Bijlage 1 Artikelsgewijze wijzigingen en toelichting op de wijzigingen
Tekst van het document
Artikelsgewijze wijzigingen en toelichting op de wijzigingen Inhoudelijke APV-wijzigingen Wijziging 1 Bestaande tekst Artikel 2:1b Wijkverbod 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woonen leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een verbod opleggen om zich gedurende 24 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de gedragingen hebben plaatsgehad. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste acht weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de gedragingen hebben plaatsgehad. 3. Een verbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien de strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het opleggen van een eerder verbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd. 4.
De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede genoemde verboden, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 5. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod. Toelichting 1
Nieuwe tekst Artikel 2:1b Wijkverbod 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een verbod opleggen om zich te bevinden op in dat verbod aangewezen gebied gedurende een in het verbod neergelegde periode. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een wijkverbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een wijkverbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste 30 dagen te bevinden op in dat wijkverbod aangewezen gebied.
3. Een wijkverbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien de strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het opleggen van een eerder wijkverbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd. 4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid genoemde wijkverboden, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 5. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd wijkverbod.
Eerste lid Het artikel biedt de basis om personen die zich in strijd gedragen met de openbare orde een verbod op te leggen zich gedurende een bepaalde tijd in een aangewezen gebied te bevinden of zich daarin te begeven. De burgemeester kan dit doen in het belang van: - de openbare orde; - het voorkomen of beperken van overlast; - het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat; - de veiligheid van personen en goederen; - de gezondheid; - de zedelijkheid. Een wijkverbod wordt opgelegd indien een persoon strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht en daarvoor ten minste één maal is gewaarschuwd. De waarschuwing geldt voor de gehele stad en is zes maanden geldig. Nadat een persoon is gewaarschuwd én hij een redelijke termijn heeft gekregen om zijn overlastgevende gedrag te beëindigen dan wel het gebied te verlaten, kan een verbod worden opgelegd indien het overlast gevende of strafbare gedrag aanhoudt. Door het wijkverbod kan de burgemeester direct optreden wanneer een maatregel op dat moment in dat gebied noodzakelijk wordt geacht voor het herstel van de openbare orde. Hoe het middel door de burgemeester of de door of namens hem gemandateerde ambtenaren wordt ingezet ligt vast in een beleidsregel. Hierin is aangegeven welke feiten en openbare orde verstorende handelingen aanleiding kunnen geven tot het opleggen van een wijkverbod.
Dit kunnen zowel overtredingen van de APV als andere strafbare feiten zijn. Een wijkverbod geldt in beginsel voor het gebied waarin de overtreding is gepleegd en wordt begrensd door de grenzen van de wijkpolitie. Hierop zijn uitzonderingen mogelijk. Dit is het geval bij evenementen. Dan geldt het verbod voor het gebied dat in het besluit wordt aangegeven, hetgeen wordt begrensd door de grenzen van het evenemententerrein of indien sprake is van een open evenement de grenzen van die wijken waarin het evenement plaatsvindt. Tweede en derde lid Aan een persoon kan slechts een tweede of volgend wijkverbod worden opgelegd indien hij zich binnen zes maanden na het opleggen van een wijkverbod voor een volgende maal schuldig maakt aan strafbare of openbare orde verstorende gedragingen. Een dergelijk wijkverbod heeft een maximale duur van 30 dagen. Vierde lid Indien de betrokkene kan aantonen dat hij een zwaarwegend belang heeft om zich in het gebied op te houden, wordt het gebied waarop het verbod van toepassing is dienovereenkomstig aangepast. Doorgaans zal het gaan om belangen in de persoonlijke sfeer, zoals wonen, werken, het bezoek aan een huisarts, advocaat of hulpverleningsinstanties. Het opleggen van een wijkverbod houdt niet in dat er geen strafrechtelijke vervolging door het Openbaar Ministerie kan plaatsvinden tegen de gepleegde strafbare feiten.
