CConstaterende datMaassluis
Koppel je AI →
Document · PDF

Ambitiedocument juni 2020

Thema-avond 1 29 juni 2021, gemeente MaassluisBij agendapunt: 20.00-22.00 uur: Stand van zaken implementatie en Omgevingswet/ Participatie Omgevingswet7.586 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ambitiedocument Omgevingswet Maassluis

18 juni 2020 1

Inhoud

1.

2.

3.

Inleiding ........................................................................................................................................... 3 1.1.

De Omgevingswet ............................................................................................................... 3

1.2.

Het implementatietraject tot nu toe ................................................................................... 3

1.3.

Leeswijzer ............................................................................................................................ 4

De verbeterdoelen ........................................................................................................................... 5 2.1.

Rolbepaling.......................................................................................................................... 5

2.2.

Integraal werken ................................................................................................................. 5

2.3.

Sturen of loslaten ................................................................................................................ 6

2.4.

Participatie .......................................................................................................................... 6

De toepassing................................................................................................................................... 9 3.1.

Korte termijn ....................................................................................................................... 9

3.1.1.

Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ............................................................................... 9

3.1.2.

Proces vergunningverlening............................................................................................. 9

3.1.3.

Juridische voorbereiding .................................................................................................. 9

3.1.4.

Omgevingsvisie .............................................................................................................. 10

3.1.5.

Participatie en communicatie ........................................................................................ 11

Bijlage 1 ................................................................................................................................................. 13 VNG-lijst minimale acties Omgevingswet....................................................................................... 13

2

1. Inleiding 1.1.

De Omgevingswet

De Omgevingswet treedt op 1 januari 20221 in werking. Elke gemeente in Nederland bereidt zich daarop voor, dus ook Maassluis. De voorbereiding faciliteert de op handen zijnde verandering. De verandering die in de Omgevingswet wordt aangeduid met ‘de 4 verbeteringen’ die de wet beoogt. De relevante vraag is: wat is die verandering en wat voor impact heeft die op de gemeente Maassluis? De Omgevingswet laat ruimte hoe je als gemeente met deze verbeteringen wenst om te gaan. Er valt iets te kiezen. Bijvoorbeeld: de wet heeft het over loslaten, ruimte bieden en minder regelen, om zo ontwikkelingen makkelijker en sneller mogelijk te maken. Maar de mate waarin je wilt loslaten (of niet), is een gemeentelijke keuze. Daar gaat dit ambitiedocument over.

Het ambitiedocument gaat ook over hoe we die gemeentelijke keuzes gaan toepassen in het nieuwe instrumentarium, in welk tempo we dat doen en waar we prioriteit aan geven. Ofwel de daadwerkelijke implementatie van de verbeteringen in het instrumentarium.

1.2.

Het implementatietraject tot nu toe

We zijn medio 2019 gestart met het implementatietraject Omgevingswet. Dat traject bestaat uit drie stappen: 1.

2. 3.

1

bewustwording van de nieuwe wet; Via verschillende bijeenkomsten zijn we ons bewust geworden van de andere werkwijze (wat gaat er veranderen en wat doen we als volgens de doelen van de Omgevingswet?), hebben we nagedacht over sturing geven aan nieuwe ontwikkelingen en welke rol we ons als gemeente daarbij willen toe-eigenen? Het bepalen van de ambitie van Maassluis; De conclusies die we in stap 1 hebben getrokken, zijn input voor het ambitiedocument. Toepassen We passen onze ambitie toe in acties voor de korte- en langere termijn.

Volgens het voorstel van de minister. De 2e en 1e kamer moeten dit na de zomer nog bekrachtigen.

3

Ook hebben we geconstateerd dat, willen we voor 1 januari 2022 voorbereid zijn op de Omgevingswet, we nu aan de slag moeten met die acties die niet kunnen wachten. We hebben daarom verschillende werkgroepen ingesteld, die aan de slag gaan met acties die in ieder geval voor 2021 uitgevoerd moeten zijn. Tegelijkertijd hebben we nagedacht over acties die op de langere termijn moeten gebeuren. Dit leidt tot de volgende leeswijzer.

1.3.

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 leest u wat de ambitie van Maassluis is met betrekking tot de verbeterdoelen van de Omgevingswet. Deze ambitie is gedestilleerd uit de opbrengst van de verschillende workshops die we in de 2 e helft van 2019 hebben georganiseerd. In hoofdstuk 3 leest u hoe we onze ambitie willen gaan toepassen. Dit doen we in twee fasen: 1. Op korte termijn (voor 2022) willen we de minimale acties hebben uitgevoerd om gesteld te zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet 2. Voor de langere termijn geven we een overzicht hoe we aan de slag willen met het instrumentarium. In hoofdstuk 4 leest u hoe we de werkorganisatie hebben ingericht om tot toepassing te kunnen komen. Hierin is de indeling in een aantal werkgroepen, de bemensing, tijdbeslag en tijdplanning weergegeven.

