04 Beantwoording commissievragen Morgen! raadscie. 16-11 agendapunt 8.1 Vaststelling bestemmingsplan 'Veegplan gemeente Medemblik'
Tekst van het document
Beantwoording vragen voorafgaand aan de raadscommissie Zaaknummer
Z-22-434445
Documentnummer
DOC-23-757328
Naam commissielid
S. Zeilemaker
Fractie
Morgen!
Onderwerp
Commissievragen Morgen! raadscie. 16-11 agendapunt 8.1 Vaststelling bestemmingsplan 'Veegplan gemeente Medemblik' 13 november 2023
Datum waarop de vraag is gesteld
Beantwoording uiterlijk woensdag 15:00 uur voorafgaand aan de commissievergadering. Portefeuillehouder Afdeling Inleiding 2.5 Bollenbroeierijen U schrijft“ Niet-grondgebonden agrarische bedrijven zijn in de specifieke gebruiksregels aangemerkt als strijdig gebruik met de bestemming” 1.
Hoe lang bestaat deze regel mbt bollenbroerijen?
antwoord
Deze regel dat niet-grondgebonden agrarische bedrijven in strijd zijn met de agrarische bestemming staat sinds 2013 in onze grote bestemmingsplannen voor de dorpskernen en ons buitengebied. De systematiek van onze bestemmingsplannen gaat er echter vanuit dat bollenbroeierijen met een reizende bollenkraam wel grondgebonden agrarische bedrijven zijn. Deze bedrijven hebben ook allemaal een agrarische bestemming. Wij verwijzen u hierbij naar het ontwerpbestemmingsplan voor de uitbreiding van het bollenbroeibedrijf aan de Cornelis Kuinweg 29, welk ontwerp ook in uw commissie van 16 november wordt behandeld. Dit bedrijf heeft ook een agrarisch grondgebonden bedrijfsvoering. Naar aanleiding van een uitspraak van onze commissie voor de bezwaarschriften inzake een bouwvergunning voor een bollenbroeibedrijf in Wervershoof was onduidelijk of het wel op de juiste wijze in onze bestemmingsplannen was opgenomen dat bollenbroeibedrijven onder een agrarische bestemming vallen. Vandaar dat wij u met dit veegplan voorstellen om bollenbroeierijen expliciet te benoemen als agrarisch grondgebonden. Dan bieden wij op dat punt rechtszekerheid aan de betreffende bollenbroeierijen. Overigens is in beroep bij de rechtbank alsnog vastgesteld dat het betreffende bollenbedrijf grondgebonden is aangezien het zelf bollen teelt die het vervolgens gebruikt voor de bollenbroei.
2.
Is er nooit gehandhaafd op dit punt? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Er was geen aanleiding om te handhaven omdat wij van mening waren dat bollenbroeibedrijven niet in strijd waren met de bestemming van een agrarisch grondgebonden bedrijf.
3.
Vallen hier ook andere bedrijfstakken/-activiteiten onder?
Antwoord
Op grond van onze bestemmingsplannen is een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering een agrarische bedrijfsvoering op de wijze van een intensief veehouderijbedrijf of een intensief kwekerijbedrijf. Hieronder treft u de definities van beide begrippen. intensief kwekerijbedrijf een agrarisch bedrijf in de vorm van het telen of kweken van dieren en gewassen, waaronder een paddenstoelenkwekerij, een wormen- en/of madenkwekerij, een viskwekerij, een witlofkwekerij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen met (nagenoeg) geen gebruik van daglicht; intensief veehouderijbedrijf een agrarisch bedrijf in de vorm van het houden van dieren, waaronder een rundveemesterij (exclusief vetweiderij), een varkens-, vleeskalver-, pluimvee- of pelsdierhouderij, of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van bedrijfsvoeringen waarin dieren worden gehouden overeenkomstig de regels ten aanzien van de biologische productiemethoden;
4.
U stelt voor deze strijdigheid met de bestemming te corrigeren door toevoeging van de zin “met inbegrip van bollenbroeierijen” Vraag: is deze correctie ook mogelijk voor een beperkt deel van het buitengebied en de Kernen 1 t/m IV ?
Antwoord
Juridisch gezien kunt u als raad de toevoeging alleen laten gelden voor een beperkt deel van het buitengebied en de kernen I t/m IV. Maar in de toelichting van het bestemmingsplan en de reactienota staat expliciet dat bollenbroeierijen onder een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering vallen. Dus ook zonder de toevoeging ‘met inbegrip van bollenbroeierijen’ geeft u met de vaststelling van het veegplan expliciet aan dat bollenbroeierijen onder een agrarische grondgebonden bedrijfsvoering vallen. De toevoeging laten we opnemen opdat het ook voor degene die het bestemmingsplan raadpleegt duidelijk is dat bollenbroeierijen eronder vallen. Dus, in die zin heeft het geen rechtsgevolg als de toevoeging voor een beperkt deel geldt. Bollenbroeierijen die gevestigd zijn in het deel waar de toevoeging niet geldt, zijn dan niet strijdig met de agrarische bestemming.
