CConstaterende datMaassluis
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 Quickscan ecologie

Overige evenementen 29 januari 2026, gemeente MaassluisBij agendapunt: Toelichten zienswijzen tegen ontwerp-wijzigingsbesluit van het omgevingsplan Station-West.6.886 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Eco-effectscan Station West te Maassluis

Opdrachtgever Gemeente Maassluis te Maassluis

Milieu consultancy Watermanagement Ruimtelijke ordening

Aqua-Terra Nova BV Zuidweg 79 2671 MP Naaldwijk

Eco-effectscan Station West te Maassluis

telefoon 0174 – 625246 e-mail info@aquaterranova.nl www.aquaterranova.nl

Opdrachtgever Gemeente Maassluis te Maassluis

Datum: Rapportnr.: Status:

3 juni 2024 24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage

IBAN: NL08 RABO 0368 1199 55

•

BTW: NL-8105.67878.B01

•

K.v.K. nr. 27240696

Milieu consultancy Watermanagement Ruimtelijke ordening

COLOFON Titel

: Eco-effectscan Station West te Maassluis

Aqua-Terra Nova BV Zuidweg 79

Opdrachtgever Contactpersoon

: Gemeente Maassluis : dhr. T. de Waard

2671 MP Naaldwijk telefoon 0174 – 625246 e-mail info@aquaterranova.nl www.aquaterranova.nl

Projectteam Projectmanager Contactpersoon Auteur Veldwerk Kwaliteitsborger

: dhr. ing. A.P. Wubben : mw. T.J. de Jong BSc : mw. I. Nootenboom BSc : mw. I. Nootenboom BSc : dhr. M. Verschoor : mw. T.J. de Jong BSc

Projectnummer

: 24108

Aqua-Terra Nova BV is lid van het Netwerk Groene Bureaus, de brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van groene adviesbureaus.

Datum vrijgave

Status

3 juni 2024

Definitief

Vrijgave auteur

Goedkeuring kwaliteitsborger

© 2024 Aqua-Terra Nova B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING ......................................................................................................... 5

2

METHODE............................................................................................................ 6

3

PLANGEBIED ....................................................................................................... 8

4

RESULTATEN GEBIEDSBESCHERMING............................................................... 12

5

RESULTATEN SOORTBESCHERMING .................................................................. 15

6

CONCLUSIES EN ADVIES ................................................................................... 19

1.1 1.2 1.3 1.4 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 3.1 3.2 3.3 3.4 4.1 4.2 4.3 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

7

Aanleiding ............................................................................................................... 5 Doelstelling.............................................................................................................. 5 Leeswijzer ............................................................................................................... 5 Verantwoording ........................................................................................................ 5 Inleiding .................................................................................................................. 6 Projectbeschrijving ................................................................................................... 6 Wettelijk kader Omgevingswet ................................................................................... 6 Beoordeling beschermde natuurgebieden .................................................................... 6 Aanwezigheid beschermde planten en dieren ............................................................... 6 Effectbeoordeling en toetsing ..................................................................................... 7

Ligging .................................................................................................................... 8 Bestaande situatie .................................................................................................... 8 Beoogde situatie en activiteiten .................................................................................. 9 Veldbezoek ............................................................................................................. 11 Natura 2000-gebieden ............................................................................................. 12 Ecologische verbindingszones ................................................................................... 13 Houtopstanden........................................................................................................ 14 Vaatplanten ............................................................................................................ 15 Vogels.................................................................................................................... 15 Grondgebonden zoogdieren ...................................................................................... 16 Vleermuizen ...........................................................................................................

17 Amfibieën ............................................................................................................... 17 Reptielen ................................................................................................................ 17 Vissen .................................................................................................................... 18 Overige beschermde soorten .................................................................................... 18 Gebiedsbescherming ................................................................................................ 19 Beschermde houtopstand ......................................................................................... 19 Soortenbescherming ................................................................................................ 19 Advies en vervolgstappen ......................................................................................... 20 Planning ................................................................................................................. 21 Geldigheid .............................................................................................................. 22

REFERENTIES ................................................................................................... 23

24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

4

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding

1.2

Doelstelling

1.3

Leeswijzer

1.4

Verantwoording

Gemeente Maassluis is voornemens het gebied ten noordoosten van Metrostation Maassluis West te herinrichten. Voor dit project dienen onder andere de gevolgen van de ruimtelijke ingrepen op de aanwezige flora en fauna te worden weergegeven. In dit kader is de onderhavige Eco-effectscan uitgevoerd door Aqua-Terra Nova BV in opdracht van de gemeente Maassluis.

De Eco-effectscan heeft als doel te inventariseren of het project mogelijk in strijd is met de Omgevingswet. Hiertoe worden de effecten van de activiteiten op beschermde gebieden en soorten inzichtelijk gemaakt. Daarnaast wordt geadviseerd hoe te handelen in het kader van de natuurwetgeving1.

In hoofdstuk 2 worden de onderzoeksmethode en het toetsingskader van de Eco-effectscan beschreven. In hoofdstuk 3 worden het project en het plangebied beschreven. Mogelijke effecten op beschermde natuurgebieden en het Natuurnetwerk Nederland worden beschreven in hoofdstuk 4. De resultaten van de inventarisatie en mogelijke effecten op beschermde soorten worden in hoofdstuk 5 beschreven. Tot slot volgen in hoofdstuk 6 de conclusies en worden eventueel te nemen maatregelen geadviseerd. Bronvermeldingen zijn in de tekst aangegeven met een nummer dat naar het desbetreffende nummer in de referentielijst verwijst.

Bij ecologische veldwerkzaamheden is een volledige garantie over de afwezigheid van soorten niet te geven. Door de inzet van ter zake kundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt onze onderzoekskwaliteit gewaarborgd.

24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

5

2

METHODE

2.1

Inleiding

2.2

Projectbeschrijving

2.3

Wettelijk kader Omgevingswet

In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de resultaten van de voorliggende rapportage tot stand zijn gekomen. Dit hoofdstuk dient tevens als onderbouwing van de conclusies. In het kort wordt weergegeven hoe de Omgevingswet in het project wordt geborgd.

