02 2024-04-24 toelichting vastgesteld bp Hoornseweg 9a Wognum
Tekst van het document
Onder bepaalde voorwaarden kunnen door het bevoegd gezag hogere waarden worden vastgesteld. De maximale ontheffingswaarde bedraagt 63 dB in stedelijk en 53 dB in buitenstedelijk gebied (art. 83, lid 2 Wgh). Op grond van artikel 110g Wet geluidhinder is bij het onderzoek rekening gehouden met een aftrek. De rijsnelheid op de Hoornseweg bedraagt minder dan 70 km/uur, waardoor de aftrek 5 dB is. Voor de overige wegen geldt een aftrek van 2, 3 of 4 dB. Artikel 110f van de Wet geluidhinder schrijft voor dat bij het vaststellen van hogere grenswaarden rekening gehouden dient te worden met cumulatie van meerdere geluidbronnen, indien de zogenaamde voorkeurswaarde van die te onderscheiden bronnen wordt overschreden. Daar er geen sprake is van akoestisch relevante 30 km/uur-wegen, is ter beoordeling van de goede ruimtelijke ordening aangesloten bij de cumulatie Wet geluidhinder. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting de voorkeursgrenswaarde van 48 dB als gevolg van de Rijksweg A7 en de Hoornseweg met respectievelijk 5 en 8 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Onderzocht dient te worden of er met toepassing van overdrachtsmaatregelen of maatregelen aan de bron toch voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde. Bij overdrachtsmaatregelen wordt bekeken of de geluidoverdracht tussen geluidbron en ontvanger belemmerd kan worden.
Naast de Rijksweg A7 zijn reeds geluidschermen opgenomen. Het aanleggen van een geluidwal of -
Toelichting bestemmingsplan Hoornseweg 9a Wognum
Pagina 26
scherm tussen de voorgevel en de Hoornseweg ontmoet in de onderhavige situatie echter overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Een afschermende voorziening dient namelijk dicht bij de bron of ontvanger geplaatst te worden, meer dan 2 meter hoog te zijn en kost bovendien afhankelijk van de uitvoering € 500,- tot € 2.000,- per meter, waarmee het niet realistisch is dat het bouwplan deze extra kosten kan dragen. Een andere mogelijke overdrachtsmaatregel is het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger. Daar het een bestaand pand betreft, is deze maatregel in het onderhavige geval niet mogelijk. Bij bronmaatregelen wordt bekeken of het geluidniveau van de veroorzaker van het geluid gereduceerd kan worden. Mogelijke maatregelen zijn: - stillere voertuigen: alleen door de ontwikkeling van nieuwe technieken en dus niet realistisch; - verlaging van de maximumsnelheid: hierop heeft de initiatiefnemer van het bouwplan geen invloed; - aanbrengen van geluidreducerend wegdek: op de Rijksweg A7 ligt reeds geluidreducerend wegdek (2-laags ZOAB). Toepassing van geluidreducerend wegdek op de Hoornseweg ontmoet overwegende bezwaren van financiële aard. Het is vanuit financieel oogpunt niet realistisch dat het bouwplan de extra kosten van € 150,- tot € 300,- per strekkende meter over enkele honderden meters kan dragen.
Daarbij zal het effect niet toereikend zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Nu het toepassen van bron- en/of overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren stuit is het realiseren van het plan alleen mogelijk als het bevoegd gezag, de gemeente Medemblik, hogere waarden vaststelt vanwege de Rijksweg A7 en de Hoornseweg. In het kader van de Wet geluidhinder dient vastgesteld te worden of van een relevante blootstelling door meerdere bronnen sprake is. Dit is alleen het geval indien de zogenaamde voorkeurswaarde van die te onderscheiden bronnen wordt overschreden. Dit betekent dat in onderhavige situatie formeel gesproken de cumulatieve geluidbelasting enkel bepaald dient te worden voor de Hoornseweg en de Rijksweg A7. Daar de geluidbelasting exclusief correctie artikel 110g Wet geluidhinder hoger is dan 53 dB is formeel gezien een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevel nodig. De gecumuleerde ongecorrigeerde geluidbelasting door het wegverkeer bedraagt maximaal 62 dB bij het te herbestemmen pand aan de Hoornseweg. Dit is voornamelijk het gevolg van Hoornseweg zelf. Maatregelen aan bron (ander wegdektype) zijn niet mogelijk, daar het bouwplan een dergelijke civieltechnische ingreep niet kunnen dragen.