4

2. De verbeterdoelen Gedurende de bewustwordingsfase hebben we de verbeterdoelen uiteengerafeld in 4 hanteerbare begrippen: 1. Rolbepaling 2. Integraal werken 3. Sturen of loslaten 4. Participatie Over deze begrippen is een aantal uitspraken gedaan tijdens de bewustwordingsfase. In dit ambitiedocument geven we aan hoe we deze begrippen in de praktijk willen hanteren. Dit doen we per begrip.

2.1.

Rolbepaling

In verschillende workshops hebben we gediscussieerd over de rol die je als gemeente kunt aannemen; van een sterk sturende rol tot een rol die meer loslaat en zich richt op het proces (netwerker, inspirator). Tijdens deze workshops hebben we geconstateerd dat deze rol kan verschillen per thema, gebied of tijdsgewricht. Ook hebben we geconstateerd dat we meerdere rollen binnen een thema kunnen vervullen; bijvoorbeeld het initiëren van een thema of project, waarna je in een later stadium los kunt laten en andere partijen het voortouw laten nemen. Enkele conclusies die we kunnen trekken op basis van het onderwerp rolbepaling zijn: 1. Zowel ambtelijk als bestuurlijk is er een voorkeur voor minder sturen en meer loslaten (netwerker, inspirator). Wel met de kanttekening dat dit alleen kan binnen heldere kaders 2; 2. Zowel ambtelijk als bestuurlijk werd geconstateerd dat de rolopvattingen binnen één project sterk kunnen verschillen. Het is dus zaak bij elk ‘project’ na te denken over welke rol het beste past en dit ook duidelijk te communiceren met alle betrokkenen; 3. De kaderstellende taak wordt als een (initiatief)rol voor de gemeente gezien. Binnen deze rol past het om na te denken welke rol er voor andere betrokkenen is weggelegd. 4.

De gemeente heeft te allen tijde een rol in het bewaken van het algemeen belang! Dit kan bij het bepalen van je rol niet over het hoofd gezien worden. Twee voorbeelden Voor woningbouwontwikkeling is onze woonvisie en bijbehorende programmering kaderstellend. Binnen die afspraken kan een participatieproces tot stand komen, waarbij medezeggenschap binnen deze afspraken kan plaats vinden. Zo staat een vastgesteld programma van eisen niet meer ter discussie in een participatietraject en moet de ruimte voor participatie worden gezocht binnen die randvoorwaarden. De opgave voor energietransitie wordt voor een beperkt deel door overheden uitgevoerd. Marktpartijen (duurzame energieopwekking), bewoners en corporaties (isoleren woningen) spelen een belangrijke rol in de uitvoering. De overheid stelt wel kaders (waar wel en waar geen duurzame energiebronnen) die gezamenlijk kunnen worden opgesteld. Een aantal zaken zijn echter randvoorwaarden stellend: belemmeringen voor windmolens, maar ook de mogelijkheid om aan te sluiten op een warmtenet. Dit zijn zaken die worden aangestuurd door de overheid.

2.2.

Integraal werken

Integraal werken is tijdens de bijeenkomsten op 2 manieren in beeld gekomen: 1. Integraal werken door alle disciplines in onderlinge samenhang te betrekken; 2. Integraal werken door alle relevante betrokken partijen bij een project te betrekken. We zijn het erover eens dat alle relevante disciplines in een vroeg stadium bij een project moeten worden betrokken. De vraag is hoe we ervoor zorgen dat dit automatisch gedrag wordt. Het nadenken over werkprocessen (de toepassingsfase, zie hoofdstuk 3 en 4) kan daar oplossingen voor vinden. Een duidelijke meerwaarde werd onderkend door het veel meer betrekken van het sociaal- en veiligheids- domein bij ruimtelijke opgaven. Hierdoor kan een andere kijk op de opgave ontstaan, die frisse en nieuwe ideeën oplevert. En het wordt makkelijker om van elkaars netwerk gebruik te maken. 2 Onder kaders verstaan we zowel beleidskaders als programma’s die door het college of de raad zijn vastgesteld. Maar ook

bedoelen we dat we in processen het juiste verwachtingenmanagement met betrekking tot (minder) sturen moeten toepassen. Duidelijk maken of er wel of geen sprake is van medezeggenschap.

5

Ook is er breed consensus over het tijdig betrekken van relevante stakeholders. Het maken van een stakeholdersanalyse moet daarom een standaard actie worden bij de start van projecten.

2.3.

