CConstaterende datMedemblik
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Toelichting bestemmingsplan

Gemeenteraad 25 april 2024, gemeente MedemblikBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Kruisweiden te Hauwert' (pfh. J. Broeders)17.169 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 4.5.2

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De deelgebieden liggen in de kern Hauwert, waarbij naast woonpercelen kleinschalige bedrijvigheid en maatschappelijke functies voorkomen.

Ondanks dat de voorgenomen ontwikkeling inspeelt op het versterken van lintbebouwing, bestaande uit enkel woonpercelen kunnen de deelgebieden gelet op de aanwezigheid van bedrijvigheid, naast de drukkere kruising van wegen, worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. Hieronder zijn de bijbehorende richtafstanden opgenomen. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld 4.5.3

Situatie plangebied

4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. De nieuwe functie in het plangebied (wonen) wordt aangemerkt als milieugevoelige functie. In onderstaande tabel worden de activiteiten/functies benoemd die zijn gelegen in de nabijheid van het plangebied. In de tabel wordt aangegeven tot welke milieucategorie de omliggende activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen de milieugevoelige en milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand tussen de dichtstbijzijnde woning bedraagt. Functie

Milieucategorie

1

Grootste richtafstand ‘gemengd gebied’ 10 m (geluid)

Daadwerkelijke afstand bestemmingsvlakbestemming ‘Wonen’ 65 m

Maatschappelijk Heemraad Witweg 2 Maatschappelijk Hauwert 93 Maatschappelijk Hauwert 80 Bedrijf* Hauwert 68a (Klusbedrijf Houtsma) Grondgebonden agrarisch bedrijf met bijbehorende kassen Hauwert 56A

2

10 m (geluid)

40 m

2

10 m (geluid)

50 m

3.1

30 m (geluid)

25 m

2

10 m (geluid)

93 m

Zoals uit bovenstaande tabel blijkt, wordt aan de richtafstand met betrekking tot de omliggende milieubelastende functie voldaan, met uitzondering van het bedrijfsperceel aan Hauwert 68a. In dit geval is op de verbeelding in deelgebied 2 de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen uitgesloten - geluidgevoelige objecten’ op gronden van de woonbestemming die binnen de richtafstand van 30 meter liggen. Op deze manier wordt uitgesloten dat hier geluidgevoelige objecten mogen worden gebouwd. Hiermee is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd en wordt het klusbedrijf niet belemmerd als gevolg van deze ontwikkeling

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld 4.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6

Geur

4.6.1

Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 4.6.2

Situatie plangebied

In de omgeving van het plangebied bevindt zich een bedrijf dat op grond van de Wgv beoordeeld moeten worden: Hauwert 77, Firma Beemster, houden en fokken van melkvee. De afstand tot de dichtstbijzijnde woning in het plangebied bedraagt circa 120 meter ten westen van de dichtstbijzijnde woning (deelgebied 1), gemeten van bouwvlak tot de grens van de woonbestemming. Ter plaatse van beide agrarische percelen is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bedrijfskavel agrarisch grondgebonden bedrijf’ van toepassing. Hierbij is de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering toegestaan. In beide gevallen bevinden de agrarische bedrijfspercelen op een grotere afstand dan 100 meter ten opzichte van het dichtstbijzijnde woning binnen de deelgebieden. Hieruit wordt geconcludeerd dat aan de bovenstaande afstand wordt voldaan. Ter plaatse van de nieuwe woningen zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en omgekeerd worden agrarische bedrijven niet belemmerd in de bedrijfsvoering. Daarbij komt dat in de omgeving ook woningen voorkomen die zich al dichter op de agrarische inrichtingen bevinden. 4.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor in dit plan besloten ontwikkeling.

4.7

Ecologie

4.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 4.7.2

Gebiedsbescherming

4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. Het plangebied ligt op circa 3,9 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied het ‘IJsselmeer’. Dit betreft geen stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft de ‘Eilandspolder’ en ligt op circa 18,6 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen het Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen heeft BJZ.nu een AERIUS-berekening uitgevoerd die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt de belangrijkste conclusie weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze ruimtelijke motivering. Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied wat is aangemerkt als Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt op circa 660 meter ten noorden van het plangebied. Gelet op de ligging buiten het NNN en de aard en omvang van het voornemen wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.7.3