Overdrachtsmaatregelen als geluidschermen of -wallen zijn stuiten op bezwaren van financiële, landschappelijke en stedenbouwkundige aard en zijn daarmee ook redelijkerwijs niet mogelijk. In het kader van een goed woon- en leefklimaat wordt geadviseerd voor de berekening van de geluidwering van de gevel (GA;k) uit te gaan van deze gecumuleerde ongecorrigeerde geluidbelastingen. Aanvullend wordt gesteld dat het geluidniveau ter plaatse van het bestaande pand voor wat betreft een deel van de achterzijde voldoet aan de voorkeursgrenswaarde.
Toelichting bestemmingsplan Hoornseweg 9a Wognum
Pagina 27
Voor een binnenniveau van 33 dB dient de minimale gevelwering 29 dB te bedragen. Volgens het bouwbesluit wordt bij standaard materialen uitgegaan van een geluidwering van de gevel van minimaal 20 dB. Er dient dan ook een berekening gemaakt te worden van de geluidwering van de gevel ter waarborging van het binnenniveau. Het bevoegd gezag zal in het kader van de Wet geluidhinder een hogere waardenbesluit verlenen voor de betreffende (delen van de) gevels. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan is in relatie tot het aspect geluid uitvoerbaar. 4.7
Lucht
Wet milieubeheer / Wet luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in Amvb's en ministeriële regelingen. De nieuwe wetgeving kent een dubbele doelstelling: 1. De overheid wil een belangrijke impuls geven aan het treffen van maatregelen zodat in ons land de Europese normen worden gehaald; 2. De overheid wil er ook voor zorgen dat er meer mogelijkheden zijn om projecten door te laten gaan. Dat was nodig om dat in het verleden veel plannen door de rechter werden stilgelegd vanwege het niet halen van de normen. De Wet luchtkwaliteit vereist een genuanceerde toetsing of koppeling tussen (ruimtelijke) besluiten en de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Een ruimtelijk plan is in overeenstemming met de Wet luchtkwaliteit als de planvorming niet leidt tot een overschrijding of een verdere overschrijding van de normen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de concentraties, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Voor projecten die wel in betekenende mate bijdragen aan de concentratie is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) relevant.
Amvb Niet In Betekenende Mate en Regeling Niet In Betekenende Mate (NIBM) De Amvb NIBM en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. NIBM pro-jecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Er is een onderscheid gemaakt tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel ‘niet in betekenende mate’) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Een verslechtering van maximaal 3% komt overeen met een nieuwbouwproject van 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoorvloeroppervlak. Grotere projecten kunnen worden opgenomen in het NSL-programma,
Toelichting bestemmingsplan Hoornseweg 9a Wognum
Pagina 28
mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. Beschouwing Met dit bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om het perceel aan de Hoornseweg 9a als woonperceel te gebruiken. Het bestaande pand zal als woning gebruikt worden en de bijbehorende gronden als tuin. Het plan blijft daarmee ver onder de grenzen van de regeling Niet in betekenende mate en heeft daarmee niet of slechts in geringe mate invloed op de luchtkwaliteit. Raadpleging van de NSL-monitoringstool leert dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied de jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 μg/m3 (voor PM2,5) niet overschreden worden. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan is daarmee in relatie tot het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. 4.8
Externe veiligheid
Algemeen Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen. De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau van transport en aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting. Plaatsen met een gelijk risico kunnen door zogenaamde risicocontouren op een kaart worden weergegeven. Voor nieuwe situaties is voor kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) de grenswaarde voor het PR gesteld op een niveau van 10-6/jr. Voor beperkt kwetsbare objecten (bijvoorbeeld bedrijven) is dit een richtwaarde. Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde transportroute of inrichting. Het aantal personen dat in de omgeving van de route of inrichting verblijft, bepaalt daardoor mede de hoogte van het GR.