Sturen of loslaten

Dit onderwerp hangt nauw samen met het eerste onderwerp; rolopvatting. Tegelijkertijd gaat het ook over deregulering. En iedereen is het er over eens dat we te veel regels hanteren met elkaar. Dit is overigens vooral een gevoel. Als je dit gaat uitzoeken, blijkt tegelijkertijd dat we die regels niet voor niks hebben opgesteld. De kunst is dus uit te vinden waar het wel wat minder kan; dit vormt een belangrijk aandachtspunt bij het vorm geven van de nieuwe instrumenten van de Omgevingswet. De verschillende bijeenkomsten hebben het volgende opgeleverd: 1. We hebben geëxperimenteerd met sturen op doelen. Iedereen heeft het besef dat dat centraal moet staan en dat regels een afgeleide zijn, die voortkomen uit de gestelde doelen. 2. Vaak gaat sturen op doelen gepaard met het hanteren van kwalitatieve normstelling (geen bouwhoogte, maar passend in het stedenbouwkundig beeld), wat meer flexibiliteit en mogelijkheden voor maatwerk biedt; 3. Niet alles is geschikt om te regelen met kwalitatieve normen. Met name bij het behouden van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving (een van de doelen van de Omgevingswet), is het hanteren van een harde ondergrens nodig; 4. Deregulering kan bijdragen aan het bieden van ruimte voor ontwikkeling voor een initiatiefnemer en kortere procedures. Tegelijkertijd dient de kwaliteit van de fysieke leefomgeving gewaarborgd te worden voor omwonenden; 5.

Wel is het zinvol om bij het opstellen van nieuwe instrumenten, de mate van deregulering te onderzoeken. Het mede baseren ervan op ervaringen uit het verleden (monitoring) is een zinvolle exercitie om te komen tot werkbare regels. Het minder sturen is een geleidelijk veranderproces. Monitoring speelt hierbij een belangrijke rol. Het in de praktijk brengen van de sturingsfilosofie en deze monitoren op de effecten ervan, zorgen voor een voortdurende bijstelling en aanscherping. Het sturingsniveau is daarmee een dynamisch begrip dat per situatie verschillende kanten op kan bewegen.

2.4.

Participatie

Participatie wordt door de wetgever belangrijk gevonden, maar hoe participatie vorm dient te krijgen, laat de Omgevingswet vrij. Participatie hangt, net als sturen en loslaten, sterk samen met de gekozen rolopvatting. En gezien de voorkeur voor minder sterk sturende rollen, zou je verwachten dat iedereen overtuigd is van het belang van participatie. In eerste instantie lijken de meningen toch uiteen te lopen; over de betekenis van cocreatie en draagvlak creëren, wordt verschillend gedacht. Na verschillende discussies blijkt er wel degelijk een rode draad te ontdekken in de meningsvorming. Over de volgende uitspraken bestaat consensus:  Participatie is maatwerk. Per traject bepalen we hoe we participatie willen inzetten en op welke sport van de participatieladder3 we ons willen begeven. Daarbij spelen de volgende criteria een rol; o Welke kaders zijn relevant; o betreft het beleid of een gebiedsontwikkeling; o op wie/welke doelgroepen heeft het beleid/de gebiedsontwikkeling invloed (m.a.w. wie zijn de potentiele participanten) o wie hebben we nodig om het project uit te voeren

3

De participatieladder is een indeling van verschillende vormen van participatie (variërend van weinig te veel (mede)zeggenschap). De werkgroep participatie en communicatie werkt de ladder verder uit en beantwoord vragen als: ‘Wat houden de sporten van de ladder in?’ en ‘Wat zijn de gevolgen van de toepassing ervan?’.

6

   

  

Bij dat maatwerk hoort altijd het juiste verwachtingenmanagement. We geven duidelijk aan binnen welke kaders we participeren. We passen participatie zowel bij projecten als bij beleidsvorming toe. Ook hier gelden uiteraard de principes van maatwerk en verwachtingenmanagement. Participatie is ook een instrument om betrokkenen te laten wennen aan nieuwe ideeën; De omgevingsdialoog is door de Omgevingswet verplicht gesteld. Hiermee wordt van de initiatiefnemer gevraagd een participatietraject voor het initiatief te doorlopen. Waar een omgevingsdialoog aan moet voldoen, gaan we uitwerken. Een goed participatieproces vraagt een goede voorbereiding, die start met een doelgroepenanalyse Het betrekken van doelgroepen bij het vormgeven van participatieprocessen kan inzicht geven in de effectiviteit van de participatie en zo de kans op succes te vergroten; Een goed participatieproces opzetten is ook een kwestie van ervaring. Experimenteren met participatie en hiervan leren, helpt daarbij.

7

8

3. De toepassing De in hoofdstuk twee beschreven ambities zijn een momentopname. Of de ambities werken voor Maassluis moeten we nog uitvinden. Dit doen we door er toepassing aan te geven en van onze ervaringen te leren, bijvoorbeeld door onze toepassingen te monitoren. Het toepassen van onze ambities doen we in twee snelheden; voor de korte en de langere termijn.

3.1.

Korte termijn

OP 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Voor die tijd moeten we een aantal acties hebben uitgevoerd, om voorbereid te zijn op de Omgevingswet. Deze acties zijn door de VNG samengevat in een minimale lijst met acties (zie bijlage 1). Van deze lijst hebben wij die acties geselecteerd die relevant zijn voor Maassluis. De acties zijn onder te verdelen in 5 groepen: 1. DSO 2. Het proces van vergunningverlening 3. Juridische voorbereiding 4. De omgevingsvisie 5. Participatie en communicatie Per groep gaan we kort in op de opgave die voor ligt. Ambtelijk worden deze opgaven in gelijknamige werkgroepen verder opgepakt en uitgewerkt.