Soortenbescherming

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggend geval is door BJZ.nu een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de conclusie. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 4. Situatie plangebied Jaarrond beschermde soorten als de boerenzwaluw en huismus zijn niet waargenomen in het gebied en het is onwaarschijnlijk dat deze soorten van het plangebied gebruiken maken. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten en het verstoren van vogels dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld Door de beoogde werkzaamheden wordt geen vleermuisverblijf verstoord of vernield. Vleermuizen gebruiken het plangebied mogelijk als foerageergebied, echter wordt niet verwacht dat het gebied tijdens de nieuwe gebruiksfase in functionaliteit achteruit gaat ten opzichte van de huidige situatie. De beoogde werkzaamheden verstoren geen (essentiële) vliegroutes. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat ze niet (opzettelijk) gedood mogen worden. Er worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën in het plangebied verwacht, het naleven van de zorgplicht wordt hierbij als voldoende geacht. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Tot slot wordt benadrukt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. 4.7.4

Conclusie

Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren conform wet- en regelgeving voor beschermde soorten en –gebieden. Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8

Archeologie & Cultuurhistorie

4.8.1

Archeologie

4.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Medemblik beschikt over een archeologische verwachtingskaart. De archeologische verwachtingswaarden zijn in het bestemmingsplan ‘’Dorpskern l’’ doorvertaald middels archeologische dubbelbestemmingen. In paragraaf 1.4 is reeds genoemd dat ter plaatse van deelgebied 1 de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ van toepassing is en ter plaatse van deelgebied 2 ‘Waarde – Archeologie 3’. Hieruit volgt dat op gronden, aangewezen met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’, een archeologisch onderzoek moet plaatsvinden waarbij de grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 100 m2 voor ‘Waarde – Archeologie 2’ en 500 m2 voor ‘Waarde – Archeologie 3’ plaatsvinden.

Situatie plangebied Bureauonderzoek Aangezien in voorliggende situatie op onbebouwde gronden grondwerkzaamheden zullen plaatsvinden waarbij de oppervlakten van 100 m2 en 500 m2 worden overschreden, is door Laagland Archeologie een archeologisch bodemonderzoek uitgevoerd. Voor de gehele rapportage wordt verwezen naar bijlage 5, hierna wordt op de conclusie ingegaan. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek worden archeologische resten verwacht. De geplande bodemingrepen zullen deze resten zeer waarschijnlijk aantasten. Om die reden wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Vanuit het bevoegd gezag is de volgende werkwijze voorgesteld bij de beoordeling van dit bureauonderzoek. Een proefsleuvenonderzoek waarbij twee proefsleuven worden gegraven, één lange, smalle sleuf in het zuidelijke deel over de toekomstige verstoringen heen en één haaks op het lint aan de noordzijde over de toekomstige verstoringen heen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kunnen vindplaatsen worden opgespoord voor eventueel vervolgonderzoek, terwijl delen met geen of weinig kansrijke delen van vervolgonderzoek kunnen worden uitgesloten. Proefsleuvenonderzoek Laagland Archeologie heeft op 17 november 2022 een Inventariserend veldonderzoek - proefsleuven uitgevoerd aan de Kruisweiden te Hauwert, gemeente Medemblik (NH). Op het terrein is eerder archeologisch onderzoek uitgevoerd. Voor het onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6 bij deze toelichting. Hierna wordt nader ingegaan op de resultaten.

Onderzoeksresultaten proefsleuven Uit het eerder uitgevoerde bureauonderzoek bleek dat het noordelijke plangebied deel uit maakte van het AMK-terrein van de lintbebouwing van het dorp Hauwert. Daarnaast was er voor het plangebied een middelhoge verwachting op Laat-Neolithicum tot Midden-Bronstijd en Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd. Op basis van dit onderzoek is door het bevoegd gezag besloten dat er een aanvullend onderzoek dient plaats te vinden in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek – proefsleuven. Het onderzoek had tot doel om een eventueel aanwezige vindplaats op te sporen en te waarderen. En diende antwoord te geven op de in het PvE opgestelde onderzoeksvragen. Het onderzoek bestond uit een proefsleuvenonderzoek conform het KNA protocol 4003 IVO-P. Tijdens het onderzoek zijn in het noordelijke plangebied twee ophogingslagen aangetroffen. Dit betreft een kleiige ophogingslaag met daarin vondstmateriaal dat gedateerd kan worden in de 17e tot 19e eeuw. Daaronder was een veenachtige ophogingslaag aanwezig met hierin vondstmateriaal uit de Vroege Middeleeuwen D en e Late Middeleeuwen. Deze ophogingslagen wijzen op bewoning uit deze perioden. In het zuidelijke plangebied zijn onder de bouwvoor enkele cultuurlagen aangetroffen met hierin vondstmateriaal uit de 19e eeuw. Het gaat hier om secondair gedeponeerd vondstmateriaal.