Het project wordt beschreven aan de hand van de door de opdrachtgever verstrekte informatie. Hiertoe worden de omvang en de ligging van het plangebied beschreven in relatie tot groenstructuren in de omgeving, wordt de bestaande situatie geschetst en worden de beoogde activiteiten omschreven.

In de Omgevingswet zijn beschermde soorten en gebieden aangewezen1. Hierbij zijn beschermde soorten ingedeeld in drie regimes, respectievelijk art. 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Artikel 11.37 betreft regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in de Europese Unie. Artikel 11.46 betreft regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen. Artikel 11.54 betreffen regels ter bescherming van niet onder artikel 11.46 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet. Alle in de Omgevingswet genoemde soorten zijn strikt beschermd1. De bescherming van soorten is met name gericht op instandhouding van populaties en verblijfplaatsen van individuen. Hierbij wordt het ‘nee, tenzij’-principe gehanteerd. Handelingen in strijd met de verbodsbepalingen zijn per definitie verboden. Uitzonderingen voor overtreding van de verbodsbepalingen kunnen worden verleend middels vrijstellingen en ontheffingen. Tevens is de zorgplicht te allen tijde van kracht voor alle planten en dieren.

2.4

Beoordeling beschermde natuurgebieden

2.5

Aanwezigheid beschermde planten en dieren

Op basis van provinciale en lokale kaartendatabases wordt de ligging van natuurgebieden in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Het betreft gebieden uit art. 11.6 van de Bal (Natura 2000-gebieden) en gebieden uit het Natuurnetwerk Nederland (NNN) omschreven in art. 7.7 lid 2 van Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Indien dergelijke beschermde natuurgebieden binnen een straal van 5 km van het plangebied gelegen zijn of de ingreep een zodanig karakter heeft dat effecten op grotere afstand mogelijk zijn, wordt de wettelijke status beschreven. Daarnaast wordt beoordeeld of negatieve effecten op de gebieden uitgesloten kunnen worden, zowel door de werkzaamheden zelf als voor eventuele effecten van stikstofdepositie door de werkzaamheden op natuurgebieden.

Aan de hand van een veldbezoek, verspreidingsatlassen, overige naslagwerken en lokale waarnemingen wordt een lijst samengesteld van beschermde soorten behorend tot 11.37, 11.46 en 11.54 van het Bal welke in en in de nabije omgeving van het plangebied zijn waargenomen of potentieel aanwezig zijn. Deze lijst met soorten is een momentopname, is niet limitatief en kan aangevuld worden met beschermde soorten waarvan de aanwezigheid aannemelijk is. Voor deze soorten wordt op basis van het verkennend locatiebezoek de geschiktheid van biotopen in het plangebied beoordeeld. De beoordeling van de aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het plangebied resulteert in de vaststelling: Niet aanwezig c.q. afwezig; de soort is niet in de omgeving waargenomen of het plangebied vormt geen geschikt biotoop voor de soort welke in de omgeving waargenomen is; de beoordeling van de afwezigheid wordt uitsluitend in uitzonderingen behandeld; soorten welke op de inventarisatielijst zijn opgenomen en niet worden behandeld, worden per definitie beoordeeld als niet aanwezig c.q.

afwezig; Niet uit te sluiten; de soort is in de omgeving waargenomen of kan op basis van betrouwbare bronnen* verwacht worden en het plangebied vormt geschikt biotoop voor verblijfplaatsen of andere functionele onderdelen van de leefomgeving van de soort; Aanwezig: de soort is tijdens het locatiebezoek waargenomen of de soort is in het plangebied waargenomen op basis van betrouwbare bronnen*.

24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

6

*Betrouwbare bronnen zijn minder dan 3 jaar oude gegevens van overige ter zake kundigen en de NDFF.

2.6

Effectbeoordeling en toetsing Voor de aanwezige beschermde soorten of beschermde soorten waarvan de aanwezigheid niet uitgesloten kan worden, worden de effecten van de voorgenomen handelingen beoordeeld en getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet en de zorgplicht. De toetsing is gericht op aantasting en verstoring van individuen en hun functionele leefomgeving en mogelijke effecten op nabijgelegen natuurgebieden. De toetsing is afhankelijk van de kwetsbare periode waarin handelingen een effect kunnen hebben. Vervolgens wordt beoordeeld of aantasting van individuen en hun functionele leefomgeving een effect heeft op de gunstige staat van instandhouding van de regionale of landelijke populatie. Per soortgroep worden de handelingen getoetst aan de verbodsbepalingen en de specifieke zorgplicht. Per beschermingscategorie worden hierbij verschillende toetsingskaders gehanteerd (zie tabel 2.1). Tabel 2.1. Toetsingskader per beschermingscategorie. Categorie

Artikel 11.37 en 11.46 van het Bal (Vogelrichtlijn & Habitatrichtlijn)

Artikel 11.54 van het Bal (Nationaal beschermde soorten)

Alle planten en dieren (Specifieke zorgplicht)

24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

Toetsingskader Effecten dienen te allen tijde voorkomen te worden. Indien effecten op beschermde soorten niet uitgesloten kunnen worden, dient de omvang van de mogelijke effecten inzichtelijk gemaakt te worden middels vervolgonderzoek. Voor handelingen in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en bestendig beheer, geldt een vrijstelling voor overtreding van de verbodsbepalingen, mits de handelingen uitgevoerd worden conform een goedgekeurde gedragscode. Indien het niet mogelijk is om conform een gedragscode te werken, dan dient ontheffing aangevraagd te worden. Iedere afzonderlijke provincie heeft algemene soorten uit deze categorie vrijgesteld van ontheffingsplicht (zorgplicht is wel van toepassing). Indien deze soorten niet zijn vrijgesteld dienen effecten te allen tijde voorkomen te worden. Indien effecten op beschermde soorten niet uitgesloten kunnen worden, dient de omvang van de mogelijke effecten inzichtelijk gemaakt te worden middels vervolgonderzoek. Voor handelingen in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en bestendig beheer, geldt een vrijstelling voor overtreding van de verbodsbepalingen, mits de handelingen uitgevoerd worden conform een goedgekeurde gedragscode. Indien het niet mogelijk is om conform een gedragscode te werken, dan dient ontheffing aangevraagd te worden.