3.1.1. Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) Bij de Omgevingswet hoort een goede digitale ondersteuning; het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Digitale informatie over de leefomgeving is straks op één plek te vinden: in het Omgevingsloket. Via dit loket kan iedereen snel zien wat mag en wat niet volgens de Omgevingswet. Overheden leveren de informatie voor het Omgevingsloket. Hiervoor sluiten ze lokale systemen aan op de landelijke voorziening van het digitaal stelsel. Ook Maassluis zal voorzieningen moeten treffen om haar systemen aan te laten sluiten bij die landelijke voorziening. Het is onze ambitie om ons zodanig voor te bereiden op het DSO, dat we op 1 januari 2022 aangesloten zijn op de landelijke voorziening. Het is eveneens onze ambitie om hiervoor regionale samenwerking en afstemming te zoeken. We gaan niet zelf opnieuw het wiel uitvinden.

3.1.2. Proces vergunningverlening Onder de Omgevingswet veranderen met name de procedures voor vergunningverlening. Kort gezegd komt het erop neer dat bijna alle vergunningen in 8 weken moeten worden verleend in plaats van nu in 26 weken. Dat betekent dat de tijd voor het beoordelen van een aanvraag, het inwinnen van advies bij onze ketenpartners, het eventueel inwinnen van advies bij externen en de besluitvorming hierover in een krap tijdsbestek moet plaats vinden. Daarnaast moet het proces ook digitaal ontsloten worden via het DSO. Een logische constatering is dat de voorbereidingen om tot vergunningverlening over te kunnen gaan, bij voorkeur plaats vinden voordat de officiële termijn van 8 weken in gaat. Ook onze ketenpartners hebben dit besef en het Rijnmondberaad4 is in de regio al bezig om hierover afstemming te bereiken. Het is onze ambitie om bij het proces in de regio aan te sluiten. Er is een werkgroep geformeerd die dit proces zal gaan begeleiden en tot procesvoorstellen zal komen.

3.1.3. Juridische voorbereiding Als de omgevingswet in werking treedt, wordt het bestemmingsplan automatisch een omgevingsplan, samen met de zogenaamde bruidsschat. Het lijkt of er niet direct actie nodig is en dat lijkt bevestigd te worden door het gegeven dat pas in 2029 elke gemeente één omgevingsplan voor haar hele grondgebied gereed hoeft te hebben. De praktijk is een andere. Op verschillende fronten wordt actie gevraagd, waarmee onze ambitie gevormd wordt door onderstaande vier punten: 4 Het Rijnmondberaad is het ambtelijk overleg waarin gemeenten, GGD, DCMR, VRR en provincie deelnemen.

9

 

De gemeente kan vanaf 2022 besluiten op grond van de Omgevingswet opstellen, vaststellen, bekendmaken en beschikbaar stellen; Als de gemeente, of initiatiefnemers de behoefte hebben na 1 januari 2022 een omgevingsplan op te stellen, bijvoorbeeld om een ontwikkeling mogelijk te maken die nu niet in het bestemmings/omgevingsplan van rechtswege past, is het zaak met elkaar de uitgangspunten te hebben bepaald waar zo’n omgevingsplan aan moet voldoen (de gemeentelijke visie op het omgevingsplan); Alle verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving moeten zo meteen onderdeel uitmaken van het omgevingsplan. Om zicht te houden op de relevantie van regelingen, is het verstandig de verordeningen op relevantie en bruikbaarheid te selecteren. Dit kan door deze selectie te bundelen in een zogenaamde omgevingsverordening, die bij het opstellen van het ‘echte’ omgevingsplan eenvoudig kan worden overgeheveld. Het rijk schaft een aantal rijksregels af. Deze worden als een ‘bruidsschat’ aan de gemeente meegegeven en maakt automatisch onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege. De vraag is of alle regels in de toekomst relevant zijn voor Maassluis. Dit moet uitgezocht worden, voordat aan een omgevingsplan kan worden begonnen. De huidige bestemmingsplannen vormen samen met de bruidsschat na inwerkingtreding van de Omgevingswet het omgevingsplan van rechtswege.

Er is dan overgangsrecht van toepassing. Het is zaak goed zicht te hebben op dat overgangsrecht, zodat we ermee kunnen werken.

3.1.4. Omgevingsvisie De structuurvisie van Maassluis is op 17 april 2012 vastgesteld. De omgevingsvisie is de ‘evenknie’ van de structuurvisie onder de Wro. Veel thema’s en beleidsuitspraken uit de structuurvisie zijn nog steeds relevant. Tegelijkertijd zijn we 8 jaar verder en is het belangrijk na te gaan of de structuurvisie nog aan de eisen voldoet die we heden ten dage aan een omgevingsvisie stellen. Met betrekking tot de inhoud is het onze ambitie om de structuurvisie als uitgangspunt te hanteren voor de nieuwe omgevingsvisie. Tegelijkertijd moet onderzocht worden op welke thema’s de structuurvisie geactualiseerd of aangevuld moet worden. Met betrekking tot sturing geven aan ontwikkelingen is het onze ambitie om te sturen op doelen die we gezamenlijk bepalen. Wat willen we bereiken en hoe gaan we dat doen? Soms zijn doelen zodanig geconcretiseerd dat ze een helder kader bieden (denk aan doelen die we voor wonen in Maassluis geformuleerd hebben en die in de woonvisie en het bijbehorend programma zijn uitgewerkt). Maar er zijn ook doelen die algemener geformuleerd worden en die we via co-creatie willen bereiken. Denk bijvoorbeeld aan klimaatadaptatie, waarbij we naast de gemeente als beheerder van de openbare ruimte, ook bewoners nodig hebben om het oppervlak aan verhardingen te verminderen om zo het water in de grond te laten infiltreren.

