01 Bijlage 1 - Bestemmingsplan 'Andijk - Cornelis Kuinweg 29 én Gedeputeerde Laanweg 20'
Tekst van het document
34/502
4.6
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen worden beschreven op welke manier rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden in het plangebied. Binnen het plangebied is geen sprake van specifieke cultuurhistorische waarden. Wel kunnen de structuren van het landschap als cultuurhistorisch waardevol worden aangemerkt. Daar de verkavelingsstructuur ongewijzigd blijven, worden geen cultuurhistorische waarden aangetast.
4.7
Ecologie
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt zowel de bescherming van natuurgebieden als de bescherming van soorten en hun verblijfsplaatsen. De provinciale verordening wijst beschermde gebieden aan die van belang zijn voor het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en Weidevogelleefgebieden. 4.7.1 Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een beschermd natuurgebied. Natura 2000-gebieden liggen op grote afstand. Het dichtstbijzijnde gebied, het IJsselmeer, ligt op ongeveer 2,5 kilometer. Op ruim 1.200 meter ten zuiden van het plangebied ligt wel een gebied dat deel uitmaakt van het NNN. Het plangebied ligt op meer dan 1,6 (locatie Gedeputeerde Laanweg 20) en 1,8 (locatie Cornelis Kuinweg) kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, het IJsselmeer. Gezien de grote afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden geen negatieve gevolgen verwacht van de plannen. Deze conclusie is eveneens van toepassing op de NNN-gebieden en weidevogel(leef)gebieden. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden. Het gebied is ook niet begrensd als een bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied.
Ook ligt het plangebied niet binnen het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). Met betrekking tot de uitvoering van het ruimtelijk plan is het van belang om na te gaan of stikstofdepositie een knelpunt kan vormen voor het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura-2000 gebied. Om te kunnen bepalen of stikstofdepositie een knelpunt vormt zijn met AERIUS Calculator berekeningen gemaakt van de stikstofdepositie in zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Hierbij is een uitsplitsing gemaakt tussen de ontwikkelingen aan de Cornelis Kuinweg 29 en aan de Gedeputeerde Laanweg 20. Ook is de ontwikkeling van beide percelen gezamenlijk doorgerekend. Het onderzoek, inclusief de berekeningen zijn als bijlage 2 en 3 toegevoegd. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden niet boven de 0,00 mol N/ha/jaar uit komt. Hiermee is aangetoond dat het project, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied niet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
35/502
4.7.2 Soortenbescherming Voor de gewenste ontwikkelingen moeten meerdere werkzaamheden worden uitgevoerd die mogelijk een effect hebben op beschermde soorten. Het is daarbij eerst van belang om te achterhalen of er sprake is van beschermde soorten in het plangebied. Dit is in ook een verkennend onderzoek onderzocht. Voor de ontwikkeling, aan de Cornelis Cuinweg, is een ecologisch onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten uitgevoerd. Deze is als bijlage 4 toegevoegd. Gezien de aard en omvang van de beoogde plannen zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten en/of gebieden in de omgeving te verwachten. Ten alle tijden dient rekening gehouden te worden met de Algemene Zorgplicht. Voor de Gedeputeerde Laanweg geldt dat ook bij ingrepen, zoals het bouwen van een nieuwe schuur, rekening gehouden worden met de verbodsbepalingen (en zorgplicht) van de Wet natuurbescherming. Op dit moment vinden daar geen fysieke ingrepen plaats, maar als hier sprake is van bouwen, dan wordt op dat moment een quickscan flora en fauna uitgevoerd ten behoeve van de omgevingsvergunning. Hiermee zal dan voldaan kunnen worden aan de indieningsvereiste m.b.t. het nagaan of er strijdigheid is met de Wnb.
4.8
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart van de provincie Noord-Holland geraadpleegd. Uit deze kaart blijkt dat het plangebied zich niet binnen het invloedgebied van risicovolle inrichtingen of vervoersroutes van gevaarlijke stoffen bevindt. Er worden ook geen risicovolle activiteiten of kwetsbare objecten voorgesteld. Vanuit de externe veiligheid bestaan geen belemmeringen voor het plan.
4.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd. Regeling Niet in betekenende mate Het plangebied ligt in een landelijke omgeving waar sprake is van een goede luchtkwaliteit. Op grond van de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate (Nibm)” vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten als deze niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een plan dat slechts in zeer beperkte mate bijdraagt aan luchtverontreiniging is op grond van het besluit 'niet in betekenende mate' (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Een plan komt hiervoor in aanmerking
36/502
als het voor minder dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Alleen bij een toename van enkele honderden verkeersbewegingen per dag wordt hier niet aan voldaan. De uitbreiding zal een beperkte stijging van het aantal verkeersbewegingen met zich meebrengen. Daarnaast nemen de verkeersbewegingen ter hoogte van de Gedeputeerde Laanweg 20, als gevolg van het saneren van deze locatie, af. Per saldo is dan ook geen sprake van een toename aan verkeersbewegingen. Als gevolg hiervan is geen sprake van verslechtering van de luchtkwaliteit. Het plan wordt op dit punt uitvoerbaar geacht. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.
4.10 Kabels, leidingen en zoneringen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. In het plangebied en in de directe nabijheid van het plangebied liggen geen hogedruk aardgasleidingen of hoogspanningsleidingtracé. Wel loopt door het plangebied een waterleiding. In principe is bouwen binnen deze bestemming niet toegestaan. Met een omgevingsvergunning is dit wel mogelijk. Wel moet hierbij aangetoond worden dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van de betreffende nutsleiding en vooraf advies wordt ingewonnen van de betreffende leidingbeheerder.
4.11 Duurzame energie Duurzaamheid van een gebied of in relatie tot een ruimtelijke ontwikkeling kan tot uitdrukking komen in de thema’s: kwaliteit van de leefomgeving, water, energie, mobiliteit, natuur/ecologie en milieu. Onder milieu kan onder meer het volgende worden verstaan: gezondheid, externe veiligheid, materiaalkeuze en hergebruik van materialen, duurzaam slopen, geluid, lucht en beheer/onderhoud van een gebied of gebouw. Er bestaat geen wettelijke verplichting om het thema duurzaamheid in bestemmingsplannen vast te leggen. Wel vormt het een belangrijk onderwerp in het sociaal-maatschappelijke debat en daarmee een belangrijk aandachtspunt in het overheidsbeleid. Gemeenten streven in dat kader naar een duurzame (gebouwde) omgeving. Realisatie van nieuwbouw, zo ook voorliggend planvoornemen, biedt kansen voor duurzaamheid. Het bedrijf heeft verduurzaming hoog in het vaandel staan. Het bedrijf heeft een teeltsysteem waarbij 100% word gerecirculeerd. Tevens is geïnvesteerd in een WKO installatie met bronnen voor warmte en koude opslag. Hierdoor is het gasverbruik genivelleerd. Op termijn wil het bedrijf aardgasloos opereren. Hiervoor is wel meer elektriciteit nodig. Dit wordt in de huidige situatie opgewerkt met circa 2500 zonnepanelen.
Verder is het bedrijf aan het inventariseren of het een volgende stap kan maken in bijvoorbeeld de vorm van een accu voor de opslag van stroom. Tevens kan die dan meteen een stabilisator zijn voor het stroomnet in de omgeving. Naast duurzame
37/502
opwekking is het bedrijf continue de bestaande processen aan het finetunen. Recentelijk is de energiebehoefte van het droogproces ten behoeve van de bollen gehalveerd door implementatie van een nieuw (zelf ontwikkeld) droogproces en software. Het bedrijf tracht hiermee bij te dragen aan het toekomstgericht (duurzaam) ontwikkelen van de gemeente Medemblik.
