Bijlage 2 APV Maassluis 2021
Tekst van het document
88
het doen van een melding. Hiermee wordt de werkdruk voor de vergunningverlener verlicht en komt de gemeente tegelijkertijd de horecaondernemers tegemoet. Wel wordt door de verkorte aankondigingstermijn het vooraf indienen van bezwaar door belanghebbenden lastiger dan voorheen, en kan het verhoogde aantal ontheffingen voor langere openingstijden risico’s met zich meebrengen voor de openbare orde en het leefklimaat. Hiermee rekening houdend, gelden er een aantal voorwaarden in het kader van de openbare orde en het leefklimaat die in lid 4, 5 en 6 worden genoemd: de ontheffing geldt slechts inpandig, de geluidsvoorschriften die gelden vanuit het Activiteitenbesluit Milieubeheer zijn onverminderd van toepassing, en de horecabedrijven zijn uitgezonderd van de ontheffingsverlening die niet over een exploitatievergunning beschikken, die over een kortlopende exploitatievergunning beschikken en die van een paracommercieel rechtspersoon zijn. Ook dient het doen van de melding op de juiste wijze te geschieden, hiervoor zullen nadere regels worden opgesteld. Daarnaast bieden huidige bepalingen in de APV naar verwachting voldoende middelen om op te treden in het geval van openbare ordeverstoringen.
Indien een horecabedrijf als gevolg van de afwijkende sluitingstijden ongewenste cumulatie van hinder met zich meebrengt, kan de burgemeester maatregelen nemen op grond van artikel 2:29 lid 7 en artikel 2:30 lid 1. Uit deze bepalingen volgt dat de burgemeester het horecabedrijf, eerder dan de ontheffing toestaat en dus tijdens de festiviteit, kan sluiten als er overlast wordt geconstateerd, dat hij de ontheffing voor afwijkende sluitingstijden kan weigeren en dat hij ook de nog in het kalenderjaar resterende ontheffingen voor de betrokken onderneming(en) kan intrekken. Welke maatregel de burgemeester neemt, wordt nader uitgewerkt in een handhavingsarrangement. Wanneer de burgemeester een aanvraag tot een ontheffing sluitingstijden (verlaatje) weigert, is het verboden buiten de reguliere openingstijden in het horecabedrijf een festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen. De ontheffing sluitingstijden oftewel het verlaatje dient niet te worden verward met de incidentele festiviteit als bedoeld in artikel 4:1, dat in de praktijk ook bekend staat als het zogenoemde “geluidje”.
Het geluidje wordt aangevraagd wanneer de exploitant of leidinggevende van een horeca-bedrijf muziek ten gehore wil brengen en/of verlichting langer wil aanhouden waarbij de geluids- en verlichtingsnormen als bedoeld in het Activiteitenbesluit Milieubeheer en artikel 4:5 van de APV niet van toepassing zijn. Het geluidje wordt kortom aangevraagd wanneer de exploitant/leidinggevende meer geluid ten gehore wil brengen dan normaliter toegestaan, en het verlaatje wordt aangevraagd wanneer de exploitant/leidinggevende langere openingstijden wil dan normaliter toegestaan. De twee trajecten staan los van elkaar en de ontheffingen worden separaat aangevraagd. Natuurlijk kan de exploitant/leidinggevende een verlaatje en een geluidje voor dezelfde festiviteit aanvragen, maar dat hoeft niet. Naast de ontheffing sluitingstijden en de ontheffing geluids- en/of verlichtingsvoorschriften, oftewel de verlaatjes en de geluidjes, worden er jaarlijks door het college ook collectieve festiviteiten aangewezen (zie hiervoor artikel 4:2). Gedurende de collectieve festiviteiten gelden de geluids- en verlichtingsnormen als bedoeld in het Activiteitenbesluit Milieubeheer en artikel 4:5 van de APV niet.
Op collectieve festiviteiten hoeft kortom geen geluidje te worden aangevraagd en is een hoger geluidsvolume toegestaan; wel dient er een verlaatje te worden aangevraagd, als de exploitant of leidinggevende langer open wil blijven.