Binnen dit plangebied is één paalspoor uit de Nieuwe tijd aangetroffen. Het betrof één los paalspoor dat niet tot nederzettingssporen gerekend kan worden, waarschijnlijk betreft het hier een off-site spoor. Op basis van de bevindingen van het proefsleuvenonderzoek kan er geconcludeerd worden dat er binnen het noordelijke plangebied een vindplaats aanwezig is daterend uit de Vroege Middeleeuwen D tot de Late Middeleeuwen. Binnen het zuidelijke plangebied is geen vindplaats aangetroffen. Op basis van de KNA-waarderingscriteria wordt de vindplaats binnen het noordelijke plangebied als niet behoudenswaardig gewaardeerd. Dit komt voornamelijk voort door het relatief kleine te verstoren oppervalk van de bouwcontour. Laagland Archeologie adviseert om geen vervolgonderzoek uit te voeren binnen de geplande bouwcontour en deze voor de geplande bouwwerkzaamheden vrij te geven. 4.8.2

Cultuurhistorie

4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld 4.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden binnen het plangebied geen Rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 4.8.3

Conclusie

De aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ vormen geen belemmering voor deze ontwikkeling.

4.9

Besluit milieueffectrapportage

4.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument (Besluit milieueffectrapportage) met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Op 7 juli 2017 is het besluit voor het laatst gewijzigd. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

•

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. 4.9.2

Situatie plangebied

4.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet Natuurbescherming Zoals is aangegeven in paragraaf 4.7 ligt het plangebied op ruime afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 4.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is er sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (onderdeel D 11.2 besluit m.e.r.). De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het realiseren van elf woningen ter plaatse van de dorpskern van Hauwert. Hierbij is sprake van een lichte toename aan verkeersbewegingen wat geen invloed uitoefent op de instandhoudingsdoeleinden van omliggende Natura 2000-gebieden.

Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Tevens blijkt uit hoofdstuk 4 dat dit bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 4.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.10

Spuitzonering

4.10.1 Algemeen Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het wijzigen naar de bestemming ‘Wonen’. Rondom het perceel zijn de gronden bestemd als ‘Agrarisch’. Rondom de deelgebieden zijn gronden deels bestemd als ‘Agrarisch’. Op basis van de planregels van het geldende bestemmingsplan “Bestemmingsplan Dorpskern I” is ter plaatse van deze bestemming ‘het agrarisch grondgebruik’ toegestaan, met uitzondering van sierteelt, fruitteelt, bosbouw, houtteelt of overige opgaande meerjarige teeltvormen. Het gebruik van de gronden ten behoeve van de permanente teelt van bloembollen wordt als strijdig gebruik aangemerkt. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan geeft de raad bestemmingen en regels die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Het college kan een omgevingsvergunning op basis van artikel 2.12 Wabo verlenen indien deze activiteit niet in strijd is met het belang van een goede ruimtelijke ordening. Uit jurisprudentie blijkt dat men bij een ruimtelijke ontwikkeling of beoogde functiewijziging rekening moet worden gehouden met het eventuele invloedsgebied van gewasbeschermingsmiddelen en biociden die (kunnen) worden toegepast op de naastgelegen percelen. Deze middelen kunnen een nadelig effect hebben de gezondheid van de bewoners. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld Bij de motivering van het ruimtelijk besluit (goede ruimtelijke ordening) moet inzichtelijk zijn in hoeverre ter plaatse van een gevoelige verblijfsfunctie of bestemming sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat/verblijfsklimaat. Daarnaast moet worden onderbouwd in hoeverre omringende agrarische bedrijvigheid belemmerd kan worden door toevoeging van een gevoelige bestemming of functie. De meeste gemeenten hebben geen inhoudelijk beleid spuitzonering dat de basis vormt voor de beoordeling. Dat betekent dat in elke situatie op zijn merites wordt beoordeeld of er sprake is van een besluit dat in overeenstemming is met het belang van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wordt onder meer beoordeeld of aannemelijk is gemaakt dat ter plaatse van een nieuwe gevoelige functie sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Ook moet aannemelijk worden gemaakt dat de omliggende agrarische bedrijven niet zullen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Er bestaan in Nederland geen landelijke regels waarin wordt aangegeven welke afstand men moet aanhouden tussen een gevoelige functie en agrarische percelen waar men in de open lucht gewassen teelt. Ook de provinciale milieu/omgevingsverordening bevat geen regels over dit onderwerp.

