Bijlage 5 Ecologisch werkprotocol
Tekst van het document
ECOLOGISCH WERKPROTOL AAN TE LEGGEN GELUIDSWAL
M I L I E U B E H E E R
TE MAASSLUIS
Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
1
ECOLOGISCH WERKPROTOCOL AAN TE LEGGEN GELUIDSWAL TE MAASSLUIS
Colofon
Opdrachtgever:
Gemeente Maassluis Koningshoek 93.050 3114 BA Maassluis
Adviesbureau:
VanderHelm Milieubeheer B.V. Nobelsingel 2 2652 XA Berkel en Rodenrijs 010 -249 24 60 info@vdhelm.nl www.vdhelm.nl
Projectfoto's:
Dhr. Ing. A. Kolders
Wijze van citeren:
VanderHelm Milieubeheer B.V. (2020). Kenmerk 20191333. Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis, d.d. 12-06-2020
© VanderHelm Milieubeheer B.V.
Projectcode:
20191333
Status / versie
Definitief – versie 1
Datum
12 juni 2020
Verantwoording
Auteur
Dhr. Ing. A. Kolders
Kwaliteitscontrole
Mevr. J. van der Poel MSc
Vrijgave
Mevr. M. Kortlever-Boer MSc
Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
2
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING .......................................................................................................................................................... 4 1.1 AANLEIDING ............................................................................................................................................................ 4 1.2 BESCHRIJVING PROJECTGEBIED..................................................................................................................................... 4 1.3 WERKZAAMHEDEN EN PLANNING ................................................................................................................................. 5 1.4 TE BESCHERMEN ECOLOGISCHE WAARDEN ..................................................................................................................... 6 1.5 KEUZE WERKPROTOCOL IN PLAATS VAN ONTHEFFINGSAANVRAAG ....................................................................................... 6 2. MAATREGELEN .................................................................................................................................................. 8 2.1 MAATREGELEN ALGEMEEN .........................................................................................................................................
8 2.2 MAATREGELEN SPERWER .......................................................................................................................................... 8 2.3 MAATREGELEN ALGEMENE BROEDVOGELS ..................................................................................................................... 9 2.4 MAATREGELEN ALGEMENE ZORGPLICHT ...................................................................................................................... 10 2.5 NATUUR-INCLUSIEVE EN BIODIVERSITEITS-BEVORDERENDE MAATREGELEN ......................................................................... 10 3. ORGANISATIE ECOLOGISCHE BEGELEIDING ......................................................................................................13 3.1 PLANNING ECOLOGISCHE BEGELEIDING ........................................................................................................................ 13 3.2 RAPPORTAGE ECOLOGISCHE BEGELEIDING.................................................................................................................... 13 3.3 GEGEVENS BETROKKEN ORGANISATIES........................................................................................................................ 13
BIJLAGEN: 1. KWALITEITSBORGING EN VERANTWOORDING 2. REGIONALE SITUATIEKAART PROJECTGEBIED 3. W ETTELIJKE EN BESTUURLIJKE KADERS NATUURBESCHERMING 4. TEKENING GEPLANDE WERKZAAMHEDEN
Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
3
1. INLEIDING VanderHelm Milieubeheer B.V. te Berkel en Rodenrijs heeft van de gemeente Maassluis opdracht gekregen voor het opstellen van een ecologisch werkprotocol ten behoeve van werkzaamheden ter plaatse van de groenstrook gelegen langs de Kastanjedal te Maassluis. 1.1 AANLEIDING De aanleiding voor het opstellen van het ecologisch werkprotocol zijn de geplande werkzaamheden in het projectgebied en de Wet natuurbescherming. De werkzaamheden in het projectgebied bestaan uit het kappen van enkele bomen en het realiseren van een geluidswal. Het ecologisch werkprotocol heeft als doel aan te geven welke maatregelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden genomen dienen te worden door de uitvoerende partij(en). Wanneer de maatregelen worden uitgevoerd wordt gewerkt conform de Wet natuurbescherming. Op deze manier wordt schade aan soorten, die door de Wet natuurbescherming worden beschermd, voorkomen of beperkt. 1.2 BESCHRIJVING PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen tussen het Kastanjedal en de A20 te Maassluis. Het projectgebied bestaat uit een geluidswal met daarop bomen en struiken en twee (voetbal-) grasvelden. Rondom de geluidswal is een wandelpad aanwezig. De bomen in het projectgebied betreffen onder andere populieren, esdoorns, platanen, zwarte elzen en prunussen. De struiken in het projectgebied betreffen onder andere meidoorn, sleedoorn, braam en hazelaar.
In het projectgebied zijn hierdoor verschillende structuren in de vegetatie ontstaan. De vegetatiestructuren betreffen ruigtevegetatie, struiken en bomen. Deze structuren zijn zeer geschikt voor broedende vogels (door het dichte karakter) en vlinders doordat de randen van deze structuren snel opwarmen. De scheiding van het projectgebied betreft de watergang aan de noordoostkant van het projectgebied (zie afbeelding 1). De bomen tussen de watergang en de A20 zullen in de toekomst worden gekapt. Deze bomen zijn in eigendom van Rijkswaterstaat en zijn geen onderdeel van het projectgebied. Deze bomen zullen in onderhavig rapport buiten beschouwing worden gelaten. In het projectgebied zijn geen gebouwen aanwezig. De omgeving van het projectgebied bestaat uit de A20 aan de noordkant van het projectgebied, de woonwijk Dijkpolder aan de zuidwestkant en de Broekpolder aan de oostkant van het projectgebied.