APV Gemeente Maassluis 2021
89
Lex silencio positivo artikel 2:29 lid 4 Ontheffing sluitingstijden Door de aankondigingstermijn te verkorten naar drie dagen, krijgen horecaondernemers de kans om kort van tevoren een ontheffing aan te vragen. Het zou averechts werken en niet wenselijk zijn om de ontheffing van rechtswege te weigeren indien binnen 3 dagen niet wordt gereageerd op de aanvraag. Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 4 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht daarom wel van toepassing. Artikel 2:31a Glazen drinkgerei Wanneer zich op een weg relletjes of andere ongeregeldheden voordoen of zich hebben voorgedaan, kan deze weg door de burgemeester worden aangewezen. Door deze aanwijzing treedt voor exploitanten en leidinggevenden van de horecabedrijven die aan de aangewezen weg zijn gelegen, het verbod in werking om drank in een glas te verstrekken. Zo kan worden voorkomen dat er (nog meer) glas op straat komt, waardoor de veiligheid van personen beter kan worden gewaarborgd. In het aanwijzingsbesluit bepaalt de burgemeester de duur van de periode waarin het verbod van kracht is. De burgemeester zal van zijn aanwijzingsbevoegdheid gebruik maken om verstoring van de openbare orde te voorkomen of te beëindigen. In de APV-wijziging 2018 is de term inrichting vervangen door horecabedrijf.
Lex silencio positivo artikel 2:31a lid 3 Ontheffing verbod drank in glas Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 3 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht, om dwingende redenen ten aanzien van de openbare orde, niet van toepassing. Artikel 2:32 Handel in horecabedrijf De formulering is in de APV-wijziging 2018 hier en daar aangepast conform de model-APV van de VNG en de definitie van horecabedrijf is geschrapt omdat deze ook staat in artikel 2:27. Artikel 2:33
Ordeverstoring
De term openbare inrichting is in de APV-wijziging 2018 vervangen door horecabedrijf. Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan Het begrip horecabedrijf als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan. De formulering is daarom, in de APV-wijziging 2018, in overeenstemming gebracht met die van artikel 174 van de Gemeentewet en van de model-APV van de VNG. Artikel 2:34a Geldigheidsduur vergunning In de modelverordening is geen geldigheidsduur opgenomen. De geldigheidsduur voor onbepaalde tijd is overeenkomstig de vorige APV.
APV Gemeente Maassluis 2021
90
Artikel 2:34b Beëindiging van de exploitatie Dit artikel is nieuw toegevoegd in de APV-wijziging 2014. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet op grond van dit artikel worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt, dient dit op grond van het tweede lid te worden gemeld. De exploitatievergunning vervalt dan echter niet. Om een actueel overzicht te behouden, is in het eerste lid, onder b opgenomen dat de exploitatievergunning van rechtswege vervalt, indien de inrichting langer dan zes maanden niet wordt geëxploiteerd. Tenslotte is in het eerste lid onder c opgenomen dat de exploitatievergunning ook vervalt bij beëindiging van de onderneming. Hiermee wordt zowel de feitelijke beëindiging (uitschrijving Kamer van Koophandel) bedoelt alsmede het veranderen van bedrijfsvorm van de onderneming vermeld op de exploitatievergunning. De term openbare inrichting is in de APV-wijziging 2018 vervangen door horecabedrijf. Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:37 Nachtregister De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de houder van de inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht.
Tezamen hebben artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht en de bepalingen van afdeling 9 (toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf) primair als doel om, met de geregistreerde gegevens, de opsporing of aanhouding van door de politie of justitie gezochte personen te vergemakkelijken. In de modelverordening is het nachtregister “gereserveerd”. In Maassluis wordt het om de aangegeven reden van belang geacht de verplichting van een nachtregister te handhaven. De verplichting een door de burgemeester vastgesteld model te gebruiken is vervallen. Door het vormvrij maken van het register is een verlichting van administratieve lasten beoogd. Afdeling 10. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Ondermijning vormt een steeds groter probleem voor onze samenleving, wat haar weerslag vindt in de toenemende aandacht voor het thema in de landelijke en lokale politiek. Bij ondermijning zijn de boven- en onderwereld met elkaar verweven en wordt er gebruik gemaakt van legale structuren voor ondermijnende activiteiten. Het is een vorm van criminaliteit, die het best wordt bestreden door een samenwerking van ketenpartners, waaronder de politie, het OM en de Belastingdienst, en waarin ook steeds meer een rol voor de gemeente is weggelegd om via bestuursrechtelijke wijze het probleem aan te pakken.
