Bijlage 2 Kadernota VRR 2023
Tekst van het document
Algemene en Financiële beleidskaders 2023
Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond
1
Inhoud Uitgangspunten opstellen begroting 2023 ............................................................................................. 3 1. Inleiding............................................................................................................................................... 3 2. Opzet van de programmabegroting................................................................................................ 4 3. Baten ................................................................................................................................................... 5 3.1 Gemeentelijke bijdragen ............................................................................................................ 5 3.2 Bijzondere Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR) ......................................................... 10 3.3 Overige opbrengsten ................................................................................................................ 10 4. Lasten ............................................................................................................................................... 11 4.1 Personeel ...................................................................................................................................
11 4.2 Indexering van de lasten .......................................................................................................... 13 4.3 Investeringen en kapitaallasten .............................................................................................. 13 4.4 Ontwikkeling Begroting ............................................................................................................ 13 5. Eigen vermogen .............................................................................................................................. 14 5.1 Weerstandsvermogen .............................................................................................................. 14 5.2 Liquiditeitspositie ....................................................................................................................... 14 5.3 Reserves en voorzieningen ..................................................................................................... 14 6. Beleidsontwikkelingen .................................................................................................................... 15 6.1 Algemeen ...................................................................................................................................
15 6.2 Overige ontwikkelingen ............................................................................................................ 19 Bijlage 1: Overzicht van plustaken 2023 .......................................................................................... 21 Bijlage 2: Overzicht van ontwikkelagenda scenario 1 en 2 ........................................................... 22
2
Uitgangspunten opstellen begroting 2023 Voor u ligt de kadernota 2023. Hierin zijn de financiële en beleidsmatige kaders voor de programmabegroting van 2023 opgenomen. De kadernota vormt het startpunt van het proces van begroting en verantwoording.
Kadernota
Programmabegroting
Begrotingswijzigingen
Jaarrekening
De kaders uit de kadernota zijn het uitgangspunt bij het opstellen van de programmabegroting 2023. Voordat het bestuur de programmabegroting 2023 definitief vaststelt, wordt deze aan de gemeenten aangeboden, zodat zij hun zienswijze kenbaar kunnen maken.
1. Inleiding Op 1 januari 2023 zal het nieuwe meerjarenbeleidsplan 2023 van start gaan. Dit beleidsplan zal grotendeels in het teken staan van de uitkomsten van de VRR Ontwikkelagenda. De aanleiding voor de VRR Ontwikkelagenda ligt in het feit dat het takenpakket van de VRR in het afgelopen decennium aanzienlijk is verbreed. De uitbreiding van taken is o.a. het gevolg van diverse nieuwe ontwikkelingen die gevolgen hebben voor de dienstverlening van de VRR. Denk hierbij aan verstedelijking (inclusief hoogbouw), de klimaat- en energietransitie, de komst van de omgevingswet, digitalisering, informatisering en robotisering, extreem weer, Covid-19 etc. De uitkomsten van de ontwikkelagenda zijn inmiddels ter besluitvorming aan het bestuur voorgelegd en akkoord bevonden in de vergadering van het algemeen bestuur van 8 december 2021. De consequenties zijn in deze kadernota verwerkt. Als gevolg van dit traject zal de kadernota in tegenstelling tot voorgaande jaren de zienswijze procedure doorlopen. Nadat de kadernota de zienswijze heeft doorlopen wordt de programmabegroting opgesteld.
3
2. Opzet van de programmabegroting De opzet van de begroting 2023 voldoet aan het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en, voor zover van toepassing, de Wet- en regelgeving Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) met de verbijzonderingen daarop zoals neergelegd in de Financiële Verordening van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. Autorisatie van de begroting vindt volgens het BBV formeel plaats op programmaniveau. Wijzigingen als gevolg van het jaarverslag (en de jaarrekening) 2021 en wijzigingen in de begroting voor het jaar 2022 worden in de begroting 2023 verwerkt, waarbij tevens de uitkomsten van de toetsing van de omvang en noodzaak van de reserves en voorzieningen zijn verwerkt. De begroting 2023 bestaat uit vier programma’s: • programma Ambulancezorg • programma Brandweerzorg • programma Risico & Crisisbeheersing (R&C). In dit programma is ook de GHOR opgenomen. • programma Overhead
4
3. Baten
3.1 Gemeentelijke bijdragen Indexering bijdragen Voor de indexering van de gemeentelijke bijdragen wordt uitgegaan van het indexeringspercentage dat jaarlijks wordt bepaald door de Werkgroep verbetering financiële sturing gemeenschappelijke regelingen en is vastgesteld door de colleges van B&W van alle deelnemende gemeenten. Vooralsnog wordt in deze kadernota uitgegaan van de nog niet vastgestelde conceptbrief voor 2023. De werkgroep gaat bij de bepaling van het indexeringspercentage voor gemeenschappelijke regelingen vanaf 2022 uit van een gewogen indexpercentage. De looncomponent maakt daarvan 80% uit, op basis van het indexcijfer ‘prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers’. De overige 20% wordt bepaald door de ‘nationale consumentenprijsindex’. Beide indexcijfers zijn te vinden in de verzamelde bijlagen van de Macro Economische Verkenning 2022. Voor 2023 komen beide uit op 1,9%.
Jaren
2020
2021
2022
2023
Prijsindex CPB
2,30
2,30
2,90
1,90
Voorgaande jaren
1,70
1,50
1,40
Verrekening
0,60
0,80
1,50
1,90
Correctie 2022
1,50
Correctie 2021
0,80
Correctie 2020
0,60
Accres 2023
4,80
Getoonde cijfers in bovenstaande tabel zijn percentages. Inwonerbijdragen 2023 Nieuwe kostenverdeelsleutel Voor het begrotingsjaar 2023 zal voor de gemeentelijke bijdrage een nieuwe kostenverdeelsystematiek gebruikt gaan worden voor het bepalen van de gemeentelijke bijdrage (op basis van het voorstel van het AB van 8 december 2021 met betrekking tot kostenverdeelsleutel en gemeenschappelijke regeling). Het aantal inwoners per gemeente is niet langer de basis voor het bepalen van de primaire bijdrage. Vanaf 2023 is dat het evenredig aandeel van elke gemeente in het Gemeentefonds voor het subcluster Brandweer en Rampenbestrijding (onderdeel van het cluster OOV), zoals opgenomen in de September circulaire (uitgavejaar 2022)1. Tevens zijn de kosten voor bluswatervoorzieningen uit de primaire bijdrage gehaald en worden deze vanaf 2023 separaat doorbelast, net als de Plustaken (voorheen DVO+). Voor Schiedam en Rotterdam worden de wijkbrandweermannen als Plustaak gezien vanaf 2023. Daarentegen wordt de Chemisch adviestaak en FLO met ingang van 2023 onderdeel van de primaire bijdrage. 2 Deze methodiek leidt tot een andere opbouw van de primaire bijdrage per gemeente.
