tabel visie - plan
Tekst van het document
Stedelijke woonwijk Ambitie/ opgaven
Borging omgevingsplan
Motivering
Diversiteit aan bewoners
Artikel 5.9 t/m artikel 5.14
De woningtypologieën per werkingsgebied zijn vastgelegd, waarbij een mix van gestapelde woningen en grondgebonden woningen is toegestaan. Binnen deze typologieën is ruimte voor verschillende woonvormen, waaronder zorgwoningen, waarmee wordt bijgedragen aan een diverse bewonerssamenstelling en aan wonen voor specifieke doelgroepen.
Mix van woningtypologieën
Artikel 5.9 t/m artikel 5.14
De woningtypologieën per werkingsgebied zijn vastgelegd, waarbij een mix van gestapelde woningen en grondgebonden woningen is toegestaan. Binnen deze typologieën is ruimte voor verschillende woonvormen, waaronder zorgwoningen, waarmee wordt bijgedragen aan een diverse bewonerssamenstelling en aan wonen voor specifieke doelgroepen.
Bouwhoogte sluit aan op omgeving
Artikel 5.9 t/m artikel 5.14
De bouwhoogten, het aantal bouwlagen en eventuele hoogteaccenten zijn per werkingsgebied begrensd, met verplichte setbacks bij hogere bebouwing. Hierdoor sluit de maat en schaal aan bij de omgeving en ontstaat een geleidelijke overgang naar omliggende woongebieden
Variatie in maat en schaal
Artikel 5.9 t/m artikel 5.14
De bouwhoogten, het aantal bouwlagen en eventuele hoogteaccenten zijn per werkingsgebied begrensd, met verplichte setbacks bij hogere bebouwing. Middels de bepaling dat de bebouwing wordt opgedeeld uit een meervoud van blokken wordt eentonig wandvorming en de mogelijkheid tot een monoblok voorkomen. Hierdoor sluit de maat en schaal aan bij de omgeving en ontstaat een geleidelijke overgang naar omliggende woongebieden
Levendige plinten, ogen op straat
Via vergunningstoets
“Ogen op straat”, alzijdigheid en plintactivering zijn niet als harde norm, maar via beeldkwaliteit en vergunningtoets geborgd.
Ambitie/ opgaven
Borging omgevingsplan
Motivering
Ontmoeting stimuleren
Artikel 5.9 t/m artikel 5.14
De ambitie om ontmoeting te stimuleren is in het omgevingsplan geborgd door het verplicht stellen van collectieve buitenruimten binnen de bouwvelden. In de bouwregels is per werkingsgebied vastgelegd dat een minimaal percentage van het bouwveld moet worden ingericht als collectieve, niet-verharde buitenruimte. Deze collectieve ruimten vormen laagdrempelige ontmoetingsplekken voor bewoners en dragen bij aan informele sociale interactie binnen het bouwblok en tussen aangrenzende functies.
Gezonde en sociale buurt
Daarnaast maken de gebruiksregels het mogelijk om op de begane grond functies toe te laten die bijdragen aan levendigheid en verblijfskwaliteit, mits passend binnen het woonmilieu en de geldende randvoorwaarden. Voorzineigen voor specifieke doelgroepen
Artikel 4.2, 5.48, 5.49
Het omgevingsplan staat maatschappelijke functies, waaronder zorggerelateerde voorzieningen en sportvoorzieningen, expliciet toe. Deze functies zijn juridisch verankerd in de gebruiksregels. Hierdoor ontstaat ruimte voor voorzieningen die inspelen op specifieke doelgroepen, zoals ouderen, jongeren en zorgbehoevenden, en wordt de nabijheid van voorzieningen binnen het woongebied geborgd. De combinatie van wonen met maatschappelijke functies ondersteunt een inclusieve wijkopzet waarin verschillende doelgroepen gebruik kunnen maken van nabijgelegen voorzieningen.