4.12 Spuitzones Toetsingskader Ruimtelijk spoor Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt uitgegaan van een spuitzone tussen gevoelige bestemmingen en percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Er bestaan geen wettelijke bepalingen voor de minimaal aan te houden afstanden tussen percelen waarin met gewasbeschermingsmiddelen kan worden gespoten en nabijgelegen gevoelige functies. Uit de algemene jurisprudentielijn van de Raad van State blijkt dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt in algemene zin niet onredelijk wordt geacht. Het gaat hierbij met name om gewasbeschermingsmiddelen die bij de fruit- en bollenteelt worden gebruikt waarbij sprake is van een hoge mate aan drift (het verwaaien van spuitvloeistof tijdens de toediening van gewasbeschermingsmiddelen). Voorbeelden hiervan zijn appel- en lelieteelt. Hierbij wordt gemeten vanaf de bestemmingsgrens: vanaf de bestemming die het telen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen mogelijk maakt tot aan de grens van de bestemming die de woning(en) mogelijk maakt. Om te volstaan met een geringere afstand dan 50 meter kon hiervoor tot oktober 2022 specifiek onderzoek worden uitgevoerd.
In oktober 2022 heeft de Raad van State een uitspraak gedaan waarbij de laatst overgebleven rekenmethodiek voor het berekenen van een kortere afstand dan de 50 meter spuitzone tot een gevoelige bestemming juridisch niet houdbaar is gebleken. Zonder geschikte rekenmethodiek ligt de enige mogelijkheid in het beargumenteren waarom een ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. De gemeente dient daarbij een afweging te maken dat zij het aannemelijk vindt dat de kans op schade door gewasbeschermingsmiddelen zoveel mogelijk wordt geminimaliseerd en voldaan wordt aan een goede ruimtelijke ordening. Maatwerk is hierbij noodzakelijk. Milieuspoor Voor agrarische bedrijven en tuinbouwbedrijven geldt dat zij op grond van het Activiteitenbesluit Wet milieubeheer bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen rekening dienen te houden met voorwaarden en beperkingen. Daarbij gaat het onder meer om het volgende: bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht dient een techniek te worden gebruikt met een driftreductie* van minimaal 75% (ten opzicht van een vastgelegde referentietechniek); een oppervlaktewaterlichaam. De minimumafstand tot een oppervlaktewaterlichaam is afhankelijk van het soort gewas en overige aspecten waaronder de mate van driftreductie.
Toetsing Cornelis Kuinweg 29 In het kader van de ontwikkeling van de bollenbroeierijsector moet worden ingespeeld op veranderingen in
38/502
markt. Het bedrijf aan de Cornelis Kuinweg 29 ontwikkelt zich door waarbij het eindbeeld van het bedrijf een volledig ingevuld bedrijfsoppervlak is van 8 hectare. Dit vindt plaats via het organisch uitbreiden van het bedrijf. Dit proces voltrekt zich over meerdere jaren en vindt plaats in 5 fasen. De eerste fase betreft de legalisatie van de bestaande (tijdelijke) logiesunits (voor een maximale periode van 15 jaar) en de derde fase betreft de bouw van een permanent logiesverblijf voor circa 60 personen. Deze fasen hebben betrekking op de realisatie van een (drift) gevoelige functie, omdat een logiesgebouw in het kader van ruimtelijke ordening een gevoelige functie is die bescherming tegen de drift van gewasbeschermingsmiddelen behoeft. De gronden rondom het planperceel aan de Cornelis Kuinweg 29 hebben in het bestemmingsplan Buitengebied een agrarische bestemming. In het bestemmingsplan is aangegeven dat agrarische gronden, tenzij aangeduid, niet mogen worden gebruikt ten behoeve van de permanente teelt van bloembollen en sierteelt, fruitteelt, bosbouw, houtteelt en overige opgaande meerjarige teeltvormen. In voorliggend bestemmingsplan blijft de bestemming 'agrarisch'. Hier is de permanente teelt van bloembollen en sierteelt, fruitteelt, bosbouw, houtteelt en overige opgaande meerjarige teeltvormen niet toegestaan.
Dit betekent dat hoge drift niet plaatsvindt in de nabijheid van de planontwikkeling. De gewassen worden in neerwaartse richting bespoten met een maximale afstand van 50 centimeter tot het gewas. In figuur 4.1 zijn de gewassen die de afgelopen jaren zijn geteeld op de omliggende gronden weergegeven. Hieruit blijkt dat op een aantal aangrenzende percelen wel teelt van tulpen heeft plaatsgevonden. Dit gewas mag niet jaarlijks worden geteeld, vanwege de regels in het bestemmingsplan. Intensieve toepassing van gewasbeschermingsmiddelen zoals bij gewassen als bloembollen is dus niet structureel aan de orde.
Figuur 4.1
39/502
Teelt gewassen rondom Cornelis Kuinweg 29
De bestaande logiesunits zijn op circa 65 meter gelegen van de watergang aan de westzijde van het planperceel. Voor deze fase vormt het aspect spuitzonering geen belemmering. Het nieuw te bouwen logiesverblijf in fase 3 is gelegen tussen de logiesunits uit fase 1 en de westelijk gelegen watergang. De afstand tussen het woonverblijf en de watergang is circa 41 meter. De watergang is circa 9 meter breed. Dit betekent dat voldaan wordt aan de afstand van 50 meter tussen het logiesverblijf en het westelijk gelegen agrarisch perceel. Op dat perceel mogen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Afhankelijk van het gewas dient de agrariër conform Kaderrichtlijn Water een afstand van de teelt tot de watergang aan te houden. Hierdoor wordt de afstand tussen het woonverblijf en het gedeelte van het agrarisch perceel waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast nog groter. Dit betekent dat voor de ontwikkeling van het logiesverblijf van fase 3 sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat in het kader van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Gedeputeerde Laanweg 20 Voor de Gedeputeerde Laanweg 20 is sprake van een bestemmingswijziging van agrarisch naar wonen. De woonfunctie was al aanwezig, maar dan als bedrijfswoning. De woning zal nu als reguliere woning worden gebruikt.
Een woning is in het kader van ruimtelijke ordening een gevoelige functie die bescherming tegen de drift van gewasbeschermingsmiddelen behoeft. Dit is van toepassing voor een reguliere woning, maar ook voor een bedrijfswoning voor wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door derden. Het agrarisch bedrijf wordt met deze bestemmingswijziginging dan ook niet verder beperkt in zijn bedrijfsvoering. De gronden rondom het planperceel aan de Gedeputeerde Laanweg 20 hebben in het bestemmingsplan Buitengebied een agrarische bestemming. In het bestemmingsplan is aangegeven dat agrarische gronden, tenzij aangeduid, niet mogen worden gebruikt ten behoeve van de permanente teelt van bloembollen en sierteelt, fruitteelt, bosbouw, houtteelt en overige opgaande meerjarige teeltvormen. In onderhavig bestemmingsplan dat voor de beoogde ontwikkeling aan de Gedeputeerde Laanweg 20 is opgesteld blijft de bestemming van het planperceel deels 'Agrarisch' en krijgt een deel van het planperceel de bestemming 'Wonen'. Binnen de agrarische bestemming is de permanente teelt van bloembollen en sierteelt, fruitteelt, bosbouw, houtteelt en overige opgaande meerjarige teeltvormen niet toegestaan. Dit betekent dat hoge drift en intensieve toepassing van gewasbeschermingsmiddelen niet permanent plaatsvinden in de nabijheid van de woonbestemming.
