Bijlage 2 Uitgangspunten voor het plaatsen van ondergrondse containers
Tekst van het document
Uitgangspunten voor het plaatsen van ondergrondse containers Aan deze uitgangspunten moeten de plaatsen van de ondergrondse containers zoveel mogelijk voldoen. 1. Zoveel mogelijk overlast voorkomen voor aangrenzende percelen. Risico op schade aan de omgeving tijdens het laden en lossen zoveel mogelijk beperken. Moet veilig bereikbaar zijn. 2. Minimaal 3 meter vanaf de gevel van de woning. Bij een blinde muur kan hiervan worden afgeweken, in dit geval is de afstand bij voorkeur 2 meter. De afstand tot de erfgrens bedraagt minimaal 2 meter. 3. Bij voorkeur niet voor een deur of onder een raam/ balkon van een woonhuis. Bij voorkeur niet aan de zuid-westzijde van tuinen i.v.m. overheersende windrichting. 4. Horizontale afstand van de container tot een balkon of galerij: bij voorkeur minimaal 3 meter 5. Goed bereikbaar vanuit de aangewezen woningen. Geen obstakels op de toeleidende paden. Rekening houden met rolstoel- en rollatorgebruikers. Oprit bij een trottoir moet minimaal 1,5 meter breed zijn. 6. Om oneigenlijk gebruik (bijv. parkeren) op of direct nabij de container te voorkomen kunnen voorzieningen worden aangebracht, in de vorm van paaltjes, kattenruggen e.d. 7. Plaatsing bij voorkeur op gemeentegrond. De opstelplaats voor het inzamelvoertuig moet veilig en verkeerstechnisch verantwoord zijn. 8.
Om de container leeg te kunnen maken mag de afstand vanaf de zijkant van het inzamelvoertuig tot het hart van de container niet meer dan 5 meter zijn. 9. Tussen de container en het inzamelvoertuig mag geen fietspad liggen. 10. De containers staan bij voorkeur niet in beeldbepalend openbaar groen. In de buurt van bomen wordt rekening gehouden met de verwachte groei van de boom. 11. De containers moeten bij voorkeur aan een openbare weg liggen omdat de container bij voorkeur vanaf de openbare weg wordt opgepakt en geleegd. 12. Achteruitrijden door het inzamelvoertuig moet zoveel mogelijk worden vermeden. Dit in het kader van de bereikbaarheid en veiligheid voor het voertuig en de omgeving. 13. Om de container(s) goed leeg te kunnen maken, mag ervoor/naast niet worden geparkeerd. Als het nodig is wordt daarvoor een verkeersbesluit genomen of een parkeerverbod ingesteld. Het inzamelvoertuig is ca. 10 meter lang en 2,5 meter breed. 14. Er wordt gestreefd naar een maximale loopafstand van rond 250 meter, gemeten vanaf de erfgrens. In bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken. Bijv. vanwege: a. Techniek (kabels en leidingen in de grond); b. Bereikbaarheid en veiligheid van de locatie voor inzamelvoertuigen, medewerkers en inwoners; c. Route-efficiency en doelmatigheid: het is kostbaar om voor een klein aantal woningen een extracontainer te plaatsen; d. Op verzoek van bewoners.
15. Onder de containerlocaties mogen geen kabels, leidingen en rioleringen liggen. Het verleggen van kabels en leidingen moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Pas als er geen alternatieve locatie beschikbaar is worden kabels of leidingen verlegd. 16. Het inzamelvoertuig mag de container niet over geparkeerde auto’s takelen. 17. Het straatwerk rondom de container moet egaal en afwaterend zijn zodat er geen plassen blijven staan. 18. Rondom het loopvlak om de container moet minimaal een hele stoeptegel geplaatst kunnen worden. 19. In historische kernen wordt rekening gehouden met gezichtsbepalende objecten zoals monumenten, beschermd dorpsgezicht, archeologische objecten, gebouwen. 20. De containers voor restafval zullen zodanig worden geplaatst dat het risico van vermenging van restafval met reeds gescheiden afval wordt geminimaliseeerd.
Concept locatieplan Per afvalinzamelgebied wordt aan de hand van deze uitgangspunten een voorlopig locatieplan opgesteld. Het locatieplan bevat een overzichtsplattegrond, een detailplattegrond per locatie, een lijst van aangesloten percelen, een situatiefoto en een beschrijving van de noodzakelijke aanpassingen aan de openbare ruimte. Het concept locatieplan wordt ter vaststelling aangeboden aan B&W. Informatietraject Na vaststelling van het concept locatieplan worden alle belanghebbenden geïnformeerd. Direct omwonenden en gebruikers van de ondergrondse verzamelcontainer ontvangen een brief met het concept locatieplan. Het concept locatieplan en het besluit worden ter inzage gepubliceerd. Een inloopavond voor bewoners kan worden georganiseerd. Hierbij kan toelichting gegeven worden op het afvalbeleid en op de gekozen locaties. Vanaf de datum van publicatie hebben bewoners gedurende 6 weken de tijd om zienswijzen in te dienen. Na het verstrijken van de termijn worden alle zienswijzen verzameld en beoordeeld. De zienswijzen kunnen via mail of per brief worden geuit. De zienswijzen en de daarop geformuleerde antwoorden worden verzameld weergegeven in een inspraakreactie. Afhankelijk van de zienswijzen kan een locatie van een ondergrondse container worden gewijzigd. Nadat eventuele wijzigingen zijn verwerkt wordt een definitief locatieplan opgesteld.
Definitief locatieplan Na het opstellen van het definitieve locatieplan wordt deze met de inspraakreacties en een aanwijzingsbesluit ter vaststelling voorgelegd aan B&W. Na vaststelling worden de indieners van een zienswijze geïnformeerd per brief, waarin ook de mogelijkheid wordt toegelicht om in beroep te gaan. Het besluit wordt gepubliceerd, waarna bewoners 6 weken de tijd hebben om in beroep te gaan. Plaatsing en ingebruikname Voordat de containers geplaatst worden, worden bewoners via brieven geïnformeerd over de implementatie en ingebruikname.