Afbeelding 1: Het wandelpad aan de noordoostkant van het projectgebied met de watergang als scheiding van het projectgebied (links op de afbeelding). De bomen aan de linkerkant op de afbeelding bevinden zich buiten het projectgebied (langs de A20) en zijn in eigendom van Rijkswaterstaat. Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
4
De begrenzing van het projectgebied wordt weergegeven in afbeelding 2. Voor de regionale ligging van het projectgebied wordt verwezen naar bijlage 1. Tabel 1: Gegevens projectgebied Projectgebied: Straat: Plaats: Gemeente: Provincie:
Geluidswal Kastanjedal Maassluis Maassluis Zuid-Holland
Afbeelding 2: Begrenzing projectgebied met een rode lijn (Bron: Bingmaps)
1.3 WERKZAAMHEDEN EN PLANNING Tijdens een participatieproces van ruim een jaar is met vertegenwoordigers van het Kastanjedal, Doornenbuurt, Vertowijk, Wipperspark, Boonervliet en volkstuinvereniging de Vluchtheuvel gezocht naar een haalbaar en gedragen voorstel voor een geluidswering langs de A20. Dit heeft geleid tot de keuze: om een kokosscherm te plaatsen op de huidige geluidwal (7 april 2020 door de gemeenteraad vastgesteld). In totaal zal de huidige geluidswal opgehoogd worden met een halve meter grond en daarop komt het kokosscherm van 3,5 meter hoog. Om het topscherm te kunnen plaatsen zijn de volgende activiteiten noodzakelijk: • In verband met een ongelijke zetting van de huidige geluidswal dient deze voorafgaand aan de plaatsing van het topscherm te geëgaliseerd. Dit wordt gedaan door middel van grond op de huidige geluidswal te plaatsen. • Gedeelte tussen Rozenlaan en Kastanjedal: hier worden maximaal 10 bomen gesnoeid en/of gekapt. Hier is veel ruimte aanwezig om de geluidswal op te hogen. • Gedeelte tussen Kastanjedal en volkstuinen: hier worden veel bomen gekapt. Hier is weinig ruimte om de geluidswal op te hogen, waardoor veel bomen weg moeten. • Verwijderen huidige houten topscherm, inclusief betonpalen. • Het vrijmaken van het tracé: snoeien en kappen. Waarbij het doel is om de vrijkomende materialen in het gebied te hergebruiken.
De planning is nog niet definitief. De verwachting is dat de werkzaamheden in februari of maart 2021 starten. Van belang is, de maatregelen in dit werkprotocol na te leven, dit betekend dat rondom de nestplaats van de sperwer geen werkzaamheden mogen worden uitgevoerd in het broedseizoen en dat Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
5
rekening dient te worden gehouden met algemene broedvogels in het broedseizoen. Om vertraging ten tijde van het uitvoeren van de werkzaamheden te voorkomen, is het verstandig e.e.a. in de winter te plannen. 1.4 TE BESCHERMEN ECOLOGISCHE WAARDEN In 2019 is door VanderHelm Milieubeheer een ecologische quickscan (VanderHelm Milieubeheer B.V. kenmerk 20190577, d.d. 23-05-2019) opgesteld. Aanvullend is door VanderHelm Milieubeheer een soortgericht onderzoek (VanderHelm Milieubeheer B.V. kenmerk 20190613, d.d. 14-11-2019) uitgevoerd naar vleermuizen en vogels met een jaarrond beschermd nest. Uit het projectplan blijkt dat bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening gehouden dient te worden met de soort(groep)en die in tabel 2 worden genoemd. Tabel 2: Conclusies soortgericht onderzoek Soort(groep)
Conclusie
Vleermuizen -
Sperwer
-
Overige waarnemingen
In het projectgebied zijn geen zomerverblijfplaatsen van gewone- en ruige dwergvleermuizen aanwezig. In het projectgebied zijn geen paar- en winterverblijfplaatsen van gewone- en ruige dwergvleermuizen aanwezig. Het projectgebied dient niet als essentiële vliegroute en foerageergebied voor gewone- en ruige dwergvleermuizen, rosse vleermuis, laatvlieger en watervleermuis In de directe omgeving van het projectgebied zijn 2 paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis en 1 baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis aanwezig. Deze verblijfplaatsen zijn buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden gelegen. Rekening gehouden dient te worden met de zorgplicht: langsvliegende en foeragerende vleermuizen mogen niet onnodig worden verstoord.
In het projectgebied is een nestplaats van de sperwer vastgesteld. In onderhavig werkprotocol staat beschreven op welke manier hiermee rekening dient te worden gehouden. In het projectgebied zijn geen nest- en rustplaatsen van de buizerd, boomvalk en ransuil aanwezig.
In het projectgebied zijn tijdens het broedseizoen nesten of rustplaatsen van algemene broedvogels en broedvogels uit categorie 5 (met voldoende alternatief) aanwezig. In de uitgevoerde ecologische quickscan (VanderHelm Milieubeheer B.V., kenmerk 20190577 d.d. 23-05-2019) is reeds geadviseerd op welke manier hier rekening mee gehouden dient te worden gedurende de werkzaamheden.