Om sommige gemeenten niet direct met een grote kostenverhoging te confronteren is ervoor gekozen om naar deze nieuwe verdeelsleutel in te groeien met 25% per jaar over een periode van 4 jaar (t/m 2026) met een maximum van € 4,25 per inwoner per jaar. Op basis van dit maximum bedraagt de ingroeiperiode voor de gemeente Goeree-Overflakkee 6 jaar. Ontwikkelagenda Als gevolg van de uitvoering van de ontwikkelagenda (op basis van het besluit van het AB van 8 december 2021) stijgt de bijdrage in 4 jaar met een totaal van € 9.450k. Conform het AB-besluit zal de totale bijdrage in het kader van de ontwikkelagenda tot en met 2026 stapsgewijs toenemen. In 2023 is de 1
De nieuwe verdeelsleutel wordt bij elke begrotingscyclus bij het opstellen van de kadernota geactualiseerd op basis van de meest recente septembercirculaire. 2 Deze wijzigingen zijn nader onderbouwd in hoofdstuk 4 van het Eindrapport kostenverdeelsleutel VRR, versie 1.0, d.d. 25 november 2021.
5
tranche opgenomen van € 3.858k. Deze is onderdeel van de basisbijdrage. De voortgang van het ontwikkelingstraject wordt gemonitord en eventueel bijgesteld na besluitvorming in het bestuur. Na besluitvorming wordt dit opgenomen in de eerstvolgende kadernota. De toename van de bijdrage in het kader van de ontwikkelagenda ziet er (exclusief indexering) als volgt uit:
Toename per jaar (bedragen x € 1.000,-) 2023
2024
3.858
2025
2.575
2026
1.887
1.129
In onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van de bijdrage 2022 conform primaire begroting tot aan de bijdrage 2023 gepresenteerd:
Bijdragen
Bijdrage 2022 conform begroting
2023 na 1e stap herverdeling
Ontwikkelagenda
Accres
Totale bijdrage 2023
Albrandswaard
1.267.936
1.276.878
52.000
64.426
1.393.304
Barendrecht
2.414.494
2.434.412
103.000
123.222
2.660.634
Brielle
1.219.048
1.188.517
45.000
54.220
1.287.737
Capelle aan den IJssel
4.319.796
4.274.583
165.000
204.467
4.644.050
Goeree-Overflakkee
2.835.109
3.046.558
165.000
162.314
3.373.872
Hellevoetsluis
2.010.876
2.070.930
92.000
111.847
2.274.777
Krimpen aan den IJssel
1.461.625
1.495.622
65.000
78.963
1.639.585
Lansingerland
3.827.581
3.654.851
130.000
154.980
3.939.831
Maassluis
1.706.600
1.740.055
76.000
90.924
1.906.979
Nissewaard
5.369.744
5.324.085
211.000
256.346
5.791.431
Ridderkerk
2.350.903
2.441.958
110.000
134.190
2.686.148
Rotterdam (excl. GB)
54.505.894
54.513.326
2.171.000
2.622.584
59.306.910
Schiedam
6.005.631
5.920.227
231.000
279.727
6.430.954
Vlaardingen
5.602.084
5.436.819
204.000
244.105
5.884.924
Westvoorne Totaal
1.039.570 95.936.891
1.012.344 95.831.167
38.000 3.858.000
45.995 4.628.310
1.096.339 104.317.475
4.269.494
4.271.791
175.000
212.062
4.658.853
Voorne aan Zee
In de kolom “2023 na 1e stap herverdeling” is de eerste jaartranche van 25% van de kostenverdeelsleutel per gemeente toegepast (zie “nieuwe kostenverdeelsleutel” op blz. 5). Daarnaast is op deze kolom de consequentie van de ingroeiperiode van 6 jaar van Goeree Overflakkee verwerkt (-105.724 euro), waardoor de totale bijdrage van de eerste naar de tweede kolom zakt met dit zelfde bedrag. Genoemde bedragen in de kolom “2023 na 1e stap herverdeling” en kolom “Ontwikkelagenda” zijn conform de besluiten van het AB van 8 december 2021 met betrekking tot respectievelijk de besluiten “Kostenverdeelsleutel” en de “Ontwikkelagenda”. In de kolom accres zijn de volgende zaken opgenomen: -
Indexering (accres) op de basisbijdrage van 4,8% o.b.v. het indexeringspercentage dat jaarlijks wordt bepaald door de Werkgroep verbetering financiële sturing gemeenschappelijke regelingen (zie blz. 5) Indexering op de bijdrage plustaken en bluswater van 4,8%. Indexering op de bijdrage ontwikkelagenda van 3,4% (correctie 2022 van 1,5% plus indexering 2023 van 1,9%) Verlaging van de bijdrage voor de Plus-taak Strandwacht Rotterdam toegepast conform individuele afspraak.
6
Voor de toepassing van accres en ontwikkelagenda per gemeente wordt de verdeelsleutel o.b.v. evenredigheid aan de inkomsten uit het subcluster Brandweer en Rampenbestrijding uit het Gemeentefonds aangehouden.
7
Meerjarenraming inclusief plustaken en bluswaterbijdrage Naast de basisbijdrage voor de basiszorg zijn met enkele gemeenten separate afspraken gemaakt. Dit worden de zgn. Plustaken genoemd. Onder deze taken vallen in de huidige systematiek onder andere de individuele bijdragen ten aanzien van de lasten voortvloeiend uit het FLO-overgangsrecht. Als gevolg van de nieuwe kostenverdeelsleutel is de FLO bijdrage vanaf 2023 een onderdeel van de primaire bijdrage en is de bluswatervoorziening als aparte bijdrage opgenomen. Onderstaande tabel geeft de verwachte meerjarenontwikkeling over de jaren 2023-2026:
Totale bijdrage 2023 is opgebouwd uit: Gemeente
Totale bijdrage 2023
Basisbijdrage 2023
Albrandswaard
1.393.304
1.356.876
Barendrecht
2.660.634
2.660.634
Brielle
1.287.737
1.270.450
Capelle aan den IJssel
4.644.050
4.485.505
Goeree-Overflakkee
3.373.872
3.307.983
Hellevoetsluis
2.274.777
2.248.760
Krimpen aan den IJssel
1.639.585
1.608.967
Lansingerland
3.939.831
Maassluis
Plustaken
Totale bijdrage 2024
Bluswater
36.428
Totale bijdrage 2025
Totale bijdrage 2026
1.438.437
1.474.264
1.498.717
2.751.899
2.823.517
2.875.489
17.288
1.287.192
1.279.409
1.262.319
85.185
4.712.577
4.750.084
4.755.537
65.889
3.700.095
3.995.299
4.256.380
0
2.397.905
2.505.523
2.592.461
30.617
1.718.044
1.785.129
1.838.772
3.939.831
3.856.025
3.749.471
3.616.033
1.906.979
1.906.979
1.993.168
2.064.882
2.121.085
Nissewaard
5.791.431
5.704.716
86.715
5.891.564
5.952.406
5.970.854
Ridderkerk
2.686.148
2.629.556
56.592
2.852.686
2.999.578
3.123.721
Rotterdam (excl. GB)
59.306.910
57.264.273
1.231.734
810.902
60.812.609
61.918.150
62.582.172
Schiedam
6.430.954
6.357.594
73.360
6.505.820
6.537.259
6.521.133
Vlaardingen
5.884.924
5.884.924
Westvoorne Totaal
1.096.339 104.317.475
1.082.412 101.709.460
4.658.853
4.601.621
Voorne aan Zee
73.360 26.018
5.861.317
5.798.418
5.695.193
1.404.472
13.927 1.203.543
1.094.963 106.874.301
1.087.383 108.720.770
1.071.532 109.781.398
26.018
31.215
4.780.060
4.872.315
4.926.312
8
De gemeenten die bijdragen voor bluswatervoorzieningen zijn de gemeenten voor wie de bluswatervoorzieningen van oudsher bij de VRR zijn georganiseerd. De gemeenten die geen bijdrage aan de VRR leveren voor bluswatervoorzieningen hebben deze taak in eigen beheer. Een specificatie van de Plustaken is opgenomen in bijlage 1 “Overzicht van Plustaken”. De bijdragen voor plustaken en bluswater in de periode 2024-2026 zijn gelijk aan het jaar 2023: voor de jaren na 2023 is in deze kadernota geen indexering opgenomen, behalve op de stapsgewijze ontwikkeling van de bijdrage aan de ontwikkelagenda. Op deze stappen is een indexering van 3,4% (1,5% correctie 2022 en 1,9% accres 2023) toegepast. De mutatie van 2023 naar 2024 ziet er dan als volgt uit:
Mutatie 2023-2024
Bijdrage
Basisbijdrage 2023
101.709.460
Ontwikkelagenda
2.575.000
Indexering ontwikkelagenda Correctie 6-jaars transitie Goeree Basisbijdrage 2024 Plustaken en Bluswater Totale bijdrage 2024
87.550 -105.724 104.266.286 2.608.015 106.874.301
9
3.2 Bijzondere Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR) De Bijzondere Doeluitkering Rampenbestrijding, waarmee gerekend wordt voor de begroting 2023 en de meerjarenraming, is overgenomen uit de brief van 7 juni 2021 van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. In de brief is de prognose gegeven voor de jaren 2022-2025. Voor het jaar 2026 nemen wij de cijfers voor 2025 als uitgangspunt.
Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDUR) (x € 1.000,-) 2021
2022
2023
2024
2025
2026
12.478
12.490
12.492
12.492
12.492
12.492
( Incl. bijzondere bijdrage CBRN risico's)
3.3 Overige opbrengsten Zorgverzekeraars Op 1 januari 2021 zijn de activiteiten van de Coöperatie AZRR volledig overgaan naar de VRR. De VRR maakt jaarlijks afspraken met de zorgverzekeraars over het aantal te leveren diensten en het daarbij behorende budget. De onderhandelingen over het budget 2023 zullen naar verwachting in oktober 2022 plaats vinden. Bij het opstellen van de begroting 2023 zijn de financiële uitgangspunten 2021 opgenomen worden. Na het vaststellen van het wettelijk budget met de zorgverzekeraars zal het definitieve budget via de begroting(swijziging) worden aangepast.
10
4. Lasten 4.1 Personeel Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren Met de komst Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) zijn de arbeidsvoorwaarden van de gemeentelijke sector geregeld in de cao-gemeenten/cao samenwerkende gemeentelijke organisaties van de VRR. Voor de veiligheidsregio’s is tijdelijk een uitzondering gemaakt en is de huidige publiekrechtelijke regeling van arbeidsvoorwaarden (CAR-UWO) nog steeds van kracht. In de aanpassingswet Wnra is een bepaling opgenomen dat het personeel van de veiligheidsregio’s met uitzondering van het personeel van de ambulancezorg op een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip zal plaatsvinden. Voor de veiligheidsregio’s is nu een werkgeversvereniging opgericht (Werkgevers Vereniging Samenwerkende Veiligheidsregio’s) die zich gaat richten op de collectieve arbeidsvoorwaardenvorming. Zij zullen zich eerst bezig houden met het moment van inwerkingtreding van de Wnra. Hierbij is de discussie over het onderscheid tussen vrijwilligers en beroeps bij de brandweer belangrijk. Met het verschijnen van het rapport “de juridische kaders voor maximaal behoud van brandweervrijwilligheid in Nederland” lijkt deze duidelijkheid (voorlopig) gegeven. Dat betekent dat de vraag naar voren komt over de inwerkingtreding van de Wnra.
De werkgeversvereniging gaat hierbij 3 scenario’s uitwerken: 1) Vrijwilligers blijven buiten de Wnra en voor al het overige personeel treedt de Wnra in werking; 2) Het volledige personeel van de veiligheidsregio blijft buiten de Wnra; 3) Voor het volledige personeel van de veiligheidsregio’s (dus ook de brandweervrijwilligers) treedt de Wnra in werking. De keuze zal halverwege 2022 ter besluitvorming worden voorgelegd. De uiteindelijke keuze wordt door de minister/kabinet gemaakt. Taakdifferentiatie De positie van de brandweervrijwilligers op grond van de deeltijdrichtlijn is juridisch niet meer houdbaar. Het onderscheid tussen vrijwilligers en beroeps moet aangescherpt worden. Landelijk is onderzocht of een fundamenteel onderscheid in taken tussen een vrijwilliger en een beroepsmedewerker (taakdifferentiatie) hiervoor een oplossing biedt. De minister heeft hierop een finale juridische toets laten doen waaruit blijkt dat voor het behoud van vrijwilligheid bij de brandweer taakdifferentiatie niet vereist wordt door Europees recht onder voorwaarden dat de rechtspositie van brandweervrijwilligers expliciet gebaseerd wordt op het concept van vrijwilligheid. Dit betekent dat het contrast tussen vrijwillige brandweer en beroeps verscherpt moet worden en dat niet meer gewerkt kan worden met geconsigneerde en gekazerneerde vrijwilligheid.
Landelijk wordt in kaart gebracht wat de consequenties hiervan zijn, waarbij het uitgangspunt is om vanuit een landelijke aanpak te komen tot een vergoeding vanuit het Rijk voor deze consequenties. 2e loopbaanbeleid veiligheidsregio’s Het 2e loopbaanbeleid is tot stand gekomen doordat de pensioengerechtigde leeftijd verschoven is naar een hogere leeftijd. Dit betekent dat medewerkers die op of na 1 januari 2006 in dienst zijn getreden in een repressieve Brandweerfunctie deze (bezwarende) functie in principe maximaal 20 jaar mogen uitoefenen. De gedachte achter het 2e loopbaanbeleid is dat medewerker gedurende zijn loopbaan zich voorbereidt op uitstroom. Het uiteindelijk doel is een functie binnen dan wel buiten de eigen organisatie te vinden. Om dit te kunnen realiseren wordt de medewerker gefaciliteerd in opleiding, stage en andere vormen van scholing gericht op het vergroten van zijn/haar arbeidsmarktwaarde. Daarnaast is facilitering en ondersteuning mogelijk door een interne loopbaanadviseur/coach die de medewerker kan begeleiden op de arbeidsmarkt. De kosten die hiermee gemoeid zijn zitten niet zozeer in de directe kosten (school-, collegegeld en begeleiding), maar veeleer in verleturen van medewerkers en vervanging van deze medewerkers tijdens de opleidingen. In de praktijk blijk dat veel brandweermensen willen en kunnen langer doorwerken dan 20 jaar.
Landelijk wordt gewerkt aan een herijking van het 2e loopbaanbeleid. De universiteit van Maastricht doet onderzoek om inzicht te krijgen in de elementen van het zware werk in de huidige situatie, de samenhang tussen (combinaties van) deze elementen en parameters van duurzame inzetbaarheid.