In figuur 4.2 zijn de gewassen die de afgelopen jaren zijn geteeld op deze gronden weergegeven. Hieruit blijkt dat op een aantal aangrenzende percelen wel teelt van lelies heeft plaatsgevonden. Dit gewas mag niet jaarlijks worden geteeld, vanwege de regels in het bestemmingsplan. Intensieve toepassing van gewasbeschermingsmiddelen zoals bij gewassen als bloembollen is dus niet structureel aan de orde.
40/502
Figuur 4.2
Teelt gewassen rondom Gedeputeerde Laanweg 20
De woonbestemming grenst aan de noordoost en zuidoost zijde aan de agrarische bestemming, waarbij de afstand van de woning tot aan het noordoostelijk gelegen akkerbouwperceel circa 25 meter is. Dit betekent dat er maatregelen noodzakelijk zijn voor een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Ondanks dat de overheersende windrichting west/zuidwest is en dat bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen moet worden voldaan aan de voorwaarden uit het Activiteitenbesluit zoals onder andere maximale windsnelheid (5 m/s) is aan de oostzijde van het planperceel een voorwaardelijke verplichting voor een dichtbegroeide groenblijvende haag opgenomen in dit bestemmingsplan. Door deze haag langs de perceelsgrens vanaf de woning tot aan de achterliggende bebouwing te planten kan op deze manier een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. De woning in het planperceel is op circa 100 meter afstand gelegen van het zuidoostelijk gelegen akkerbouwperceel. Bovendien is ten zuiden van de woning een schuur gesitueerd welke een barrière vormt. Aan zuidoostelijke zijde is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het noordwestelijk gelegen agrarisch perceel ligt ten noorden van de Gedeputeerde Laanweg. De afstand van de woonbestemming tot de agrarische bestemming is 15 meter, maar de afstand van de woning tot aan het agrarisch perceel is circa 40 meter.
Gezien onder andere deze afstand, de overheersende windrichting en de teeltvorm kan hier worden gesteld dat aan deze kant sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de zuidwestkant van het planperceel is een watergang gelegen van ruim 30 meter. Bovendien is er nog een teeltvrije zone langs de watergang, omdat de agrariër conform Kaderrichtlijn Water een (gewasbepalende) afstand van de teelt tot de watergang dient te houden. Bovendien moet de agrariër bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen voldoen aan de voorwaarden uit het Activiteitenbesluit. In de huidige situatie is de afstand van de teelt van het gewas tot de woonbestemming bijna 40 meter. De afstand van het agrarisch perceel tot de woning is geen 50 meter. Gezien de heersende windrichting is er ten behoeve van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de aanleg van driftwerende beplanting (dichte groenblijvende haag) van 1,5 meter hoogte. Gezien het gebruik van de
41/502
omliggende agrarische percelen, waarbij de gewassen neerwaarts worden bespoten volstaat deze hoogte. Bovendien bestaat de westzijde van het woonperceel uit een groenstrook met bomen. De beplanting zal langs de woning en de tuin tot aan de achterliggende schuur moeten worden aangelegd. Met dit bestemmingsplan worden de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende agrarische gronden aan de planpercelen niet beperkt, omdat met de bedrijfsvoering in de huidige situatie al rekening gehouden moet worden met de milieugevoelige functies die reeds aanwezig zijn. Bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen moet altijd driftarme apparatuur worden gebruikt. Daarnaast worden vanuit het activiteitenbesluit eisen gesteld aan de voorwaarden van toepassing (onder andere windkracht). Bovendien dragen nieuwe driftreducerende spuittechnieken bij aan verbeteringen op het gebied het gebied van milieu, waterkwaliteit, voedselzekerheid, menselijke gezondheid en arbeidsomstandigheden. Aan de Cornelis Kuinweg 29 is sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat in het kader van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Met de driftwerende beplanting zoals die als voorwaardelijke verplichting is opgenomen is ook aan de Gedeputeerde Laanweg 20 sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat in het kader van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
42/502
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische regeling
Algemeen
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
5.2
Toelichting op de bestemmingen
In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de bestemmingen die in het plangebied voorkomen. De uitgangspunten voor deze bestemmingen zijn beschreven in de voorgaande hoofdstukken. 5.2.1 Agrarisch De bestaande bestemming 'Agrarisch', ter hoogte van de locatie Cornelis Kuinweg 29, blijft ook in dit bestemmingsplan van toepassing in het plangebied. Het bouwvlak en de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel agrarisch grondgebonden bedrijf' wordt daaraan toegevoegd tot de gewenste 8 hectare aansluitend op het bestaande bouwvlak met dezelfde aanduiding. Op deze wijze kan de gewenste bedrijfsuitbreiding plaatsvinden. Voor de regels bij deze bestemming is aangesloten bij het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Medemblik. De regels van het plan Buitengebied en daarop volgende wijzigingen zijn als basis overgenomen en waar nodig aangepast op de specifieke ontwikkeling. 5.2.2 Wonen Ter hoogte van de locatie Geduputeerde Laanweg 20 vervalt de bestemming 'Agrarisch' inclusief de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel agrarisch grondgebonden bedrijf' alsmede het bouwvlak. De gronden krijgen de bestemming Wonen. De gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw zal ten hoogste 75,00 m² bedragen en bij afwijking het mogelijk is om de oppervlakte te vergroten naar 300 m2.
Hierbij geldt wel dat het perceel groter moet zijn dan 750 m2 en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Bij een specifieke aanvraag omgevingsvergunning worden voorwaarden gemotiveerd.
43/502
5.2.3 Waarde - Archeologie 3 Voor werken en werkzaamheden groter dan 500 m2 is een nader onderzoek nodig. Hiervoor is in dit bestemmingsplan de bestemming Waarde - Archeologie 3' opgenomen. De bestemmingsregels van dezelfde bestemming uit het bestemmingsplan Buitengebied zijn hiervoor overgenomen. De oppervlakte voor de onderzoeksgrens daarbij is dat sprake moet zijn van een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld. 5.2.4 Leiding - Water Door het plangebied loopt een waterleiding. Deze is bestemd met de dubbelbestemming 'Leiding - Water'. In principe is bouwen binnen deze bestemming niet toegestaan. Met een omgevingsvergunning is dit wel mogelijk. Wel moet hierbij aangetoond worden dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van de betreffende nutsleiding en vooraf advies wordt ingewonnen van de betreffende leidingbeheerder. 5.2.5 Voorwaardelijke verplichting Binnen een maand na vaststelling van het bestemmingsplan dient ten behoeve van een verantwoord woon- en leefklimaat een driftwerende groenblijvende haag te worden aangeplant en in stand worden gehouden met een minimale hoogte van 1,50 meter conform het gestelde in paragraaf 4.12 van de toelichting.
44/502
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan kan worden aangetoond door het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure. In dat kader doorloopt dit bestemmingsplan de hierna beschreven stappen. 6.1.1 Wettelijk overleg Op basis van de Inspraakverordening is geen inspraak doorlopen. Wel is het concept bestemmingsplan overlegd met de betrokken overlegpartners. De provincie Noord - Holland, Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, Archeologie West-Friesland, waterschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier én de Veiligheidsregio hebben in dit kader gereageerd. De verschillende reacties zijn, waar nodig, verwerkt in de toelichting. Het advies van de veiligheidsregio wordt in de vergunningsprocedure opgevolgd. Verder is het begrip 1.15 bassin: in de regels aangepast volgens het advies van het waterschap én is de bestemming Wonen aangepast overeenkomstig de bestemming Wonen uit het geldende bestemmingsplan Buitengebied. Verder is het bouwvlak aan de oost -en westkant aangepast in die zin dat er geen sprake meer is van een verdere uitbreiding in oostelijke -en westelijke richting. Dit conform de overlegreactie van de provincie. Ook is de regeling van de bestemming Wonen ter hoogte van de locatie Gedeputeerde Laanweg 20 aangepast. O.a. een regeling is opgenomen die aangeeft dat de afstand van een bijbehorend bouwwerk tot de zijdelingse perceelgrens tenminste 11 meter bedraagt.