Sociale omgeving
Via vergunningstoets
Sociale samenhang en veiligheid zijn in het omgevingsplan geborgd via de beoordelingsregels bij vergunningverlening. In diverse bouw- en gebruiksregels is vastgelegd dat bij de beoordeling van een concreet initiatief expliciet aandacht moet worden besteed aan een goede ruimtelijke inpassing, waaronder het straatbeeld, de maat- en schaalverhoudingen, de oriëntatie van gebouwen en de sociale veiligheid van de openbare en collectieve ruimten. Deze toetsingscriteria waarborgen dat nieuwe bebouwing bijdraagt aan een overzichtelijke, sociaal veilige leefomgeving en dat negatieve effecten op het woon- en leefklimaat worden voorkomen.
Ruim baan voor voet en fiets Ambitie/ opgaven
Borging omgevingsplan
Motivering
Autoluw gebied
Afdeling 5.1.2
Het omgevingsplan stuurt op een autoluwe inrichting door het beperken en reguleren van parkeren. In Afdeling 5.1.2 Parkeren zijn parkeernormen opgenomen die zijn afgestemd op de stedelijke ligging nabij het OV-knooppunt. Hiermee wordt het autobezit en -gebruik planologisch begrensd, wat bijdraagt aan een autoluw karakter van het gebied. Daarnaast is in de planregels vastgelegd dat de reductie van openbare parkeerplaatsen gemaximeerd is (onder meer artikelen 5.12, 5.14 en 5.55), zodat parkeren zorgvuldig wordt geconcentreerd en de openbare ruimte primair beschikbaar blijft voor verblijf, groen en langzaam verkeer.
Ruimte voor fiets
Afdeling 5.1.2
De prioriteit voor de fiets wordt planologisch ondersteund doordat parkeren hoofdzakelijk uit de openbare ruimte wordt gehaald en geconcentreerd in gebouwde voorzieningen. Hierdoor
ontstaat ruimte voor een hoogwaardige inrichting van het openbaar gebied met nadruk op voetgangers en fietsers. Hoewel de exacte ligging van fietsroutes en profielen niet in het omgevingsplan is vastgelegd, sluit deze systematiek aan bij het karakter van het omgevingsplan als kaderstellend instrument. Parkeren uit het zicht
Artikel 5.6
In artikel 5.6 is expliciet bepaald dat parkeervoorzieningen uit het zicht moeten worden gerealiseerd, bijvoorbeeld ondergronds, achter bebouwing of onder groen, en dat zij architectonisch moeten worden ingepast. Deze regel borgt dat parkeren geen dominant element wordt in het straatbeeld en ondersteunt daarmee zowel de verblijfskwaliteit als de prioriteit voor langzaam verkeer.
Concrete routing van voet, fietspaden, de bandbreedteprofielen en detaillering openbare ruimte
Feitelijk handelen van de gemeente
De concrete routing van voet- en fietspaden, de breedteprofielen en de detaillering van de openbare ruimte worden niet planologisch vastgelegd. Deze aspecten worden uitgewerkt in het ontwerp en de aanleg van de openbare ruimte en vallen onder het feitelijk handelen van de gemeente.
Biodiverse en klimaatadaptieve buitenruimte Ambitie/ opgaven
Borging omgevingsplan
Motivering
Robuuste groenstructuur
Artikel 5.9 t/m artikel 5.14 en afdeling 5.4.2
Het omgevingsplan borgt een robuuste groenstructuur door het vastleggen van werkingsgebieden waarin gebouwd kan worden en waar niet. Minimumpercentages groen en maximumpercentages verharding, gebiedsgericht gedifferentieerd per werkingsgebied. Deze normen gelden voor zowel openbare ruimte als collectieve buitenruimten en voorkomen dat verharding overheerst. Groen mag worden gerealiseerd op maaiveld, in privétuinen en via groene daken, waarbij rekenfactoren zijn opgenomen om verschillende groenoplossingen te kunnen waarderen.