1.5 KEUZE WERKPROTOCOL IN PLAATS VAN ONTHEFFINGSAANVRAAG Tijdens het soortgericht onderzoek is aangetoond dat de bomen in het projectgebied geen essentiële functie hebben voor vleermuizen. In de bomen zijn geen voortplantings- en rustplaatsen van vleermuizen aangetroffen en het projectgebied vormt geen essentiële vliegroute en/of heeft geen foerageerfunctie voor vleermuizen. Voor de kleine aantallen gewone- en ruige dwergvleermuizen, rosse vleermuizen en laatvliegers zijn in de omgeving voldoende alternatieven groenstroken aanwezig (bron: VanderHelm Milieubeheer B.V. kenmerk 20190613, d.d. 14-11-2019). Daarnaast blijft in het projectgebied voldoende groen behouden waardoor het projectgebied de functie niet- essentieel foerageergebied en vliegroute behoudt. In het projectgebied is wel een nest- en rustplaats van de sperwer aangetroffen. De sperwer valt onder de Vogelrichtlijn, categorie 4 , wat betekent dat de nesten ook beschermd zijn wanneer deze vogels niet aan het broeden zijn. Om de nestboom en/of bomen in de directe omgeving te kunnen kappen is een ontheffing nodig. Echter, de nestboom staat niet in de weg en zal niet gekapt worden ten behoeve van de werkzaamheden. Binnen 75 meter van de nestboom zullen enkele bomen worden gesnoeid en/of gekapt. Hierbij blijft echter ten aller tijde voldoende groen in de omgeving van de nestboom behouden.
Bomen die 75 meter om het nest aanwezig zijn vallen binnen de functionele leefomgeving en/of verstoringsafstand. De functionaliteit van het nest komt niet in gevaar als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden. Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
6
Vanaf startpunt groenstrook (t.h.v. Rozenlaan) tot aan Kastanjedal worden maximaal 10 bomen gekapt en/of gesnoeid (afbeelding 3). De bomen worden alleen gekapt als geen andere oplossing mogelijk is en deze echt weg moeten i.v.m. de werkzaamheden. De bomen die deels in de weg staan worden gekandelaberd en/of gesnoeid. De kans bestaat dat door het kandelaberen en/of snoeien holten en/of los schors in de bomen ontstaan. Hierdoor ontstaan mogelijkheden voor vogels (zoals spechten, spreeuw, mezen en boomkruiper) om te broeden en/of vleermuizen om in te verblijven. Omdat hier maar maximaal 10 bomen worden gekapt en/of gekandelaberd/gesnoeid blijven ruim voldoende bomen met volle boomkronen over in de omgeving van de nestboom, waardoor de nestboom afdoende beschut blijft. De groenstrook tussen Kastanjedal en volkstuinen zal grotendeels verwijderd worden (afbeelding 3). Dit is echter op ruime afstand van de nestboom (sperwer), waardoor het kappen van deze bomen geen effect heeft op de sperwer. Omdat de nestboom (sperwer) niet gekapt wordt en in de omgeving ruim voldoende bomen blijven behouden is een ontheffing niet nodig. Op basis hiervan dient een werkprotocol opgesteld te worden waarin maatregelen met betrekking tot de sperwer, algemene broedvogels, vleermuizen en de zorgplicht nader worden omschreven.
Volkstuinen
Kastanjedal
Sperwernest
Startpunt Rozenlaan
Afbeelding 3: Locatie sperwernest en plaatsaanduidingen met betrekking tot het kappen van de bomen. De afstand binnen welke het sperwernest verstoord zou kunnen worden als gevolg van de werkzaamheden is weergegeven middels een gele cirkel (straal 75m).
Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
7
2. MAATREGELEN In dit hoofdstuk is uitgewerkt welke ecologische maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat door de werkzaamheden de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. De maatregelen worden voorafgegaan door een nummer. De ecologische begeleiding dient te worden verzorgd door deskundig personeel, zoals genoemd door het Ministerie van Economische Zaken (zie bijlage 1). Ecologen van VanderHelm Milieubeheer B.V. voldoen aan deze voorwaarden voor deskundig personeel. De ecologische begeleiding wordt minimaal uitgevoerd op kritische momenten, in overleg met de opdrachtgever. In paragraaf 3.1 is een overzicht opgenomen van de minimale begeleiding die bij dit project nodig is. 2.1 M AATREGELEN ALGEMEEN 1. Geadviseerd wordt onderhavig werkprotocol toe te laten lichten aan het uitvoerend personeel door middel van een startoverleg. 2. Bij wijzigingen van de werkwijze, de begrenzing van het projectgebied of planning dient contact op te worden genomen met een deskundig ecoloog. In overleg dient te worden bepaald of andere maatregelen nodig zijn. Eventueel kan gemotiveerd worden afgeweken van het ecologisch werkprotocol. Een dergelijke afwijking dient schriftelijk te worden vastgelegd.
2.2 M AATREGELEN SPERWER In het projectgebied is tijdens het soortgericht onderzoek naar onder andere de sperwer vastgesteld dat de sperwer een nestplaats heeft in een boom binnen het projectgebied. Het onderzoek is uitgevoerd door VanderHelm Milieubeheer B.V. in de periode tussen 1 maart en 15 mei. In 2019 zijn minimaal 3 jongen sperwers op het nest gezien en deze zijn later allemaal uitgevlogen. Een compilatie van dit broedgeval is weergegeven in afbeelding 4.
Afbeelding 4: Het nog onbezette nest in het voorjaar, tijdens de quickscan (linksboven), het wakende mannetje (rechtsboven), het vrouwtje sperwer op de uitkijk op het nest (linksonder) en een jonge niet vlieg vlugge sperwer (rechtsonder).
Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
8
Voor wat betreft de sperwer zijn de volgende maatregelen van toepassing: 3. Gedurende het broedseizoen van de sperwer (1 maart tot 1 juli) kunnen binnen 75 meter van de nestplaats geen werkzaamheden worden uitgevoerd (zie afbeelding 3). De kans bestaat dat door werkzaamheden uit te voeren binnen de verstoringsafstand van 75 meter (alleen in het broedseizoen) de sperwer wordt verstoord. Indien werkzaamheden kort na 1 juli worden uitgevoerd, dient een inspectie uitslag te geven of de sperwer klaar is met broeden. Dit betreft een overtreding op de Wet natuurbescherming. Indien dit niet voorkomen kan worden is een ontheffing noodzakelijk. 4. Wanneer niet voor het gehele project buiten het broedseizoen gewerkt kan worden is het advies om de werkzaamheden in de omgeving van de nestboom (75 meter) van de sperwer, in de winterperiode als eerste op te pakken. Hierdoor wordt voorkomen dat, op deze locatie, in het broedseizoen nog werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Het betreft hier zowel het kappen van bomen als het aanleggen van de geluidswal. Indien de werkzaamheden binnen de verstoringsafstand van het vastgestelde sperwernest niet afgerond zijn voordat het broedseizoen start (1 maart), dan dienen de resterende werkzaamheden binnen dit gebied te worden uitgesteld tot het volgende winterseizoen. 5.
Zoals aangegeven in paragraaf 1.5 worden binnen het stuk vanaf de Rozenlaan tot aan het Kastanjedal maximaal 10 bomen gekapt of gesnoeid. Indien het noodzakelijk is meer bomen te kappen of snoeien, dient dit te gebeuren in overleg met een deskundig ecoloog, om te voorkomen dat de functionaliteit van het sperwernest wordt aangetast. 2.3 M AATREGELEN ALGEMENE BROEDVOGELS In de groenstrook broeden diverse algemene broedvogels, waaronder zwartkop, tjiftjaf, winterkoning, merel, heggenmus en vink. In 2020 is een monitoring uitgevoerd naar onder andere algemene broedvogels (VanderHelm Milieubeheer B.V., 2020). In het gedeelte tussen de Rozenlaan en Kastanjedal 9 (zie afbeelding 3) zijn tijdens de monitoring van 2020 de meeste algemene broedvogels waargenomen. Met betrekking tot de algemene broedvogels worden de volgende maatregelen geadviseerd: 6. Gezien de hoeveelheid algemene broedvogels wordt geadviseerd om de werkzaamheden na het broedseizoen uit te voeren. Dit is de periode tussen 1 september en 15 februari. 7. Wanneer een uitloop van de werkzaamheden in het broedseizoen wordt verwacht kan de volgende maatregel worden getroffen om verstoring en overtreding te voorkomen: a. Potentieel geschikte broedlocaties: bomen, struiken, oevervegetatie en kruidenvegetatie kunnen voorafgaand aan de werkzaamheden (in de winterperiode) worden gemaaid en/of gekapt.
Hiermee wordt deels voorkomen dat vogels in het werkterrein gaan broeden. 8. Wanneer werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie te worden uitgevoerd om risico’s ten aanzien van broedvogels in kaart te brengen en te beoordelen of werkzaamheden doorgang kunnen vinden. Dit dient op locatie te worden bepaald door een deskundig ecoloog. 9. Indien tijdens de werkzaamheden nesten van vogels worden aangetroffen, worden de werkzaamheden direct gestopt en wordt contact opgenomen met een deskundig ecoloog. Vervolgens wordt gehandeld conform box 1. 10. In het gedeelte tussen de Rozenlaan en Kastanjedal (zie afbeelding 3) worden maximaal 10 bomen verwijderd/gesnoeid. Het advies is om de werkzaamheden, in de winterperiode (1 september tot 1 maart), als eerste op te pakken. Hierdoor wordt voorkomen dat in het broedseizoen de werkzaamheden mogelijk stil komen te liggen en worden uitgesteld. 11. In de periode van 1 maart tot en met augustus dienen grondhopen met steile hellingen (zoals voorbelasting) in het projectgebied (of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden) voorkomen te worden, zodat oeverzwaluwen hier niet in gaan broeden. Steile wanden dienen te worden afgevlakt of afgedekt met bijvoorbeeld wegendoek.
Indien oeverzwaluwen in het projectgebied broeden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen en dient door een deskundig ecoloog te worden bepaald of, op welke manier en wanneer de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder overtreding van de Wet natuurbescherming. Box 1: Werkwijze bij aanwezigheid van broedende vogels De nesten worden indien wenselijk met GPS ingemeten en zo nodig gemarkeerd met een bamboestok of piketpaal. De opdrachtgever en uitvoerder worden op de hoogte gebracht van de locatie. Via de uitvoerder wordt het personeel op de locatie op de hoogte gebracht. Na het markeren worden de nesten niet meer gestoord. Het nest wordt na het ontdekken gevolgd (monitoren). Hierbij wordt gelet op aanwezigheid van broedende of alarmerende ouders. Het monitoren gebeurt van een afstand met behulp van verrekijker ( telescoop). Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
9
Gedurende de broedperiode mag in de directe omgeving van het nest niet gewerkt worden. De afstand en periode worden per situatie door een deskundige bepaald. Nadat de jongen het nest hebben verlaten wordt doorgaans het nest niet meer gebruikt. Na het verlaten van het nest kunnen de werkzaamheden hervat worden.
2.4 M AATREGELEN ALGEMENE ZORGPLICHT 12. Het uitvoerend personeel dient alert te zijn op het verschijnen van dieren in het projectgebied. Aangetroffen dieren worden niet opzettelijk overreden, bedolven of gedood. 13. Structuren die gebruikt kunnen worden als verblijfplaats door dieren, waaronder hopen takken, puin en bladeren, boomstammen en stronken, worden zoveel mogelijk gespaard. Wanneer het sparen van dergelijke structuren niet mogelijk is worden deze vooraf gecontroleerd op aanwezigheid van dieren. Wanneer dieren (egels, padden, kikkers e.d.) worden aangetroffen worden deze direct en zorgvuldig verplaatst naar een vergelijkbare structuur buiten het werkgebied, maar binnen het leefgebied van deze soorten. 14. De werkzaamheden dienen in eerste instantie overdag te worden uitgevoerd. Verlichting van het werk dient tussen een half uur voor zonsondergang en een half uur na zonsopkomst uitgeschakeld te zijn, om te voorkomen dat langsvliegende/foeragerende vleermuizen worden verstoord. Indien verlichting in de avond/nacht noodzakelijk is dient dit enkel op het werk te schijnen en niet uit te stralen naar de omgeving; dit dient te worden afgestemd met een deskundig ecoloog. 15. Onnodige verstoring door betreding, licht en geluid van terreinen, waar planten en dieren (kunnen) groeien/verblijven wordt voorkomen. 16.