Dit overeenkomstig de afstand van de huidige schuur op het perceel. De resultaten hiervan worden in het ontwerp bestemmingsplan verwerkt. 6.1.2 Ontwerpbestemmingsplan Het bestemmingsplan doorloopt verder de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen bestemmingsplanprocedure. Het ontwerpbestemmingsplan heeft daarop gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode was voor een ieder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen (artikel 3.8 Wro). Van deze gelegenheid is niet gebruikt gemaakt. Wel zijn aanvullende adviezen van het waterschap en Omgevingsdienst Noord-Holland Noord ontvangen. Deze zijn door de gemeente samengevat en beantwoord in een reactienota. Zie daarvoor bijlage 14. De reactie van het waterschap is verwerkt in de waterparagraaf. De reactie van de Omgevingsdienst heeft niet tot een wijziging in het bestemmignsplan geleid. Verder is één ambtshalve wijziging doorgevoerd. Dit betreft het opnemen van een voorwaardelijke verplichting ten behoeve van de uitwerking van de landschappelijke inpassing. 6.1.3 Vaststelling De gemeenteraad van de gemeente Medemblik stelt vervolgens het bestemmingsplan, al dan niet gewijzigd, vast. De indieners van zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld. Tegen dit besluit is uiteindelijk beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
45/502
6.2
Economische uitvoerbaarheid
De economische uitvoerbaarheid wordt aangetoond via de financiële haalbaarheid van het plan en de grondexploitatieregeling vanuit de wetgeving. Deze aspecten komen dan ook hierna aan bod. 6.2.1 Financiële haalbaarheid Dit bestemmingsplan heeft betrekking op een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De uitvoeringskosten worden gedragen door de initiatiefnemer. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiervoor wordt dan een overeenkomst over planschade gesloten met de initiatiefnemer. Hiermee is de economische haalbaarheid voldoende gewaarborgd en uitvoerbaar geacht. 6.2.2 Grondexploitatieregeling In de Wet ruimtelijke ordening is de grondexploitatieregeling opgenomen. Hierin is het gemeentelijke kostenverhaal opgenomen. De gemeenten kunnen de door hen gemaakte plankosten bij een bouwplan, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening, verhalen via een grondexploitatie. Bij de uitbreiding van het bedrijf gaat het om de uitbreiding van een gebouw met meer dan 1.000 m2, waarmee het een bouwplan is als bedoeld in het Bro. Bij een bestemmingsplan voor een dergelijk bouwplan stelt de gemeente gelijktijdig met het bestemmingsplan een exploitatieplan vast. Bij dit bestemmingsplan is de vaststelling van een exploitatieplan niet nodig. Het kostenverhaal is op een andere manier verzekerd.
Kosten worden verhaald via de leges, de planschade wordt gedekt via een planschadeovereenkomst.
46/502
Bijlagen toelichting
47/502
48/502
Bijlage 1
49/502
Landschappelijk inpassingsplan_april 2023
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING CORNELIS KUINWEG 29
APRIL 2023 1
Landschappelijke inpassing Cornelis Kuinweg
INHOUD
2
Landschappelijke inpassing Cornelis Kuinweg
1. INLEIDING
3
2. BEOOGDE ONTWIKKELING
4
3. HUIDIGE SITUATIE VAN HET LANDSCHAP
6
4. HISTORISCHE ACHTERGROND
9
5. BELEIDSUITGANGSPUNTEN
11
6. RUIMTELIJKE UITGANGSPUNTEN
15
7. LANDSCHAPPELIJKE INPASSING
17
1. INLEIDING
Initiatiefnemers van de Cornelis Kuinweg 29 hebben voornemens om uit te breiden. Hiervoor is een vergroting van het huidige bouwvlak nodig. Deze uitbreiding behelst het realiseren van een huisvestingsvoorziening voor buitenlandse werknemers en het vergroten van de oppervlakte van de (schuur)kassen. Deze voornemens zijn niet passend in het huidige bestemmingsplan. Als aanvulling hierop is een landschappelijk inpassingsplan nodig. In dit landschappelijke inpassingsplan worden randvoorwaarden meegegeven om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen. Het plangebied is gelegen in een agrarisch lint in de polder het Grootslag, nabij het dorp Andijk, gemeente Medemblik.
Andijk
Kavel initiatiefnemers
Cornelis Kuinweg
3
Landschappelijke inpassing Cornelis Kuinweg
2. BEOOGDE ONTWIKKELING
De beoogde ontwikkelingen aan de Cornelis Kuinweg 29 zal gefaseerd plaatsvinden in een tijdsperiode van circa 10 jaar. De eerste fase bestaat uit het legaliseren van tijdelijke huisvesting van buitenlandse werknemers. Deze huisvesting is al gerealiseerd, zoals te zien op de afbeelding hiernaast. Dit zal op termijn vervangen worden door een permanente huisvesting. Het bedrijf heeft een hoog ambitieniveau en verwacht de komende jaren flink te groeien. Hiervoor worden meerdere uitbreidingen voorzien inclusief een permanent woonverblijf voor circa 60 arbeiders. Op de volgende bladzijde is de groei in vijf verschillende fases ingetekend. Hierbij is ‘compact bouwen’ één van de uitgangspunten geweest.
4
Landschappelijke inpassing Cornelis Kuinweg bron: cyclomedia
MEERJAREN PLAN 2030
Fase 1.
Fase 2.
Fase 3.
Legaliseren bestaande (tijdelijke) woonunits
Broeikas + bewortelingsruimte ca. 8915m2 +
Permanent woonverblijf ca. 60 personen
watercompensatie
Fase 4.
Fase 5.
Vervangen schuurkassen voor bedrijfsruimten
Broeikas + bewortelingsruimte ca. 14590m2
3. HUIDIGE SITUATIE VAN HET LANDSCHAP
Het huidige grootschalige landbouwlandschap van na de ruilverkaveling is opgebouwd uit een orthogonaal systeem van polderwegen. De maasgrootte ter plaatse van de locatie bedraagt vakken van circa 1,5 km in oostwest richting, tussen de doorgaande noordzuid gerichtte wegen Dijkgraaf Grootweg, Veilingweg en Gerrit de Vriesweg. De maat tussen de oostwest wegen is ca. 700 m. Deze langwerpige vakken zijn vervolgens door doorgaande poldersloten verder opgedeeld in drie vakken. Dragende structuren De noordzuidverbindingen kennen een eenzijdige of volledige laanbeplanting en zijn hierdoor herkenkenbaar in dit grootschalige landschap. De oostwestverbindingen zijn soms beplant (zoals Gedeputeerde Laanweg) maar kennen vaak ook een eenvoudig profiel zonder beplanting, met alleen een bomenrij ter hoogte van bouwvlakken. De oostwest verbindingen binnen de polder zijn de ‘nieuwe linten’ met daaraan de agrarische bedrijven. De bedrijfscomplexen zijn in de loop der jaren
6
Landschappelijke inpassing Cornelis Kuinweg
uitgebreid en bestaan uit een woonhuis aan de weg met daarachter dichte loodsen en grote kassencomplexen. Her en der op de kavels zijn bassins geplaatst, met name in overhoeken en op randen van de bouwvlakken. Ook de structuur van watergangen langs de slagen (noord-zuid) zijn belangrijke dragers van het gebied. Deze vormen belangrijke, heldere doorzichten tussen de bouwblokken. Openheid en zichtlijnen Doordat de bedrijfskavels vanaf de oostwestverbindingen als eilandjes tegen het lint zijn gelegen ontstaat er een openheid tussen de grotere eenheden. De slotenpatronen zijn belangrijk in de opzet en de beleving van het landschap. Bij dichter bebouwde polderwegen zijn dit de lange zichtlijnen tussen de complexen. Van oudsher staat rond de bedrijfswoning vaak nog een stevige opgaande beplanting. Door de schaalvergroting van de bedrijven is dit in veel gevallen minder sterk zichtbaar of niet meer aanwezig.