2
Wijziging 2 Bestaande tekst Artikel 2:10 Voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven een openbare plaats 1. Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 1. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: g. containers voor de tijdelijke opslag van puin of van bouwmaterialen, mits
- ze niet langer dan 30 dagen op de weg zijn geplaatst - ze geen hinder of gevaar voor het verkeer opleveren - ze een lengte van maximaal 4,5 meter en een hoogte van maximaal 2,5 meter bedragen - er per perceel niet meer dan twee worden geplaatst
Nieuwe tekst Artikel 2:10 Voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven een openbare plaats 1. Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 3. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: g. containers voor de tijdelijke opslag van puin of van bouwmaterialen, bijbehorende keetwagens en dixies, mits - ze niet langer dan 30 dagen op de weg zijn geplaatst - ze geen hinder of gevaar voor het verkeer opleveren - de containers een lengte van maximaal 4,5 meter, een hoogte van maximaal 2,5 meter en een breedte van maximaal 2,5 meter bedragen - er per perceel niet meer dan twee containers, één keetwagen en één dixie worden geplaatst
Toelichting Lid 3 sub g Keetwagens en dixies In de APV-wijziging 2018 is ervoor gekozen om het plaatsen van containers voor de opslag van puin of bouwmaterialen meldings- en vergunningsvrij te maken. Dit was onderdeel van een dereguleringsslag van de vergunningverlening. Het meldings- en vergunningsvrij plaatsen van containers heeft de afgelopen jaren geen problemen gegeven. In de APV-wijziging 2020 worden ook keetwagens en dixies, mits onder bepaalde voorwaarden, vergunnings-en meldingsvrij gemaakt. Bij bouw- of verbouwactiviteiten is het gebruikelijk dat naast containers ook een dixie en keetwagen worden geplaatst. Aannemers hoeven weliswaar geen melding meer te doen van het plaatsen van een container, maar nu nog wel van een dixie of keetwagen. Omdat deze drie vaak bij elkaar worden geplaatst, is het logisch om het plaatsen van dixies en keetwagens ook meldings- en vergunningsvrij te maken. Wel geldt de voorwaarde dat er van beiden niet meer dan één per perceel mag worden geplaatst, dat ze niet langer dan 30 dagen op de weg zijn geplaatst en ze geen hinder of gevaar voor het verkeer opleveren. In de APV-wijziging 2020 wordt ook onder lid 3 sub g toegevoegd dat containers een maximale breedte mogen hebben van 2,5 meter. Dat is de gangbare breedte van een parkeervak.
Door deze maximumbreedte aan te houden, zorgen we ervoor dat containers in een parkeervak passen en niet over de rijbaan uitsteken.
3
Wijziging 3 Bestaande tekst Artikel 2:20a Dragen gevaarlijke voorwerpen 1. Het is verboden op een openbare plaats, met inbegrip van daaraan gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, een mes, slagwapen, knuppel, katapult, pijl en boog of een ander voorwerp dat als wapen kan worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen. Toelichting
Nieuwe tekst Artikel 2:20a Dragen gevaarlijke voorwerpen 1. Het is verboden op een openbare plaats, met inbegrip van daaraan gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, een mes, slagwapen, knuppel, katapult, pijl en boog of een ander voorwerp dat als wapen kan worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen. 2. Het verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen die zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor dadelijk gebruik gereed zijn. 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie.
Het verbod om gevaarlijke voorwerpen op openbare plaatsen te dragen was al opgenomen in de APV. Dit was destijds op verzoek van de politie. In de APV-wijziging 2020 is de formulering van het artikel aangepast, opdat het makkelijker leesbaar is. Dit artikel is van toepassing op messen en andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt. Het artikel heeft tot doel de bescherming van de openbare orde en veiligheid in Maassluis. Lid 1 en 2 In de APV-wijziging 2020 is de term “openlijk” geschrapt in het 1 e lid, omdat deze term voor verwarring kan zorgen. Met openlijk wordt bedoeld het geopend bij zich hebben van wapens, wat is verboden. Hiermee worden voorwerpen die zijn ingepakt uitgesloten van het verbod. Door ingepakte voorwerken uit te sluiten, blijft het mogelijk om bijvoorbeeld keukenmessen aan te schaffen en deze in de verpakking bij zich te dragen. De term “openlijk” kan echter ook worden geïnterpreteerd als openlijk zichtbaar bij zich dragen. Het bij zich dragen van een mes onder de jas of in een broekzak zou dan wel toegestaan zijn, en dat is niet de bedoeling van het artikel.