Risicovolle inrichtingen Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi
Toelichting bestemmingsplan Hoornseweg 9a Wognum
Pagina 29
richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. Indien een ruimtelijk plan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. Externe veiligheid transport In het Besluit externe veiligheid transportroutes, dat per 1 april 2015 in werking is getreden, heeft het Rijk het beleid vastgelegd met betrekking tot de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het besluit zijn regels opgenomen voor het realiseren van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de zogeheten basisnetafstanden van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Deze basisafstanden zijn vastgelegd in de Regeling Basisnet. Het besluit is onder meer van toepassing op omgevingsbesluiten, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan. Buisleidingen Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde.
Indien een ruimtelijk plan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object binnen het invloedsgebied van een buisleiding toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. Beschouwing Met dit bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om het perceel aan de Hoornseweg 9a als woonperceel te gebruiken. Het bestaande pand zal als woning gebruikt worden en de bijbehorende gronden als tuin. Een woning wordt gekwalificeerd als een kwetsbaar object. Raadpleging van de risicokaart leert dat er gevaarlijke stoffen over de A7 (afstand circa 150 meter) worden vervoerd. Er zijn geen overige risicobronnen in de omgeving. Met het bestemmingsplan verandert het gebruik van het plangebied. De personendichtheid overdag zal niet toenemen, in de nacht zullen er ten opzichte van de bestaande situatie wel (in beperkte mate) meer mensen aanwezig zijn. Een PR-plafond is in de Regeling Basisnet omschreven als de plaats waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-6 per jaar is. Het GR-plafond is in dezelfde regeling omschreven als de plaats waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-7 of 10-8 per jaar is. Raadpleging van de risicokaart leert dat het PR-plafond voor de A7 0 meter is en het GR-plafond 48 meter. Het plangebied ligt buiten deze afstand.
Toelichting bestemmingsplan Hoornseweg 9a Wognum
Pagina 30
Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de A7. Gezien de kenmerken van de omgeving (de personendichtheid), de invloed van het bestemmingsplan hierop en de kenmerken van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A7, kan (met gebruikmaking van de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse transport (HART) geconcludeerd worden dat het groepsrisico niet meer dan 10 % toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie en niet groter is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Er kan daarmee volstaan worden met een beperkte verantwoording van het GR. Relevant is dat het wegdeel van de A7 nabij het plangebied niet genoemd is Plasbrandaandachtsgebied. Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s binnen het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten verplicht het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Het Bevt geeft de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht.
De adviestaak omvat de mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omgang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. Voor zover mogelijk wordt in dit hoofdstuk invulling gegeven aan de verantwoordingsplicht. In artikel 7 en 8 van het Bevt is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht waarbij de verantwoording dient in te gaan op de volgende onderdelen: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg en b. voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg een ramp voordoet. Bij het opstellen van de beperkte verantwoording dient tevens getoetst te worden aan het regionale beleid voor externe veiligheid. Als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, dient binnen de planlocatie rekening te worden gehouden met verschillende scenario's, namelijk: •
Toxisch scenario Toxische vloeistoffen en gassen kunnen vrijkomen als de tankwagon of -container met toxische stoffen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een incident. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas of een walk. Bij een toxische plas zal deze vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plangebied drijven.
Toelichting bestemmingsplan Hoornseweg 9a Wognum
Pagina 31
•
BLEVE-scenario BLEVE is een afkorting voor "Boiling liquid Expanding Vapour Explosion" (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie). Er bestaat een koude en een warme BLEVE. Bij een koude BLEVE explodeert de tank meteen. Bij een warme BLEVE explodeert de tank als gevolg van een brandhaard.
Bestrijdbaarheid/beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om de taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie "Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid" van brandweer Nederland. Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is. Het projectgebied is van twee kanten aanrijdbaar. Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico's voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden.