In het kader van de specifieke zorgplicht dienen schadelijke effecten zoveel als redelijkerwijs verwacht kan worden voorkomen te worden, beperkt te worden of ongedaan gemaakt te worden.

7

3

PLANGEBIED

3.1

Ligging

Het plangebied is gelegen ten noordoosten van Metrostation Maassluis West te Maassluis, in de gelijknamige gemeente in de provincie Zuid-Holland. Het plangebied betreft een gebied met een oppervlakte van circa 6,4 hectare in een stedelijke omgeving. Zie figuur 3.1 voor de ligging en de begrenzing van het plangebied.

Figuur 3.1. Ligging en begrenzing van het plangebied Station West te Maassluis (rood omkaderd).

Ten zuidwesten van het plangebied loopt de metrolijn, die Maassluis richting het noordwesten met Hoek van Holland en richting het zuidoosten met Rotterdam verbindt. Aan de andere zijde van de metrolijn bevinden zich een relatief nieuwe woonwijk, het park ‘Sterrenbos’ en een natuurspeeltuin ‘Avonturis’. Circa tweehonderd meter ten zuidoosten van de metrolijn bevindt zich het kanaal de ‘Nieuwe Waterweg’. Ten noorden van het plangebied bevinden zich een theater en een bibliotheek. Daarachter is een park aanwezig. Ten noordoosten grenst het plangebied aan het winkelcentrum ‘Koningshoek’. Een deel van het plangebied omvat een aantal parkeerplaatsen van dit winkelcentrum. Ten oosten van het plangebied staat een aantal grote flats met negen woonlagen. Verder is het plangebied omgeven door stedelijke omgeving bestaande uit woonwijken met voornamelijk rijwoningen.

3.2

Bestaande situatie

Het plangebied betreft een gebied met een oppervlakte van circa 6,4 hectare. Het plangebied bestaat uit grasvelden, parkeerplaatsen, bomen, een sportzaal van basketbalvereniging Green Eagles, een voormalig schoolgebouw (nu het gebouw van het wijkteam Vraagraak), wegen en paden. De sportzaal en het gebouw van het wijkteam in het plangebied bestaan uit bakstenen en hebben beide een plat dak. Verder zitten er in de muren van het gebouw van het wijkteam open stootvoegen. De sportzaal heeft deze niet. Beide gebouwen hebben gevelplaten van ongeveer 1,5 meter breed onder de dakrand. Binnen het plangebied staan 6 meter hoge conische straatlantaarns. Er is veel groen aanwezig waaronder gewone esdoorn, iep, prunus, plataan, hartbladige els, paardenkastanje en wilg. Ook staan er op de grasvelden binnen het plangebied planten als paardenbloem, smalle weegbree, ooievaarsbek, koolzaad, zuring, duizendblad en gewoon biggenkruid. Er is geen water aanwezig in het plangebied. Zie voor een impressie van het plangebied de afbeeldingen in figuur 3.2. 24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

8

Figuur 3.2. Impressie van het plangebied. Linksboven het parkeerterrein ten zuidwesten van winkelcentrum ‘Koningshoek’. Rechtsboven het Stadhuispark in het midden van het plangebied. Linksmidden het grasveld grenzend aan de parkeerplaats ten zuidwesten van winkelcentrum ‘Koningshoek’. Rechtsmidden het grasveld ten oosten van het plangebied. Linksonder de sporthal. Rechtsonder het voormalig schoolgebouw, nu gebouw van het wijkteam.

3.3

Beoogde situatie en activiteiten

De activiteitenomschrijving is opgesteld aan de hand van plattegronden, ontwerptekeningen en de mondeling en schriftelijk door de opdrachtgever verstrekte informatie.2 Het gebied ten noorden van Metrostation Maassluis West zal heringericht worden. De werkzaamheden betreffen de sloop van de sportzaal en het gebouw van het wijkteam en het verwijderen van groen in het plangebied. Verder zal er woningbouw (hoog) plaatsvinden en er zal ten westen van het stadhuis een nieuwe sporthal gebouwd worden. Ook zal er groen worden teruggeplaatst. Bomen blijven veelal behouden, met name in het park. Het terugplaatsen van het groen en de bouwwerkzaamheden zullen klimaatadaptief gebeuren. Er worden onder andere wadi’s aangelegd. Deze activiteiten vormen de basis van de toetsing aan de Omgevingswet.

24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

9

Figuur 3.3 Huidige situatie in het plangebied. De sportzaal en het gebouw van het wijkteam (rechts in het figuur) zullen worden gesloopt.

Figuur 3.4 Beoogde situatie in het plangebied.

24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

10

3.4

Veldbezoek Het plangebied is bezocht in de middag van 7 mei 2024. De weersomstandigheden tijdens dit oriënterend onderzoek waren droog, onbewolkt met een temperatuur van 19°C, windkracht 3 Bft uit het noorden. Tijdens de inventarisatie zijn aanwezige natuurwaarden in het plangebied bekeken. Beschermde soorten worden alleen op basis van regionale verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikte habitat uitgesloten, anders worden ze meegenomen in de toetsing.

24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

11

4

RESULTATEN GEBIEDSBESCHERMING Onderstaand wordt bepaald wat de afstand is van het plangebied tot beschermde natuurgebieden of gebieden die behoren tot een ecologische verbindingszone en wordt getoetst of de geplande activiteiten mogelijk een negatief effect kunnen hebben op deze beschermde natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Indien er schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing noodzakelijk zijn/is.

4.1

Natura 2000-gebieden

Het Natura 2000-gebied ‘Solleveld & Kapittelduinen’ bevindt zich op circa 6 km afstand ten noordwesten van het plangebied, zie figuur 4.1. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand.