Om het vestigingsklimaat voor ondernemers te verbeteren en de ondermijnende criminaliteit te bestrijden, heeft de gemeente Tilburg een vergunningplicht geïntroduceerd voor aangewezen gebouwen, gebieden en bedrijfsmatige activiteiten, en daarvoor een aantal nieuwe artikelen in de APV opgenomen. Veel andere gemeenten hebben ervoor gekozen om, in navolging van Tilburg, soortgelijke artikelen in de APV op te nemen. Omdat het wenselijk is hierbij aan te sluiten, zijn met de APV-wijziging 2018 ook overeenkomstige artikelen opgenomen in deze APV. De nieuwe artikelen 2:39 en 2:40a t/m 2:40d onder afdeling 10 geven de burgemeester de APV Gemeente Maassluis 2021
91
bevoegdheid om via een aanwijzingsbesluit een vergunningplicht te introduceren voor panden, straten, gebieden of branches om een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat tegen te gaan. Het opleggen van een vergunningplicht is een gangbaar instrument om controle te hebben op ondernemers en om te kunnen handhaven bij overtredingen. Zo geldt onder andere voor het exploiteren van een horecabedrijf een vergunningplicht, waarbij wordt getoetst of het horecabedrijf aan een aantal voorwaarden voldoet. Het is daarom ook een passend instrument om ondermijnende criminaliteit beter te bestrijden. Door de vergunningplicht voor ondernemers uit te breiden naar andere branches, kan door de toetsing aan voorwaarden en regels worden voorkomen dat malafide ondernemers zich vestigen in die sectoren die extra gevoelig zijn voor ondermijnende activiteiten en waar het toezicht van de overheid beperkt is. Bovendien gaat er een preventieve werking uit van de mogelijkheid om een vergunningplicht op te leggen. Ook dat draagt bij aan het aantrekken van bonafide ondernemers en het weren van malafide ondernemers. Het nieuwe artikel wordt in de APV toegevoegd uit voorzorg, vanwege de preventieve werking van het artikel, en om snel te kunnen optreden indien dat nodig blijkt.
Het betreft hier dus geen vergunning in het belang van economische ordening, maar primair in het belang van openbare orde en veiligheid. Om die reden is de bevoegdheid belegd bij de burgemeester. De gemeenteraad is bevoegd om bij verordening openbare belangen zoals een veilig, leefbaar en bonafide ondernemersklimaat te reguleren met een vergunningplicht. De vergunningplicht geldt alleen voor gebouwen, gebieden en/of bedrijfsmatige activiteiten die de burgemeester in een aanwijzingsbesluit heeft aangewezen. Zonder zo’n aanwijzingsbesluit verandert er niets. De mogelijkheid tot het opleggen van een vergunningplicht en tot het aanwijzen van gebouwen, gebieden en/of bedrijfsmatige activiteiten wordt in de APV opgenomen uit voorzorg, vanwege de preventieve werking van het artikel, en om snel te kunnen optreden indien dat nodig blijkt. De artikelen zullen verder afzonderlijk worden toegelicht. Artikel 2:39 Begripsbepalingen De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Voor de definitie van exploitant en beheerder is aansluiting gezocht bij de begripsbepalingen in de model-APV van de VNG en in artikel 1:1 van deze APV. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke perso(o)n(en) of op de rechtspersoon.
Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan, in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder rusten. Er wordt daarom ook in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. Voor het begrip bedrijf wordt aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Het betreft hier voor het publiek toegankelijke gebouwen waarin een bedrijfsmatige activiteit wordt uitgevoerd, zoals winkels of dienstverlenende bedrijven. Artikel 2:40 Vergunning exploitatie bedrijf Eerste lid De systematiek van de nieuwe vergunning gaat uit van een pand-, branche- of gebiedsgerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de stad worden geleverd. Daarnaast kan het APV Gemeente Maassluis 2021
92
vergunningstelsel niet alleen worden ingezet nadat concrete (strafbare) feiten zich hebben voorgedaan maar ook voordat dergelijke feiten hebben plaatsgevonden, om te voorkomen dat dergelijke feiten zullen plaatsvinden. In beide gevallen, of het nu gaat om strafbare feiten bestrijden of deze preventief voorkomen, moet de noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, zorgvuldig worden gemotiveerd, waarbij de uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. Voor zover de Dienstenrichtlijn van toepassing is op het vergunningstelsel en de voorwaarden, geldt dat, met name gelet op de openbare orde en veiligheid, er een dwingende reden van algemeen belang is en dat de gestelde eisen ook evenredig, geschikt en noodzakelijk zijn, zodat de vergunningplicht gerechtvaardigd is. Dit betekent concreet dat de burgemeester een pand, een bedrijfsmatige activiteit of een gebied uitsluitend aanwijst als door de wijze van exploitatie van het pand dan wel door de bedrijfsmatige activiteiten of in het gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Zoals genoemd, kan de burgemeester een vergunningplicht opleggen aan een enkel pand, aan een bedrijfsmatige activiteit en/of aan een gebied.
De vergunningplicht kan op pandniveau worden ingezet nadat concrete incidenten (strafbare feiten) hebben plaatsgevonden in het betreffende pand of wanneer als gevolg van de wijze van exploitatie de leefbaarheid of openbare orde in en/of rondom het pand onder druk staat of kan staan. Ook wanneer strafbare feiten in een pand worden geconstateerd en de pandeigenaar niet bereid is om mee te werken aan de bestrijding hiervan biedt een pandsgewijze vergunningplicht een instrument om op te treden. De vergunningplicht is dan direct na het door de burgemeester vastgestelde aanwijzingsbesluit van toepassing op de nieuwe of zittende ondernemer. Door de vergunningplicht aan specifieke gevallen op te leggen, worden andere ondernemers, voor zover dat niet nodig is, niet in de aanwijzing betrokken en wordt het vergunningstelsel proportioneel en gerechtvaardigd ingezet. Indien sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche kan ook een vergunningplicht voor een hele branche worden ingevoerd. De aanwijzing van een bepaalde branche kan op een bepaalde wijk of straat betrekking hebben, maar het kan ook op de gehele gemeente van toepassing zijn. Bij de aanwijzing van een branche moet ook worden gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid gereguleerd moeten worden.
Tot slot kunnen (op voorhand) straten of gebieden aangewezen worden (preventieve aanwijzing). Bij een dergelijke aanwijzing geldt voor gevestigde en nieuwe ondernemers in die gebieden of straten een vergunningplicht. Dit is gerechtvaardigd wanneer de aanwijzing alleen plaatsvindt bij straten of gebieden waar de leefbaarheidsproblemen groot zijn en de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Het belang van de verbetering van de situatie in de gehele straat of het gebied kan ook zo’n aanwijzing rechtvaardigen. Het kan ook van belang zijn om te voorkomen dat het probleem zich onmiddellijk naar een naastgelegen pand verplaatst. Een dergelijke aanwijzing zal doorgaans deel uitmaken van een bredere aanpak. Tweede lid In het tweede lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw, straat of gebied zonder vergunning van de burgemeester bepaalde bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing APV Gemeente Maassluis 2021
93
betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche. Derde en vierde lid In het derde en vierde lid wordt de wijze van indiening van de aanvraag van een vergunning geregeld, alsmede welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd. De vereiste gegevens worden nodig geacht om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Zo moet er in ieder geval sprake zijn van een geldige inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Indien dat op enig moment niet meer het geval is, kan dit een reden zijn om de vergunning in te trekken (artikel 2:40a tweede lid, sub g en h). Als het bevoegd bestuursorgaan dat noodzakelijk acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij om aanvullende gegevens verzoeken (vierde lid). Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een actuele Verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen. Uiteraard moeten die gegevens wel in verband staan met de weigeringsgronden van de aangevraagde vergunning. Ook moeten er gegronde redenen zijn voor het verzoek om aanvullende gegevens. Vijfde lid Op basis van het vijfde lid is de vergunninghouder verplicht om wijzigingen te melden.
Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning. Het moet ook worden gemeld wanneer de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen, ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt, en wanneer er een wijziging in het beheer is. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden, is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen. Lex silencio positivo Ten aanzien van het vergunningstelsel voor aan te wijzen gebouwen/gebieden/activiteiten is een lex silencio positivo niet wenselijk, aangezien deze vergunning zich richt op de leefbaarheid en openbare orde. Het vergunningstelsel is gecreëerd om ondermijning tegen te gaan. Alleen die gebouwen/gebieden/activiteiten worden namelijk aangewezen die om gegronde redenen de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk zetten of nadelig kunnen beïnvloeden. Het is onwenselijk als een vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid.
Een lex silencio positivo is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt niet van toepassing verklaard. Artikel 2:40a Weigerings- en intrekkingsgronden De algemene intrekkings- en weigeringsgronden staan vermeld in de artikelen 1:6 en 1:8. In artikel 2:40a staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden vermeld. Voor de systematiek en uitleg van de specifieke gronden is aangesloten bij hoofdstuk 2, afdeling 8 (exploitatievergunning) en hoofdstuk 3. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Drank- en Horecawet (zie ook: hoofdstuk 2, afdeling 8). Aan een vergunning kunnen extra voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 1:4). Lid 1 sub d en lid 2 sub h zijn genoemd in de specifieke APV Gemeente Maassluis 2021
94
weigerings- en intrekkingsgronden om constructies van schijnbeheer tegen te gaan, indien de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals deze op de vergunning is vermeld. Tevens kan een vergunning als bedoeld in artikel 2:40 tweede lid worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob). De zogenaamde Bibob-procedure kan kortom worden toegepast bij de aanvraag van en vergunning als bedoeld in artikel 2:40 tweede lid. Dat de burgemeester hiertoe bevoegd is, wordt niet expliciet in artikel 2:40a vermeld, omdat aan de burgemeester deze bevoegdheid al is toegekend in de Wet Bibob Indien de exploitant zijn verplichtingen uit deze afdeling of de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan dat ten slotte niet alleen reden zijn om de vergunning te weigeren dan wel in te trekken. Daarnaast kan de burgemeester eventueel overgaan tot de sluiting van het bedrijf (zie artikel 2:40b). Artikel 2:40b Tijdelijke sluiting Artikel 2:35 van de APV biedt al de mogelijkheid om voor het publiek openstaande gebouwen te sluiten die ernstige overlast veroorzaken. Artikel 2:40b bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid bij bedrijven die vergunningsplichtig zijn en zich niet aan de in artikel 2:40 lid 2 en 2:40a lid 2 gestelde voorschriften houden.
Artikel 2:40d Overgangsbepaling De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. Daarom is er een overgangsregeling onder artikel 2:40c opgenomen. De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten gelden voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan: exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen, en/of dat op een andere locatie dan voorheen willen doen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn, over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt. Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een locatie verderop in de aangewezen straat uit te wijken. Zij worden dan aangemerkt als nieuwe exploitanten en dienen over een vergunning te beschikken. Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod.
Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan.
APV Gemeente Maassluis 2021
95
Artikel 2:41
Betreden gesloten woning of lokaal
In de APV-wijziging 2018 is de formulering verbeterd conform de model-APV van de VNG. Lex silencio positivo artikel 2:41 lid 4 Ontheffing betreden gesloten woning of lokaal Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 4 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Bij een pand dat om gegronde redenen m.b.t. de leefbaarheid en/of openbare orde is gesloten, is het onwenselijk dat personen het pand zonder toestemming betreden. Er zijn derhalve dwingende redenen van algemeen belang om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt niet van toepassing verklaard. Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:42 Plakken en kladden Eerste lid In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR. Tweede lid Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.
Op de in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde Vrijheid van meningsuiting zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voor door dat gebruik een anders recht wordt geschonden. De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid. Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde. Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen.
Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel 10 EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van 1 plakbord of –zuil op de 10.000 inwoners.
APV Gemeente Maassluis 2021
96
Tweede lid, sub b In 2017 is landelijk aandacht geweest door de pers over het zogenoemde “stoepkrijtverbod”. De VNG heeft er voor gekozen om in de model-APV het woord “krijt” te schrappen. Door opname van het woord “krijt” was het verbod naar de letter van de wet ook van toepassing op onschuldige vormen van stoepkrijten. Gezien het feit dat krijten na een paar dagen of één regenbui niet meer in het straatbeeld zichtbaar is en nauwelijks schadelijk is voor het milieu, is gekozen om in artikel 2:42 APV het woord “krijt” te schrappen. In de APV-wijziging 2018 is de formulering van een aantal leden verbeterd conform de modelAPV van de VNG. Artikel 2:42a Graffiti Artikel 2:42 is sprake van een absoluut verbod van bekladden. In de term ‘bekladden’ ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR. Met deze bepaling kan worden opgetreden tegen degenen die graffiti op onroerende zaken aanbrengen. Met de toevoeging van artikel 2:42a wordt beoogd dat de rechthebbende op de onroerende zaak op korte termijn (zeven werkbare dagen) de graffiti verwijdert. Artikel 2:44
Vervoer inbrekerswerktuigen
De formulering in lid 2 is verbeterd. In de APV-2017 was in het tweede lid verwezen naar “in het eerste lid bedoelde handelingen”. In het eerste lid worden alleen geen handelingen genoemd. Met de APV-wijziging 2018 is dit zinsdeel daarom geschrapt en vervangen door het beschrijven van die handelingen. Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke In de praktijk doet zich dat niet voor. Met het oog op vereenvoudiging van de regelgeving is deze bepaling niet overgenomen. Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke Het bepaalde onder artikel 2:46 is overgeheveld naar artikel 5:11, en daardoor hier komen te vervallen. Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op of aan een openbare plaats In de APV-wijziging 2018 is de formulering hier en daar verbeterd conform de model-APV van de VNG. Artikel 2:47a Hinderlijk voetballen en dergelijke De praktijk heeft het nut aangetoond te beschikken over een bepaling die verbiedt na 22.00 uur met een balspel bezig te zijn.
APV Gemeente Maassluis 2021
97
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik Dit titel en tekst van dit artikel is gewijzigd conform de modelverordening APV (oude titel: Openlijk drankgebruik). Tevens is artikel 2:48a Hinderlijk drankgebruik op schoolpleinen en dergelijke komen te vervallen en opgenomen als lid 3 bij dit artikel. In het eerste lid van dit artikel is een algemeen verbod opgenomen om alcoholhoudende drank te nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken. Dit verbod geldt dus voor het hele gemeentelijk grondgebied. In het tweede lid is een verbod opgenomen om alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben in de onder a, b en c op voorhand aangewezen gebieden. Daarnaast kan het college, indien dit nodig blijkt, nog andere gebieden aanwijzen waar dit verbod van toepassing is (onder d). In verband met de verstoring van de openbare orde bestaat er dus behoefte aan een rechtsgrond zoals genoemd in het tweede lid, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de ‘voorfase’ – dus het bier drinken op bepaalde plaatsen – mogelijk wordt. Het gaat daarbij om het verbieden van het bij zich hebben van geopende flesjes alcoholhoudende drank.
Het gaat de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad te boven om te bepalen dat het verboden is ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen. Lid 3 ziet op verboden drankgebruik op schoolpleinen en dergelijke. Binnen de gemeente komt het voor dat overlast veroorzaakt wordt door personen als gevolg van alcoholgebruik. Op grond van artikel 2:48 kan de politie optreden tegen personen die op schoolpleinen, speelterreinen e.d. alcohol drinken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich hebben. De politie kan echter alleen handhavend optreden wanneer ze ziet dat er daadwerkelijk wordt gedronken of dat er daadwerkelijk sprake is van aangebroken verpakkingen e.d. van alcoholhoudende drank. De politie heeft aangegeven dat handhavend optreden bemoeilijkt wordt doordat zij weliswaar alcohol bij personen aantreft, maar nog in gesloten verpakking (trays met blikjes bier, kratten bier). Optreden hiertegen is niet mogelijk op grond van artikel 2:48 lid 1 en 2. Lid 3 biedt de politie een extra handvat om in de genoemde situatie op te treden tegen jongeren op schoolpleinen, kinderspeelplaatsen e.d. Ook met de APV-wijziging 2018 is de formulering hier en daar aangepast conform de model-APV van de VNG. Ook is toegevoegd dat de verboden in lid 2 en 3 gelden voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.