Met het schrappen van de term “openlijk” in het 1 e lid en met de toevoeging van het 2 e lid is de formulering verbeterd: conform het 1e lid is het bij zich hebben van messen en andere steekwapens verboden, ook als deze in een jas, broekzak of tas zitten, en conform het 2 e lid is het ongeopend verpakt bij zich hebben van een als wapen te gebruiken voorwerp wel toegestaan. Lid 3 Het 3e lid grenst het verbod af van de Wet wapens en munitie. Deze wet voorziet in een gedeeltelijk messenverbod en verbiedt onder meer het dragen van stiletto’s, vlindermessen en opvouwbare messen langer dan 28 centimeter of met meer dan één snijkant. In de praktijk treft de politie ook messen en andere wapens aan die niet zijn verboden op grond van de Wet wapens en munitie maar die ook behoorlijke verwondingen kunnen veroorzaken en daarom bedreigend zijn voor de openbare orde en veiligheid. Dit APV artikel maakt direct optreden bij bijvoorbeeld preventief fouilleren en vechtpartijen beter mogelijk, doordat ook het dragen van messen en andere steekwapens die niet onder de Wet wapens en munitie vallen strafbaar wordt gesteld. Uit jurisprudentie blijkt dat het opnemen van 4
een messenverbod in de APV, die in wezen aanvullend is op de Wet wapens en munitie, toegestaan is. Wijziging 4 Bestaande tekst Artikel 2:25a 0-evenementen 1. Behoudens in door de burgemeester aangewezen gebieden, is het verboden zonder melding aan de burgemeester een 0-evenement te organiseren, toe te laten of feitelijk te leiden. 2. Van een 0-evenement is sprake indien: a. het een feest op eigen terrein of feest in de openlucht betreft; Toelichting
Nieuwe tekst Artikel 2:25a 0-evenementen 1. Behoudens in door de burgemeester aangewezen gebieden, is het verboden zonder melding aan de burgemeester een 0-evenement te organiseren, toe te laten of feitelijk te leiden. 2. Van een 0-evenement is sprake indien: a. het een evenement in de openlucht betreft;
Lid 2a Onder artikel 2:25a lid 2a wordt in de APV-wijziging 2020 het zinsdeel “feest op eigen terrein” geschrapt. Er hoeft immers geen melding te worden gedaan van feestjes in iemands eigen huis of tuin. Daarnaast wordt de term “feest” vervangen door “evenement”, omdat deze term de verschillende soorten 0-evenementen beter dekt.
Wijziging 5 Bestaande tekst
5
Nieuwe tekst
2:26
Ordeverstoring
1. Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken of anderszins de orde te verstoren. 2. Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.
Artikel 2:26
Ordeverstoring
1. Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken of anderszins de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod van lid 3 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. 4. Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen. 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak en een herdenkingsplechtigheid.
Toelichting Lid 3 en 4 In de APV-wijziging 2020 is het zogenaamde colorverbod van door de rechter verboden en ontbonden criminele motorclubs (Outlaw Motorcycle Gangs ofwel OMG’s) opgenomen. Dit houdt in dat het verboden is om symbolen van verboden motorclubs te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren. Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, het logo of spreuken op kleding of op motoren. Op basis van dit artikel is het uiterlijk vertoon van verboden OMG’s niet toegestaan bij evenementen. Op basis van artikel 2:50 is het uiterlijk vertoon van verboden OMG’s niet toegestaan op openbare plaatsen, in voor het publiek openstaande gebouwen en op daarbij behorende erven. Zie ook de toelichting onder artikel 2:50. De toelichting horend bij artikel 2:50a is ook in haar geheel van toepassing op artikel 2:26 lid 3 en 4.
