Er zijn geen zwermactiviteiten waargenomen, ook is er geen invliegend individu gezien waaruit een paarverblijfplaats blijkt. Zowel in het plangebied als de direct omgeving hiervan zijn geen zomerverblijfplaatsen, (kraam)kolonie en paarverblijfplaatsen vastgesteld. Overige soorten: Tijdens het vleermuizenonderzoek op 29 juni 2021 is een egel foeragerend aangetroffen.
De egel maakt gebruik van de beplanting rondom de bebouwing en de vegetatie langs de oever van de watergang en rommelhoekjes om te verblijven. De voorgenomen werkzaamheden kunnen tot negatieve effecten op deze soorten leiden, bijvoorbeeld door de aantasting van leefgebied, zomer- en winterrust verblijfplaats. De egel is een nationaal beschermde soort. In de provincie Noord-Holland is deze soort vrijgesteld. Wel moet rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er geen ontheffing aangevraagd hoeft te worden van de Wet natuurbescherming. Dit moet voorafgaand aan de werkzaamheden gebeuren. 4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Wettelijk kader
De Wet Bodembescherming schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. 4.2.2
Resultaten onderzoek
Voorliggend initiatief voorziet in een functiewijziging van agrarisch naar wonen Ten aanzien van dit initiateif zullen er grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd. Tevens is de gewenste functie van wonen, een milieugevoelige functie waarbij meerdere personen voor langere tijd in het pand aanwezig kunnen zijn. In 1998 is er een bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 5). Het betreft een nusituatieonderzoek in het kader van de 'AMvB Tuinbouwbedrijven met bedekte teelt'. Hieruit is gebleken dat er vervolgonderzoek nodig is voor een aantal plaatsen binnen het plangebied. Het gaat om de volgende locaties:
Wognum - Grote Zomerdijk 43
22
A. B. C. D. E. F. G.
Voormalige olietank 3.000l Olietank 30.000l bestrijdingsmiddelenkast vaste spuitinstallatie A- en B-bakken Opslag vloeibare mest.
Locaties vervolgonderzoek (Bron: Bodemonderzoek Grote Zomerdijk 43 Wognum 77813, Blgg Oosterbeek, bijlage 5) Uit de analyse resultaten van dit onderzoek blijkt dat: bij de olietanks een lichte verontreiniging met olie in de grond is aangetroffen; bij de bestrijdingsmiddelenkast en vaste spuitinstallatie in de grond een verhoogd EOX gehalte is aangetroffen. De EOX was in het verleden een trigger-functie voor de aanwezigheid van niet-vluchtige organische halogeenverbindingen, zoals bijvoorbeeld polychloorbifenylen(PCB'S), organochloorbestrijdingsmiddelen en dioxines;
Wognum - Grote Zomerdijk 43
23
bij de bakken voor opslag chemcialien en vloeibare meststoffen in het grondwater een sterke verontreiniging met nikkel en een lichte verontreiniging met arseen is aangetroffen. Gezien deze gegevens kan geen betrouwbare uitspraak worden gedaan over de kwaliteit van de bodem voor het toekomstig gebruik (woningbouw). Bodemonderzoek is noodzakelijk. Bij de uitvoering van het bodemonderzoek dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar de voornoemde bodembedreigende activiteiten, en gedempte sloot. In verband met onderzoek naar bestrijdingsmiddelen dient er ook een onderzoek naar PFAS te worden uitgevoerd omdat deze stoffen mogelijk in bestrijdingsmiddelen waren verwerkt.
De genoemde locaties waar nader onderzoek noodzakelijk is liggen direct rondom/ nabij de bestaande woning/ verharding. Deze woning is nog niet gesloopt en het is, gezien de bebouwing/ verharding lastig om het onderzoek nu uit te voeren. Nader onderzoek wordt, volgens afspraak, uitgevoerd op het moment dat de woning wordt gesloopt. 4.2.3
Conclusie
Uit de beoordeling blijkt dat er op basis van de beschikbare informatie geen betrouwbare uitspraak gedaan kan worden of de bodem geschikt is voor het beoogd gebruik. Er dient nader bodemonderzoek te worden uitgevoerd op het moment dat de bestaande bebouwing/ verharding gesloopt ius. 4.3
Cultuurhistorie en archeologie
4.3.1
Wettelijk kader
De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. Het betreft dan: 1. Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van Rijksmonumenten; 2. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; 3. Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet. Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenwet doorgevoerd via een wijziging van artikel 3.6. lid 2 van Besluit ruimtelijke ordening.