Bebouwingskarakteristiek De bebouwing bestaat uit een (vaak eenvoudige) woning en bedrijfsgebouwen zoals loodsen en kassen. De bedrijfsbebouwing heeft een eenvoudige en efficiënte agrarische uitstraling. De loodsen hebben flauwe kappen. Het kleurgebruik is over het algemeen terughoudend. Qua architectuur en uitstraling heeft de woning een duidelijk andere uitstraling dan de bedrijfsgebouwen. Eventuele extra bijgebouwen hebben de uitstraling van de bedrijfsgebouwen in kleurtint en materialiseren.
OPENHEID ALS BELEVING VAN HET LANDSCHAP
OPENHEID ALS BELEVING VAN HET LANDSCHAP
3. HUIDIG BEELD PLANGEBIED
7
zicht op het bedrijf Boon& Breg
vanaf zuidzijde; op voorgrond de bedrijfsbebouwing, links rietkraag, bomen en struiken
vanaf noordzijde; op voorgrond tijdelijke huisvesting werknemers
inks van de oprit de woning met siertuin
Landschappelijke inpassing Cornelis Kuinweg
OPENHEID ALS BELEVING VAN HET LANDSCHAP
OPENHEID ALS BELEVING VAN HET LANDSCHAP
3. HUIDIG BEELD PLANGEBIED
8
zicht vanaf Cornelis Kuinweg. Voor de gevel is nog jonge bomenrij te zien
rietkraag tussen siertuin en bassin, met her en der bomen en struiken
locatie beoogde bomenrij, over de sloot zicht op achterland
doorzicht aan noordzijde, zicht vanaf fietspad Dijkgraaf Grootweg. Tussen weg en fietspad elzensingel (niet zichtbaar op foto)
Landschappelijke inpassing Cornelis Kuinweg
4. HISTORISCHE ACHTERGROND
9
Geschiedenis van het landschap Vanaf ca. 5.000 tot 3.000 jaar geleden was West Friesland vooral een getijdengebied met opslibbing van zand en klei uit zee, met name vanuit het voormalige ‘Zeegat van Bergen’. Het gebied is daarna verveend. Door ontginning en zee-inbraken verdween het veen in de loop van de Middeleeuwen weer. Om het zeewater buiten te sluiten werd het gebied in de 11e en 12e eeuw omdijkt. Aan het begin van de 13e eeuw is de dijkring gesloten. Nog altijd vormt de Westfriese Omringdijk de markante begrenzing van het oude zeekleigebied.
Na de aanleg van wegen en dijken in de 15e eeuw ontstond de polder Het Grootslag. Deze polder werd een zelfstandig waterschap met enkele afwateringssluisjes om het overtollige water adequaat af te voeren. Uiteindelijk schoot deze natuurlijke afwatering tekort en werden er twee windwatermolens gebouwd bij de Noorderdijk bij Enkhuizen. Later werd het aantal windwatermolens sterk uitgebreid tot 13. Langs de dijk ontstond bebouwing. Het dorp Andijk is ontstaan vanaf de 16de eeuw en is in de loop der tijd is verder uitgegroeid tot een lang lint langs de Omringdijk. De polder was opgebouwd uit min of meer noord-
Circa 1910
Circa 1940
Landschappelijke inpassing Cornelis Kuinweg
zuid lopende watergangen met soms grillige patronen. Daartussen lagen onregelmatige verkavelingen van meestal 1 tot 4 slagen. Het vervoer in de polder ging vooral over het water. Door de bouw van het poldergemaal aan het eind van de 19e eeuw werden de windmolens overbodig. Daarnaast veranderde ook het grondgebruik en landbouwproductie door de opkomst van de bloembollencultuur en tuinbouw, die nog steeds - naast de toename van de glastuinbouw - een van de voornaamste bestaansbronnen werd. Na 1850 werd geleidelijk overgeschakeld van veeteelt op
Circa 1970
akkerbouw en de verbouw van zaden en bollen. Na 1900 is Andijk min of meer geleidelijk een tuinbouwdorp geworden. In de eerste helft van de 20e eeuw werden een aantal doorgaande wegen naast de belangrijkste vaarwegen aangelegd waar meer en meer bebouwing langs ontstond zoals langs Kleine Gouw en Hoeksloot. Zo ontstond een netwerk van langgerekte lintdorpen tussen de dijk en Kleine Gouw. De polder ten zuiden van deze lijn was nog steeds minder goed ontsloten. Eind 19de eeuw werd het stoomgemaal in
2000 10
Landschappelijke inpassing Cornelis Kuinweg
Andijk in gebruik genomen iets later gebeurt dat ook bij Broekerhaven. In 1926 wordt het gemaal bij Andijk geëlectrificeerd. Beide gemalen werden na de ruilverkaveling van de jaren ’70 buiten werking gesteld en vervangen door een nieuw elektrisch gemaal (1974) in Andijk. Het Grootslag werd toen omgebouwd van vaarpolder zonder wegen tot een rijpolder en een grootschalige ruilverkaveling is ingezet om een efficiënter productielandschap te maken. Het karakter van de oorspronkelijke polder is hierdoor sterk aangetast. Door de nieuwe
2022
infrastructuur met lange wegen haaks op de noordzuid ontsluiting ontstond een zeer rationele verkaveling met grootschalige eenheden, rechte lijnen en minder kleinere watergangen. Dit oude zeekleilandschap bestaat uit een combinatie van vooral matig open gebieden en open gebieden.
5. BELEIDS UITGANGSPUNTEN; LEIDRAAD LANDSCHAP EN CULTUURHISTORIE
Provincie Noord-Holland heeft in 2018 de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie opgesteld. Hierin zijn de ambities en ontwikkelprincipes geformuleerd waaraan ruimtelijke ontwikkelingen moeten bijdragen. Voor het deelgebied West-Friesland Oost gaat ambitie drie specifiek in op de polder het Grootslag. Belangrijke uitgangspunten zijn: Het vrijhouden van ruimte tussen de linten met grootschalige agrarische bebouwing en de dijkzone/kernen • Zorg dat de (linten met) grootschalige agrarische erven ruimtelijk gescheiden blijven van de kernen en kleinschalige,
11
Landschappelijke inpassing Cornelis Kuinweg
•
cultuurhistorische gebieden. Houd het zicht op en vanaf de Westfriese Omringdijk(zone) vrij.
Het behouden / versterken van de beplantingsstructuur en het patroon van sloten en weteringen in de polder • Voeg langs wegen met erven (voornamelijk in oost-westelijke richting) eventuele opgaande beplanting alleen op de erven toe. Voorkom hier nieuwe wegbeplanting. • Versterk de groene aankleding van verbindingswegen zonder erven (voornamelijk in noord-zuidelijke richting) door wegbeplanting. Deze verbindingswegen vormen zo de
•
voornaamste beplantingsstructuren. Benut de benodigde waterbergingsruimte (compensatie verharding) voor verbreding van de noord-zuid sloten in het gebied (kans).