Wijziging 6 Na artikel 2:48 wordt het nieuwe artikel 2:48a toegevoegd dat luidt als volgt: Artikel 2:48a Verboden gebruik lachgas 1. Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder 6
veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden. Toelichting Niet alleen overmatig drankgebruik, maar ook oneigenlijk gebruik van lachgas leidt vaak tot overlastsituaties. Lachgas is populair als (party)drug, vooral onder jongeren. Ook in Maassluis worden regelmatig patronen gevonden waar lachgas in heeft gezeten. Het inhaleren zorgt voor een korte, stevige roes, maar is niet zonder risico's. Het aantal verkeersincidenten door lachgasgebruik is aanzienlijk toegenomen. Daarnaast levert lachgas gezondheidsproblemen op voor de gebruikers en kan het, doordat lachgas vooral in groepsverband en in de openbare ruimte wordt gebruikt, overlast veroorzaken voor omstanders en/of omwonenden. De vormen van overlast door lachgas lopen uiteen van zwerfvuil tot geluidsoverlast en hinderlijk gedrag.
Ter bescherming van het milieu, de openbare orde en veiligheid en om overlast en hinder tegen te gaan, is het daarom nodig om het gebruik van lachgas op openbare plaatsen tegen te gaan. Op basis van de huidige landelijke wetgeving is het voor politie en handhavers niet mogelijk om op te treden tegen lachgas omdat lachgas onder de Warenwet valt, daarom een legaal middel is en zowel gebruik als verkoop van het middel is toegestaan. Wel is het mogelijk om, d.m.v. het opnemen van een verbod in de APV, in te grijpen tegen lachgasgebruik als dat gepaard gaat met overlast. Dit artikel voorziet in zo’n verbod en is tweeledig: op grond van het 1 e lid kan worden opgetreden tegen lachgasgebruikers die overlast veroorzaken, en op grond van het 2 e lid kan het college, mits daartoe voldoende aanleiding bestaat, een gebied aanwijzen waar het lachgasgebruik in haar geheel is verboden. Lid 1 Op grond van het 1e lid is het verboden om lachgas te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. Bij de handhaving moet kunnen worden aangetoond dat het lachgasgebruik gepaard gaat met een van de hierboven genoemde vormen van overlast.
Lid 2 en 3 Op grond van het 2e lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het volledig is verboden om lachgas te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. Dat betekent dat, ook als iemand in een concrete situatie lachgas gebruikt en geen overlast veroorzaakt, hij hiervoor in het aangewezen gebied alsnog beboet kan worden. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat). Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan dan besluiten een gebied aan te wijzen en zo een einde te maken aan de structurele overlast. Dat het college op basis van het 2e lid enkel gebieden kan aanwijzen waar een algeheel gebruikersverbod geldt, is omdat een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op 7
belangrijke juridische bezwaren en vanuit het oogpunt van proportionaliteit niet te verdedigen is. Daarom beperkt de bevoegdheid van het college zich tot het aanwijzen van gebieden. Het college kan op grond van het 3e lid in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld alleen ’s avonds.
Wijziging 7 Na artikel 2:50 wordt het nieuwe artikel 2:50a toegevoegd dat luidt als volgt: Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 2. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Toelichting Lid 1 Sinds 2016 is het Openbaar Ministerie (OM) diverse juridische procedures gestart om criminele motorclubs (Outlaw Motorcycle Gangs ofwel OMG’s) verboden te laten verklaren door de rechter. Het OM kan via het privaatrecht een civiel verbod aanvragen bij de rechter, wanneer de activiteiten van een motorclub ontwrichtend zijn voor de samenleving en de club een gevaar oplevert voor het maatschappelijk leven. Inmiddels heeft het OM bij de rechter civiele verboden gevraagd tegen een aantal motorclubs en deze in enkele gevallen al gekregen. De rechter heeft m.b.t.