Op hoofdlijnen geven we onze ambitie op inhoud, sturingsfilosofie en proces weer:

Inhoud: Veel onderwerpen uit de structuurvisie zijn nog steeds relevant, of zijn inmiddels uitgewerkt in programma’s en beleid. Tegelijkertijd zijn er nieuwe ontwikkelingen en thema’s waar de structuurvisie niet of onvoldoende op in gaat. Denk aan energietransitie (sluiten we aan op een warmtenet en wanneer?), klimaatadaptatie, veiligheid en gezondheid (wat betekent het afbouwen van petrochemie in het Haven Industrieel Complex, wat doen de stikstofrichtlijnen voor onze stad?). Tevens is er een aantal specifieke aandachtspunten voor Maassluis die de komende periode nadrukkelijk aan de orde zijn, zoals de dubbele vergrijzing. We starten door met elkaar te inventariseren welk beleid actueel is en wat er ontbreekt.

10

De sturingsfilosofie Wij willen voor de nieuwe omgevingsvisie sturen op doelen. Wij geven aan wat we in verschillende delen van de stad willen bereiken en hoe we dat willen doen en met wie. Onze ambitie?: ‘Samen de stad maken’! Overheid, initiatiefnemers, inwoners en belanghebbenden. Samen realiseren we onze gezamenlijke doelen. De gemeente waakt over het algemeen belang.

Het proces Als we samen de stad maken, geldt dat ook voor de omgevingsvisie. We organiseren daarom een proces, waarin iedereen de kans krijgt hieraan mee te doen. We beginnen echter niet helemaal blanco. Er is veel bestaand beleid dat relevant is. Daar borduren we op voort. En waar trends en ontwikkelingen dat van ons vragen, voegen we nieuwe thema’s toe. Binnen dat speelveld geven we het proces vorm om te komen tot een omgevingsvisie. De werkgroep die zich gaat bezighouden met de omgevingsvisie zal deze ambities voor inhoud, sturingsfilosofie en proces verder uitwerken, zodat we goed voorbereid aan de slag kunnen. De werkgroep betrekt in die voorbereiding de ambtelijke organisatie, college en raad.

3.1.5. Participatie en communicatie De omgevingswet verwacht veel van participatie. Hoe participatie verder vorm te geven, staat niet in de Omgevingswet. Dit wordt aan de lokale overheid overgelaten. De wet geeft wel aan dat een initiatiefnemer die een omgevingsvergunning nodig heeft voor zijn/haar ontwikkeling, verantwoordelijk is voor de omgevingsdialoog. Dit betekent dat deze een participatietraject moet doorlopen. Ook hier zijn in de wet geen regels opgenomen. In paragraaf 2.4 hebben wij onze ambitie voor participatie weergegeven. Een werkgroep werkt dit voor Maassluis in zijn algemeenheid verder uit en in het bijzonder voor de omgevingsdialoog.

3.2.

Langere termijn

Op de langere termijn is de gemeente verplicht een omgevingsvisie en een omgevingsplan op te stellen. De gemeente kan ervoor kiezen om vrijwillige programma’s op te stellen. De meest logische volgorde hiervoor is: visie - programma (indien gewenst) – plan. De gemeente heeft een werkgroep omgevingsvisie ingesteld met de bedoeling de uitgangspunten voor de omgevingsvisie en een bijbehorende aanpak in beeld te brengen (2020), alvorens de visie op te gaan stellen, waarbij we streven naar vaststelling in deze collegeperiode. Zodra meer duidelijkheid bestaat over de ambities die in de omgevingsvisie worden neergelegd, kan ook worden bepaald of het zinvol is het instrument programma in te zetten. Met betrekking tot het omgevingsplan heeft de gemeente in principe tot 2029 de tijd om het omgevingsplan op te stellen. Gezien deze termijn, maar ook omdat alle bestemmingsplannen actueel en op orde zijn, ligt hier niet de prioriteit. Tegelijkertijd zullen we worden gedwongen na 1 januari 2022 te starten met het (laten) opstellen van omgevingsplannen voor ontwikkelingen, zodra deze zich aandienen. Dat geeft ons de gelegenheid om met het instrument te experimenteren en te wennen. Onze ambitie voor de langere termijn kan daarom als volgt worden samengevat:

  

We gaan in 2020 de uitgangspunten voor het instrument omgevingsvisie bepalen, waarna de visie kan worden opgesteld. Of het instrument programma in beeld komt, hangt sterk samen met de ambities die we in de omgevingsvisie formuleren. Vanaf 2021 verdiepen we ons daar desgewenst in; Vanaf 1 januari 2022 kan het voorkomen dat we voor ontwikkelingen omgevingsplannen moeten (laten) opstellen. We gebruiken de eerste twee jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet om ons dit instrument aan de hand van concrete ontwikkelingen meer eigen te maken. Vanaf 2024 gaan we

11

omgevingsplannen voor grotere gebieden inplannen en streven ernaar om in 2028 één omgevingsplan voor de hele gemeente gereed te hebben.