11
Daarnaast is in april 2017 het plan brandweerzorg vastgesteld door het Algemeen Bestuur. Dit plan schetst in grote lijnen de koers tot het jaar 2025. Het gaat hierbij om de zoektocht naar een optimale mix van preventieve maatregelen en flexibele en dynamische brandweerzorg waarmee de Brandweer de continuïteit van de veiligheid kan blijven waarborgen. De personele consequenties van deze ontwikkeling worden de komende jaren duidelijk en kunnen ook invloed hebben op het tweede loopbaanbeleid. Ter dekking van de kosten van de uitvoering van het 2e loopbaanbeleid voor een periode van 10 jaar, is in 2013 een bestemmingsreserve ingericht. Conform BBV-regelgeving (omtrent structurele en incidentele aard) wordt deze reserve vanaf 2022 omgezet naar een voorziening. Op basis van de huidige prognose bevat deze voorziening voldoende middelen om de kosten tot en met 2027 op te vangen. Vanaf 2028 is er sprake van een daling van de FLO lasten. Door de daling van de FLO lasten kan de stijging van de lasten 2e loopbaan worden opgevangen. De lasten in het kader van het 2e loopbaanbeleid worden in de begroting en de meerjarenraming meegenomen en zijn als volgt begroot:
Lasten 2e loopbaanbeleid (x € 1.000,-) Omschrijving Opleidingen en begeleiding Verleturen personeel in opleiding Garantietoelage Totale lasten Dotatie aan de voorziening Toevoeging / Onttrekking aan de voorziening Beginstand voorziening Eindstand voorziening
2022 30 53 83 2.754 2.671 2.671
2023 74 273 347 225 -122 2.671 2.549
2024 110 406 516 225 -291 2.549 2.258
2025 143 608 752 225 -527 2.258 1.731
2026 149 617 53 819 225 -594 1.731 1.137
De onderstaande grafiek laat het meerjarig verloop van de kosten 2 e loopbaan zien ten opzichte van de daling van de FLO kosten.
12
4.2 Indexering van de lasten Eventuele reeds overeengekomen CAO-wijzigingen en wijzigingen in de sociale lasten en pensioenpremies worden in de personele lasten verwerkt. Eind 2021 zijn bonden en werkgevers een principeakkoord voor een nieuwe CAO voor gemeentemedewerkers overeengekomen met een looptijd tot 31 december 2022. Begin 2022 zal deze naar verwachting goedgekeurd worden. In deze CAO zijn o.a. afspraken gemaakt over structurele loonstijgingen (1,5% per 1 december 2021 en 2,4% per 1 april 2022), vergoeding thuiswerken en verlof. Deze afspraken werken ook door naar 2023. Daarnaast worden de overige lasten verhoogd met het laatst bekende inflatiecijfer van het Centraal Bureau voor de statistiek (CBS).
4.3 Investeringen en kapitaallasten Bij het opstellen van de begroting 2023 en de meerjarenplanning wordt uitgegaan van de investerings-planning 2023-2026.
Investeringen & Kapitaallasten (* € 1.000) Omschrijving
2022
2023
2024
2025
2026
Investeringen Kapitaallasten
21.071 9.993
17.016 10.772
4.325 11.114
8.574 11.005
4.315 10.909
De kapitaallasten worden in de begroting en meerjarenraming verwerkt op basis van de laatst bekende informatie. Voor de berekening van de rente op kapitaallasten is gerekend met de reële rente op de leningen. Als gevolg van het grote investeringsvolume in 2022 en 2023 wijzigen de kapitaalslasten ten opzichte van 2022.
4.4 Ontwikkeling Begroting In deze paragraaf wordt inzicht gegeven in de raming op hoofdlijnen 2023-2026 ten opzichte van de ontwikkelingen uit deze kadernota. Ontwikkeling Begroting 2023 en raming 2024-2026 (x € 1.000)
PROGRAMMA'S
B2023 obv meerjaren 2e BW 2021
Mutaties
B2023
B2024
B2025
B2026
Ambulancezorg
55.145
-555
54.590
54.590
54.590
54.590
Brandweerzorg
82.378
5.870
88.248
90.700
93.022
93.265
Risico- en Crisisbeheersing
7.656
1.882
9.538
9.680
9.822
9.965
Overhead
26.801
990
27.791
27.747
27.747
27.747
Totaal lasten
171.980
8.186
180.166
182.717
185.182
185.567
Totaal baten
171.881
8.380
180.261
182.819
184.664
185.726
94
102
-517
159
Saldo (vóór bestemming)
-99
193
Toevoeging bestemmingsreserves
225
-225
Onttrekking bestemmingsreserves
595
-348
247
25
212
Saldo (ná bestemming)
271
70
341
127
-305
159
In de raming 2023 is vooralsnog uitgegaan van een loonkostenstijging van 1,9% conform de conceptbrief van de gemeentesecretarissen. Tevens zijn de gevolgen van het principeakkoord voor de nieuwe CAO ingaande per 1-12-2021 meegenomen in deze raming. Voor overige kosten is een indexering van 1,9% toegepast ten opzichte van 2022. Voor de jaren na 2023 is alleen op de aanvullende bijdragen van de ontwikkelagenda 3,4% accres toegepast en zijn de daaraan gerelateerde lasten ook geïndexeerd. Voor het programma Ambulancezorg is uitgegaan van het meeste actuele begrotingsvoorstel aan de zorgverzekeraars.
13
In de programmabegroting wordt rekening gehouden met de financiële consequenties van de invoering van de plannen uit de Ontwikkelagenda zoals die zijn goedgekeurd in de vergadering van het Algemeen Bestuur van 8 december. Dit betreft een bedrag van € 3.858k voor 2023. De belangrijkste ontwikkeling van de lasten in de jaren 2024 t/m 2026 is de invoering van de ontwikkelagenda.
5. Eigen vermogen
5.1 Weerstandsvermogen Jaarlijks worden de geraamde risico’s (met een financiële consequentie) geactualiseerd. In de begroting 2023 worden deze risico’s wederom herijkt. Dit betekent dat, bij de berekening van het weerstandsvermogen, ook in de begroting 2023 met een zo actueel mogelijke raming van de financiële implicatie kan worden gewerkt. Bij het opstellen van de Begroting 2023 zal goed gekeken worden welke risico’s opgenomen worden in de risicoparagraaf en wat de mogelijke beheersmaatregelen voor deze risico’s zijn. Voor het vaststellen van de weerstandscapaciteit is met het bestuur de norm voor de weerstandsratio vastgesteld op minimaal 1 (voldoende). Dat betekent dat de VRR in staat is om tenminste de geraamde risico’s op te vangen. Door positieve resultaten zal het weerstandsvermogen vanaf 2023 weer worden opgebouwd. Daarnaast zullen de risico’s verder gekwantificeerd gaan worden (dit is onder meer in de reactie op de zienswijze op de tweede begrotingswijziging opgenomen); ook deze kwantificering kan effect hebben op de weerstandsratio.
5.2 Liquiditeitspositie Met de liquiditeitsplanning is de organisatie in staat om voor de komende jaren de vermogensbehoefte op de kapitaalmarkt in te schatten. De investeringen hebben daarbij een grote impact. Op basis van de actuele investeringsprognose zal worden bekeken in hoeverre voor het jaar 2023 extra vreemd vermogen nodig is.