De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico’s van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die in het Activiteitenbesluit worden genoemd, hebben betrekking op het oppervlaktewater. Deze zones bedragen maximaal 5 meter. De omgevingsdienst NHN adviseert de gemeente op basis, jurisprudentie en adviezen van onder meer de Gezondheidsraad over spuitzonering. De 50 meter lijn in de jurisprudentie In de jurisprudentie met betrekking tot ruimtelijke ordening is de lijn ontwikkeld dat indien een afstand van 50 meter wordt aangehouden tussen een gevoelige functie/bestemming en een agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, men er van uit mag gaan dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. In o.a. uitspraak ECLI:NL:RVS:2021:2560 r.o. 3.4 is bevestigd dat de 50 meter geldt voor alle open teelten waarbij chemische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet alleen voor fruittteelt.

Men kan deze 50 meter realiseren door planologisch te borgen dat er binnen 50 meter van een gevoelige functie of bestemming geen teelten zullen plaatsvinden waarbij chemische gewasbeschermingsmiddelen zullen worden gebruikt. Gevoelige functie: een gevoelige functie is een plek waar mensen gedurende langere tijd kunnen verblijven. In jurisprudentie zijn eerder een woning, tuin bij woning, sportveld, kantoor/ bedrijfsgebouw en kampeerterrein/ recreatieverblijf als gevoelige functies aangemerkt. Bestemmingen die het bovenstaand gebruik toestaan kunnen daarmee worden aangemerkt als gevoelige bestemmingen. Locatiespecifiek onderzoek Bij een kortere afstand dan 50 meter kan door middel van een zorgvuldig op de locatie toegespitst onderzoek worden onderbouwd waarom op de gevoelige (plan) locatie sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon en verblijfsklimaat, gelet op de gezondheidsrisico’s die mensen kunnen lopen door blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen Een locatiespecifiek onderzoek is een milieukundig onderzoek waarin de verspreiding van drift/ spuitresiduen vanaf de agrarische locatie naar de gevoelige functie in beeld wordt gebracht en waarin wordt gekeken naar het effect van windhagen of andere constructies met gelijkwaardige filterende werking op de verspreiding van spuitresiduen, de benutting van nieuwe technieken waardoor het planperceel wordt afgeschermd.

Een kortere afstand kan aanvaardbaar zijn wanneer er driftreducerende maatregelen worden getroffen en de werking van deze maatregelen door middel van locatiespecifiek onderzoek is onderbouwd en de realisatie en instandhouding van deze maatregelen planologisch wordt geborgd. Deze lijn in de jurisprudentie betreft een vorm van invulling van het ruimtelijk voorzorgsbeginsel.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld Bij het uitvoeren van een locatiespecifiek onderzoek dient men uit te gaan van het planologisch maximaal toegelaten gebruik van zowel de agrarische als de gevoelige bestemming die men in de nabijheid wil realiseren. Dit geldt zelfs indien de teeltactiviteiten op een perceel zijn gestaakt of ongebruikt zijn gelaten. Bij dit onderzoek mag men rekening houden met representatieve teeltomstandigheden binnen de maximale planologische teelmogelijkheden, locatiespecifieke omstandigheden/ driftreducerende elementen zoals gebouwen, landschapselementen (windsingels, aanwezige sloten in combinatie met vigerende regelgeving, gebruikte driftreducerende spuittechnieken – waaronder artikel 3.78a Activiteitenbesluit, heersende windrichting, etc.) mits men duidelijk kan maken wat de invloed van deze elementen is op de aanwezige drift /verspreiding van spuitresiduen en de blijvende aanwezigheid van driftreducerende landschapselementen planologisch wordt geborgd. Een algemeen onderzoek of beredenering/ aanname dat de aanwezigheid van voornoemde driftreducerende omstandigheden of elementen ervoor zorgen dat de feitelijk al dan niet aanwezige spuitvrije zone voldoende is om een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat te garanderen van de gebruikers van de gevoelige functie/bestemming, doorstaat de rechterlijke toets niet.