Figuur 4.1. Positie van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden.

Het Natura 2000-gebied ‘Solleveld & Kapittelduinen’ bestaat uit oude duinen, duinbossen, struwelen, ruigten en plassen1. Het natuurgebied is van grote waarde vanwege de kalkarme duinen en heideterreinen die in het gebied voorkomen. Aan de binnenduinrand bevindt zich een aantal oude landgoedbossen die rijk zijn aan stinzenflora. De meeste negatieve effecten door de geplande ontwikkeling worden door de afstand en de tussenliggende infrastructuur uitgesloten. Stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000gebieden kan echter niet op voorhand uitgesloten worden, zie volgende paragraaf. Stikstofdepositie Stikstofdepositie is de hoeveelheid stikstof die in de vorm van NO X (stikstofoxiden) of NH3 (ammoniak), neerdaalt op de bodem. Verschillende bronnen, zoals bouwwerktuigen, verkeer en mest hebben een stikstofuitstoot. In Nederland is in 118 van de 162 Natura 2000-gebieden de stikstofdepositie hoger bevonden dan ten minste één habitat of soort kan verdragen. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante effecten’ op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een vergunning Omgevingswet.

24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

12

Om de stikstofdepositie te berekenen wordt er gekeken naar de sloop-/bouwfase en naar de gebruiksfase. Voor beide fasen wordt een berekening gemaakt. Voor de sloop-/bouwfase wordt met name gekeken naar de machines die gebruikt worden en naar de vervoersbewegingen van en naar het plangebied tijdens de sloop-/bouwfase. Voor de gebruiksfase wordt met name gekeken naar de vervoersbewegingen van en naar het plangebied en naar de uitstoot van het gebouw zelf in de nieuwe (beoogde) situatie. De Raad van State heeft op 2 november 2022 geoordeeld dat de bouwvrijstelling niet meer gebruikt mag worden bij bouwprojecten waarvoor mogelijk een vergunning nodig is. De AERIUS-calculator is het voorgeschreven instrument voor de toestemmingsverlening. Met de AERIUS-calculator worden de stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd en wordt de depositie van de stikstof op Natura-2000 gebieden berekend. Deze rekentool is door het RIVM geactualiseerd en op 5 oktober 2023 gepubliceerd. Stikstofdepositieberekeningen worden met deze geactualiseerde versie van de AERIUS-calculator uitgevoerd. Projecten die op basis van de bouwvrijstelling al zijn vergund, maar nog niet onherroepelijk zijn, kunnen mogelijk gevolgen ondervinden na de afschaffing van de bouwvrijstelling. Dit verschilt per geval. Aqua-Terra Nova kan indien gewenst advies geven.

De uitspraak van 2 november 2022 heeft geen gevolgen voor omgevingsvergunningen die zijn verleend en waartegen geen bezwaar of beroep meer mogelijk is (ook wel ‘onherroepelijke’ omgevingsvergunningen). Een stikstofdepositieberekening ten behoeve van de beoogde werkzaamheden wordt mogelijk vanuit het bevoegd gezag geëist. Aqua-Terra Nova kan deze berekening voor u uitvoeren.

4.2

Ecologische verbindingszones

Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)3, zie figuur 4.2. Het plangebied bevindt zich op circa 1,8 km van een natuurgebied dat deel uitmaakt van het NNN. Het betreft hier het gebied Oranje Plassen ten noordwesten van het plangebied. Het NNN kent geen externe werking. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Nadere toetsing in het kader van de Omgevingswet is niet noodzakelijk.

Figuur 4.2. Positie van het plangebied ten opzichte van het NNN.

24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

13

4.3

Houtopstanden In de Omgevingswet geldt een bescherming van houtopstanden die groter zijn dan 10 are, (1000 m2) en op rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Deze regel is enkel van toepassing op een bos of bomenrij buiten de bebouwde kom. Er worden circa 50 bomen optioneel verplaatst, zie figuur 4.3. Er worden geen bomen gekapt. Mochten er bomen permanent worden verwijderd of gekapt, is er een meldingsplicht bij de provincie noodzakelijk door het ontbreken van informatie van duidelijke komgrenzen. In Nederland geldt een herplantplicht buiten de bebouwde kom. Indien er bomen worden gekapt, dient minimaal hetzelfde aantal bomen te worden aangeplant. Dit dient binnen 3 jaar na kap te gebeuren.

Figuur 4.3. Mogelijk te verplaatsen bomen (oranje).

24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

14

5

RESULTATEN SOORTBESCHERMING In dit hoofdstuk worden eventuele effecten van de geplande werkzaamheden op aanwezige natuurwaarden uitgewerkt. Daarnaast wordt antwoord gegeven op de vraag of, en zo ja, in welke mate beschermde plant- en diersoorten, beschermd door de Omgevingswet, door de beoogde activiteiten kunnen worden geschaad. Indien er schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing in het kader van de Omgevingswet noodzakelijk is/zijn.

5.1

Vaatplanten

5.2

Vogels

Het plangebied is tijdens het uitvoeren van het oriënterend veldbezoek gecontroleerd op mogelijk aanwezige beschermde vaatplanten. Deze zijn niet aangetroffen. Zowel op basis van verspreidingsgegevens als het onderhoud en stedelijke ligging van het plangebied, worden beschermde vaatplanten niet verwacht4. De aanwezigheid van beschermde flora kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze soort is niet noodzakelijk.

Alle broedende vogels, hun broedplaatsen en de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd. Daarnaast zijn rust- en verblijfplaatsen én de functionele omgeving van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd1. In het plangebied worden broedende vogels verwacht, zowel algemene als jaarrond beschermde broedende vogels en soorten uit categorie 5.