Het vrijhouden van ruimte tussen de linten • De maximale diepte van nieuwe bebouwing is een derde van de polderslag (de ruimte tussen twee linten). Het behouden van het zicht vanaf de linten naar de polder en vice versa • Houd het zicht op de open polder vanaf de kruispunten. Houd de kruispunten vrij van ruimtelijke ontwikkeling. • Houd bij voorkeur minimaal de helft van de
•
lengte van het lint onbebouwd. Houd het doorzicht over de watergangen richting de polder achter het lint. Houd bij nieuwe bebouwing minstens driemaal de breedte van de watergang (een slootbreedte aan beide zijden van de sloot) vrij van bebouwing.
Het situeren van de representatieve voorzijde aan het lint
•
De erven hebben een representatieve uitstraling naar de weg. Situeer aan de voorzijde van het erf de woonfunctie/
•
siertuin/representatieve ruimte. Situeer de bedrijfsbebouwing en logistiek achter op het erf.
Het kavel van de initiatiefnemer is gelegen aan het lint van de Cornelis Kuinweg. Dit lint ligt parallel aan de noordelijk gelegen lint van de Gedeputeerde Laanweg. In 2013 is het nieuwe bestemmingplan ‘Bestemmingsplan Bedrijventerreinen’ van gemeente Medemblik vastgesteld. Met deze vaststelling is het planologisch mogelijk gemaakt om ook aan de zuidkant van de Gedeputeerde Laanweg
bedrijfsbebouwing te realiseren en is in 2017 een omgevingsvergunning aangevraagd en verleend voor het realiseren van een zonnepark op deze zelfde locatie. Hoewel ruimtelijk gezien het zonnepark onderdeel kan zijn van het agrarisch gebied is het zonnepark planologisch gezien onderdeel van het bebouwd gebied van Andijk.
Uitbreiding Bedrijventerrein Zuid Andijk Andijk
Bestemmingsplan Andijk en omgeving
Andijk
Bebouwdgebied en linten
HANDREIKING RUIMTELIJKE INPASSING BOLLENBROEIERIJ HET GROOTSLAG In 2016 is door de provincie Noord-Holland, in samenwerking met de PARK en ARO, deze handreiking opgesteld, om handvaten te bieden bij utbreidingen van bollenbroeierijen. Een aanzienlijk deel van de bollenbroeierijen, een innovatieve agrarische sector waarin bollen worden opgekweekt tot bloemen, bevindt zich in polder Het Grootslag, tussen Medemblik, Bovenkspel en Enkhuizen. Door de schaalvergroting in de sector neemt het bebouwd oppervlak telkens toe, waardoor ook de ruimtelijke impact toeneemt. Private richtlijnen a. Bouwen binnen een rooilijn die royale afstand tot de weg houdt; behouden van het open wegprofiel. Het woonhuis kan over de rooilijn heen staan; b. Plaatsen van een stevige groene singel aan één kant van het bedrijf; haaks op de weg, meestal in noord-zuid richting; c. Aanpak van de gietwaterbassins; verplaatsen naar de achterkant of zijkant en (bij voorkeur) verdiept en groen ingepast; d. Opschonen van het erf aan de voorzijde, waar mogelijk met verplaatsing van de logistiek en de opslag naar de achterkant van het erf; e. Ontwikkelen van een representatieve uitstraling naar de weg door erfinrichting; f. Onderzoeken van mogelijkheden voor verduurzaming, bijvoorbeeld zonnepanelen op de nieuwe bebouwing. 13
Landschappelijke inpassing Cornelis Kuinweg
HANDREIKING RUIMTELIJKE INPASSING BOLLENBROEIERIJ HET GROOTSLAG Richtlijnen vanuit verscheidenheid: a. Herkenbaarheid behouden in oost-west richting, waarmee bedoelt wordt de duidelijke opeenvolging en leesbaarheid van de verschillende zones van stedelijk lint, open polder, agrarisch lint, groene ruggengraat, etc. b. Versterken van de noord-zuid assen, dat betekent dat ervoor gezorgd moet worden dat de beplante hoofdwegen duidelijk herkenbaar blijven en de sloten zichtbaar blijven als repeterend element. Richtlijnen vanuit openheid: c. Vrijhouden rond kruispunten, waarmee de oriëntatie in het landschap helder blijft en het zicht vanaf de weg op de polderstructuur gehandhaafd blijft; d. Vrijhouden rond watergangen, waarmee de bedrijven niet aan elkaar groeien en de waterstructuur zorgt voor een heldere ’cadans in de doorzichten ; e. Vrijhouden van ten minste 1/3 van de polderslag, waarmee het overwegend open karakter van de polder behouden blijft en de polder niet dichtslibt; f. Vrijhouden van ten minste 50% van het agrarisch lint met verschillende maten van openheid, waarmee het zicht op het open landschap behouden en gevarieerd blijft.
14
Landschappelijke inpassing Cornelis Kuinweg
6. RUIMTELIJKE UITGANGSPUNTEN
Cornelis Kuinweg De Cornelis Kuinweg is exemplarisch voor de ontwikkelingen in dit landschap. De weg zelf heeft geen laanbeplanting. Alleen ter hoogte van de erven staat beplanting langs de weg. Het slotenpatroon is nog goed herkenbaar. Het voorerf van de Cornelis Kuinweg 29 kent een groene inrichting. De loodsen en kassen liggen ten opzichte van de weg verder terug gelegen dan de bedrijfswoningen, waardoor ruimte is voor een groene rand met een reeds aangeplante bomenlaan over de lengte van het erf.
15
De erven aan de Cornelis Kuinweg zijn de afgelopen jaren flink gegroeid. Dat is goed te zien op onderstaande afbeelding waar in een tijdsperiode van 2007 tot 2021 de intensivering van de erven goed te zien zijn. Om deze intensivering en de herkenbaarheid van het landschap en bijbehorende structuren verder goed te begeleiden worden de volgende ruimtelijke uitgangspunten opgesteld voor de Cornelis Kuinweg 29:
Landschap; openheid en verscheidenheid • Behoud voldoende mate van doorzicht tussen de noord-zuid georiënteerde wegen. Houd de bebouwing daarom voldoende van de rand. Bouw zo compact mogelijk en zorg dat afzonderlijke bedrijven als losse bouwelementen herkenbaar blijven. • Houd tenminste 50% van de lengte van de Cornelis Kuinweg vrij. • Houd het slotenpatroon zichtbaar in het landschap, ook als deze tussen de bedrijven (kassen of loodsen) ligt. Om deze lijn landschappelijk meer kwaliteit mee te geven kunnen (deels) natuurvriendelijke
Landschappelijke inpassing Cornelis Kuinweg
2007
2021
•
• •
•
oevers met een flauwer talud worden ingezet, wanneer hier ruimte voor is. Zorg dat de (linten met) grootschalige agrarische erven ruimtelijk gescheiden blijven van de kernen en kleinschalige, cultuurhistorische gebieden. Houd het doorzicht over de watergangen richting de polder achter het lint. Houd het zicht op de open polder vanaf de kruispunten. Houd de kruispunten vrij van ruimtelijke ontwikkeling. Zicht in oostwest richting over terrein aan achterzijde zoveel mogelijk openhouden.
Erfinrichting/ beplanting • Toepassen inheemse beplanting, passend op kleigrond. • Plaatsen van een groene singel aan één kant van het bedrijf (oostzijde); haaks op de weg, in noord-zuid richting; • Gietwaterbassins op achterzijde bouwvlak. Deze zijn groen ingepast met gras op talud. • Behoud van de representatieve uitstraling naar de weg door groene, sobere
16
Landschappelijke inpassing Cornelis Kuinweg
• •
erfinrichting aan voorzijde. Terrein aan achterzijde benutten voor (lage) natuurontwikkeling. Zo mogelijk behoud van de natuurlijke spoelbassins met riet aan westzijde.