5.3 Reserves en voorzieningen Evenals bij de begroting 2022 vormt de ‘Nota reserves en voorzieningen’ de leidraad bij de waardering van de voorzieningen en (bestemmings-)reserves voor de begroting 2023. De Nota is geactualiseerd en moet nog door de besluitvormingsroute. In de geactualiseerde nota reserves en voorzieningen is een minimale weerstandscapaciteit opgenomen3. Op basis van de BBV-regelgeving zijn enkele reserves vanaf 2022 omgezet naar een voorziening. Het betreft de reserves voor Groot Onderhoud Gebouwen en 2de LBB. Beiden hebben betrekking op taken van structurele aard. Een bestemmingsreserve is bedoeld ter dekking van taken van incidentele aard.
3
Artikel 3.2.2 lid 3 van de nota luidt : De algemene reserve zal op het niveau worden gehouden waardoor een minimale weerstands- capaciteitswaardering wordt bereikt tussen de 1,0-1,4 (=voldoende).
14
6. Beleidsontwikkelingen 6.1 Algemeen Op 8 december 2021 heeft het Algemeen Bestuur besloten aan welke ontwikkelpunten van de VRR ontwikkelagenda de komende jaren uitvoering gegeven gaat worden. Deze ontwikkelpunten zijn verwerkt in deze kadernota en worden opgenomen in het VRR meerjarenbeleidsplan 2023 – 2027. In afwijking van de normale procedure heeft het Algemeen Bestuur besloten de gemeenteraden om een zienswijze te vragen op de kadernota, zodat zij hun zienswijze kunnen geven over de uitgangspunten genoemd in de kadernota. VRR Ontwikkelagenda De aanleiding voor de VRR Ontwikkelagenda ligt in het feit dat het takenpakket van de VRR in het afgelopen decennium aanzienlijk is verbreed. De uitbreiding van taken is o.a. het gevolg van diverse nieuwe ontwikkelingen die gevolgen hebben voor de dienstverlening van de VRR. Denk hierbij aan verstedelijking (inclusief hoogbouw), de klimaat- en energietransitie, de komst van de omgevingswet, digitalisering, informatisering en robotisering, extreem weer, Covid-19 etc. Tijdens het traject van de ontwikkelagenda heeft het Algemeen Bestuur de volgende standpunten onderschreven: -
De VRR is een hoogwaardige crisisorganisatie en het is noodzakelijk om hierin te investeren, zodat de organisatie op dit niveau kan blijven acteren De VRR moet een lerende organisatie zijn en moet nieuwe kennis op kunnen bouwen. Deze kennisopbouw gebeurt zo veel mogelijk in afstemming en door uitwisseling met andere veiligheidsregio’s. Er zijn veel ontwikkelingen in de samenleving waarbij veiligheid om aandacht vraagt. Denk daarbij aan verder verdichting van woningbouw en industrie, kennis van nieuwe crisis en incidenten en nieuwe ontwikkelingen op het gebied van infrastructuur zoals vervoer door de lucht. De basis voor gedegen brandweerzorg en crisisbeheersing dient – ook in financieel opzicht – op orde te zijn.
Om aan deze standpunten te voldoen zal de basisdienstverlening van de VRR op orde gebracht moeten worden. In de vergadering 8 december jl. heeft het Algemeen Bestuur besloten om uitvoering te geven aan scenario 2 van de ontwikkelagenda. Hierin worden de volgende thema’s benoemd: Vakbekwaam worden en blijven De VRR heeft één van de meest complexe risicoprofielen van Nederland. Als gevolg van allerlei maatschappelijke ontwikkelingen – zoals een verminderde beschikbaarheid van vrijwilligers tijdens dag-uren, kortere dienstverbanden, vergrijzing personeelsbestand, tweede loopbaanbeleid -, is de doorstroom van personeel fors gestegen. Om de bezetting van bluseenheden te kunnen continueren moet vaker aanvullend beroepspersoneel worden ingezet en moeten extra vrijwilligers worden aangetrokken, die opgeleid moeten worden. Daarnaast wordt ook het vakbekwaam blijven een steeds groter probleem. Het minimale basisniveau van vakbekwaamheid wordt in veel gevallen niet meer gehaald. Daarnaast is er te weinig aandacht voor nieuwe maatschappelijke en technologische ontwikkelingen en schiet de capaciteit om effectief te kunnen leren van incidenten tekort. Bovendien moet er meer aandacht zijn voor de verplichte rijvaardigheidstrainingen.
Om de kwaliteit van vakbekwaamheid van het personeel te verhogen zal de komende jaren meer opleidingsruimte voor nieuwe medewerkers georganiseerd worden en verplichte rijvaardigheidstrainingen ingesteld worden. Daarvoor zal de instructiecapaciteit zowel kwantitatief als kwalitatief vergroot worden waarbij er meer aandacht komt voor moderner materiaal, betere ondersteuning en meer aandacht voor het leren van incidenten. In 2022 wordt hiermee gestart en in 2023 zal hier verder aan gewerkt worden.
1.1 Vakbekwaam worden en blijven 2022
2023
2024
2025
2026
Oorspronkelijke begroting
675.500
1.874.000
2.921.000
3.947.000
4.450.000
Indexering
10.133
63.716
99.314
134.198
151.300
Geactualiseerde begroting
685.633
1.937.716
3.020.314
4.081.198
4.601.300
Versterken piketorganisatie Uit de praktijk blijkt, dat er steeds meer complexe incidenten plaatsvinden, waardoor er meer inzet van piketfunctionarissen vereist is (er is sprake van verdubbeling van de incidenten waar piketinzet voor vereist is) en meer deskundigheid. Doordat deze functie naast de niet-repressieve taak wordt gedaan, gaat dit ook
15
ten koste van de capaciteit van de niet-repressieve taak. In 2022 wordt gestart met het traject om de piketorganisatie te versterken door de beschikbaarheid voor cruciale functies te vergroten en te investeren in de kwaliteit, continuïteit en toekomstbestendigheid van de piketorganisatie.
1.2 Versterken piketorganisatie Oorspronkelijke begroting Indexering Geactualiseerde begroting
2022
2023
2024
2025
2026
143.500
431.000
718.000
1.006.000
1.150.000
2.153
14.654
24.412
34.204
39.100
145.653
445.654
742.412
1.040.204
1.189.100
Aanpassen op de Omgevingswet De stelselherziening Omgevingsrecht – bestaande uit de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen – vraagt van lokale (maar ook andere) overheden om een nieuwe manier van werken, waarbij participatie en inspraak een belangrijk en groot onderdeel zal zijn. De veiligheidsregio wordt door de wetgever gezien als een interne ‘dienst’ (want verlengd lokaal bestuur) en is daarom niet apart genoemd, maar moet wel mee in die nieuwe methode van werken. Door de stelselherziening Omgevingsrecht krijgen gemeenten ook een grotere rol bij de inrichting van de omgeving, zo kan er bijvoorbeeld lokaal beleid worden opgesteld voor het gebruik van de ruimte binnen zogenaamde aandachtsgebieden. Om dit op een veilige manier plaats te laten vinden wordt de VRR nu al ingezet door gemeenten om aan de voorkant mee te denken vanuit veiligheidsoptiek, omdat deze specifieke, integrale expertise alleen bij de VRR beschikbaar is. Hierbij gaat het niet alleen om aansluiten bij omgevingstafels e.d., maar om het volledige spectrum van advisering en toezicht voor gemeenten en bevoegd gezag bij complexe dossiers. Aangesloten blijven bij maatschappelijke ontwikkelingen vraagt om nieuwe en een gedeeltelijke verschuiving van werkzaamheden binnen de veiligheidsregio.