5.2.1

Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Op basis van verspreidingsgegevens is gebleken dat in de omgeving van Station West de gierzwaluw, ooievaar en huismus behorend tot de categorie 1-4 (jaarrond beschermde vaste verblijfplaats) voorkomen5. Huismus De huismus nestelt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen, in mussenkasten of dicht struweel. Huismussen maken gebruik van struiken en bomen met een betrekkelijk lage boomkroon voor beschutting, als rustplek en als “kwetterplek”. Voor huismussen is het belangrijk dat het gehele habitat waarin ze zich bevinden geschikt blijft. Tijdens het veldbezoek is er een groepje huismussen aangetroffen bij de woningen aan de Hoeker rond nummer 82-91. De sportzaal beschikt niet over geschikte locaties voor de huismus om te nestelen. Er zullen geen nesten verloren gaan. Wel is het gehele gebied mogelijk essentieel leefgebied van de huismussen die aanwezig waren bij de woningen rond het plangebied. De mogelijke functies van het gebied zouden kunnen zijn: kwetterplek, foerageergebied en schuilgebied. De werkzaamheden kunnen mogelijk effect hebben op het leefgebied waardoor de mussen verstoord worden. Nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor huismussen is noodzakelijk, tenzij het groen en de heesters in het gebied behouden blijven.

Gierzwaluw De gierzwaluw nestelt in gebouwen, onder de dakgoot, achter de regenpijp, onder dakpannen, of in een gat in de muur en ook wel in neststenen. Gierzwaluwen verkiezen liefst een hoge plek aan een gebouw, met onder het nest drie meter vrije uitvalruimte. Tijdens het veldbezoek zijn overvliegende gierzwaluwen gezien. Er is geen geschikte bebouwing aanwezig voor de gierzwaluw. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is niet noodzakelijk. Ooievaar Ooievaars leven in de buurt van de mens en nestelen bij voorkeur op hoge menselijke bouwsels zoals telefoonpalen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten, houten platformen maar ook in zelf gemaakte nesten in bomen of op hoge gebouwen. Het plangebied beschikt niet over hoge structuren waar een ooievaar op kan broeden. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is niet noodzakelijk. Overige soorten behorend tot de categorie 1-4 Uit verspreidingsgegevens is gebleken dat de buizerd en sperwer behorend tot de categorie 1-4 (jaarrond beschermde vaste verblijfplaats) in de buurt van het plangebied voorkomen5. Buizerds maken een groot nest in een hoge boom in een bos of houtopstand, vaak aan de rand van open (agrarisch) gebied, liefst niet te dicht bij menselijke activiteit.

Broedparen hebben vaak meerdere 24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

15

nesten in één territorium en wisselen van jaar tot jaar. De sperwer broedt in dichte, jonge bossen en parken in halfopen landschap. Ze is territoriaal en maakt bijna jaarlijks een nieuw nest, waardoor er meerdere oude nesten bij elkaar in de buurt kunnen worden aangetroffen. De schuwe sperwer jaagt vaak ver van het nest, zoals in vogelrijke tuinen, en maakt dan gebruik van beschutting. Tijdens het veldbezoek is er in de bomen gezocht naar nesten. Er zijn geen (oude) nesten van uilen en/of roofvogels aangetroffen. Het gebied is door drukte en onvoorspelbaarheid van verkeer en personen ongeschikt als broedlocatie. Wel kan het gebied gebruikt worden om te jagen. Er zijn echter andere gebieden in de buurt geschikt om te jagen, zoals het Sterrenbos en de gehele groene velden aan weerszijde van het spoor ten westen van het station. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is niet noodzakelijk.

5.2.2

Vogels uit categorie 5

5.2.3

Algemene (broed)vogels

5.3

Van de vogelsoorten met een verblijfplaats uit de categorie 5 zijn verschillende vogels binnen het plangebied te verwachten zoals ekster, koolmees, pimpelmees, spreeuw, boomkruiper, boomklever en zwarte kraai. Nesten van categorie 5-soorten zijn jaarrond beschermd wanneer specifieke ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen 1. In dit geval wordt het plangebied gebruikt als foerageergebied en als nestgelegenheid. Er zijn tijdens het veldbezoek circa 20 foeragerende spreeuwen op het grasveld naast de grote parkeerplaats aangetroffen. Deze broeden mogelijk in de omgeving van het plangebied. In het plangebied is er geen broedmogelijkheid aanwezig door het ontbreken van bebouwing met geschikte holtes of pannen daken. In holtes in het groen nestelen naar verwachting holenbroeders als koolmees en pimpelmees. Echter is er in de omgeving voldoende alternatief en zijn er geen redenen om de nesten jaarrond te beschermen. Wel zijn de vogels en hun nesten beschermd tijdens het broeden. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is niet noodzakelijk.

In en rondom het plangebied zijn algemene vogelsoorten te verwachten zoals winterkoning, houtduif, Turkse tortel, roodborst, zanglijster, heggenmus, putter, merel en kauw. Het groen in het plangebied is geschikt als broedlocatie voor algemene vogels. Alle vogels zijn tijdens het broeden beschermd en mogen dan niet verstoord worden1. Er wordt aanbevolen om buiten het broedseizoen, deze duurt grofweg van maart t/m juli, te werken. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole plaats te vinden. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is niet noodzakelijk.

Grondgebonden zoogdieren

Op basis van verspreidingsgegevens is gebleken dat in de omgeving van het plangebied de strikt beschermde bever voorkomt1,6. Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water. Ze hebben een voorkeur voor rivieren en meren omzoomd door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. Het plangebied bevat geen water en is ongeschikt als leefgebied voor de bever. Het voorkomen van strikt beschermde zoogdiersoorten in het plangebied kan worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is niet noodzakelijk. Het oriënterend onderzoek wijst uit dat het plangebied geschikt is voor nationaal beschermde zoogdiersoorten zoals haas, ree, dwergspitsmuis, bosmuis, veldmuis, huisspitsmuis, egel en konijn. Ook kunnen er binnen het plangebied algemene zoogdiersoorten voorkomen als bruine rat. Voor bovenstaande nationaal beschermde zoogdiersoorten geldt binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling in het kader van de Omgevingswet1. De zorgplicht blijft echter wel van kracht. Egels maken gebruik van parken, tuinen en struweel zoals heggen en klimplanten als leefgebied. Ze leggen per nacht kilometers af op zoek naar voedsel, maar keren vaak terug naar hen bekende plekken. Egels, maar voornamelijk volwassen vrouwtjes binden zich aan een leefgebied van 10-40 hectare. De paartijd duurt van mei tot augustus.