Bebouwing • Bouw zo compact mogelijk, om aan de achterzijde voldoende ruimte open te kunnen houden. • Bouwen binnen een rooilijn die royale afstand tot de weg houdt; behouden van het open wegprofiel. Het woonhuis kan over de rooilijn heen staan; • Bedrijfswoning en tuin verbijzonderen binnen bouwblok. Houd woonhuis los van de bedrijfsbebouwing. • Situeer de bedrijfsbebouwing en logistiek achter op het erf. • Eenvoudige agrarische vormgeving bedrijfsbebouwing met een flauwe kap. • Terughoudend en enigszins bedekte kleurgebruik op de bedrijfsbebouwing: zandkleurig, crème of groen (geen
•
•
signaalkleuren of wit). Huisvesting voor buitenlandse werknemers op voldoende afstand tot de zijdelingse erfgrens. Extra gebouwen, bijvoorbeeld slaapplekken voor buitenlandse werknemers, zijn qua kleurgebruik en uitstraling familie van de bedrijfsgebouwen. Het is expliciet niet de bedoeling dat de accommodaties voor de werknemers de uitstraling hebben van een tweede woonhuis op het erf.
7 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING De landschappelijke inpassing van het bedrijf aan de Cornelis Kuinweg 29 sluit aan op de ruimtelijke uitgangspunten, zoals benoemd in hoofdstuk 6. Het geheel heeft een representatieve uitstraling. De voorzijde heeft een groene inrichting met een nog jonge bomenrij voor de bedrijfsgebouwen (foto 3). De huidige uitstraling van het voorterrein wordt versterkt door de aanplant van enkele bomen op het voorterrein. Aan de linkerzijde van het bedrijf staat het woonhuis met een moderne siertuin prominenter op de voorgrond. De siertuin is rijker gevuld dan het voorterrein met meerdere grote bomen, aangevuld met grote plantgroepen en terrassen. In 2018 is de huidige inrichting van het voorterrein gerealiseerd, na de verplaatsing van het waterbassin naar de achterzijde van het perceel. Dit waterbassin is daarbij geheel landschappelijk ingepast met een wal met een hoogte van circa 1,5 meter. Doordat het talud van het bassin volledig met gras is begroeid past deze goed in het landschap. Zie foto’s 1 en 2. De voorzijde van het bedrijf is hierdoor helemaal vrij gekomen van bedrijfsactiviteiten. Aan de westzijde van het erf zijn spoelbassins gelegen. Deze bassins hebben een natuurlijke uitstraling met de in noord-zuidrichting gelegen rietkraag langs het gehele bassin, met her en der bomen en struiken.
De focus voor de inpassing bij de uitbreiding van het bedrijf wordt vooral op de achterliggende ruimte tussen het zonnepark en de schuurkas gelegd. Hier komt een nieuw waterbassin. Ook deze krijgt een hoogte van 1.5m en een grastalud. Verder is hier ruimte voor (lage) natuurontwikkeling in de vorm van bloemrijk grasland. Het behoud van openheid voor deze zone is en blijft het uitgangspunt. De sloten langs de kavelgrenzen kunnen ingezet worden voor deels natuurvriendelijke oevers met een flauw talud. De landschappelijke inpassing wordt afgerond met de aanplant van een groene singel in de noord-zuid richting, aan de oostzijde van het bedrijf. Hier komt een bomenrij tussen de schuurkassen en de sloot, waarbij is gekozen voor een niet al te hoge, inheemse boomsoort: els (Alnus Glutinosa). Over de sloot blijft er zicht op het achterland. Een en ander is overzichtelijk weergegeven op de plankaart op blz. 18. 17
Landschappelijke inpassing Cornelis Kuinweg
Foto 1.
Foto 2. bron: cyclomedia
Foto 3. bron: cyclomedia
Ruimte voor natuurvriendelijke oever Nieuw waterbassin Huidig waterbassin Open ruimte met bloemrijkgrasland
Nieuwe bomen (Alnus glutinosa) Parkeren aan de achterzijde (uit het zicht) Bestaande rietkraag met her en der struiken en bomen
Groen voorterrein, met bestaande en nieuwe bomen Representatieve voortuin met grote bomen
18
Landschappelijke inpassing Cornelis Kuinweg
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING CORNELIS KUINWEG 29 19
Landschappelijke inpassing Cornelis Kuinweg
Bijlage 2
69/502
Stikstofonderzoek Cornelis Kuinweg 29
ONDERZOEK STIKSTOFDEPOSITIE 07/09/2023 | PROJECTNUMMER: 22-325 Ten behoeve van de uitbreiding van de bedrijfshallen en nieuwbouw werknemersaccommodatie gelegen aan de Cornelis Kuinweg 29 te Andijk Opdrachtgever: Bouwbureau Sjaak Schouten Contactpersoon: Dhr. S. Schouten Adres: Burg. Raatlaan 62, 1693 EE Wervershoof Uitgevoerd door: Vonk Ecologie Contactpersoon: Dhr. D. Vonk
De Hout 42A 1607 HD Hem 1607 HD Hem De Hout 42A 1607 HD Hem De Hout 42A 1607 HD Hem
Tel
: 06 228 418 78
info@vonkecologie.nl www.vonkecologie.nl info@vonkecologie.nl www.vonkecologie.nl
Inhoudsopgave 1 Inleiding
3
1.1 Projectlocatie
3
1.2 Het plan
4
2 Situatie ten opzichte van Natura2000-gebieden
6
2.1 Omgeving
6
3 Toetsingskader
7
4 Uitgangspunten
8
4.1 Aanlegfase 4.1.1 Verkeersbewegingen 4.1.2 Mobiele werktuigen
8 8 8
4.2 Gebruiksfase bedrijf 4.2.1 Gasverbruik 4.2.2 Vervoersbewegingen
8 8 9
4.3 Gebruiksfase personeelsaccommodatie 4.3.1 Gasverbruik 4.3.2 Vervoersbewegingen
9 9 9
5 Conclusie, Rekenresultaten Aerius-calculator
10
5.1 Rekenresultaten bouwfase
10
5.2 Rekenresultaten gebruiksfase
10
5.3 Rekenresultaten bouwfase samen met Gedeputeerde Laanweg 20
10
5.4 Rekenresultaten gebruiksfase samen met Gedeputeerde Laanweg 20
11
1 Inleiding
Boon & Breg BV is voornemens om het huidige bedrijf in verschillende fasen uit te breiden met nieuwe bedrijfsruimten en personeelsaccommodaties. Om de uitbreiding te kunnen verwezenlijken wordt de locatie gelegen aan de Gedeputeerde Laanweg 20 te Andijk opgeheven. Voor de Gedeputeerde Laanweg is tevens een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Echter is ook, omdat het een gezamenlijk plan betreft, een projectberekening in Aerius gemaakt over beide situaties. Zie hoofdstuk 5 en seperate Aeriusbestanden. Om het effect van het plan op Natura2000 gebieden in de omgeving inzichtelijk te maken, is dit stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is de depositie van stikstof op de nabij gelegen Natura2000-gebieden berekend in de bouwfase en de gehele toekomstige situatie.
1.1 Projectlocatie
Afb 1: Ligging projectlocatie in de omgeving
Afb 2: Het bedrijf gelegen aan de Cornelis Kuinweg 29 te Andijk
1.2 Het plan Het plan is om de bestaande bedrijfsruimten uit te breiden en een deel van de bestaande kas te vervangen. Daarnaast is het plan om een personeelsaccommodatie te bouwen. Het geheel zal in fasen uitgevoerd worden, maar omdat het niet in de verwachting ligt dat er in de tussentijd op ecologisch vlak iets wijzigd, wordt het geheel in 1 keer behandeld in deze quickscan + in het stikstofdepositieonderzoek. De oppervlakte van de uit te breiden bedrijfsruimten bedraagt 21.500 m2 (215 BVO). Dit betreft ongeveer een verdubbeling van het oppervlak. Dus totaal circa 43.000 m2 De nieuw te bouwen personeelsaccommodatie zal bestaan uit 30 wooneenheden, geschikt voor 60 medewerkers. Zie onderstaande afbeeldingen voor een idee van het plan.