Wanneer niet eerder genoemde zwaar beschermde soorten worden aangetroffen in het projectgebied dient onverwijld contact op te worden genomen met een deskundig ecoloog. Een deskundig ecoloog kan bepalen welke vervolgstappen dienen te worden genomen om overtreding van de wet Natuurbescherming te voorkomen. 2.5 NATUUR-INCLUSIEVE EN BIODIVERSITEITS-BEVORDERENDE MAATREGELEN 17. Geadviseerd wordt om onderstaande maatregelen met betrekking tot het natuur-inclusieve geluidsscherm en de overige maatregelen ten behoeve van de biodiversiteit nader af te stemmen met een deskundig ecoloog. Met name als het gaat om het type zaadmengsel, vogelkasten, bijenhotels en de plaatsbepalingen. Op de bestaande geluidswal komt een kokosgeluidsscherm van 3,5 hoog. Om het kokosgeluidscherm natuur-inclusief te maken kunnen de volgende maatregelen worden toegepast: 18. Het realiseren van vogelkasten aan het geluidsscherm. In de groenstrook broeden diverse algemene broedvogels en komen diverse categorie 5 vogels voor zoals de boomkruiper, spreeuw, koolmees en pimpelmees. Dit betreffen holenbroeders die gebruik maken van holten in bomen om een nest in te maken. Door het ophangen van nestkasten worden meer mogelijkheden aangeboden aan holenbroeders om in de groenstrook te gaan broeden. Belangrijk is dat goed gekeken wordt welke type nestkasten worden ophangen.
Vogels stellen specifieke eisen aan nestkasten (grote invliegopening, veiligheid). Zo is er bijvoorbeeld voor de winterkoning een winterkoningbol en voor de boomkruiper een speciale boomkruiperkast. 19. Om verbindingen te realiseren aan beide zijden van het geluidsscherm wordt geadviseerd om in de geluidswal openingen, middels buizen, te creëren. Hierdoor ontstaan verbindingen waardoor kleine marterachtige (bunzing, wezel en hermelijn), amfibieën en grondgebonden zoogdieren (muizen en egel) de hele groenstrook kunnen gebruiken zonder dat de geluidswal een barrière vormt. De verbindingen dienen aan een aantal voorwaarden te voldoen: a. Onder de geluidswal (en kokosgeluidsscherm) dienen buizen/kokers te worden geplaats die dienen als verbinding. De diameter (opening) dient circa 20 bij 20 cm te zijn. Dit is ruim voldoende voor soorten als egel en kleine marterachtigen. De lengte van de buizen/kokers is afhankelijk van de breedte van de geluidswal. b. De binnenzijde buis dient een grove structuur te hebben. Als de binnenzijde glad is kunnen diverse dieren geen gebruik maken van de verbindingen. 20. Om meer te doen voor wilde bijen en andere bestuivers kunnen bijenhotels worden geplaatst. De meest natuurlijke variant is een bijenhotel die van natuurlijk materiaal wordt gemaakt (zie afbeelding 5).
Er dienen boomstammen opgestapeld te worden met daartussen grond/zand, in de kopse kanten van de boomstammen zullen gaten worden gemaakt met een diameter variërend van 4 tot 10 millimeter. Voor de stammen dient een zandbed te worden aangebracht, zodat de bijen ook in het zand kunnen Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
10
nestelen. Daarnaast kunnen ook bijenhotels geplaatst worden aan het kokosgeluidsscherm. De locaties van deze hotels is net als bij de natuurlijke bijenhotels, met voldoende leef- en voedselgebied in de buurt.
Afbeelding 5: Een natuurlijk bijenhotel
Naast de natuur-inclusieve maatregelen zijn nog andere maatregelen toepasbaar waardoor de biodiversiteit in het projectgebied een impuls krijgt. 21. Na het kappen/snoeien van de bomen kan in het gebied takkenrillen worden gemaakt (zie afbeelding 6). Jaarlijks, kan na een snoeibeurt de takkenrillen worden aangevuld (circulair). Hierdoor ontstaat een duurzaam beheerproces, waarbij de aanwezige organismen helpen om dood hout af te breken en daarmee de voedselketen rond maakt. Dergelijke takkenrillen worden gebruikt door tal van insecten, als broed- en foerageerlocatie van vogels (bijv. winterkoning, roodborst en merel), als voortplantingsplaats, schuil en foerageergebied van diverse muizensoorten en kleine marterachtigen. Ook paddenstoelen, mossen en varens kunnen zich op dit soort plekken vestigen.