12

Bijlage 1 VNG-lijst minimale acties Omgevingswet

13

Minimale acties Omgevingswet voor gemeenten Versie 3.0 / 20 februari 2020

Dit overzicht van minimale acties Omgevingswet laat zien wat gemeenten minimaal moeten regelen voor 1 januari 2021 om klaar te zijn voor de invoering van de Omgevingswet. We onderscheiden hierin de volgende categorieën: 1. Juridische eisen: dit zijn eisen die één op één terug te voeren zijn op verplichtingen in wet- en regelgeving; 2. Bedrijfsmatige eisen: deze zijn niet juridisch verplicht, maar worden wel vanuit bedrijfsmatige optiek noodzakelijk geacht voor het uitvoeren van de wet; 3. Adviezen: niet verplicht per 1-1-21, maar wel noodzakelijk voor het (op termijn) bereiken van de doelen van de Omgevingswet De ordening van de minimale acties is gebaseerd op de beleidscyclus, waarbij vanuit de fase uitvoering is teruggewerkt naar de voorgaande fasen (achtereenvolgens beleidsdoorwerking, beleidsvorming, Een aantal van de eisen is ontleend aan de interbestuurlijke minimumlijst. Dit is bij de betreffende eisen aangegeven (namelijk 2, 3, 4, 5 en 14). Algemene strategie 1. Ambities, strategie, aanpak en financiën bepaald

Advies

De gemeente heeft de ambities, strategie en aanpak voor de invoering van de Omgevingswet bepaald en de financiële consequenties in beeld gebracht. Gemeenten krijgen door de Omgevingswet meer bestuurlijke afwegingsruimte. Daarnaast liggen er keuzes hoe het instrumentatrium van de Omgevingswet in te zetten en de wijze waarop en het tempo waarin de Omgevingswet wordt ingevoerd. Daarbij dienen de financiële consequenties van de Omgevingswet in beeld te worden gebracht. De VNG adviseert deze keuzes op korte termijn expliciet te maken, omdat ze gevolgen hebben voor het verdere traject. Geadviseerd wordt om daarbij ook een planning op te stellen voor de door de raad te nemen besluiten; een overzicht van noodzakelijke raadsbesluiten is opgenomen in de roadmap. Aanvragen, meldingen & vergunningen 2. Kunnen ontvangen aanvragen en meldingen

Eis (juridisch)

Vergunningen en meldingen: Techniek: Per 1-1-21 is het bevoegd gezag (en/of de uitvoeringsorganisatie) in staat om conform de daarvoor geldende standaard een aanvraag of melding (art. 14.1 Ob) vanuit de landelijke voorziening te ontvangen (Deze eis is maakt als nummer 5.1 deel uit van de interbestuurlijke minimumlijst).

Voor de continuïteit van de dienstverlening moet de gemeente (en/of de uitvoeringsorganisatie) vanaf 1-1-21 aanvragen en meldingen vanuit DSO-LV kunnen ontvangen. Dit behelst ook s 8. DSO-LV biedt aanvragen en meldingen aan conform de STAM standaard. Dit is een ander koppelingsmechanisme dan bij het huidige Omgevingsloket Online. De gemeente dient de benodigde aanpassingen in de software te hebben gedaan. Daarnaast moeten zaaksystemen zijn ingericht conform Omgevingswet (zaaktypen en processen) en moeten deze overweg kunnen met het begrip milieubelastende activiteit (i.p.v. inrichting) en locatie.

1

3. Proces behandelen vergunningaanvragen en meldingen ingericht

Eis (juridisch)

Vergunningen en meldingen: Proces: Per 1-1-21 is het bevoegd gezag (en/of de uitvoeringsorganisatie) voorbereid op de gewijzigde vergunningprocedure conform de eisen van de Omgevingswet. Hieronder valt het kunnen verwerken van een enkelvoudige en een meervoudige aanvraag. (Deze eis is maakt als nummer 5.2 deel uit van de interbestuurlijke minimumlijst).