Klimaatadaptatie en rainproof inrichting
Artikel 5.60 en 5.63
De planregels bevatten beoordelingscriteria die expliciet zijn gericht op klimaatadaptatie, waaronder waterberging, infiltratie en beperking van piekafvoeren. In de beoordelingsregels voor bodem en openbaar gebied (artikelen 5.60 tot en met 5.63) is vastgelegd dat bij vergunningverlening aandacht moet worden besteed aan klimaatadaptieve maatregelen en de kwaliteit van de leefomgeving. Groenpercentages voor zowel openbare ruimte als de werkingsgebieden is een belangrijk hoofdbestanddeel voor klimaatadaptatie en een rainproof inrichting.
Versterking biodiversiteit
Artikel 5.60 en 5.63
Biodiversiteit wordt planologisch ondersteund via dezelfde beoordelingsregels, waarin biodiversiteit expliciet is benoemd als oogmerk bij de beoordeling van concrete initiatieven.
Hiermee wordt geborgd dat bij de uitwerking van bouwplannen natuurinclusieve maatregelen worden meegewogen. Het vastleggen van werkingsgebieden waarin gebouwd kan worden en waar niet heeft een structurerende werking. Groenpercentages voor zowel openbare ruimte als de werkingsgebieden is een belangrijk hoofdbestanddeel voor versterking biodiversiteit Boomkroonpercentages, specifieke beplantingssoorten en de situering van schaduwrijke zitplekken
Feitelijk handelen van de gemeente
Concrete eisen aan boomkroonpercentages, specifieke beplantingssoorten en de situering van schaduwrijke zitplekken zijn niet als harde normen vastgelegd. Deze aspecten maken onderdeel uit van de inrichting van de openbare ruimte en worden door de gemeente in de uitvoeringsfase gerealiseerd.
Ambitie/ opgaven
Borging omgevingsplan
Motivering
Energieneutrale gebouwen
Besluit bouwwerk leefomgeving
De ambitie om energieneutrale gebouwen te realiseren ziet op het beperken van de energievraag en het duurzaam opwekken van energie, zodat het netto energiegebruik van gebouwen zo laag mogelijk is. Deze ambitie heeft primair betrekking op bouwtechnische en installatietechnische aspecten, zoals isolatiewaarden, energieopwekking en installaties.
Innovatieve en energie neutrale ontwikkeling
Binnen het wettelijke stelsel worden deze aspecten niet planologisch, maar bouwtechnisch gereguleerd, met name via het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en daarop gebaseerde regelgeving. Het omgevingsplan stelt daarom geen afzonderlijke energieprestatie-eisen. Energiecollectieven
Niet geborgd in omgevingsplan
De ambitie voor energiecollectieven richt zich op het gezamenlijk opwekken, opslaan en benutten van energie door bewoners en gebruikers van het gebied. Dit draagt bij aan efficiënt energiegebruik en versterkt de sociale en duurzame identiteit van de wijk. De realisatie van energiecollectieven vraagt om organisatorische, financiële en technische keuzes die zich pas in de uitvoeringsfase laten concretiseren. Om die reden worden energiecollectieven niet als verplichting in het omgevingsplan vastgelegd. Het omgevingsplan voorkomt echter ook geen collectieve energievoorzieningen, doordat het functies en bouwwerken toestaat die hiervoor noodzakelijk zijn, zoals technische ruimten en installaties, mits passend binnen de geldende ruimtelijke randvoorwaarden.
Duurzame materialisatie
Niet geborgd in omgevingsplan
De ambitie voor duurzame materialisatie ziet op het gebruik van materialen met een lage milieubelasting, een lange levensduur en een hoge mate van herbruikbaarheid. Dit betreft onder meer materiaalkeuzes, detaillering en bouwmethoden.
Deze aspecten zijn niet ruimtelijk van aard en laten zich daardoor beperkt vertalen naar juridisch afdwingbare planregels. De borging van duurzame materialisatie vindt daarom plaats via andere instrumenten, zoals aanbestedingscriteria, bouwcontracten, beeldkwaliteitseisen en duurzaamheidsbeleid.