Dit blijkt uit de uitspraken ECLI:NL:RVS:2013:1154 r.o. 23.5 en ECLI:NL:RVS:2014:1530 r.o 7-7.5.ECLI:NL:RVS:2020: 3018 o.a r.o 13-13.5, ECLI:NL:RVS:2021:276 r.o. 8 In de uitspraken ECLI:NL:RVS:2011:BU7083 en ECLI:NL:RVS:2015:1007 is bepaald dat een verwijzing naar een algemeen/ gestandaardiseerd rapport of een rapport dat betrekking heeft op een plangebied in een andere gemeente, niet kan dienen als onderbouwing waarom in een specifieke situatie kan worden afgeweken van de in de jurisprudentie aanvaarde afstand van 50 meter tussen een gevoelige en een agrarische bestemming. De effecten van het gebruik van driftreducerende spuittechnieken (3.80a, 3.78a Activiteitenbesluit) kunnen onderdeel uitmaken van een locatiespecifiek onderzoek, zo blijkt uit (tussen) uitspraak ECLI:NL:RVS:2021:2432 r.o 8.2, 8.3 en 9. Er is bij OD NHN echter nog geen jurisprudentie bekend waaruit blijkt dat er onder invloed van wijzigingen in het Activiteitenbesluit (artikelen m.b.t. spuitvrije zone bij oppervlakte water en driftreducerende spuittechnieken 3.78a en 3.80/a Activiteitenbesluit) ook zonder locatiespecifiek onderzoek kan worden afgeweken van de in de jurisprudentie aanvaarde afstand van 50 meter. De rechter stelt hoge eisen aan de wetenschappelijke basis onder een locatiespecifiek onderzoek.

Recent is in jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2016:855, ECLI:NL:RVS:2018:1741, ECLI:NL:RVS:2020:3018 Broedershof) bepaald dat de (reken)methodiek PRI 2012/2015, rapport 609 (drift door bespuitingen in fruitboomgaarden) niet voldoet aan de hoge eisen die de rechter stelt aan een locatiespecifiek onderzoek naar drift. In de uitspraak Egmond (augustus 2022) is de methodiek PRI 610 (neerwaartse bespuitingen) gedeeltelijk onderuit gegaan, op het aspect onderbouwing driftwerende werking van een windhaag. Ook het gebruik van de EFSA methodiek voor een locatiespecifiek onderzoek wordt door de rechter niet geaccepteerd in de uitspraken ECLI:NL:RVS:2022:2023, ECLI:NL:RVS:2022:3387 en ECLI:NL:RVS:2023:2959. 4.10.2 Planspecifiek Voor grond met een agrarische bestemming in de gemeente Medemblik is bepaald dat hier spuitrechten voor gelden tenzij anders aangegeven. Binnen het plangebied zijn drie stukken grond aanwezig die een agrarische bestemming krijgen of behouden. Deze stukken grond zijn in eigendom van de planontwikkelaar. De spuitrechten gaan niet gelden voor deze gronden. Ten aanzien van het deelgebied 1 geldt dat de woonbestemming in alle gevallen op meer dan 50 meter afstand ligt van agrarische gronden in eigendom van derden. Het deelgebied 2 grenst aan twee agrarische percelen, elk in eigendom van een derde. In afbeelding 4.2 is dit weergegeven.

Hierin zijn de spuitvrije zones weergegeven. Deelgebied 2 wordt aan de oostelijke zijde begrensd door een sloot (oppervlaktewater). Voor het toepassen van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen naast oppervlaktewater gelden extra eisen ondanks gebruik van driftreducerende maatregelen. Zo geldt dat een strook land naast oppervlaktewater niet mag worden bespoten of bemest. Deze teeltvrijezone is een strook land tussen het land waarop gewassen worden geteeld en een oppervlaktewaterlichaam. In de teeltvrije zone mogen wel gewassen aanwezig zijn. Soms hebben deze

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld een functie als vanggewas. De breedte van de teeltvrije zones varieert van 500 tot 50 centimeter. Teeltvrije zones zijn multifunctioneel: • •

Zij verminderen de drift en de afspoeling van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater. Zij reduceren de afspoeling van meststoffen en zware metalen.