verschillende motorclubs geconcludeerd dat een groot aantal leden van deze motorclubs al jaren betrokken is bij tal van criminele gedragingen en deze veelvuldige en voortdurende inbreuken op de openbare orde de samenleving (kunnen) ontwrichten. Mede op basis hiervan heeft de rechter deze motorclubs verboden en ontbonden verklaard. Als een motorclub onherroepelijk verboden is door de rechter, is het strafbaar om deze voort te zetten. Dan komt er ook een einde aan alles wat met het uiterlijk vertoon van de motorclub verband houdt, zoals de naam, logo's en spreuken, en mogen de clubleden hun clubkleding niet meer in het openbaar dragen. De motorclub kan geen overeenkomsten meer sluiten en ook bestuursrechtelijk heeft de motorclub geen bestaansrecht meer, waardoor de club niet meer kan beschikken over een drankof horecavergunning of deze kan aanvragen. Dit alles is echter pas verboden op het moment dat de uitspraak van de rechter onherroepelijk (definitief) is. Zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie openstaan, kan er niet worden opgetreden op grond van het Wetboek van Strafrecht. Helaas kosten de procedures van hoger beroep en cassatie veel tijd en kan het jaren duren voordat het verbod onherroepelijk is. De motorbendes kunnen in die tijd doorgaan met hun criminele activiteiten.
Om toch te kunnen optreden tegen motorclubs die door de rechter zijn verboden maar waarvan de procedures van hoger beroep en cassatie nog lopen, is het mogelijk om in de APV een zogenaamd colorverbod op te nemen. Dit houdt in dat het verboden is om symbolen van verboden motorclubs te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren. Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, het logo of spreuken op kleding of op motoren. Als grondslag geldt dat de burgemeester een eigen bevoegdheid heeft om maatregelen te treffen in het geval van vrees voor verstoring van de 8
openbare orde. Uit jurisprudentie blijkt dat een door de rechter uitgesproken civiel verbod voldoende grondslag biedt voor een (potentiele) verstoring van de openbare orde en dat het nemen van maatregelen tegen verboden motorclubs derhalve rechtmatig is. Om op te treden tegen het uiterlijk vertoon van verboden OMG’s in de publieke ruimte, vanwege de intimidatie die hiervan uitgaat en de impact die dat kan hebben op de openbare orde, wordt deze verbodsbepaling opgenomen in de APV. Vanuit het oogpunt van openbare orde is het wenselijk om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van verboden/ontbonden organisaties uit de publieke ruime tot het rechterlijk verbod onherroepelijk is. Het toevoegen van art. 2:26 lid 3 en 4 en art. 2:50a, die betrekking hebben op het colorverbod van verboden motorclubs, wordt ondersteund door het OM en is onderdeel van een regionaal OMGbeleid in de regio Rotterdam-Rijnmond. Met het realiseren van een uniform, regionaal beleid kunnen ook waterbed/verplaatsingseffecten worden voorkomen. Het uiteindelijke doel is het tegengaan van criminele activiteiten door de OMG-leden. Lid 2 De strafbaarstelling van art. 2:26 lid 3 en 4 en art. 2:50a lid 1 zijn geregeld in artikel 6:1. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstellingen in het Wetboek van Strafrecht , voorziet het 2 e lid in een anti-samenloopbepaling.
Op basis van artikel 122 Gemeentewet vervallen APV-bepalingen van rechtswege als in het onderwerp door hogere wetgeving, waaronder het Wetboek van Strafrecht, wordt voorzien. Dit is in dit geval relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak. Wanneer een criminele motorclub onherroepelijk is verboden en ontbonden door de rechter (zie de toelichting hierboven), is artikel 140 2 e lid van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Op basis van art. 140 2 e lid is het verboden deel te nemen aan de voortzetting van werkzaamheden (inclusief uiterlijk vertoon) van door de rechter onherroepelijk verboden organisaties.
9
Wijziging 8 Bestaande tekst Artikel 2:73a Carbidschieten 1. Het is verboden carbid te schieten in de open lucht. 2. Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een (melk)bus/container/opslagvat/gasfles op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid gestelde verbod in de periode van 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
Nieuwe tekst Artikel 2:73a Carbidschieten 1. Het is verboden carbid te schieten in de open lucht. 2. Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een (melk)bus/container/opslagvat/gasfles op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
Toelichting In artikel 2:73a is geregeld dat carbidschieten in principe is verboden, maar de burgemeester wel de mogelijkheid heeft om een ontheffing te verlenen. Dit artikel is destijds opgenomen toen er naast de vreugdevuren (die in 2007 zijn beëindigd) ook carbidschieten werd toegestaan. Daarna is er jarenlang nooit meer een verzoek tot ontheffing gekomen. Vanwege de Coronacrisis en het landelijk afgekondigde vuurwerkverbod in 2020 is het carbidschieten weer populairder geworden en zijn de discussies hierover teruggekeerd. Het is wenselijk om carbidschieten in het geheel te verbieden en daarom ook de ontheffingsmogelijkheid te schrappen. Dat voorkomt discussies over de vraag wanneer wel of niet een ontheffing wordt verleend. Daarnaast is een algeheel verbod in het belang van de openbare orde en veiligheid en van de volksgezondheid, omdat mensen gewond raken van carbidschieten.