Afb 3: Bestaande situatie
Afb 4: Nieuwe situatie. De tijdelijke units in de rode cirkel zijn reeds aanwezig
2 Situatie ten opzichte van Natura2000-gebieden 2.1 Omgeving Op ruim 21 km afstand ligt het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura2000-gebied (Oudegaasterbrekken en Fluessen). Onderstaande kaart toont de ligging van het perceel ten opzichte van Natura2000-gebieden. Het dichterbijgelegen Natura2000-gebied IJsselmeer betreft een gebied zonder stikstofgevoelige habitattypen.
Afb 5: Ligging locatie ten opzichte van Natura2000
3 Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen van Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een probleem met de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben kunnen hierdoor significante negatieve effecten hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de aanleg- en/of gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van het voorgenomen plan worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende situaties ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten.
Als uit de berekeningen met AERIUS Calculator blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie (kleiner dan of gelijk aan afgerond 0,00 mol N/ha/jaar) dan is er voor het onderdeel stikstofdepositie geen vergunningplicht Wet natuurbescherming. Als uit de berekening blijkt dat er sprake is van een toename aan stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) is er meestal wel een vergunningplicht Wet natuurbescherming. Alleen indien verslechtering van habitattypen of habitats van stikstofgevoelige soorten volledig kan worden uitgesloten in een ecologische beoordeling, ondanks een toename van de depositie, is er geen vergunningplicht. Een Wnb-vergunning kan in de volgende situatie verleend worden: Na intern salderen is de toename van de stikstofdepositie ≤ afgerond 0,00 mol N/ha/jaar. Uit een ecologische beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten op de betreffende Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. In het stikstofregistratiesysteem is voldoende depositieruimte om de effecten van het project te compenseren 1 Uit een passende beoordeling, eventueel inclusief extern salderen, blijkt dat er geen risico’s zijn voor het behalen van de instandhoudings-doelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden. Na het succesvol doorlopen van de ADC-toets2 .
Met het stikstofregistratiesysteem is depositieruimte gecreëerd door maatregelen die de stikstofdepositie verminderen. Een deel van deze depositieruimte kan worden ingezet voor het verlenen van een natuurvergunning. Voorlopig is het stikstofregistratiesysteem alleen beschikbaar voor woningbouwprojecten en een beperkt aantal infrastructurele projecten. 1
Dit is een onderzoek waaruit naar voren komt dat er geen Alternatieven zijn voor het project, er Dwingende reden van groot openbaar belang zijn en waarbij Compensatie voor Natura 2000-gebieden plaatsvindt. 2
4 Uitgangspunten Bij de berekening van stikstofemissie zijn bij dit project 2 onderdelen te onderscheiden, de aanleg en het beoogd gebruik. De berekening is uitgevoerd voor het gehele plan, Dus fase 1 en 2 alsmede de realisatie van de personeelsaccommodatie. Onderstaand worden allereerst de uitgangspunten voor de bouwfase omschreven. Daaronder wordt het beoogd gebruik uiteengezet.
4.1 Aanlegfase 4.1.1 Verkeersbewegingen Voor de bepaling van de verkeersbewegingen wordt uitgegaan van een bouwtijd van 3 maanden (60 werkdagen). Voor het licht verkeer voor aanvoer personeel en klein materiaal/materieel met busjes (incl. aanhanger) wordt uitgegaan van: 12 vervoersbewegingen per dag (heen en terug dus 24). Invoer in Aerius per jaar, dus 24 x 60 = 1440 vervoersbewegingen licht verkeer. Voor het zwaar verkeer voor aanvoer mobiele werktuigen en groot materiaal/materieel en aan- en afrijden kippers wordt uitgegaan van: 15 vervoersbewegingen totaal tijdens de bouw (heen en terug dus 20). Invoer in Aerius per jaar, dus 30 vervoersbewegingen zwaar verkeer. De afstand wordt gerekend totdat de extra verkeersbewegingen opgaan in het heersend verkeersbeeld, in dit geval tot aan de N505.
4.1.2 Mobiele werktuigen In onderstaande tabel de te gebruiken mobiele werktuigen met de daarbij behorende cijfers benodigd voor de invoer in Aerius. Stageklasse
AUB klasse
Verbruik l/u
Draaiuren
Brandstofverbruik
AdBlue gebruik
Heistelling
IV, 2014-2018, 75-560kW
D
20
80
1600
96
Graafmachines
IV, 2014-2018, 75-560kW
D
12,3
160
2000
120
Laadschop/verrijker
V, 2019-…., < 56kW
A
8
200
1600
Hoogwerker
V, 2019-…., < 56kW
A
6
500
3000
Betonpomp/wagen
IV, 2014-2018, 75-560kW
D
15
60
900
54
Kipper
IV, 2014-2018, 75-560kW -2018
D
15
20
300
18
Tabel 1: Gebruikte gegevens in Aerius Bron: TNO-rapport: TNO 2021 R12305, d.d. 10 december 2021
4.2 Gebruiksfase bedrijf 4.2.1 Gasverbruik De nieuwe schuren zullen verwarmd te worden met gasinstallaties. Onderstaand de uitgangspunten welke meegenomen worden in de berekening. Voor het gasverbruik wordt uitgegaan van een verbruik van 20 m3/m2/jr. Dit komt bij het oppervlak van 43.000 (bestaand + nieuw) m2 neer op een totaal 860.000 m3/ jaar. Dit betreft een ervaringscijfer welke in de buurt komt bij de rekenmethode welke weergegeven wordt in “Instructie_gegevensinvoer_voor_AERIUS_Calculator_2022.1.pdf”. Namelijk: Aardgasverbruik [m3/uur] bij 100 % rendement = ((P [kW] / 1.000) * 3.600) / 31.65 [MJ/m3].
Waarbij P = vermogen Als we voor de verwarmingsinstallatie uitgaan van een vermogen van 200 kW/ha dan komt dat op circa 800 kW Dan wordt het verbruik: Aardgasverbruik (m3/u) = ((800/1000)* 3600)/31,65 = 90,1 m3/uur Aardgasverbruik (m3/jr) = 90,1 x 24 x 365 = 797.160 m3/jaar Voor de berekening houden we de 860.000 m3 aan. Omgerekend naar Gj: 27.166 Gj (omrekenfactor 31,6)* Onderdeel
Energieverbruik Gj/jaar
Emissiefactor
Emissie g/jaar
Emissie kg/jaar
Kas/schuurverwarming
27.166
17**
461.992
462
Tabel 1: Emissie kas/schuurverwarming. Gebruikte bronnen: * www.infomil.nl ** TNO rapport 2014 R10584, pagina 3 voor de emissiefactoren (document opgenomen op site emissieregistratie.nl)
4.2.2 Vervoersbewegingen Voor de invoer van de bedrijfsmatige verkeersbewegingen is ingeschat dat er na de realisatie 12 vrachtwagens per dag heen en terug rijden (bestaande + nieuwe situatie). Dus: 12 x 2 = 24 Verkeersbewegingen zwaarverkeer per etmaal De afstand wordt gerekend totdat de extra verkeersbewegingen opgaan in het heersend verkeersbeeld, in dit geval tot aan de N505. Op het erf worden elektrische voertuigen gebruikt.
4.3 Gebruiksfase personeelsaccommodatie 4.3.1 Gasverbruik De accommodatie wordt gasloos. Verwarming en koken zal elektrisch gebeuren.