Het projectgebied is goed bereikbaar binnen de zorgnorm van 8 minuten. Bestrijdbaarheid per scenario Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxisch scenario niet relevant. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankwagen of meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden.
Toelichting bestemmingsplan Hoornseweg 9a Wognum
Pagina 32
Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagen tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied worden geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. lndien minder zelfredzame personen aanwezig zijn, wordt er van uitgegaan dat zij met behulp van zelfredzame personen in veiligheid kunnen worden gebracht. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld.
Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich buiten bevinden (PGS 3) Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg is om te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren dan ook goed gesloten te kunnen worden. Eventueel aanwezige luchtbehandelingsinstallaties dienen met een handeling uitgeschakeld te worden. Aangezien met het voorliggend plan een nieuwe woning in een bestaand pand ingepast zal worden, mag ervan uit worden gegaan dat de woning voldoende kierdicht zijn. lndien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron of gericht zijn. Deze wegen mogen niet doodlopend zijn. Op basis van het bestaande wegennet/de bestaande omgeving kan afzijdig van de bron gevlucht worden. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is.
Feit blijft dat in geval van een calamiteit een vroegtijdige alarmering van levensbelang is om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om te kunnen vluchten nemen toe door uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de risicobron
Toelichting bestemmingsplan Hoornseweg 9a Wognum
Pagina 33
af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door het gebouw zelf. In het voorliggende plan wordt via het bestaande wegennet gevlucht. Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op het eerder genoemde scenario). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio's door het bestuur van de Veiligheidsregio's uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. Met het initiatief wordt geen nieuwe risicobron geïntroduceerd. Het initiatief heeft daarmee geen negatieve gevolgen voor de bestaande veiligheidsniveaus. Conclusie Het bestemmingsplan is in relatie tot het aspect externe veiligheid uitvoerbaar. 4.9
Geur
Op 1 januari 2007 is de nieuwe ‘Wet geurhinder en veehouderij’ (Wgv) in werking getreden. De Wgv ziet toe op geurhinder vanuit veehouderijen. De Wgv bevat daartoe onder meer wettelijke geurnormen, waaraan in principe moet worden voldaan, maar de wet biedt aan gemeenten tevens de mogelijkheid om binnen bepaalde grenzen (artikel 6 Wgv) eigen gemeentelijke geurnormen toe te passen. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) beschermen geurgevoelige objecten tegen de geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. Beschouwing Met dit bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om het perceel aan de Hoornseweg 9a als woonperceel te gebruiken. Het bestaande pand zal als woning gebruikt worden en de bijbehorende gronden als tuin. Wgv Een woning valt onder de definitie van een geurgevoelig object zoals opgenomen in artikel 1 Wgv. Bestaande agrarische bedrijven waarvoor geur als hinderfactor geldt zijn op ruime (voldoende) afstand van de beoogde woning gelegen. Er wordt ruimschoots voldaan aan de afstanden zoals gesteld in de Wet geurhinder en veehouderij.
Toelichting bestemmingsplan Hoornseweg 9a Wognum
Pagina 34
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Om een afweging te kunnen maken over de toelaatbaarheid van een geurgevoelige bestemming op een specifieke locatie dient een beoordeling plaats te vinden van het woon- en leefklimaat als gevolg van de geuremissie van omliggende veehouderijen. Het woon- en leefklimaat wordt bepaald door de voorgrondbelasting én de achtergrondbelasting van veehouderijen. Aangezien er binnen een straal van 500 meter geen veehouderijen gelegen zijn, kan worden aangenomen dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het bestemmingsplan is in relatie tot het aspect geur uitvoerbaar 4.10 Milieuzoneringen Bedrijven zijn milieubelastende bestemmingen die hinder ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen (waaronder wonen) kunnen veroorzaken. Om deze hindersituaties te voorkomen dient er bij ruimtelijke plannen, waarin milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen in elkaars nabijheid mogelijk worden gemaakt, in principe uit te worden gegaan van scheiding van functies. Hiertoe zijn in de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering richtafstanden opgesteld. In deze handreiking wordt afstanden, zogeheten milieuzoneringen, tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies aangegeven waarmee wederzijdse hinder voorkomen wordt.