Wijziging 9 Bestaande tekst Artikel 2:78 Sluiting van panden De burgemeester kan, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet.
10
Nieuwe tekst Artikel 2:78 Sluiting voor het publiek openstaande gebouwen 1. De burgemeester kan, indien dit naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf. 2. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten
gebouw of erf te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven. 3. Op aanvraag van een belanghebbende kan een sluiting door de burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en/of wanneer naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Toelichting
Toelichting
Naast de bevoegdheid van de burgemeester vanuit artikel 13b Opiumwet kan de burgemeester ook op grond van dit artikel een gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen indien de openbare orde dit naar zijn mening vereist. De sluiting geldt voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, als bedoeld in artikel 174 Gemeentewet.
Dit artikel betreft een aanvullende burgemeestersbevoegdheid. Op grond van de APV en artikel 13b van de Opiumwet is de burgemeester al bevoegd om horecabedrijven of seksinrichtingen te sluiten. Op grond van artikel 174a Gemeentewet kunnen ook woningen worden gesloten en artikel 174 geeft de mogelijkheid om onmiddellijk openbare inrichtingen te sluiten bij acute (of acuut dreigende) openbare ordeverstoringen.
De burgemeester kan een bevel tot sluiting geven van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte, in bijvoorbeeld de volgende situaties. Sluiting indien is gehandeld in strijd met artikel 1 Wet op de kansspelen; Sluiting van een pand waar door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; Sluiting van een gebouw waarin discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of welke grond dan ook; Verzegeling en sluiting wegens het aantreffen van wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.
11
Artikel 2:78 van de APV is een aanvulling op bovenstaande burgemeestersbevoegdheden. Op grond van dit artikel kan de burgemeester gericht optreden wanneer winkeliers of ondernemers van dienstverlenende bedrijven zoals kappers, uitzendbureaus, belwinkels, growshops of garages, overlast (blijven) veroorzaken of ter plaatse strafbare feiten plegen, deze faciliteren, gedogen of op enigerwijze toestaan. Tevens geeft het artikel de burgemeester de mogelijkheid om op te treden, indien er in of vanuit een pand (niet zijnde een woning) wordt gegokt, waarvoor geen toestemming is gegeven op grond van de Wet op de Kansspelen. De burgemeester zal o.a. tot het oordeel kunnen komen dat sluiting noodzakelijk is indien één van de volgende situaties zich voordoet: a. indien aannemelijk is, dat in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw activiteiten plaatsvinden, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of
leefklimaat in de omgeving van het voor het publiek openstaand gebouw; b. indien in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw strafbare feiten worden gepleegd; c. indien zich in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw anderszins feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het voor het publiek openstaand gebouw gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het voor publiek openstaand gebouw. Deze bevoegdheid gaat verder dan artikel 174 van de Gemeentewet. Zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie, kan de burgemeester op grond van artikel 174Gw. overgaan tot sluiting indien sprake is van een ordeverstoring die concreet voorzienbaar is en een actuele dreiging vormt voor veiligheid of gezondheid, waartegen onmiddellijk moet worden opgetreden. De sluiting kan dan ook slechts van korte duur zijn. Omdat artikel 174 Gw. geen soelaas biedt wanneer een langere sluitingsduur geboden is, is artikel 2:78 in de APV opgenomen. Artikel 2:78 stond al in de APV. In de APVwijziging 2020 zijn de formulering van het artikel en de bijbehorende toelichting aangepast. De redenen hiervan zijn dat nu beter de burgemeestersbevoegdheid is toegelicht en dat het verschil tussen optreden op grond van art. 2:78 APV en art 174 Gw. duidelijker is.