Afbeelding 6: Een voorbeeld van een takkenril
Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
11
22. Na het realiseren van de kokosgeluidsscherm kunnen stroken worden ingezaaid met een zaadmengel dat bijdraagt aan de biodiversiteit. Veel insecten waaronder bijen, vlinders en zweefvliegen, profiteren van inheemse plantensoorten. Het zaadmengsel dient aan de volgende eisen te voldoen: a. Het zaadmengsel dient te bestaan uit zaden van inheemse plantensoorten; b. Het zaadmengsel dient vrij te zijn van (sporen) van bestrijdingsmiddelen; c. Het zaadmengsel dient een mengel te zijn dat aansluit op de omgeving zoals een mengsel voor bloemrijke ruigten en struwelen. 23. Het beheer dient na de werkzaamheden afgestemd te worden, waardoor de biodiversiteit verhoogd wordt. De beheersmaatregelen bestaan uit: a. Twee maal per jaar maaien. Het maaisel c. 2 weken laten liggen en daarna afvoeren. b. Maai gefaseerd. Laat stroken met vegetatie in de winter staan. Hierdoor is het hele jaar voedsel en beschutting aanwezig voor diverse insecten en vogels.
Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
12
3. ORGANISATIE ECOLOGISCHE BEGELEIDING In dit hoofdstuk is opgenomen op welke momenten ecologische begeleiding noodzakelijk is en welke gegevens dienen te worden vastgelegd in het kader van een omgekeerde bewijslast. Met behulp van deze gegevens kan worden aangetoond dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd onder ecologische begeleiding. 3.1 PLANNING ECOLOGISCHE BEGELEIDING Tabel 3 geeft de kritische momenten weer waarop tenminste ecologische begeleiding noodzakelijk is. Hierbij is de planning zoals opgenomen in § 1.5 als uitgangspunt gehanteerd. Tabel 3: Planning kritische momenten ecologische begeleiding Periode Werkzaamheid Startoverleg met uitvoerende partijen 1 september en 15 Start werkzaamheden met als voorkeur februari in de winterperiode 15 februari – 1 Kappen en snoeien bomen struiken september Gehele periode Alle Gedurende de Natuur-inclusieve maatregelen aanleg kokosgeluidsscherm Na uitvoeren Overige maartregelen t.b.v. de werkzaamheden biodiversiteit
Maatregel 1 t/m 2 3 t/m 5
Ecologische begeleiding Toelichten van het werkprotocol.
5 t/m 11
Broedvogelinspecties
12 t/m 16 17 t/m 20
Zorgplicht Eventueel broedvogelinspecties en adviseren maatregelen, producten en plaatsbepaling
21 t/m 23
Eventueel broedvogelinspecties en adviseren maatregelen, producten en plaatsbepaling
Indien de planning wordt gewijzigd dient contact opgenomen te worden met een deskundig ecoloog. In overleg met een deskundig ecoloog kan worden bepaald of andere maatregelen nodig zijn en of het ecologisch werkprotocol dient te worden aangepast. 3.2 RAPPORTAGE ECOLOGISCHE BEGELEIDING In het kader van omgekeerde bewijslast wordt geadviseerd om een rapportage op te stellen van de uitgevoerde ecologische begeleiding. Hiermee kan aan het bevoegd gezag kenbaar worden gemaakt dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd onder ecologische begeleiding. In de rapportage worden de volgende onderdelen opgenomen: • • • •
Algemene beschrijving van de werkzaamheden en planning. Logboek van de uitgevoerde ecologische begeleiding. Bevindingen van de deskundig ecoloog. Eventuele aanbevelingen en adviezen.
3.3 GEGEVENS BETROKKEN ORGANISATIES De volgende organisaties zijn betrokken bij het project. Tabel 4: Betrokken organisaties Instantie
Betrokkenheid
Provincie Zuid-Holland Uitvoerende instantie wet Natuurbescherming: Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) Postbus 14060 2501 GB DEN HAAG Telefoon: 070 - 2189902
Bevoegd gezag Wet natuurbescherming
Handhaving: Omgevingsdienst Zuid-Holland-zuid Postbus 550 3300 AN Dordrecht Telefoon: 078 770 85 85
Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
13
Gemeente Maassluis Contactpersoon: M.S. de Jong Koningshoek 93.050 3114 BA Maassluis Telefoon: 010-5931825 E-mail: m.s.de.jong@maassluis.nl
Opdrachtgever
VanderHelm Milieubeheer B.V. Contactpersoon: A. Kolders Nobelsingel 2 2652 XA BERKEL EN RODENRIJS Telefoon: 010 - 2492460 E-mail: ako@vdhelm.nl
Ecologische begeleiding
Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
14
REFERENTIES VanderHelm Milieubeheer B.V. Ecologische quickscan geluidswal te Maassluis. kenmerk 20190577, d.d. 23-05-2019 VanderHelm Milieubeheer B.V. Soortgericht onderzoek naar vleermuizen en sperwer te Maassluis. Kenmerk 20190613, d.d. 14-11-2019 VanderHelm Milieubeheer B.V. Monitoring vogels met een jaarrond beschermd nest en algemene broedvogels te Maassluis. Kenmerk MAKA2020408, d.d. najaar 2020
Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
15
BIJLAGE 1
KWALITEITSBORGING EN VERANTWOORDING
DESKUNDIGHEID De uitvoerend ecologen voldoen aan ten minste één van de door het Ministerie van Economische Zaken genoemde voorwaarden en zijn daarmee gekwalificeerd als deskundige. Deze voorwaarden zijn vermeld in Box 22. Box 2: Voorwaarden voor deskundigheid, Ministerie van Economische Zaken. Het Ministerie verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige: op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals de Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer,
Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied); en/of zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of soortenbescherming.