Zo zorgt de milieuzonering ervoor dat nieuwe bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen worden gesitueerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. De invloed van een bedrijf op de omgeving hangt op de (milieubelastende) karakteristieken van het bedrijf. In de handreiking worden daarom zes milieucategorieën met de daarbij behorende richtafstanden onderscheiden (zie tabel). Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van de hinderaspecten geluid, stof, gevaar en geur. Voorts wordt onderscheid gemaakt in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies. De gedachte daarbij is dat gebieden met gemengde functies hogere achtergrondwaarden voor wat betreft de hinderaspecten kennen, waardoor milieubelasting van een specifiek bedrijf meer op zal gaan in de omgeving en minder snel als hinder zal worden ervaren. Milieucategorie
Richtafstanden tot rustige woonwijk 1 10 meter 2 30 meter 3 50 tot 100 meter 4 200 tot 300 meter 5 500 tot 1000 meter 6 1500 meter Afbeelding: Richtafstanden per milieucategorie.
Toelichting bestemmingsplan Hoornseweg 9a Wognum
Richtafstanden tot gemengd gebied 0 meter 10 meter 30 tot 50 meter 100 tot 200 meter 300 tot 700 meter 1000 meter
Pagina 35
De VNG-publicatie voorziet in richtafstanden. Deze richtafstanden zijn bepaald op basis van gemiddelde productieprocessen. Door middel van een gedegen op een specifieke situatie toegespitste onderbouwing kan gemotiveerd van deze richtafstanden worden afgeweken. Naast het VNG-stelsel moeten bedrijven op basis van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer/Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning milieu) of op basis van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) aan voorschriften voldoen. Deze voorschriften dienen onder andere ter regulering van de hinder voor de omgeving en kunnen daarmee relevant zijn voor de beschouwing van hindersituaties. Beschouwing Met dit bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om het perceel aan de Hoornseweg 9a als woonperceel te gebruiken. Het bestaande pand zal als woning gebruikt worden en de bijbehorende gronden als tuin. Een woning betreft een gevoelige functie. In de directe omgeving van het plangebied zijn binnen relevante afstand geen bedrijfsfuncties toegestaan. Binnen het plangebied zelf worden ook geen relevante bedrijfsactiviteiten toegestaan. De mogelijkheid tot het uitvoeren van bedrijfsactiviteiten wordt met dit bestemmingsplan geschrapt. Dit zal een positief effect op het woon-en leefklimaat hebben.
Conclusie Het bestemmingsplan is in relatie tot het aspect milieuzonering aan de beginselen van een goede ruimtelijke ordening.
4.11
Spuitzones
Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassenbeschermingsmiddelen in de open lucht worden toegepast en nabij gelegen gevoelige objecten zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers en werknemers. De richtafstanden die zijn opgenomen in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) hebben geen betrekking op open teelten en zijn dus evenmin bruikbaar (ABRvS 23 september 2009, zaaknummer 200900570/1/R2). Afhankelijk van het soort teelt en of er sprake is van een (water toevoerende) sloot, stelt het Activiteitenbesluit milieubeheer het hanteren van teeltvrije zones verplicht, maar ook hierin zijn geen afstandsnormen voor spuitzones opgenomen.
Toelichting bestemmingsplan Hoornseweg 9a Wognum
Pagina 36
Weliswaar ontbreekt wetgeving over spuitzones, maar er heeft zich op dit terrein wel jurisprudentie gevormd. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat in het algemeen een afstand van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Het is mogelijk die afstand te verkleinen als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek, waarbij kan worden aangetoond dat onder de gegeven omstandigheden ook bij het hanteren van een kortere afstand een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een gevoelige functie is gegarandeerd (ECLI:NL:RVS:2015:1698 en ECLI:NL:RVS:2017:1353). Echter door latere jurisprudentie kunnen zowel de PRI-onderzoeken als het in het gehanteerde EFSA-model niet meer ten grondslag worden gelegd aan een locatie specifiek onderzoek (ECLI:NL:RVS:2020:3018 en ECLI:NL:RVS:2022:3023). In een recente uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3160): is geoordeeld “Een kleinere afstand kan aanvaardbaar zijn indien (bijvoorbeeld) driftreducerende maatregelen worden getroffen”.