Op basis van artikel 45 van de Drank- en Horecawet is het immers al verboden voor jongeren onder de 18 jaar om “op een voor het publiek toegankelijke plaats alcohol bij zich te hebben of voor consumptie gereed te hebben”. Artikel 2:48a Verboden gebruik lachgas Niet alleen overmatig drankgebruik, maar ook oneigenlijk gebruik van lachgas leidt vaak tot overlastsituaties. Lachgas is populair als (party)drug, vooral onder jongeren. Ook in Maassluis worden regelmatig patronen gevonden waar lachgas in heeft gezeten. Het inhaleren zorgt voor een korte, stevige roes, maar is niet zonder risico's. Het aantal verkeersincidenten door APV Gemeente Maassluis 2021
98
lachgasgebruik is aanzienlijk toegenomen. Daarnaast levert lachgas gezondheidsproblemen op voor de gebruikers en kan het, doordat lachgas vooral in groepsverband en in de openbare ruimte wordt gebruikt, overlast veroorzaken voor omstanders en/of omwonenden. De vormen van overlast door lachgas lopen uiteen van zwerfvuil tot geluidsoverlast en hinderlijk gedrag. Ter bescherming van het milieu, de openbare orde en veiligheid en om overlast en hinder tegen te gaan, is het daarom nodig om het gebruik van lachgas op openbare plaatsen tegen te gaan. Op basis van de huidige landelijke wetgeving is het voor politie en handhavers niet mogelijk om op te treden tegen lachgas omdat lachgas onder de Warenwet valt, daarom een legaal middel is en zowel gebruik als verkoop van het middel is toegestaan. Wel is het mogelijk om, d.m.v. het opnemen van een verbod in de APV, in te grijpen tegen lachgasgebruik als dat gepaard gaat met overlast. Dit artikel voorziet in zo’n verbod en is tweeledig: op grond van het 1e lid kan worden opgetreden tegen lachgasgebruikers die overlast veroorzaken, en op grond van het 2e lid kan het college, mits daartoe voldoende aanleiding bestaat, een gebied aanwijzen waar het lachgasgebruik in haar geheel is verboden.
Lid 1 Op grond van het 1e lid is het verboden om lachgas te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. Bij de handhaving moet kunnen worden aangetoond dat het lachgasgebruik gepaard gaat met een van de hierboven genoemde vormen van overlast. Lid 2 en 3 Op grond van het 2e lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het volledig is verboden om lachgas te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. Dat betekent dat, ook als iemand in een concrete situatie lachgas gebruikt en geen overlast veroorzaakt, hij hiervoor in het aangewezen gebied alsnog beboet kan worden. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat). Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan dan besluiten een gebied aan te wijzen en zo een einde te maken aan de structurele overlast.
