01 DOC-22-609812 Bijlage 1 Advies advocaat Van der Feltz advocaten
Tekst van het document
Beste Walter, Zoals wij al bespraken zal het er uiteindelijk op neerkomen of de Afdeling bestuursrechtspraak (ABRvS) er voldoende van overtuigd is dat voldoende parkeerplaatsen zullen (kunnen) worden gerealiseerd, gelet op enerzijds de feitelijke en anderzijds de planologische situatie. Daarnaast zou de ABRvS kritisch kunnen zijn over de wijze waarop het parkeren nu is geregeld. In art. 15.1 van de planregels is de verplichting om in voldoende parkeergelegenheid te voorzien gekoppeld aan een nieuw bouwwerk, verandering van een bouwwerk, verandering van gebruik van een bouwwerk of van gronden - al dan niet gecombineerd - , waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht. Mogelijk is de ABRvS van mening dat deze regeling niet van toepassing is op de huidige bestaande feitelijke situatie, ook al zou kunnen worden geredeneerd dat de transformatie van de recreatieve bestemming in een woonbestemming als een verandering van gebruik als bedoeld in art. 15.1 moet worden gezien. Dat zou mij overigens wel wat verbazen, aangezien het hierover ter zitting helemaal niet is gegaan (en ook niet in de stukken in aanloop naar de zitting, waaronder de tussenuitspraak). Bovendien zou dit erg streng zijn aangezien nu duidelijk is dat er feitelijk voldoende parkeergelegenheid is, zoals tussen partijen ook niet in geschil is en wij ter zitting ook nog eens hebben benadrukt.
Om het risico dat het bestemmingsplan op dit laatste punt onverhoopt toch zou worden vernietigd te beperken zou ervoor kunnen worden gekozen om de raad z.s.m. een gewijzigde planregel te laten vaststellen, waarbij de parkeereis alsnog wordt gekoppeld aan het gebruik (d.w.z. ook het bestaande gebruik). Als dit snel kan worden gedaan, zou deze gewijzigde planregel over de band van art. 6:19 Awb nog kunnen worden meegenomen bij de behandeling van het beroep (d.w.z. zo lang de ABRvS nog geen einduitspraak heeft gedaan). Dat de zitting al heeft plaatsgevonden en het in beginsel dus niet meer mogelijk is om nadere stukken in te dienen doet hier op zichzelf niet aan af, omdat het beroep van rechtswege ontstaat (d.w.z. los van de procedurele regels) en art. 6:19 lid 3 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking stelt aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is. Het leek mij goed om dit nog mee te geven. Als je wilt ben ik uiteraard graag bereid het voorgaande nader toe te lichten, mocht je daaraan behoefte hebben. Met vriendelijke groet, Willem Bosma partner
Van der Feltz advocaten Javastraat 22 | 2585 AN Den Haag Postbus 85615 | 2508 CH Den Haag T: +31 70 31 31 065 | M: +31 6 25 09 71 35