VOLLEDIGHEID ONDERZOEK De ecologische quickscan betreft een onderzoek naar onder andere de (mogelijk) aanwezige beschermde flora en fauna in en nabij het projectgebied. Het onderzoek is gebaseerd op een bureaustudie en een éénmalig veldbezoek. Voor een volledige inventarisatie van alle aanwezige flora en fauna ter plaatse van het projectgebied dient een soortgericht onderzoekt te worden uitgevoerd wat veelal gebonden is aan bepaalde perioden in het jaar. Uit een soortgericht onderzoek kan naar voren komen dat beschermde soorten aanwezig zijn en dat daarop een negatief effect ontstaat. Mitigerende en/of compenserende maatregelen zijn dan nodig en mogelijk dient een ontheffing te worden aangevraagd om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Deze vervolgstappen zijn geen onderdeel van de ecologische quickscan. KWALITEITSBORGING VanderHelm Milieubeheer B.V. is lid van het ‘Netwerk Groene Bureaus (NGB) - Brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging’. De werkzaamheden die door VanderHelm Milieubeheer B.V. worden uitgevoerd, zijn gebaseerd op de door de NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). VanderHelm Milieubeheer B.V. is VCA** (versie 2008/05) gecertificeerd. Onderhavig project is uitgevoerd in overeenstemming met het kwaliteitssysteem van VanderHelm Milieubeheer B.V. VERANTWOORDING VanderHelm Milieubeheer B.V.
is een onafhankelijk adviesbureau en verklaart hierbij geen financiële of juridische belangen te hebben bij de uitkomst van het gevoerde onderzoek.
Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
Bijlage
BIJLAGE 2
REGIONALE SITUATIEKAART PROJECTGEBIED
= Projectgebied
Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
Bijlage
BIJLAGE 3
WETTELIJKE EN BESTUURLIJKE KADERS NATUURBESCHERMING
In Nederland wordt de bescherming van natuur geregeld met behulp van de Wet natuurbescherming. Onder de Wet natuurbescherming valt de bescherming van enerzijds in het wild levende dieren (fauna) en planten (flora) en anderzijds de gebiedsbescherming en de bescherming van houtopstanden. In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de vigerende wet- en regelgeving inzake de Wet natuurbescherming. WET NATUURBESCHERMING (01-01-2017) De Wet natuurbescherming is een samenkomst van drie voormalige natuurwetten: De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Onder de Wet natuurbescherming valt nu de soortenbescherming en de gebiedsbescherming. SOORTENBESCHERMING (FLORA EN FAUNA) De Wet natuurbescherming beschermd kwetsbare en zeldzame flora en fauna. De wet geldt daar waar beschermde soorten voorkomen. De beschermde soorten zijn onderverdeeld in Europees- en nationaal beschermde dier- en plantensoorten. Afhankelijk van de beschermde status van een soort dient bij de aantasting van exemplaren of nesten, voortplantings- of rustplaatsen van deze soort, een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Belangrijk voor de toekenning hiervan is de status, maar ook of de duurzame instandhouding van de populatie wel of niet in het geding is. Indien geen verbodsbepalingen worden overtreden kan mogelijk worden volstaan met een mitigatieplan.
Europees beschermde dier- en plantensoorten Deze soorten betreffen in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn en vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn Voor deze soorten dienen in het geval van ruimtelijke ontwikkeling mitigerende maatregelen opgesteld te worden die ervoor zorgen dat de functionaliteit van de nesten, voortplantings- of rustplaatsen gegarandeerd wordt. Tevens kunnen werkzaamheden, onder voorwaarden, worden uitgevoerd volgens een goedgekeurde gedragscode. Wanneer dit niet mogelijk is kan, indien de volgende belangen aan de orde zijn: bescherming van flora en fauna, dwingende redenen van groot openbaar belang of volksgezondheid of openbare veiligheid, een ontheffing aangevraagd worden. Vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn Voor vogels dienen in het geval van ruimtelijke ontwikkeling mitigerende maatregelen opgesteld te worden die ervoor zorgen dat de functionaliteit van de nesten en rustplaatsen gegarandeerd wordt. Tevens kunnen werkzaamheden, onder voorwaarden, worden uitgevoerd volgens een goedgekeurde gedragscode.
Wanneer dit niet mogelijk is kan, indien de volgende belangen aan de orde zijn: bescherming van flora en fauna, veiligheid van het luchtverkeer of volksgezondheid of openbare veiligheid, een ontheffing aangevraagd worden. Nationaal beschermde dier- en plantensoorten Deze soorten betreffen in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij de Wet natuurbescherming.
Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
Bijlage
Vrijstelling Middels een vrijstellingsregeling kan in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling vrijstelling verleend worden voor nationaal beschermde dier- en plantensoorten. Derhalve hoeft voor deze soorten geen ontheffing te worden aangevraagd. Voor deze soorten blijft wel de algemene zorgplicht van kracht. Per provincie wordt een vrijstellingslijst opgesteld. Elke provincie kan ervoor kiezen om verschillende soorten vrij te stellen. Per project zal gekeken moeten worden welke dier- en plantensoorten in de betreffende provincie zijn vrijgesteld. Voor soorten die niet zijn vrijgesteld dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde gedragscode, of dient bij de aantasting van exemplaren nesten, voortplantings- of rustplaatsen van deze soort bij activiteiten die de verbodsbepalingen overtreden, een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. VERBODEN HANDELINGEN Naast de zorgplicht zijn een aantal verboden handelingen opgenomen. Deze worden hieronder weergegeven. Artikel 3.1 Vogelrichtlijn 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3.
Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.5 Habitatrichtlijn 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 Nationaal beschermde dier- en plantensoorten 1.
Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;
Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
Bijlage
c.
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Gedragscode Voor zowel Europees als nationaal beschermde soorten geldt dat werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden volgens een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. De betreffende gedragscode moet voor de werkzaamheden en soort(groep) geschreven en beschikbaar zijn.