En ook in een recente uitspraak van maart 2023, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat een kleinere afstand kan worden aangehouden, mits dit op basis van zorgvuldig en op locatie toegesneden onderzoek deugdelijk kan worden gemotiveerd (ECLI:NL:RBMNE:2023:1048). Beschouwing Met dit bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om het perceel aan de Hoornseweg 9a als woonperceel te gebruiken. Het bestaande pand zal als woning gebruikt worden en de bijbehorende gronden als tuin. Een woning (inclusief de bijbehorende tuin) geldt als een gevoelige functie in relatie tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan een watergang die het plangebied scheidt van gronden met een agrarische bestemming. In het kader van een agrarische bedrijfsvoering is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op deze gronden mogelijk. Het betreffende stuk grond wordt feitelijk al jaren niet meer gebruikt voor agrarische gewassen en is in gebruik als weidegrond. Gezien de geïsoleerde ligging van het perceel, de matige bereikbaarheid en de reeds aangrenzende woonpercelen, is het niet waarschijnlijk dat het perceel nog als agrarische productiegrond zal dienen. Vanuit het Activiteitenbesluit geldt tevens dat een teeltvrij zone van 1,50 meter bij de aanwezigheid van waterlopen aangehouden dient te worden.
Binnen deze zone mag niet gespoten worden en er moet een drift reducerende techniek van 75% toegepast worden (art.3.78a Activiteitenbesluit). De afstand van 50 meter is blijkens een uitspraak van de Raad van State uit 2004 (ABRvS 23 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP3436) gebaseerd op het toenmalige beleid van de provincie Gelderland voor de toelating van nieuwe gevoelige functies nabij boomgaarden en
Toelichting bestemmingsplan Hoornseweg 9a Wognum
Pagina 37
boomteeltpercelen (waarbij opwaarts gespoten wordt). Ten tijde van dat beleid gold op grond van artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1963, het daarop gebaseerde “Lozingenbesluit open teelt en veehouderij” en de bijbehorende “Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij” een verplichting om driftreductie toe te passen van minimaal 50%. Op grond van het huidige Activiteitenbesluit dient echter standaard een driftreducerende techniek te worden gehanteerd van minimaal 75%. Dat is een norm die kortom de helft strenger is geworden dan de norm die gold bij de uitspraak van de Raad van State van 2004 over het beleid van de provincie Gelderland. Bovendien is het plangebied dicht bebost met bomen, ook aan de zijde van het aangrenzende agrarische perceel waar het planologisch mogelijk is om met gewasbeschermingsmiddelen te spuiten. Dit betekent dat mocht er wel gespoten worden met gewasbeschermingsmiddelen, deze bomen zorgen voor een driftreducerende werking. Tot slot wordt aangedragen dat het plangebied in de huidige situatie reeds een gevoelige functie ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kent. Zo bezien verandert de milieutechnische relatie ten opzichte van de agrarische gronden niet.
Dit wordt ook ondersteund door een uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2023:3128) waarin gesteld wordt dat wanneer een agrariër al belemmerd wordt door een bestaande situatie en door aangrenzende gevoelige functies, er geen sprake is van extra belemmeringen ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende agrarische gronden. Op gelijke afstand van de agrarische gronden zijn voorts reeds woonpercelen gelegen, de gemeente heeft deze situatie met het vaststellen van het vigerend bestemmingsplan aanvaardbaar geacht vanuit het vereiste van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook is het achterdeel van het plangebied dicht bebost en zal dit, gelijk aan de bestaande situatie, in de nieuwe situatie niet intensief gebruikt worden. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat er met de komst van de woonfunctie geen extra belemmering voor het agrarisch gebruik wordt opgeworpen. Conclusie Het bestemmingsplan is in relatie tot het aspect spuitzone uitvoerbaar. 4.12
Besluit milieueffectrapportage
In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het gaat dan om een project dat genoemd is in de bijlage onder C of D van het Besluit m.e.r. . Beschouwing Met dit bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om het perceel aan de Hoornseweg 9a als woonperceel te gebruiken. Het bestaande pand zal als woning gebruikt worden en de bijbehorende gronden als tuin.