De telers zijn verplicht om driftblootstelling van de sloot te voorkomen. Volgens Rijkswaterstaat is op een afstand van 10 tot 20 meter geen driftblootstelling meer te verwachten. Voor spuitvrije zone A geldt dat er een overeenkomst is gesloten met de eigenaar van de gronden dat de spuitrechten in dit gebied worden weggenomen. Voor spuitvrije zone B geldt dat de projectontwikkelaar voldoende mitigerende maatregelen moet nemen waardoor er redelijkerwijs sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. Dit is bijvoorbeeld een goed onderhouden haag of schutting in het bouwplan. De gemeente Medemblik neemt het treffen van mitigerende maatregelen als voorwaarde op in de omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen binnen de spuitvrije zone van 50 meter.

Afbeelding 4.2

Weergave spuitzones (50 meter rondom de woonbestemming)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld

HOOFDSTUK 5 5.1

Vigerend beleid

5.1.1

Europees beleid

WATERASPECTEN

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kunstwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.1.2

Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 5.1.3

Provinciaal beleid

De Watervisie 2021 zoekt de koppeling van wateropgaven met ruimte, economie en natuur. Alleen door water goed mee te nemen kunnen duurzame integrale afwegingen gemaakt worden. Zo is er op en aan het water rust, maar ook ruimte voor vertier en activiteiten. Waar water en natuur zijn, ontstaat vaak als vanzelf recreatie. En die combinatie biedt weer kansen voor economische ontwikkeling. Met de Watervisie 2021 als zelfbindend document worden kaders gesteld voor wateropgaven in Noord-Holland. Het lange termijn doel is om heel Noord-Holland in 2050 voor zover redelijkerwijs haalbaar waterrobuust te hebben ingericht. Het gaat hierbij om het zoveel mogelijk: 1. 2. 3.

beperken van het slachtofferrisico als gevolg van overstromingen; voorkomen van grote economische schade; voorkomen van maatschappelijke ontwrichting door het uitvallen van vitale functies en/of het vrijkomen van milieugevaarlijke stoffen.

5.1.4

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) heeft samen met haar partners haar waterbeleid geformuleerd in het Waterplan 2022-2027. Het bouwt daarmee voort op haar lange termijn visie (Deltavisie) en het Waterprogramma 2016-2021.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld Dit Waterplan geeft de koers op hoofdlijnen voor het waterbeheer in Hollands Noorderkwartier. Het Waterplan is een wettelijke verplichting die volgt uit de Waterwet (die straks opgaat in de Omgevingswet) en het Bestuursakkoord Water. Als basis voor dit Waterplan heeft het Hoogheemraadschap het vorige plan (WBP5) tussentijds geëvalueerd (Tussentijdse evaluatie Waterprogramma 2016-2021) en een langetermijnverkenning gedaan naar wat er op het gebied af komt. Dit Waterplan houdt daarnaast rekening met het Nationaal Water Programma 2022-2027 en het Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027. Met het waterbeheer zorgt het HHNK voor voldoende, gezond en schoon water voor mens, dier en natuur. De wereld staat niet stil. Integendeel, we leven in een dynamische tijd met meerdere wereldwijde transities en crises. Klimatologisch, ecologisch, technologisch en maatschappelijk verandert er veel. Het maatschappelijk belang van water neemt steeds verder toe door klimaatverandering, drukte in de fysieke leefomgeving en toenemend watergebruik. Daardoor is er ook steeds meer aandacht en belang bij het waterbeheer.

5.2

Waterparagraaf

5.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting / ruimtelijke onderbouwing op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels die te vinden zijn op www.hhnk.nl/keur. 5.2.2