De Omgevingswet stelt nieuwe eisen aan het proces van vergunningverlening. Belangrijke veranderingen zijn a) een verkorting van de beslistermijn voor de meeste aanvragen naar 8 weken, b) integraal besluit van meer sectoren dan nu. In bepaalde gevallen verandert het bevoegd gezag en/of adviesschap van andere bestuurslagen. De bekendmaking van de verleende vergunning vindt ook na 1-1-21 nog plaats via DROP 1. Gemeenten moeten processen en systemen aanpassen en hun medewerkers opleiden. Samenwerkingsafspraken met uitvoeringsorganisaties en ketenpartners moeten mogelijk worden bijgesteld (procesafspraken, taken bij meldings- en vergunningplicht, verkennen initiatief, toezicht en handhaving, adviestaken). Tenslotte moeten - als dit aan de orde is de besluiten van de gemeenteraad inzake 'advies met instemming voor de raad' (bij de buitenplanse Omgevingsplanactiviteit) en 'verplichting tot participatie' in het proces worden verwerkt. 4. Kunnen beoordelen vergunningaanvragen

Eis (juridisch)

Vergunningen en meldingen: Beoordeling: Per 1-1-21 is het bevoegde gezag (en/of haar uitvoeringsorganisatie) in staat om aanvragen voor omgevingsvergunningen te beoordelen conform de eisen van de Omgevingswet. (Deze eis is maakt als nummer 5.3 deel uit van de interbestuurlijke minimumlijst).

De Omgevingswet brengt nieuwe juridische begrippen en kaders voor vergunningverlening. Er zijn losgelaten en komt het begrip activiteit daarvoor in de plaats. Bij een aanvraag moet beoordeeld worden welke activiteiten en regels in het besluit activiteiten leefomgeving van toepassing zijn. De tweede grote wijziging is het loskoppelen van de technische bouwactiviteit (regels in het besluit bouwwerken leefomgeving) van de ruimtelijk bouwactiviteit (regels in de bruidsschat). Daarnaast komen er nieuwe rekenregels en normen voor geluid en verschuiven er bodemtaken van de provincie naar de gemeente. Bij gemeenten en uitvoeringsdiensten ligt een forse opgave om voor 2021 kennis en expertise op te bouwen over deze inhoudelijke wijzigingen. Juist in de overgangsfase is het daarbij heel belangrijk dat de gemeente zich een helder beeld verwerft wélke aanvragen gedaan op wélk moment moeten worden getoetst aan wélke regels (bij zowel vergunningverlening als handhaving)! Immers: er zijn gerelateerde wetten die (nog) niet overgaan in de Omgevingswet. Ook kunnen regels verhuizen als gevolg van de stelselwijziging (van regeling-niveau naar AMvB of bruidsschat) Lokale verordeningen gaan stapsgewijs op in het nieuwe omgevingsplan, geheel of deels. Soms gelden daarbij de lokale aanvraagvereisten, soms zijn deze opgenomen in de bruidsschat, etc. 5. Kunnen aanleveren indieningsvereisten

Eis (juridisch)

Vergunningen en meldingen: Indieningsvereisten: Per 1-1-21 stellen provincie, waterschap en gemeente de informatie beschikbaar die nodig is om een aanvraagformulier in de landelijke voorziening samen te stellen, waarin ook de door hen gestelde indieningsvereisten zijn meegenomen. (Deze eis is maakt als nummer 5.4 deel uit van de interbestuurlijke minimumlijst).

De aanvraagformulieren in het DSO-LV zijn zogenaamde 'dynamische formulieren'. Deze formulieren worden opgebouwd met 'toepasbare regels', die gebaseerd zijn op de indieningsvereisten die zijn opgenomen in wet- en regelgeving. Als start wordt het DSO-LV gevuld 1

De wijze waarop de kennisgeving voor de buitenplanse OPA in DSO-LV wordt getoond wordt nog nader uitgewerkt.

2

met de toepasbare regels (de aanvraagformulieren dus) die zijn gebaseerd op de bruidsschat. Daarna dienen gemeenten de gewenste wijzigingen hierin zelf aan te leveren aan DSO-LV volgens de voorschreven standaard (STTR). Gemeenten dienen daarom in 2020 de hiervoor benodigde kennis op te bouwen en systemen (of diensten) te verwerven. Ook zijn afspraken nodig met de omgevingsdiensten over hun rol bij het opstellen van de indieningsvereisten en (indien gewenst) toepasbare regels. Daarnaast is van belang dat gemeenten in 2020 vragenbomen opstellen voor díe vergunningchecks en meldingen die niet worden geleverd met de bruidsschat, maar die ze nu wel in OLO hebben (behouden gelijkblijvend dienstenniveau). 6. Gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit ingesteld

Eis (juridisch)

De gemeente heeft een commissie ingesteld die in ieder geval tot taak heeft te adviseren over de aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Rijksmonument (gemeentelijke adviescommissie). Onder de Omgevingswet is een welstandscommissie (of een commissie ruimtelijke kwaliteit) alleen verplicht voor het toetsen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een Rijksmonument. Ook andere adviesrollen kunnen bij de commissie belegd worden. Gemeenten moeten zich voor 1-1-21 beraden op de gewenste invulling en inrichting van deze commissie. 7. Vergunningverlening aangepast op de Wkb

Eis (juridisch)