12
Wijziging 10 Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3. Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden: a. in besloten kring; b. door een instelling die is ingedeeld in het door het college voor het betreffende kalenderjaar vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorwaarden plaatsvindt; c. door een andere, door het college aangewezen instelling. 4. Het college kan bij het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen. Toelichting
Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3. Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden: a. in besloten kring; b. door instellingen die zijn ingedeeld op het thans geldende landelijke collecteen wervingsrooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving en die geld of goederen inzamelen of werven in de aan hen door het Centraal Bureau Fondsenwerving toegewezen periode; c. door een andere, door het college aangewezen instelling. Het college kan bij het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen.
Door college vastgesteld collecte- en wervingsrooster, lid 3b In de APV-wijziging 2018 zijn de instellingen, die zijn ingedeeld in het per kalenderjaar vastgestelde collecte- en wervingsrooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), vrijgesteld van de vergunningplicht. Destijds was ervoor gekozen om dat als volgt te regelen. Allereerst was in artikel 3b opgenomen dat de instellingen vergunningsvrij kunnen collecteren/werven die zijn ingedeeld in het door het college voor het betreffende kalenderjaar vastgestelde collecte- en wervingsrooster. Vervolgens wees het college jaarlijks een collecte- en wervingsrooster aan in een apart aanwijzingsbesluit. Het college wees hiervoor het collecte- en wervingsrooster van het CBF aan. De VNG adviseerde deze procedure, omdat aan het CBF geen wetgevende bevoegdheid toekomt. 13
In de APV-wijziging 2020 wordt de tweeledige procedure geschrapt en wordt artikel 3b als volgt: instellingen zijn vrijgesteld van de vergunningsplicht, die zijn ingedeeld in het per kalenderjaar vastgestelde collecte- en wervingsrooster van het CBF. Door het artikel op deze manier te wijzigen, is er geen jaarlijks apart aanwijzingsbesluit meer nodig. Ondanks dat aan het CBF geen wetgevende bevoegdheid toekomt, is het juridisch mogelijk om het collecte- en wervingsrooster van het CBF direct in de APV aan te wijzen. Meerdere gemeenten hebben het op deze wijze in de APV geregeld.
Wijziging 11 Bestaande tekst Artikel 5:18 Standplaatsen en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 4. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, heeft een geldigheidsduur van één jaar.
Nieuwe tekst Artikel 5:18 Standplaatsen en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 4. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, heeft een geldigheidsduur van maximaal vijf jaar.
Toelichting Lid 4 In januari 2017 zijn de beleidsregels m.b.t. venten en standplaatsen gewijzigd. Een van de wijzigingen was dat de standplaatsvergunningen voortaan voor een periode van vijf jaar werden verleend. Tot dan toe werden vergunningen jaarlijks verstrekt. In het kader van deregulering en vereenvoudiging van het vergunningstelsel is in 2017 gekozen voor een termijn van vijf jaar. Het is nodig om de APV hierop aan te passen en de geldigheidsduur in het 4 e lid te wijzigen van één naar maximaal 5 jaar.
14
APV-wijzigingen tekstueel en wettechnisch van aard Bestaande toelichting Toelichting op de Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2014
Vervanging van toelichting Toelichting op de Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2021
Inleiding De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Maassluis is de belangrijkste verordening van de gemeente op het gebied van de openbare orde en veiligheid. Regelmatig wordt de APV geactualiseerd om aan te sluiten bij ontwikkelingen in de rechtspraak en op het gebied van wetswijzigingen. Ook vanuit de gemeente komen in de loop van de tijd verzoeken en wensen die wijzigingen in de APV behoeven.
Inleiding De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Maassluis is de belangrijkste verordening van de gemeente op het gebied van de openbare orde en veiligheid. Regelmatig wordt de APV geactualiseerd om aan te sluiten bij ontwikkelingen in de rechtspraak en op het gebied van wetswijzigingen. Ook vanuit de gemeente komen in de loop van de tijd verzoeken en wensen die wijzigingen in de APV behoeven.