Dit geldt indien de werkzaamheden plaatsvinden in het kader van: - een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of –bermen, of in het kader van natuurbeheer; - een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; - een bestendig gebruik, of - een ruimtelijke inrichting of ontwikkeling. Werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd onder een gedragscode, mits de functionaliteit van de nesten, voortplantings- of rustplaatsen van de soorten behouden blijft. Positieve afwijzing Als er maatregelen genomen worden om de functionaliteit van de nesten, voortplantings- of rustplaatsen van zowel Europees als nationaal beschermde soorten garanderen, is een ontheffing op de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Om er echter zeker van te zijn of de opgestelde mitigerende maatregelen voldoende zijn, kan op basis van deze maatregelen een ontheffing bij de betreffende provincie worden aangevraagd. Indien de provincie akkoord gaat met de mitigerende maatregelen en de functionaliteit van de nesten, voortplantings- of rustplaatsen van de soorten hiermee behouden blijft, wordt de ontheffingsaanvraag positief afgewezen en mogen de werkzaamheden zonder ontheffing worden uitgevoerd. ZORGPLICHT De zorgplicht valt onder zowel de soortenbescherming (dier- en plantensoorten) als gebiedsbescherming.
Onderstaand worden de maatregelen met betrekking tot zorgvuldig handelen weergegeven, zoals opgenomen artikel 1.11 en artikel 3.31, lid 3, van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura-2000 gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura-2000 gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
Bijlage
Artikel 3.31, lid 3, van de Wet natuurbescherming 3. Van zorgvuldig handelen is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: i. dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; ii. nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en iii. eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield.
GEBIEDSBESCHERMING Onder de gebiedsbescherming vallen de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, Beschermde Natuurmonumenten, gebieden ter uitvoering van verdragen en andere internationale verplichtingen (zoals wetlands) en houtopstanden. NATURA2000 Natura 2000-gebieden zijn gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Voor elk Natura 2000-gebied wordt door de betreffende provincie een beheerplan opgesteld, waarin de nodige instandhoudingsmaatregelen zijn opgenomen. Artikel 2.7, lid 2, van de Wet natuurbescherming stelt over Natura 2000-gebieden het volgende: ‘Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.’ De toetsing betreft het vaststellen of het projectgebied in of in de omgeving van een beschermd natuurgebied gelegen is en of er sprake is van een negatief effect op de beschermde natuurwaarden. Als dit niet het geval is dan is verder onderzoek niet nodig.
Indien er wel sprake is van een effect op beschermde natuurwaarden is een aanvullende toetsing noodzakelijk, waarbij wordt vastgesteld in hoeverre er sprake is van een negatief effect. NATUURNETWERK NEDERLAND Het beschermingsregime voor gebieden die vallen onder het NNN vloeit voort uit het Natuurbeleidsplan uit 1991 en de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Het is in de Nota Ruimte op nationaal niveau en vervolgens door de provincies op provinciaal niveau nader uitgewerkt. Bescherming van deze gebieden is op planologische basis en er wordt van uitgegaan van het "Nee, tenzij‟-regime en compensatiebeginsel. Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in het NNN het "nee, tenzij‟- regime. Indien een voorgenomen ingreep de "nee, tenzij‟-afweging met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden, mits de eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Indien een voorgenomen ingreep niet voldoet aan de voorwaarden uit het "nee, tenzij‟-regime dan kan de ingreep niet plaatsvinden.
Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
Bijlage
Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming (houtopstanden) vallen: - alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; - alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; - bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. Wanneer voor het uitvoeren van werkzaamheden houtopstanden zoals hierboven beschreven gekapt moeten worden geldt een meldings- en herplantplicht. De kapmelding is geen kapvergunning. In sommige gemeenten is een kapvergunning vereist, die door de gemeente wordt afgegeven. Voordat gekapt wordt, is het raadzaam bij de gemeente na te vragen of een vergunning vereist is. Als dat zo is, moet die apart worden aangevraagd. Gemeenten leggen in de bomenverordening vast welke bomen zonder vergunning mogen worden gekapt en voor welke bomen een meldings- of vergunningsplicht geldt. Binnen drie jaar nadat een bos is gekapt, moet het worden herplant. Deze termijn van drie jaar geldt ook als het bos door een calamiteit (brand, storm, ziekten of plagen) verloren gaat. Na drie jaar moet er een geslaagde herbebossing zijn uitgevoerd. Een herbeplanting die niet goed is aangeslagen moet, binnen 3 jaar na kap, worden ingeboet.
In de Wet natuurbescherming zijn verboden handelingen ten aanzien van houtopstanden opgenomen in artikel 4.2. Deze worden hieronder weergegeven. Artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming 1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen over de melding, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op: a. de gegevens die bij de melding worden verstrekt; b. de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan, en c. de wijze waarop de melding wordt gedaan. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden. De meldings- en herplantplicht is niet van toepassing: - indien houtopstanden worden geveld ter uitvoering van instandhoudingsmaatregelen of ten behoeve van Natura 2000-gebieden; - voor het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. In uitzonderingsgevallen kan een kapverbod worden opgelegd als het natuur- en landschapsschoon ernstig geschaad dreigt te worden door de voorgenomen kap.
In de praktijk gebeurt dit nagenoeg nooit. Er moet sprake zijn van opstanden of lanen van een uitzonderlijke natuurwaarde of landschappelijke waarde.
Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
Bijlage
BIJLAGE 4
TEKENING GEPLANDE WERKZAAMHEDEN
Ecologisch werkprotocol aan te leggen geluidswal te Maassluis Projectcode: 20191333
Bijlage
Locatie bestaande geluidswal Kastanjedal Doornenbuurt Locatie volkstuinenvereniging De Vluchtheuvel
Locatie Lely