Ook in september en oktober kunnen egelvrouwtjes nog jongen in het nest hebben. Deze nesten zijn goed verscholen in het struweel. Tussen november en mei zijn egels af en aan in winterslaap. Winterverblijfplaatsen worden vaak in de grond tegen een gebouw, schutting of composthoop of dichte struik gemaakt. Egels die geen jongen hebben en niet in winterslaap zijn, slapen overdag op wisselende plekken in struikgewas, tussen boomwortels en onder heggen. Het groen in het plangebied vormt op ieder moment van het jaar geschikt leefgebied voor egels. Voor de egel geldt binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling in het kader van de Omgevingswet1. De zorgplicht blijft echter wel van kracht. Voordat er groen wordt verwijderd bij de sportzaal en de sportzaal gesloopt wordt, is het advies er een controle plaats te laten vinden naar aanwezigheid van egels.

24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

16

5.4

Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Alle soorten vleermuizen zijn beschermd binnen de Omgevingswet 1. Vleermuizen maken binnen hun netwerk gebruik van vaste verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. Deze vaste rust- en verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd, ook als de dieren op dat moment niet aanwezig zijn. Daarnaast is de functionele leefomgeving van vleermuizen beschermd. Dit zijn de vaste vliegroutes en essentiële foerageergebieden, die nodig zijn om een verblijfplaats te laten functioneren.

5.4.1

Verblijfplaatsen

De sportzaal is volledig afgesloten met een trespa bovenrand die goed aangesloten tegen het metselwerk zit. Hierdoor is de aanwezigheid van vleermuizen in dit gebouw onwaarschijnlijk. Het voormalig schoolgebouw, nu gebouw van het wijkteam, bevat open stootvoegen en rolluiken waar mogelijk verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger in kunnen zitten. Aangezien het gebouw gesloopt wordt, is nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in dit gebouw noodzakelijk. De bomen in het plangebied zijn gecontroleerd op holtes die eventueel geschikt zouden zijn voor verblijfplaatsen van boombewonende soorten de watervleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Er zijn geen holtes aangetroffen. Ook zijn de bomen in een goede staat en te smal om een geschikte holte te kunnen bevatten. Nader onderzoek naar boombewonende vleermuizen is niet noodzakelijk. Vleermuizen betrekken ’s winters vaak in groten getale specifieke verblijfplaatsen die geschikt zijn om de winterslaap in door te brengen, ook massawinterverblijfplaatsen genoemd. Dit zijn vaak slecht geïsoleerde gebouwen, hoge (flat)gebouwen, grotten, bunkers, kelders of zolders met een geschikt microklimaat en een constante temperatuur en vochtigheidsgraad 17. Het plangebied beschikt over een geschikte locatie voor een massa winterverblijfplaats.

Nader onderzoek naar winterzwermen en massawinterverblijfplaatsen is noodzakelijk aan het gebouw van het wijkteam.

5.4.2

5.5

Foerageergebied en vliegroute

Het plangebied en de omgeving van het plangebied zijn geschikt als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Het grasveld en groengebied van het plangebied wordt mogelijk gebruikt als foerageergebied door vleermuizen. Sommige vleermuizen maken gebruik van lijnvormige structuren, zoals watergangen en bomenrijen, als vliegroute. Andere vleermuizen zijn minder afhankelijk van dit soort structuren7. Het plangebied bevat geschikte lijnvormige structuren die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen zoals de bomenrijen langs paden. Dit zijn echter geen essentiële vliegroutes. De vleermuizen kunnen via de bebouwing in de woonwijken, het spoor en bomenrij langs de Uiverlaan dezelfde richtingen opvliegen als via de mogelijke vliegroutes in het plangebied. Daarnaast worden veel volwassen bomen in de omgeving behouden. De werkzaamheden hebben geen negatieve effecten op mogelijk aanwezige essentiële vliegroutes en/of foerageergebieden. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is niet noodzakelijk.

Amfibieën

Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied geen strikt beschermde amfibieën voorkomen8. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat en de ligging in stedelijk gebied worden deze redelijkerwijs ook niet verwacht. De aanwezigheid van strikt beschermde amfibieën kan worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is niet noodzakelijk. De groenstroken in het plangebied zijn geschikt voor nationaal beschermde soorten (beschermd volgens art. 11.54 Omgevingswet) als de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker. Voor deze soorten geldt in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling in het kader van de Omgevingswet. De zorgplicht blijft echter wel van kracht.

5.6

Reptielen

Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde reptielen voorkomen 8. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat en de ligging in stedelijk gebied worden deze redelijkerwijs ook niet verwacht. De aanwezigheid van (strikt) beschermde reptielen kan worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Omgevingswet is niet noodzakelijk. 24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

17

5.7

Vissen

5.8

Overige beschermde soorten

In het plangebied zijn geen watergangen of ander open water aanwezig. Negatieve effecten op vissen zijn uitgesloten. Nader onderzoek in het kader van de Omgevingswet is niet noodzakelijk.

Van de ongewervelden zijn naast vlinders en libellen, enkele kevers (vliegend hert, brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, vermiljoenkever), weekdieren (platte schijfhoren, Bataafse stroommossel) en een kreeftachtige (rivierkreeft), beschermd door de Omgevingswet1,12,13. Het plangebied en directe omgeving voorzien voor geen van deze soorten in geschikt habitat. Het voorkomen van beschermde ongewervelden kan hierdoor redelijkerwijs worden uitgesloten. Er is geen sprake van een nadere toetsing aan de Omgevingswet.