Toelichting bestemmingsplan Hoornseweg 9a Wognum
Pagina 38
Een dergelijke ontwikkeling wordt niet genoemd in bijlage C en D van het Besluit m.e.r.. Het opstellen van een m.e.r.-beoordeling of plan M.E.R. is niet nodig. 4.13
Verkeer en parkeren
Een ruimtelijk initiatief kan tot wijzigingen in verkeerstromen en de parkeervraag leiden. Omwille van een goede ruimtelijke ordening dient beargumenteerd te worden dat het wegennet de nieuwe verkeersintensiteiten voldoende aankan en dat er geen onaanvaardbare parkeerdruk ontstaat. Beschouwing Met dit bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om het perceel aan de Hoornseweg 9a als woonperceel te gebruiken. Het bestaande pand zal als woning gebruikt worden en de bijbehorende gronden als tuin. Het gebruik van de kavel als woonperceel verandert ten opzichte van het bestaande gebruik als bedrijfsperceel. Gesteld wordt dat de verkeersintensiteit ten opzichte van de bestaande situatie lager zal zijn. Binnen het plangebied is voldoende ruimte (er is ruimte voor meer dan 3 auto’s) beschikbaar om in de benodigde parkeercapaciteit te voorzien. De bestaande in- en uitritconstructie blijft ongewijzigd. Conclusie Het bestemmingsplan is in relatie tot de aspecten parkeren en verkeer uitvoerbaar.
HOOFDSTUK 5: 5.1.
UITVOERBAARHEID
Financiële uitvoerbaarheid
In het kader van artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient de financieeleconomische uitvoerbaarheid van het plan te worden aangetoond. Dit bestemmingsplan betreft een particulier initiatief. De kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan alsmede de bijbehoren leges zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn aan onderhavig plan geen financiële consequenties verbonden. Met de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten. Het plan is hiermee economisch uitvoerbaar. Het opstellen van een exploitatieplan wordt op basis van het bovenstaande niet nodig geacht.
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vaststellingsprocedure Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling een zienswijze naar voren brengen bij de gemeenteraad. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Toelichting bestemmingsplan Hoornseweg 9a Wognum
Pagina 39
Beroep Na vaststelling van het bestemmingsplan kan binnen 6 weken na bekendmaking door belanghebbenden beroep worden ingediend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het plan is onherroepelijk na afloop van de beroepstermijn, tenzij een voorlopige voorziening wordt ingediend.
HOOFDSTUK 6:
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING
Inleiding Dit bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, de planregels en een verbeelding. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: • Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding, bestaande uit een lijn, een figuur, een lettercode etc.. Via een aanduiding wordt in de planregels iets specifieks geregeld. Dit kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook eigen regels hebben. • Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming betekent dat voor gronden meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming en soms gelden er een of meerdere dubbelbestemmingen.
In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra regels in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Algemene methodiek Verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen worden opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de planregels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens).
Toelichting bestemmingsplan Hoornseweg 9a Wognum
Pagina 40
Planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels: in dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de planregels (artikel 2) bepaald. 2 Bestemmingsregels: in dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Het betreft regels voor het toegestane gebruik en bouwregels. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen, achter de bestemmingsregels. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld. 3 Algemene regels: in dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel en algemene bouw-, gebruiks-, afwijkings- en wijzigingsregels. 4 Overgangs- en slotregels: in het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
Toelichting bestemmingsplan Hoornseweg 9a Wognum
Pagina 41