Nieuwe initiatieven in het kader van effectiever ruimtegebruik, energietransitie en klimaatadaptie betekent ook een grotere werklast. Doordat de omgevingswet leidt tot een verkorting van de vergunningstermijnen, wordt in alle veiligheidsregio’s een verschuiving verwacht van advisering op veiligheid als afsluitende toets naar het vooroverleg. Vooral bij complexe aanvragen zal het vooroverleg een meer formele rol krijgen waarbij het vraagstuk: ‘Hoe borgen we veiligheid en gezondheid?’ bij de ontwerpfase al op tafel komt. Ook voor de GHOR komt er een nieuwe wettelijke adviestaak bij. In het Besluit Kwaliteit Leefomgeving staat opgenomen dat in een omgevingsplan en bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten rekening gehouden moet worden met geneeskundige hulpverlening aan personen. Ook hiervoor is ontwikkeling van deskundigheid nodig. Om invulling te kunnen geven aan deze taak zal de VRR meer risicogericht gaan werken in plaats van regelgericht en meer aan de voorkant mee gaan denken over veiligheid met lokale overheden. Hiervoor zal geïnvesteerd gaan worden in extra deskundigheid en competenties van functionarissen en capaciteit.
2.1 Omgevingswet 2022 Oorspronkelijke begroting Indexering Geactualiseerde begroting
-
2023
2024
2025
2026
267.200
676.800
838.400
1.000.000
9.085
23.011
28.506
34.000
276.285
699.811
866.906
1.034.000
Hoogbouwbrandbestrijding Binnen de regio Rotterdam-Rijnmond worden veel nieuwe (zeer) hoge gebouwen neergezet, maar is de brandweer Rotterdam-Rijnmond geen expert op het gebied van hoogbouw-brandbestrijding, terwijl dit één van de punten uit de missie van de VRR is en dit op basis van het risicoprofiel wel verwacht mag worden. Om expert te worden op het gebeid van hoogbouw zal er geïnvesteerd gaan worden in kennis, kunde, materieel en materiaal. In 2022 wordt met dit traject gestart en de komende jaren zal één en ander verder geïmplementeerd worden, zodat bij incidenten in hoge gebouwen effectief en veilig opgetreden kan worden en er geen onveilige situaties voor eigen personeel ontstaan.
16
2.2 Hoogbouw 2022
2023
2024
2025
2026
Oorspronkelijke begroting
66.800
169.200
209.600
250.000
Indexering
2.271
5.753
7.126
8.500
69.071
174.953
216.726
258.500
Geactualiseerde begroting
-
Multi Intelligence Center Incidenten op straat worden complexer. De informatie aan het begin van een incident is steeds crucialer. De noodzaak om meer ‘informatie-ondersteund’ te beslissen bij incidenten wordt binnen de veiligheidsregio’s steeds groter; ook bij de crisispartners is dat het geval. De ontwikkeling en inrichting van een Multi Intelligence Center (MIC) zorgt voor een enorme stap voorwaarts in deze noodzakelijke informatievoorziening. Door betere en snellere beschikbaarheid van de juiste informatie kan met betrokken partners effectiever opgetreden worden bij incidenten en bij crises. Het MIC wil informatie die wel érgens beschikbaar is, maar niet of niet tijdig bij de hulpdiensten bekend is ontsluiten, zodat hulpverleners en ketenpartners sneller een actueel en integraal veiligheidsbeeld hebben tijdens een incident/crises. Dit versterkt zowel de positie van de calamiteitencoördinatie, als die van de beslissers in het veld en crisisstaven. Ook op momenten dat elke seconde telt. Het MIC is een flexibel samenwerkingsverband/-netwerk tussen ketenpartners bij incident- en crisisbestrijding, die nu in beginsel wordt geïnitieerd door de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR), de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) en de Gezamenlijke Brandweer (GB).
Het MIC biedt een vooraf afgestemde informatievoorziening en een informatiecentrum dat binnenkomende informatie kan duiden en de juiste functionarissen kan betrekken. MIC borgt dit integrale informatiemanagement voor de aangesloten hulpverleners en ketenpartners van de meldkamer Rotterdam. Op dit moment is gestart met het oriënteren en inrichten van het MIC en dat zal de komende jaren verder uitgebreid worden.
2.4 Multi Intelligence Center 2022
2023
2024
2025
2026
Oorspronkelijke begroting
355.000
661.900
869.400
1.000.000
Indexering
12.070
22.505
29.560
34.000
367.070
684.405
898.960
1.034.000
Geactualiseerde begroting
-
Doorontwikkelen netwerkfunctie Veiligheidsregio Naast de klassieke flitsrampen krijgen we door het complexer worden van de maatschappij steeds meer te maken met ongekende en nieuwe crisistypes (digitaal, klimaat, ziektes). Waar de klassieke risico’s vooral een lokale impact hebben met een duidelijk bron en effectgebied, houden nieuwe crisistypes zoals cyberdreigingen en ziektes zich niet aan regio-grenzen of werkgebieden van organisaties. Om dergelijke crises het hoofd te kunnen bieden, hebben veiligheidsregio’s een netwerk aan crisispartners nodig en zullen hier in moeten investeren en ontwikkelen. Veiligheidsregio’s zullen telkens wisselende crisispartners en verschillende expertises nodig hebben en zullen zich hierop moeten voorbereiden. Om deze functie goed op te kunnen bouwen, zal de VRR haar capaciteit op dit gebied verder uitbreiden.
2.5 Doorontwikkeling netwerkfunctie veiligheidsregio
2022
Oorspronkelijke begroting
88.800
Indexering Geactualiseerde begroting
2023
-
2024
2025
2026
165.500
217.300
250.000
3.019
5.627
7.388
8.500
91.819
171.127
224.688
258.500
Voorbereiden op gevolgen klimaatverandering Het klimaat verandert met als gevolg dat er sprake is van meer extreme weersomstandigheden. Dit heeft zowel gevolgen voor de voorbereiding op crises als op de incidentbestrijding door de brandweer. Een voorbeeld hiervan is, dat bluswater niet meer overal toegankelijk is als gevolg van extreme droogte.
17
Daarnaast nemen veel gemeenten initiatieven om gebouwen klimaat adaptief te maken. Hierbij wordt o.a. door achterhaalde bouwregelgeving en/of geen regelgeving niet altijd rekening gehouden met de brandveiligheid. Er wordt de komende jaren meer capaciteit ingezet om hiervoor oplossingen te vinden.