Watertoetsproces

Het Hoogheemraadschap Noorderkwartier is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat voor beide deelgebieden de ‘korte procedure’ van toepassing is. Voor de volledige watertoetsresultaat en de bijbehorende adviezen wordt verwezen naar bijlagen 7 en 8 bij deze plantoelichting. Hieronder wordt de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van de beoogde deelgebieden nader uitgewerkt. Waterhuishoudkundige aspecten deelgebieden Algemeen Beide deelgebieden bevinden zich niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied of een intrek- of waterwingebied.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld Grondwater Binnen de deelgebieden zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend. Oppervlaktewater In de huidige en toekomstige situatie is, op uitzondering van de kleine waterpartijen aan weerszijden van de deelgebieden geen sprake van oppervlaktewater. Dit wateroppervlak ligt verlaagd ten opzichte van de beoogde woonbestemmingen. De waterlopen moete goed worden onderhouden middels een onderhoudsstrook van ten minste vijf meter breed. Deze breedte is ten behoeve van de trekker met maaikorf die het onderhoud pleegt. Momenteel gebeurt dit vanaf de wegkant. Dit onderhoud is in het toekomstig plan ook nog zo mogelijk. De nieuw ingeplande waterloop aan de westkant van het plangebied valt binnen de agrarische bestemming. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen en/of overkappingen worden gebouwd. Er is voldoende ruimte voor onderhoud aan deze waterloop. Hemelwater Hemelwater wordt gescheiden van het afvalwater en geïnfiltreerd in de bodem op het eigen terrein. In de gewenste situatie is er sprake van ruimvoldoende infiltratiemogelijkheden op eigen terrein. De compensatie in deelgebied 1 is relatief beperkt met de bouw van slechts één woning met één bijgebouw. In deelgebied 2 wordt bestaande bebouwing met een totale oppervlakte van circa 656 m 2 gesloopt.

Daarnaast is circa 1.200 m2 terreinverharding aanwezig in de huidige situatie. De gebouwen worden gesloopt en de terreinverharding wordt gesaneerd. In de nieuwe situatie is sprake van 1.895 m2 verharding in de vorm van wegen, paden of gebouwen. Per saldo blijft het verhard oppervlak in deelgebied 2 min of meer gelijk.. In het vooroverleg (zie bijlage 9 bij deze toelichting) is door het Hoogheemraadschap aangegeven dat watercompensatie hier niet van toepassing is omdat per saldo er geen sprake is van een verhardingstoename van meer van 800 m2. Afvalwater Het afvalwater wordt aangesloten op de bestaande riolering. Het ter plaatse aanwezige rioolstelsel is dusdanig uitgevoerd dat het afvalwater van het toekomstige aantal vervuilingseenheden kan worden afgevoerd. In de buurt van deelgebied 1 loopt een rioolwaterpersleiding. Deze wordt niet geschaad.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld

HOOFDSTUK 6 6.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

6.2

Opzet van de regels

6.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. Ook de Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2008 (SVBP2008) is vanaf deze datum verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 6.2.2

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1)

In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. •

Wijze van meten (Artikel 2)

Dit artikel geeft onder meer bepalingen hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 6.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld • • • • • • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouw- en goothoogte, afstanden, maatvoering, etc.); Nadere eisen: welke nadere eisen het bevoegd gezag mag stellen; Afwijking bouwregels: onder welke voorwaarden er kan worden afgeweken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels: het waarborgen van strijdig en toegestaan gebruik voor onder meer de bewoning van bebouwing als het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden; Afwijkingen van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; voor welke werken of werkzaamheden al dan niet een omgevingsvergunning noodzakelijk is.

In paragraaf 6.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom deze voor bepaalde gronden is gekozen. 6.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 9) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken.

•

Algemene bouwregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. In deze regels staat beschreven hoe zowel wordt omgegaan met ondergronds bouwen.

•

Algemene gebruiksregels (Artikel 11) In dit artikel worden vormen van strijdig gebruik beschreven naast afwijkingsmogelijkheden binnen de geldende gebruiksregels.

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 12) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

•

Algemene wijzigingsregels (Artikel 13) In dit artikel worden algemene wijzigingsregels beschreven. Dit betreffen regels waarmee burgemeester en wethouder het plan op ondergeschikte punten kunnen wijzigen.

•

Overige regels (Artikel 14) In dit artikel is de werking van wettelijke regelingen beschreven en zijn de parkeerregels opgenomen ten behoeve van voldoende parkeergelegenheid.

6.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties van bestaande situaties zijn die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

6.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Qua bestemmingssystematiek is aangesloten bij het “Bestemmingsplan Dorpskern I”. ‘Agrarisch’ (artikel 3) De agrarische cultuurgronden- en weides rondom de woonbestemmingen zijn voorzien van de bestemming ‘Agrarisch’. De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het agrarisch grondgebruik en cultuurgrond. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen en/of overkappingen worden gebouwd. Voor andere bouwwerken zijn bouwregels vastgelegd. ‘Tuin’ (artikel 4) De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, erven en verhardingen, inritten en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op of in deze gronden mogen uitsluitend kleine andere bouwwerken worden gebouwd, zoals erkers, balkons of luifels en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