24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

18

6

CONCLUSIES EN ADVIES In opdracht van Gemeente Maassluis heeft Aqua-Terra Nova BV een onderzoek uitgevoerd naar de consequenties van natuurwetgeving op de geplande werkzaamheden met betrekking tot het project Station West te Maassluis. Op basis van een locatiebezoek en een literatuurstudie is geïnventariseerd welke beschermde soorten er in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Aan de hand van de projectbeschrijving is getoetst of de geplande activiteiten in strijd kunnen zijn met de Omgevingswet. De conclusies van de toetsing worden in dit hoofdstuk gegeven.

6.1

Gebiedsbescherming

6.2

Beschermde houtopstand

6.3

Soortenbescherming

Op grond van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • Het plangebied bevindt zich op circa 6 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Solleveld & Kapittelduinen’. Negatieve effecten van de werkzaamheden op het Natura 2000gebied kunnen niet worden uitgesloten. Een nadere toetsing in het kader van gebiedsbescherming is mogelijk noodzakelijk in verband met stikstofdepositie. Uitsluitsel hierover kan verkregen worden bij de provincie Zuid-Holland. • Het plangebied bevindt zich op circa 1,8 km van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op het NNN kunnen worden uitgesloten. Een nadere toetsing is niet noodzakelijk.

Er worden circa 50 bomen optioneel verplaatst. Er worden geen bomen gekapt. Mochten er bomen permanent worden verwijderd of gekapt, is er een meldingsplicht bij de provincie noodzakelijk door het ontbreken van informatie van duidelijke komgrenzen.

In tabel 6.1 zijn de benodigde vervolgstappen conform de Omgevingswet per soortgroep aangegeven. In tabel 6.2 wordt de betekenis van de kleurencode weergegeven. Tabel 6.1. Overzicht beschermde soorten Soortgroep

Wet

Geadviseerde vervolgstappen

Ow 11.37 Ow 11.46

Aanwezigheid uitgesloten. Werken conform zorgplicht.

Vaatplanten Beschermde soorten Algemene soorten Vogels Soorten met jaarrond beschermde verblijfplaats

Ow 11.37

Categorie 5 soorten Algemene soorten

Ow 11.37 Ow 11.37

Nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor huismussen is noodzakelijk, tenzij spaarzaam met groen wordt omgegaan. Verstoring broedende vogels voorkomen. Verstoring broedende vogels voorkomen.

Grondgebonden zoogdieren Beschermde soorten

Ow 11.46 of 11.54

Aanwezigheid uitgesloten.

Algemene en vrijgestelde soorten

Ow 11.27

Werken conform zorgplicht. Om de zorgplicht te voldoen wordt aangeraden vooraf het verwijderen van dicht groen een egelcontrole uit te voeren.

Vleermuizen Verblijfplaatsen

Ow 11.46

Vliegroutes en foerageergebied

Ow 11.46

Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen is noodzakelijk. Nader onderzoek naar vliegroutes en foerageergebied niet noodzakelijk

Amfibieën Beschermde soorten

Ow 11.46 of 11.54

Aanwezigheid uitgesloten.

Algemene en vrijgestelde soorten

Ow 11.27

Werken conform zorgplicht.

Ow 11.46 of 11.54

Aanwezigheid uitgesloten.

Ow 11.46 of 11.54

N.v.t.

Reptielen Beschermde soorten Vissen Beschermde soorten

24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

19

Algemene soorten Overige soorten Beschermde soorten

Ow 11.54

N.v.t.

N.v.t.

Aanwezigheid uitgesloten.

Tabel 6.2. Betekenis kleurencodes.

6.4

Kleur

Betekenis

Groen

Werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden met inachtneming van de algemene zorgplicht. Verdere vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

Geel

Werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd mits maatregelen genomen worden of conform een goedgekeurde gedragscode gewerkt wordt. Indien negatieve effecten niet uitgesloten kunnen worden is nader onderzoek noodzakelijk.

Rood

Nader onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten, functie van het plangebied voor de betreffende soorten en de invloed van het project op individuen en de gunstige staat van instandhouding van de soort is noodzakelijk. Indien uit het onderzoek blijkt dat betreffende soort aanwezig is en negatieve effecten niet uit te sluiten dan wel te voorkomen zijn dient ontheffing aangevraagd te worden.

Advies en vervolgstappen

Het gebied ten noorden van metrostation West zal heringericht worden. Hierbij zullen de sportzaal en het gebouw van het wijkteam worden gesloopt. Ook zal er groen verwijderd worden. Er zal woningbouw (hoog) plaatsvinden en er wordt groen teruggeplaatst. Daarnaast zal ook een nieuwe sportzaal gebouwd ten westen van het stadhuis. Uit deze eco-effectscan blijkt dat er noodzaak is om nadere toetsing aan de Omgevingswet te doen aan enkele beschermde soorten, waarvan de potentiële verblijfplaatsen zijn weergegeven in figuur 6.2.

Figuur 6.2. Plangebied en locaties met potentie voor beschermde soorten

6.4.1

Broedvogels

Alle in Nederland broedende vogels en hun eventuele nesten zijn strikt beschermd en mogen tijdens het broeden niet verstoord worden. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Echter zijn vogels welke buiten deze periode broeden ook te allen tijde beschermd. Indien 24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

20

werkzaamheden in de periode maart t/m juli moeten worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van broedende vogels voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden. Indien vogelnesten of broedende vogels aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest of broedplaats uitgesteld te worden totdat de jongen vliegvlug zijn of dient er een verstoringsvrije zone rond de broedplaats opgesteld te worden. Het is tevens mogelijk om broedgevallen van onder andere kleine plevier en scholekster, waarvoor het plangebied mogelijk geschikt wordt als broedlocatie tijdens de ontwikkelingsfase, te voorkomen. Dit kan onder andere door het plangebied regelmatig te betreden (minimaal 1 keer per week en evt. met hond) of door het terrein af te bakenen met afschriklinten en/of roofvogelvlieger. Indien vogelnesten aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest uitgesteld te worden totdat de jongen uitgevlogen zijn of dient een verstoringsvrije zone rond het nest opgesteld te worden. Tijdens de bouwfase kan het voorkomen dat er steile wanden ontstaan in gronddepots. Dit zijn geschikte nestlocaties voor de oeverzwaluw om in te broeden. Oeverzwaluwen broeden in kolonieverband in zelf gegraven gangen in steile wanden. Bij het plaatsen van gronddepots in het broedseizoen zijn maatregelen nodig om nestvorming te voorkomen.