In de toelichting van een bestemmingsplan moet voortaan het volgende worden opgenomen: Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Dit is één van de pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). De Rijksdienst helpt gemeenten om hieraan te voldoen met de Handreiking erfgoed en ruimte. Hierin staat hoe gemeenten zo'n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren. Ook wordt in deze handreiking
Wognum - Grote Zomerdijk 43
24
aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan, compleet met voorbeeldbepalingen. Provinciaal beleid archeologie en cultuurhistorie Structuurvisie 2040 Het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Holland is vastgelegd in de 'Structuurvisie 2040 Noord-Holland 2040 –Kwaliteit door veelzijdigheid'. Archeologie is daarin aangewezen als één van de kernkwaliteiten van het landschap. Daarnaast gaat de provincie Noord-Holland uit van een ontwikkelingsgerichte benadering, omdat ook tegenwoordige ruimtelijke ontwikkelingen het landschap vormen, zodat zorgvuldig wordt omgegaan met de bestaande (historische) kenmerken van het landschap. In de bijbehorende Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie heeft de provincie regels geformuleerd omtrent de inhoud van en de toelichting in bestemmingsplannen als er sprake is van provinciaal belang. In een bestemmingsplan moet bijvoorbeeld duidelijk omschreven worden hoe er omgegaan wordt met de cultuurhistorische objecten (waaronder archeologische waarden). De provincie speelt een belangrijke rol op het gebied van ruimtelijke ordening. Door haar ruimtelijk beleid bepaalt de provincie in belangrijke mate hoe de ruimte in Noord-Holland wordt ingericht.
In het licht van de WRO spitst de provinciale rol vanuit cultuur en cultuurhistorie in de ruimtelijke inrichting zich toe op drie terreinen, daar waar de provincie: Haar cultuurhistorisch provinciaal belang heeft gedefinieerd in de Structuurvisie; Wettelijk bevoegd gezag is bij ingrepen die een relatie hebben met Cultuurhistorie, bijvoorbeeld bij ontgrondingen of aanleg van provinciale wegen; Initiatiefnemer die bij projecten van het Rijk een (beschermde) taak hebben verkregen, zoals bij de nationale landschappen en Unesco-gebieden. Op provinciaal niveau is het beleidskader en de leidraad Landschap en Cultuurhistorie van belang voor onderhavig bestemmingsplangebied. Beleidskader en Leidraad Landschap en Cultuurhistorie De visie op de gewenste ruimtelijke kwaliteit is vastgelegd in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland. Deze vernieuwde leidraad5 is een uitwerking van het in 2006 vastgestelde Beleidskader Landschap en Cultuurhistorie, dat werd gebruikt als leidraad voor ruimtelijke plannen als bestemmingsplannen, beeldkwaliteitsplannen en structuurplannen. Daarnaast bood het handreikingen aan gemeenten om landschap en cultuurhistorie als uitgangspunt te gebruiken bij planvorming. De provincie Noord-Holland heeft 10 archeologische gebieden van provinciaal belang gedefinieerd. Het plangebied ligt in een dergelijk gebied: West-Friesland.
Als in gebieden van provinciaal belang het maatschappelijk belang dusdanig groot is dat waardevolle archeologische vindplaatsen aangetast moeten worden, vraagt de provincie aan te geven op welke wijze archeologische waarden door compenserende maatregelen in het plan zijn ondergebracht. Bovendien vraagt de provincie de aanwezige waarden te benutten bij de inrichting van een gebied. Het archeologiebeleid van de provincie Noord-Holland is primair gericht op het behouden van de archeologische waarden in de bodem. Dit is geheel in de 'geest' van het Verdrag van Malta. Gemeentelijk archeologiebeleid De herziene Monumentenwet verplicht gemeenten om 'rekening te houden met aanwezige of te verwachten archeologische waarden'. Het bestemmingsplan staat hierbij centraal. Hierin worden bouwen aanlegvoorschriften opgenomen. Indien belangrijke archeologische waarden als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen niet in de bodem behouden kunnen blijven, dient de informatie te worden veiliggesteld d.m.v. een opgraving. De Monumentenwet gaat hierbij uit van een algemene vrijstelling voor ingrepen tot 100 m2, maar biedt de gemeente ook de nodige beleidsruimte om haar eigen afweging te maken. De gemeente Medemblik heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeester en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de
Wognum - Grote Zomerdijk 43
25
omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarnaast is een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd. De bescherming van archeologische waarden wordt geregeld via een dubbelbestemming. Deze dubbelbestemming geldt voor die locaties die op basis van de Beleidskaart Archeologie een hoge archeologische waarde of een hoge archeologische verwachting hebben. Voor de locatie Grote Zomerdijk 43 gelden de volgende vrijstellingsgrenzen: 1.000 vierkante meter in het centrale deel van het plangebied; 5.000 vierkante mter in de noordoost- en zuidwesthoek van het plangebied. 4.3.2
Conclusie
Het plangebied ligt in een verkavelingsgebied van zeer hoge historisch-geografische waarde. De oorspronkelijke regelmatige strokenverkaveling is hier nog intact. Dit geldt ook voor het perceel Grote Zomerdijk 43. De Grote Zomerdijk is een dijk van hoge historisch-geografische waarde. De samenhang met de verkaveling is goed herkenbaar. Binnen het plangebied staat geen historische bebouwing. Op basis van de bodemkaart en geologische ontstaansgeschiedenis van het gebied geldt binnen het plangebied een hoge tot lage verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie. Op de beleidskaart archeologie is deze verwachting vertaald naar vrijstellingsgrenzen van 1.000 en 5.000 m2. Op de paleografische kaart is een kreek met oeverwal zichtbaar ter hoogte van het plangebied rond 2250 voor Chr. Dit zijn over het algemeen geschikte locaties voor bewoning in het Laat-Neolithicum en de Vroege Bronstijd. Geadviseerd wordt om ten behoeve van de bescherming van eventueel in de ondergrond aanwezige resten uit de prehistorie de vrijstellingsgrenzen uit de beleidskaart archeologie in het nieuwe bestemmingsplan over te nemen in de vorm van dubbelbestemmingen. Indien de sloop van de kassen met beleid kan worden uitgevoerd en de bouwplannen de vrijstellingsgrenzen van 1.000 en 5.000 m2 niet overschrijden, kunnen de voorgenomen ingrepen worden vrijgegeven met betrekking tot het aspect archeologie.
In dat geval is nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg niet noodzakelijk. De quickscan archeologie, aangeleverd door de gemeente Medemblik, is te vinden in bijlage 5. 4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wettelijk kader
Wet milieubeheer Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). In de Wet milieubeheer zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Omdat titel 5.2 van de Wm ingaat op de luchtkwaliteit, staat dit ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Hierin wordt gesteld dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: de plannen leiden niet tot het overschrijden van een grenswaarde; de luchtkwaliteit verbetert tengevolge van de plannen (per saldo) of blijft ten minste gelijk; de plannen dragen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM)
Wognum - Grote Zomerdijk 43
26
De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. De AMvB en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als NIBM moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.4.2
Beoordeling
De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. 4.4.3
Conclusie
Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. 4.5
Parkeren en verkeer
4.5.1
Parkeren
Het benodigd aantal parkeerplaatsen kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. Het plangebied wordt gekenmerkt als het buitengebied in weinig stedelijk gebied. Voor een vrijstaande koopwoning geldt een parkeernorm van 2,0 tot 2,8 parkeerplaatsen per woning. In de gewenste situatie komt de totale parkeerbehoefte dan ook uit 6,0 tot 8,4 parkeerplaatsen in totaal. De te realiseren woningen hebben allen een ruime kavel met hierop voldoende ruimte voor meerdere auto's. De minimale en maximale parkeerbehoefte worden zo zeker weten gehaald. 4.5.2
Verkeer
Het plangebied wordt ontsloten via deGrote Zomerdwijk. Dit is een 60 km/u weg die de bebouwde kern van Wognum ontsluit richting het omliggende landelijk gebied. De verkeersgeneratie kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. In de huidige situatie is een agrarisch bedrijf toegestaan, binnen de CROW geformuleerd als arbeidsintensief en bezoekersextensief. Dit heeft een verkeersaantrekkende
Wognum - Grote Zomerdijk 43
27
werking van 9,1 tot 10,9 mvt/etmaal per 100 vierkante meter in het buitengebied van weinig stedelijk gebied. Voor een bedrijf met bijna 10.000 vierkante meter aan bedrijfsruimte komt dit neer op een generatie van 910 tot 1090 mvt/etmaal. In de gewenste situatie is de verkeersaantrekkende werking op dezelfde manier te bepalen. Voor een vrijstaande koopwoning is de verwachte verkeersgeneratie 7,8 tot 8,6 mvt/etmaal per woning. Dit komt in totaal neer op een verkeersaantrekkende werking van 22,8 tot 25,8 mvt/etmaal. De verkeersgeneratie neemt met onderhavig initiatief af met minimaal 887,2 mvt/etmaal. 4.5.3