Dezelfde “Omissie” bestaat binnen de agrarische bestemming voor “Schuurkassen” 5.
Wat is de definitie van een Schuurkas en daarmee het verschil met een kas en een schuur?
Antwoord
Hieronder de definities uit onze bestemmingsplannen voor de dorpskernen en buitengebied. Het verschil betreft de wanden, bij de kas bestaat deze uit glas of ander
lichtdoorlatend materiaal, bij een schuurkas zijn die van hout of steen of vergelijkend materiaal. kas: een gebouw, waaronder begrepen permanente boog-, rol- en gaaskassen dan wel naar de aard daarmee vergelijkbaar bouwwerken, niet zijnde tunnelkassen of naar de aard daarmee vergelijkbaar bouwwerken, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, dienend tot het kweken van groenten, vruchten, bloemen of planten;
schuurkas, kasschuur, bollentrekkas: gebouwen met stenen of houten wanden of daarmee gelijk te stellen wanden en een dak van lichtdoorlatend materiaal;
6.
Ook hier de vraag of hierop ooit gehandhaafd is?
Antwoord
Wij vinden dat schuurkassen passen binnen de agrarische bestemming. Het zijn namelijk agrarische bedrijfsgebouwen die vanouds her binnen de agrarische bedrijfsvoering voorkomen. Maar ook hier was het op basis van de uitspraak van onze commissie van de bezwaarschriften onduidelijk of schuurkassen wel binnen de agrarische bestemming vallen. Daarom stellen wij ook in dit geval voor om dit expliciet binnen de bestemmingsomschrijving op te nemen.
3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Nieuwbouw huisvesting buitenlandse werknemers Hierbij stelt u voor de gehele tekst te vervangen. 7.
Wilt u svp de oude tekst toevoegen om ons de gelegenheid te geven de oude en nieuwe tekst te vergelijken?
Antwoord
Hieronder de bestaande tekst. Het verschil zit bijvoorbeeld in lid c dat nu nog uitgaat van 30 werknemers per agrarische bedrijfskavel, terwijl op grond van het in 2019 vastgestelde beleid dit 60 mag zijn. 3.3.2 Nieuwbouw huisvesting werknemers Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2.1 onder a in die zin dat gebouwen en/of chalets ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten worden geplaatst, mits: a. de gebouwen en/of chalets noodzakelijk zijn voor de huisvesting van werknemers die werkzaam zijn op het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf of agrarische handelsbedrijf, waarbij voor ten hoogste drie maanden per jaar de huisvesting ook mag worden aangewend voor werknemers die werkzaam zijn op een ander agrarisch bedrijf of agrarisch handelsbedrijf; b. een werknemer ten hoogste 8 maanden per jaar in een chalet op het perceel gehuisvest wordt;
c. het aantal werknemers dat in de gebouwen en/of chalets wordt gehuisvest per agrarische bedrijfskavel respectievelijk ten hoogste 30 en/of 20 zal bedragen, waarbij per agrarische bedrijfskavel ten hoogste 30 werknemers gehuisvest mogen worden; d. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen en/of chalets ten behoeve van de huisvesting per agrarische bedrijfskavel ten hoogste 400 m² zal bedragen; e. de bouwhoogte van een gebouw ten hoogste 8,00 m en van een chalet ten hoogste 5,00 m zal bedragen; f.
de onderlinge afstand tussen de gebouwen en/of chalets ten minste 5,00 m bedraagt;
g. de toegang van een gebouw en/of een chalet dient tot op 40,00 m te naderen zijn voor een brandweervoertuig; h. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; i.
de huisvesting plaatsvindt op een afstand van ten minste 50 m ten opzichte van nabijgelegen woningen;
j.
met een erfinpassingsplan wordt aangetoond dat de ontwikkeling op een zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast, tenzij bestaande afschermende beplanting hier voldoende in voorziet;
k. er voldoende parkeergelegenheid binnen de agrarische bedrijfskavel aanwezig is, waarbij wordt uitgegaan van 0,5 parkeerplaats per slaapplaats; l.
bij beëindiging van het agrarisch bedrijf of het agrarisch handelsbedrijf de huisvesting van de werknemers wordt beëindigd;
m. de geluidsbelasting niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere waarde; n. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.