Vanaf maart tot en met augustus, wanneer oeverzwaluwen in Nederland aanwezig zijn, wordt geadviseerd om gronddepots af te zwakken, of het zanddepot af te dekken met een zeil.

6.4.2

Vleermuizen Nader onderzoek naar verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk aan het gebouw van het wijkteam. Er wordt geadviseerd de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren om zo overvliegende en/of foeragerende vleermuizen niet te verstoren. Indien dit niet mogelijk is, dient uitstraling van verlichting naar de omgeving voorkomen te worden. Indien er bij de werkzaamheden nieuwe verlichting wordt geplaatst, wordt aanbevolen om verlichting toe te passen die verstoring bij vleermuizen zoveel mogelijk beperkt. De lichthinder voor vleermuizen door straatverlichting kan aanzienlijk worden beperkt door amberkleurig UV-vrije LED-armaturen, lagere lichtmasten en de toepassing van een scherpe afsnede van de lichtinval.

6.4.3

Bomen Bomen hebben doorgaans veel verschillende structuren en veel oppervlakte. Eén boom herbergt om die reden grote aantallen insecten van diverse soorten. Deze insecten vormen een belangrijke voedselbron voor vogels. Niet alleen insectenetende vogels maken daar gebruik van; ook zaadeters vangen in het broedseizoen veel insecten, die ze als belangrijkste eiwitbron aan hun jongen voeren. De insectdichtheid in en rondom een boom is meestal vele malen groter dan op een plek waar geen boom staat. Het verwijderen van één boom kan dan ook direct en indirect invloed hebben op de grootte van vogelpopulaties.

6.4.4

Natuurinclusief bouwen

6.4.5

Zorgplicht

6.5

Planning

Aqua-Terra Nova raadt gemeente Maassluis aan de website www.bouwnatuurinclusief.nl/gemeente te raadplegen. Hier vindt men een stappenplan voor het maken van een plan t.a.v. een groene leefomgeving en natuurinclusief bouwen, speciaal ontwikkeld voor gemeenten. Ook vindt men hier een checklist met betrekking tot welke maatregelen van toepassing zijn in specifieke situaties, zoals bij de ontwikkeling aan Station West te Maassluis.

Te allen tijde dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden. Alle dieren, ook de niet beschermde soorten, moeten de ruimte krijgen om te kunnen vluchten en zichzelf in veiligheid te brengen. Indien er tijdens de werkzaamheden onverhoopt dieren worden aangetroffen die niet uit zichzelf (kunnen) vluchten, moet contact opgenomen worden met Aqua-Terra Nova.

Onderzoeken naar de aanwezigheid van (strikt) beschermde soorten van artikel 11.46 van het Bal dienen conform goedgekeurde protocollen uitgevoerd te worden 14. Deze onderzoeksperiodes zijn 24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

21

afhankelijk van de soort, potentiële functie van het plangebied en soms ook weersomstandigheden. Indien bij onderzoek afgeweken wordt van de betreffende protocollen kan dit tot gevolg hebben dat een eventuele latere ontheffingsaanvraag om deze reden afgewezen wordt.

December

November

Oktober

September

Augustus

Juli

Juni

Mei

April

Maart

Januari

Tabel 6.3. Onderzoeksperioden beschermde soorten.

Februari

In tabel 6.3 worden de betreffende onderzoeksperiode per soort weergegeven. Hierbij dient rekening gehouden te worden dat een onderzoek bestaat uit meerdere bezoeken, verspreid over het onderzoekseizoen.

Vleermuizen Huismus Donkergroen: optimale onderzoeksperiode; Lichtgroen: weersomstandigheden; Wit: geen onderzoek mogelijk.

minder

geschikte

periode

en

afhankelijk

van

Uit het onderzoek zal blijken of het noodzakelijk is de geplande activiteiten aan te passen en of een verklaring van geen bedenkingen of ontheffing in het kader van de Omgevingswet aan te vragen. Indien verzekerd kan worden dat door het tijdig treffen van maatregelen voorafgaand aan de activiteit(en) geen verboden in het kader van de Omgevingswet worden overtreden, is een verklaring van geen bedenkingen of ontheffing niet noodzakelijk. Indien een verklaring van geen bedenkingen of ontheffing in het kader van de Omgevingswet wel noodzakelijk is, moet rekening worden gehouden met een proceduretijd van circa twintig weken (Zuid-Holland) en in sommige situaties een gewenningstijd van enkele maanden met betrekking tot alternatieve verblijfplaatsen of vliegroutes.

6.6

Geldigheid

Afhankelijk van de tijd tussen dit onderliggende onderzoek en de werkzaamheden, kan een actualiserend of aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn. De conclusies van dit onderzoek zijn drie jaar geldig.

24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

22

7

REFERENTIES 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14.

Rijksoverheid. Omgevingswet. (2024). Urbis: bureau van stadsontwerp. Maassluis West Gebiedsvisie. www.maassluis.nl (2023). Rijksoverheid. Begrenzing van het Natuurnetwerk en de Natura 2000-gebieden. (2018). FLORON. SOVON. Zoogdiervereniging. Limpens, H., Twisk, P. & Veenbaas, G. Met Vleermuizen Overweg. RAVON. Rijksdienst voor ondernemend Nederland. Soortenstandaard Zandhagedis, Versie 2.0. (2014). Creemers, R., Wijer, P., Zuiderwijk, A. & van delft, J. J. C. W. Ringslang. De amfibieen en reptielen van Nederland (Nederlandse Fauna, 2009). RAVON. Ringslang. Vlinderstichting. EIS kenniscentrum insecten en andere ongewervelden. Netwerk Groene Bureaus (werkgroep ’Standaarden en protocollen’). Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. (2017).

24108/AQT301FF/ET Definitieve rapportage 3 juni 2024

23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16510758/1