2.6 Voorbereiding op gevolgen klimaatverandering
2022
Oorspronkelijke begroting
53.300
Indexering Geactualiseerde begroting
2023
-
2024 99.300
2025
2026
130.400
150.000
1.812
3.376
4.434
5.100
55.112
102.676
134.834
155.100
Beperken maatschappelijke impact digitale verstoring Eén van de nieuwe vormen van crisis is de maatschappelijke impact van digitale verstoringen. Door een steeds verdere digitalisering van de maatschappij zal het aantal digitaal gerelateerde maatschappelijke knelpunten toenemen. Hier zal de VRR zich nadrukkelijk op moeten voorbereiden. Het gaat hierbij niet alleen om expertise voor het beheersen en bestrijden van cyberincidenten, maar ook om als gesprekpartner aan te kunnen sluiten bij andere betrokken partijen in het kader van pro-actie en preventie. Hiervoor zal de VRR de komende jaren investeren in personeel en opleidingen.
2.7 Beperken impact digitale verstoringen 2022
2023
2024
2025
2026
Oorspronkelijke begroting
35.500
66.200
86.900
100.000
Indexering
1.207
2.251
2.955
3.400
36.707
68.451
89.855
103.400
Geactualiseerde begroting
-
Energietransitie De energietransitie heeft gevolgen voor de hele VRR. Nieuwe ontwikkelingen in het kader van de energietransitie doen zich in versneld tempo voor: waar voorheen wetten en regels de ontwikkelingen konden bijhouden, is dat nu niet meer mogelijk. De wetgeving loopt jaren achter bij de ontwikkelingen. Hierdoor is er bijvoorbeeld geen meldingsplicht voor veel initiatieven. Voorbeelden van ontwikkelingen in het kader van de energietransitie in onze regio zijn de komst van windmolens/windparken, zonnepanelen/zonneparken, biobrandstoffen, elektrische voertuigen, kV stations en diverse waterstofprojecten. In geval van brand brengt dit nieuwe risico’s met zich mee en vergt dit een ander type incidentbestrijding. Op landelijk niveau vindt er veel kennis- en informatiewisseling tussen de veiligheidsregio’s plaats om goed op de hoogte te blijven van de nieuwste ontwikkelingen en veiligheidsprincipes.
Dit vertaalt zich uiteindelijk weer in aandachtspunten en best practices op het gebied van veiligheid voor de gesprekken die de VRR met initiatiefnemers en de gemeenten uit haar verzorgingsgebied heeft De veranderingen voor de VRR als gevolg van de energietransitie houden enerzijds aan de voorkant in dat de adviserende rol van de VRR een stuk groter is (er is praktisch geen wetgeving) en aan de achterkant moet worden gezocht naar nieuwe manieren om andere typen incidenten te kunnen bestrijden. In de komende beleidsperiode zal de VRR investeren in opleidingen en speciaal materiaal om ook deze crises het hoofd te kunnen bieden.
2.8 Energietransitie (deel 1) 2022 Oorspronkelijke begroting
35.500
Indexering Geactualiseerde begroting
2023
-
2024 66.200
2025 86.900
2026 100.000
1.207
2.251
2.955
3.400
36.707
68.451
89.855
103.400
Doorontwikkeling informatievoorziening en informatiebeveiliging Om de crisis van de toekomst te kunnen beheersen is beschikbaarheid van de juiste informatie cruciaal. Goede informatievoorziening zorgt ervoor dat de medewerkers van de VRR hun werk effectiever en veiliger kunnen doen. De VRR beschikt op dit moment deels over de benodigde technische voorzieningen om haar
18
hulpverleners van informatie te kunnen voorzien. De manier waarop dit nu is ingericht is echter nog te weinig professioneel om hierop te kunnen vertrouwen. De huidige voorzieningen zijn heel kwetsbaar terwijl de hulpverleners op straat afhankelijk zijn van deze voorzieningen om effectief en veilig hun werk te kunnen doen. Hiernaast is er ook een grote informatiebehoefte bij bestuurders, burgers en de pers. Zowel real-time tijdens een incident of crisis om de juiste besluiten te kunnen nemen, als na afloop om verantwoording af te leggen. Informatieanalyse is hard nodig om de incidenten van de toekomst het hoofd te kunnen bieden. Om in deze behoeftes te voorzien gaan wij stappen zetten in de informatie-huishouding van de VRR. Er zal in de komende jaren geïnvesteerd worden in zowel ICT-ers, functioneel beheerders en professionele technische voorzieningen. Daarnaast gaan wij goede informatiebeveiliging realiseren.
2.9 Doorontwikkeling informatievoorziening en informatiebeveiliging Oorspronkelijke begroting
2022
Indexering Geactualiseerde begroting
-
2023
2024
2025
2026
651.000
890.000
929.000
1.000.000
22.134
30.260
31.586
34.000
673.134
920.260
960.586
1.034.000
6.2 Overige ontwikkelingen Evaluatie Wet Veiligheidsregio’s Naar aanleiding van het advies van de Evaluatiecommissie Wet veiligheidsregio’s heeft de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie aangekondigd de Wet veiligheidsregio’s in 2019 te evalueren. Voor deze evaluatie is een commissie evaluatie Wet veiligheidsregio’s ingesteld. De commissie had tot taak de doeltreffendheid en de effecten van de Wet veiligheidsregio’s en onderliggende regelgeving in de praktijk te onderzoeken en te bezien of de huidige wet bruikbaar is in het licht van actuele en toekomstige dreigingen, maatschappelijke ontwikkelingen en ontwikkelingen in de crisisbeheersing in het algemeen. De commissie heeft in dit onderzoek in ieder geval aandacht besteed aan de volgende onderwerpen: -
De vormgeving van (het stelsel van) de veiligheidsregio’s, mede in het licht van het gehele stelsel van de rampenbestrijding en crisisbeheersing De wijze waarop de taken, de verantwoordelijkheden en de bevoegdheden van de verschillende actoren in het stelsel zich tot elkaar verhouden De samenwerking tussen de bedoelde actoren Brandweer, GHOR en bevolkingszorg Informatievoorziening Instituut Fysieke Veiligheid.
De uitkomsten van de evaluatie van de wet veiligheidsregio zijn in december 2020 aangeboden aan de minister van Justitie en Veiligheid. De commissie heeft geadviseerd om de wet veiligheidsregio’s en de onderliggende besluiten minder gedetailleerd te maken en eventueel te wijzigen in een wet crisisbeheersing en brandweerzorg. De voorgestelde wijzigingen van de Wet veiligheidsregio’s en de geformuleerde adviezen kunnen grote consequenties hebben voor de veiligheidsregio’s. Momenteel is het ministerie van Justitie en Veiligheid om het programma “Versterking crisisbeheersing en brandweerzorg’ op te zetten. Hierin moet een verder vervolg gegeven worden aan het rapport van de evaluatie Wet veiligheidsregio’s. De raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio’s hebben een taskforce ingesteld die betrokken zal zijn bij het vervolgproces. Professionalisering bevolkingszorg De landelijke (door)ontwikkeling van bevolkingszorg speelt al ruim 10 jaar. Het gaat hierbij om gemeentelijke taken bij ramp- en crisisbeheersing zoals voorzien in opvang, verzorging en nazorg van de bevolking, registreren van de slachtoffers en schadegevallen enz. In deze periode zijn eenduidige processen en prestatie-eisen voor bevolkingszorg en crisiscommunicatie tot stand gekomen en zijn er resultaten behaald in de praktische samenwerking tussen gemeenten.