Dat het college op basis van het 2e lid enkel gebieden kan aanwijzen waar een algeheel gebruikersverbod geldt, is omdat een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en vanuit het oogpunt van proportionaliteit niet te verdedigen is. Daarom beperkt de bevoegdheid van het college zich tot het aanwijzen van gebieden. Het college kan op grond van het 3e lid in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld alleen ’s avonds. Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties Lid 1 Sinds 2016 is het Openbaar Ministerie (OM) diverse juridische procedures gestart om criminele motorclubs (Outlaw Motorcycle Gangs ofwel OMG’s) verboden te laten verklaren door de rechter. Het OM kan via het privaatrecht een civiel verbod aanvragen bij de rechter, wanneer de activiteiten van een motorclub ontwrichtend zijn voor de samenleving en de club een gevaar oplevert voor het maatschappelijk leven. Inmiddels heeft het OM bij de rechter civiele verboden APV Gemeente Maassluis 2021
99
gevraagd tegen een aantal motorclubs en deze in enkele gevallen al gekregen. De rechter heeft m.b.t. verschillende motorclubs geconcludeerd dat een groot aantal leden van deze motorclubs al jaren betrokken is bij tal van criminele gedragingen en deze veelvuldige en voortdurende inbreuken op de openbare orde de samenleving (kunnen) ontwrichten. Mede op basis hiervan heeft de rechter deze motorclubs verboden en ontbonden verklaard. Als een motorclub onherroepelijk verboden is door de rechter, is het strafbaar om deze voort te zetten. Dan komt er ook een einde aan alles wat met het uiterlijk vertoon van de motorclub verband houdt, zoals de naam, logo's en spreuken, en mogen de clubleden hun clubkleding niet meer in het openbaar dragen. De motorclub kan geen overeenkomsten meer sluiten en ook bestuursrechtelijk heeft de motorclub geen bestaansrecht meer, waardoor de club niet meer kan beschikken over een drank- of horecavergunning of deze kan aanvragen. Dit alles is echter pas verboden op het moment dat de uitspraak van de rechter onherroepelijk (definitief) is. Zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie openstaan, kan er niet worden opgetreden op grond van het Wetboek van Strafrecht. Helaas kosten de procedures van hoger beroep en cassatie veel tijd en kan het jaren duren voordat het verbod onherroepelijk is.
De motorbendes kunnen in die tijd doorgaan met hun criminele activiteiten. Om toch te kunnen optreden tegen motorclubs die door de rechter zijn verboden maar waarvan de procedures van hoger beroep en cassatie nog lopen, is het mogelijk om in de APV een zogenaamd colorverbod op te nemen. Dit houdt in dat het verboden is om symbolen van verboden motorclubs te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren. Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, het logo of spreuken op kleding of op motoren. Als grondslag geldt dat de burgemeester een eigen bevoegdheid heeft om maatregelen te treffen in het geval van vrees voor verstoring van de openbare orde. Uit jurisprudentie blijkt dat een door de rechter uitgesproken civiel verbod voldoende grondslag biedt voor een (potentiele) verstoring van de openbare orde en dat het nemen van maatregelen tegen verboden motorclubs derhalve rechtmatig is. Om op te treden tegen het uiterlijk vertoon van verboden OMG’s in de publieke ruimte, vanwege de intimidatie die hiervan uitgaat en de impact die dat kan hebben op de openbare orde, wordt deze verbodsbepaling opgenomen in de APV. Vanuit het oogpunt van openbare orde is het wenselijk om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van verboden/ontbonden organisaties uit de publieke ruime tot het rechterlijk verbod onherroepelijk is. Het toevoegen van art. 2:26 lid 3 en 4 en art.
2:50a, die betrekking hebben op het colorverbod van verboden motorclubs, wordt ondersteund door het OM en is onderdeel van een regionaal OMG-beleid in de regio Rotterdam-Rijnmond. Met het realiseren van een uniform, regionaal beleid kunnen ook waterbed/verplaatsingseffecten worden voorkomen. Het uiteindelijke doel is het tegengaan van criminele activiteiten door de OMG-leden. Lid 2 De strafbaarstelling van art. 2:26 lid 3 en 4 en art. 2:50a lid 1 zijn geregeld in artikel 6:1. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstellingen in het Wetboek van Strafrecht , voorziet het 2e lid in een anti-samenloopbepaling. Op basis van artikel 122 Gemeentewet vervallen APVbepalingen van rechtswege als in het onderwerp door hogere wetgeving, waaronder het Wetboek van Strafrecht, wordt voorzien. Dit is in dit geval relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak. Wanneer een criminele motorclub onherroepelijk is verboden en ontbonden door de rechter (zie de toelichting hierboven), is artikel 140 2e lid van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Op basis van art. 140 2e lid is het verboden deel te APV Gemeente Maassluis 2021
100