De toelichting is integraal onderdeel van de APV die, tegelijk met wijzigingen in artikelen, ook wordt aangepast. De toelichting geeft nadere uitleg bij de artikelen en/of geeft een artikelsgewijze omschrijving van de doorgevoerde wijzigingen. Dit betreft wijzigingen die dit jaar of die in eerdere jaren in de APV zijn doorgevoerd. Aangezien de toelichting op de model-APV van de VNG uitstekend is te gebruiken als toelichting op deze (Maassluise) verordening wordt ook verwezen naar de uitgebreide toelichting behorend bij dat model. Tenslotte worden ook de artikelen toegelicht waar van de modelverordening is afgeweken of waar Paragraaf 4.1.3.3 (Lex Silencio Positivo) wel of niet van toepassing is verklaard.
De toelichting is integraal onderdeel van de APV die, tegelijk met wijzigingen in artikelen, ook wordt aangepast. De toelichting geeft nadere uitleg bij de artikelen en/of geeft een artikelsgewijze omschrijving van de doorgevoerde wijzigingen. Dit betreft wijzigingen die dit jaar of die in eerdere jaren in de APV zijn doorgevoerd. Aangezien de toelichting op de model-APV van de VNG uitstekend is te gebruiken als toelichting op deze (Maassluise) verordening wordt ook verwezen naar de uitgebreide toelichting behorend bij dat model. Tenslotte worden ook de artikelen toegelicht waar van de modelverordening is afgeweken of waar Paragraaf 4.1.3.3 (Lex Silencio Positivo) wel of niet van toepassing is verklaard.
In de laatste jaren is de APV verschillende keren gewijzigd, namelijk in 2012, 2014, 2016 en 2017. De meest ingrijpende wijziging vond plaats in 2014, veel artikelsgewijze toelichtingen hebben daarom nog betrekking op de in 2014 doorgevoerde wijzigingen.
In de laatste jaren is de APV verschillende keren gewijzigd, namelijk in 2012, 2014, 2016, 2017, 2018 en 2020. De meest ingrijpende wijziging vond plaats in 2014, veel artikelsgewijze toelichtingen hebben daarom nog betrekking op de in 2014 doorgevoerde wijzigingen.
Bestaande tekst Inhoudsopgave
Nieuwe tekst Inhoudsopgave
(geen)
Artikel 2:48a - Verboden gebruik lachgas Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties
15
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. 2. Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen , vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de in de Wet openbare manifestaties.
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Toelichting In de APV-wijziging 2018 is het artikel over samenscholingen en ongeregeldheden geherformuleerd om beter aan de sluiten bij de model-APV van de VNG. Onbedoeld is zowel het vorige artikel blijven staan als het nieuwe artikel toegevoegd. Dat wordt nu rechtgezet door onder Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden artikel 2:1 (het vorige artikel) te vervangen door het nieuwe artikel.
16
Bestaande tekst Afdeling 2. Betogingen
Nieuwe tekst Afdeling 2. Betogingen
Artikel 2:1 Samenscholing en (Geen) ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats: d. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; e. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of f. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Toelichting In de APV-wijziging 2018 is het artikel over samenscholingen en ongeregeldheden 17
geherformuleerd om beter aan de sluiten bij de model-APV van de VNG. Onbedoeld is zowel het vorige artikel blijven staan als het nieuwe artikel toegevoegd. Dat wordt nu rechtgezet door artikel 2:1 (het vorige artikel) onder afdeling 2. Betogingen te schrappen.
Bestaande tekst Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten of te laten verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale Milieuverordening.
Nieuwe tekst Artikel 4:6 Overige geluidhinder (Vervallen)
Toelichting De teksten van artikel 4:5a en 4:6 lijken veel op elkaar. Daarom is in de APV-wijziging 2020 artikel 4:6 geschrapt.
Bestaande tekst Artikel 6:1 Strafbepaling
Nieuwe tekst Artikel 6:1 Strafbepaling
(geen)
Artikel 2:48a - Verboden gebruik lachgas Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties
Bestaande tekst Artikel 6:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Maassluis 2019.
Nieuwe tekst Artikel 6:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Maassluis 2021.
18