‘Water' (Artikel 5) De gronden aan de oostrand deelgebied 2 zijn – conform de bestaande planologische situatie - voorzien van de bestemming ‘Water’. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder voorzieningen voor waterberging, -aanvoer en – afvoer, zoals watergangen, waterlopen en waterpartijen. Ter plaatse van deze gronden zijn geen gebouwen en overkapping toegestaan. ‘Wonen’ (Artikel 6) De gronden ter plaatse van de woningen zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woonhuizen en bijbehorende bouwwerken bij woonhuizen, al dan niet in combinatie met en in ondergeschikte mate ruimte voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten. In de bouwregels is onderscheid gemaakt in bouwregels voor hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken. De gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken zal ten hoogste 60 m² per hoofdgebouw bedragen. ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ (Artikel 7 en Artikel 8) Gronden met de bestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden.

Op grond van deze dubbelbestemming is het voor activiteiten waarbij gegraven wordt, zoals bouwen en een aantal specifiek genoemde werken en werkzaamheden noodzakelijk eerst een archeologisch onderzoek te laten uitvoeren dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan te vragen. Indien is aangetoond dat de te verrichten activiteiten de archeologische waarden niet zullen schaden kan worden gebouwd, dan wel kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden worden verleend.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld

HOOFDSTUK 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Met betrekking tot het verhaal van de kosten van de bestemmingsplanprocedure en de uitvoering van het bestemmingsplan, is met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Verhaal van eventuele planschadekosten is onderdeel van de anterieure overeenkomst. Het verhaal van kosten is hiermee "anderszins verzekerd", zodat het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan “Kruisweiden te Hauwert” Vastgesteld

HOOFDSTUK 8 8.1

VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN

Vooroverleg

De vooroverlegpartners zijn in het kader van bestemmingsplanprocedure om advies gevraagd. Aanvullend in het plan in het kader van vooroverleg ex artikel 3.1.1. lid 1 Besluit ruimtelijke ordening, gelijktijdig met de periode van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, aan de vooroverlegpartners toegezonden. Hierna wordt dit proces uiteengezet. De ontvangen reacties in het kader van het wettelijke vooroverleg zijn van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK), de Veiligheid Regio Noord Holland (VRNHN) en Archeologie West-Friesland. Deze worden behandeld in de reactienota in bijlage 9. 8.1.1

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2

Provincie Noord-Holland

Gelet op de omvang van de in het bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt vooroverleg met de provincie Noord-Holland noodzakelijk geacht. Het bestemmingsplan is in het kader van het wettelijke vooroverleg naar de provincie opgestuurd. De provincie heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijk om een zienswijze in te dienen of een reactie te geven in het kader van het wettelijke vooroverleg, en laat hiermee zien dat zij kan instemmen met de plannen. 8.1.3

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

Het Hoogheemraadschap Noorderkwartier (HHNK) is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat voor beide deelgebieden de ‘korte procedure’ van toepassing’. Het plan heeft een beperkte invloed op het watersysteem en/of afvalwaterketen die ondervangen kan worden met standaard maatregelen. Het plan is voor advies aan het HHNK voorgelegd. Daarnaast is het plan in het kader van het wettelijke vooroverleg naar het Hoogheemraadschap toegezonden. Voor de reactie van het HHNK en de beantwoording daarvan wordt verwezen naar bijlage 9. 8.1.4

Veiligheidsregio Noord-Holland Noord (VRNHN)

Voor de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan is de veiligheidsregio om advies gevraagd. De veiligheidsregio heeft geadviseerd over minimale afmetingen voor de inrichting van de wegen. Daarnaast adviseert zij over bluswater en geeft aan dat er een mogelijkheid is om een ondergrondse brandkraan aan te sluiten op de bestaande leidingstelsel. Voor de reactie van het HHNK en de beantwoording daarvan wordt verwezen naar bijlage 9. Het plan is daarnaast in het kader van het vooroverleg naar de veiligheidsregio gestuurd. 8.1.5

Gasunie

Voor de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan is de Gasunie om advies gevraagd. Het plan is in de voorbereidingsfase door de Gasunie getoetst aan haar huidige externe veiligheidsbeleid. Op grond van deze toetsing komen zij tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van onze dichtst bij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. De Gasunie heeft geen bezwaren tegen dit plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Medemblik&id=365c94a3-be36-4f4e-a500-1aa74b3ab6b7