Er is echter nog verdere kwaliteitsverbetering nodig, mede gezien het toenemende risico op ‘moderne crisis’, die worden gekenmerkt door een complex bovenregionaal karakter met een veelheid aan actoren en aspecten en kans op maatschappelijke ontwrichten. Voorbeelden hiervan zijn de Covid-crisis en de recente wateroverlast in Limburg. Ook valt te denken aan scenario’s als langdurige droogte of grootschalige uitval van digitale systemen. In onze regio is
19
voor bevolkingszorg alleen de ambtelijke ondersteuning belegd bij de VRR en onderdeel van de begroting. Op basis van een plan van aanpak ‘Bevolkingszorg: Basis op orde’ wordt in Rotterdam-Rijnmond gewerkt aan de doorontwikkeling naar een hoogwaardige gemeentelijke crisisorganisatie. In het rapport ‘Evaluatie Wet Veiligheidsregio’s’ wordt voorgesteld om de veiligheidsregio’s een sterkere regierol te geven op bevolkingszorg en crisiscommunicatie. Voor bevolkingszorg betekent dit advies, dat gemeenten zelf verantwoordelijk blijven voor de uitvoering en dat de veiligheidsregio’s met name moeten zorgen voor regie en samenhang. In het verlengde hiervan heeft het Veiligheidsberaad besloten om een landelijk kwaliteitsniveau voor bevolkingszorg (inclusief crisiscommunicatie) op te stellen. Dit kwaliteitsniveau kan meegenomen worden in het vervolgtraject van de evaluatie Wet veiligheidsregio’s. Dit onderwerp is niet meegenomen in de ontwikkelagenda, omdat nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden over de mate waarin de VRR deze coördinatie op zich moet gaan nemen.
Alarmering bevolking Het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) in Nederland is een netwerk van ongeveer 3.800 sirenes die draadloos en onafhankelijk van elkaar aangezet kunnen worden vanuit de meldkamer en worden gebruikt om te waarschuwen voor (dreigend) gevaar, met name als er gevaarlijke stoffen in de lucht aanwezig (kunnen) zijn. Het waarschuwingsstelsel is eigendom van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Het ministerie was oorspronkelijk van plan het WAS per 1 januari 2020 op te heffen en te laten vervangen door NL-Alert, calamiteitenzenders en sociale media. Eind 2019 heeft de minister van Veiligheid & Justitie aan de Tweede Kamer laten weten dat het besluit om het luchtalarm per 1 januari 2022 uit te faseren uitgesteld werd naar eind 2020. Een aantal veiligheidsregio’s waaronder de VRR hebben er bij de minister op aangedrongen het WAS in stand te houden op risicolocaties. Het gaat dan om risicolocaties waar sprake is van grote industriële complexen en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Namens het kabinet heeft de minister zich dit najaar uitgesproken voor de instandhouding van het WAS op risicolocaties waarbij het lokaal bestuur verantwoordelijk zal zijn voor het aanwijzen van deze locaties en voor het beheer van de sirenes op die locaties. Een definitief besluit over de toekomst van het WAS is nog niet genomen.
Een volgend kabinet zal hierover beslissen. Eventuele consequenties voor de VRR zullen na dit besluit duidelijk worden. Deeltijdrichtlijn / taakdifferentiatie vrijwilligers brandweer De positie van de brandweervrijwilligers op grond van de deeltijdrichtlijn is juridisch niet meer houdbaar. Het onderscheid tussen vrijwilligers en beroeps moet aangescherpt worden. Landelijk is onderzocht of een fundamenteel onderscheid in taken tussen een vrijwilliger en een beroepsmedewerker (taakdifferentiatie) hiervoor een oplossing biedt. Onlangs heeft de minister hierop een finale juridische toets laten doen waaruit blijkt dat voor het behoud van vrijwilligheid bij de brandweer taakdifferentiatie niet vereist wordt door Europees recht onder voorwaarden dat de rechtspositie van brandweervrijwilligers expliciet gebaseerd wordt op het concept van vrijwilligheid. Dit betekent dat het contrast tussen vrijwillige brandweer en beroeps verscherpt moet worden en dat niet meer gewerkt kan worden met geconsigneerde en gekazerneerde vrijwilligheid. Landelijk wordt in kaart gebracht wat de consequenties hiervan zijn, waarbij het uitgangspunt is om vanuit een landelijke aanpak te komen tot een vergoeding vanuit het Rijk voor deze consequenties.
7. Procedure De kadernota is de eerste stap bij het opstellen van de begroting 2023. Hierin worden de financiële en beleidsmatige kaders vastgelegd voor de begroting 2023. Na de behandeling van de kadernota in het bestuur wordt deze ter informatie aan de gemeenten gezonden. In de kadernota zijn de financiële consequenties van de keuze voor scenario 2 verwerkt. In afwijking van de normale procedure heeft het Algemeen Bestuur daarom besloten de gemeenteraden om een zienswijze te vragen op de kadernota. Op basis van de informatie die zij hebben ontvangen tijdens de informatiebijeenkomsten kunnen de raden een zienswijze geven over de uitgangspunten genoemd in de kadernota. De zienswijzeprocedure duurt 8 weken vanaf het kerstreces en loopt van 22 december 2021 tot en met 4 maart 2022.
20
Bijlage 1: Overzicht van plustaken 2023 In de onderstaande tabel wordt een overzicht van de Plustaken per 2023 gepresenteerd.
Gemeente
Plustaken
2023
Capelle aan den IJssel Wijkbrandweerman
73.360
Rotterdam
Strandwachten
525.983
WABO/TCH
632.391
Wijkbrandweerman
73.360
Schiedam
Wijkbrandweerman
73.360
Voorne aan Zee
Cultureel erfgoed
25.351
Kazerne Oudenhoorn Totaal
667 1.404.472
21
Bijlage 2: Overzicht van ontwikkelagenda scenario 1 en 2 Onderstaand het totaal overzicht van scenario 1 en 2 uit de ontwikkelagenda inclusief indexering.
1 2
Scenario 1: basis beperkt op orde
Scenario 2: basis op orde
1.1 1.2
Vakbekwaam worden en blijven Versterken piketorganisatie
2.1 2.2
Omgevingswet Hoogbouw
2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
Basis Indexering Totaal 4.450.000 151.300 4.601.300 1.150.000 39.100 1.189.100 Subtotaal 5.600.000 190.400 5.790.400 Scenario 1 5.600.000 190.400 5.790.400
1.000.000 250.000 Subtotaal 1.250.000 Professionalisering Bevolkingszorg p.m. Multi Intelligence Center 1.000.000 Doorontwikkeling netwerkfunctie veiligheidsregio 250.000 Voorbereiding op gevolgen klimaatverandering 150.000 Beperken impact digitale verstoringen 100.000 Energietransitie (deel 1) 100.000 Subtotaal 1.600.000 Doorontwikkeling informatievoorziening en informatiebeveiliging 1.000.000 1.000.000 Scenario 2 (inclusief 1) 9.450.000
34.000 8.500 42.500
1.034.000 258.500 1.292.500
34.000 8.500 5.100 3.400 3.400 54.400 34.000 34.000 321.300
1.034.000 258.500 155.100 103.400 103.400 1.654.400 1.034.000 1.034.000 9.771.300
22