Per 1-1-2021 dient de gemeente de vergunningverlenings- en meldingsprocessen betreffende bouwactiviteiten te hebben aangepast aan de Wet kwaliteitsborging bouw (Wkb). Dit omvat de inrichting van processen, de legesverordening, de informatievoorziening, de afspraken met uitvoeringsdiensten en private partijen en juridische/inhoudelijke aspecten. Het proces voor vergunningverlening voor bouwwerken wordt in tweeën opgeknipt: de ruimtelijk component (toets aan omgevingsplan en -veiligheid) loopt via de gemeente en de bouwtechnische component via een melding. Hiertoe wordt de papieren toets op het bouwplan vooraf vervangen door toetsing in de praktijk op het bouwwerk zoals gebouwd. De vergunninghouder wordt verplicht een onafhankelijke kwaliteitsborger in te schakelen die tijdens de bouw op conformiteit met de bouwtechnische voorschriften uit het Bouwbesluit toetst en verklaart of de getoetste onderdelen aan de voorschriften voldoen. Dit wordt bij private partijen belegd. Dit alles vraagt een aanzienlijk aantal wijzigingen in processen, legesverordening, competenties en informatievoorziening die de gemeente in 2020 dient te implementeren. 8. Proces verkennen initiatief ingericht

Eis (bedrijfsmatig)

betrouwbaar beeld wordt verkregen van het initiatief, van het draagvlak bij belanghebbenden en van de mogelijkheden van het bevoegd gezag om de benodigde vergunning(en) hiervoor te verlenen. Het proces 'verkennen initiatief' gaat vooraf aan het indienen van de definitieve vergunningaanvraag. Effectief inrichten van dit proces is noodzakelijk voor het kunnen halen van de 8-wekentermijn bij (complexe) vergunningaanvragen. Hierbij moeten alle betrokken stakeholders worden aangehaakt, mogelijkheden en alternatieven verkend, alle benodigde informatie verzameld en een betrouwbare inschatting van de haalbaarheid zijn gemaakt. De omgevingstafel is een door VNG geadviseerde en in de praktijk beproefde methode om hieraan invulling te geven. 9. Participatie bij initiatieven ingericht

Eis (bedrijfsmatig)

De gemeente heeft de minimaal noodzakelijke processen en werkwijzen voor participatie bij initiatieven ingericht. Participatie is één van de belangrijke aspecten van de Omgevingswet en kan op veel ambitieniveaus vorm krijgen. Participatie is niet verplicht bij omgevingsvergunningen (behoudens de

3

door de raad aan te wijzen buitenplanse omgevingsplanactiviteiten) en kent geen vormvereisten. De gemeente dient enkele belangrijke zaken, zoals benoemd in de roadmap, te regelen voor 2021. NB: uit de motie Nooren (11 februari 2020) vloeit voort dat gemeenten, liefst voor inwerkingtreding van de Omgevingswet, participatiebeleid moeten vaststellen. Daarin wordt vastgelegd hoe participatie wordt vormgegeven en welke eisen daarbij gelden. 10. Kunnen opstellen en aanleveren vragenbomen vergunningcheck

Advies

De gemeente is in staat om toepasbare regels voor de vergunningcheck op te stellen en aan te leveren aan DSO-LV, conform de daarvoor geldende standaard; Per 1-1-21 tenminste voor die activiteiten waarvoor het uitvoeren van een vergunningcheck nu ook al mogelijk is (gelijkblijvend dienstverleningsniveau). Met de vergunningcheck kunnen burgers en bedrijven eenvoudig checken of een vergunning nodig is, in eerste instantie voor topactiviteiten. Het aanbieden van een vergunningcheck per 1-1-21 is geen juridische verplichting. Het behouden van het huidige dienstverleningsniveau is wel bestuurlijk overeengekomen. Dit betekent dat vragenbomen moeten worden gemaakt voor alle activiteiten waarvoor nu in het OLO een vragenboom bestaat. Een deel van deze vragenbomen wordt meegeleverd met de bruidsschat en valt daarna onder gemeentelijk beheer. Een klein deel moet door de gemeente zelf opgesteld worden. 11. Snelle dienstverlening voor topactiviteiten ingericht

Advies

De gemeente heeft processen voor snelle en simpele dienstverlening ingericht voor eenvoudige topactiviteiten (zoals eenvoudige verbouwingen in en om het huis, t.w. dakkapel, uitbouw, kappen etc.). De Omgevingswet heeft onder andere ten doel het verbeteren van de dienstverlening. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar veel uitgevoerde (vaak kleine) initiatieven, vooral worden ondernomen door burgers en MKB. De wet biedt kansen om dergelijke initiatieven vergunningvrij te maken (via Algemene Regels) en daar waar vergunningen nodig blijven is het de uitdaging om de processen zo snel en simpel mogelijk in te richten. De 'snelserviceformule' biedt een concrete aanpak om deze doelstelling vorm te geven. Toezicht en handhaving 12. Toezicht en Handhaving ingericht

Eis (juridisch)

De gemeente heeft toezicht en handhaving afgestemd op de bedoelingen en eisen van de Omgevingswet, in samenwerking met uitvoeringsorganisaties en andere bevoegd gezagen. De Omgevingswet heeft op uiteenlopende wijzen consequenties voor toezicht en handhaving. Zo is er vaker sprake van algemene regels en zorgplichten. Zorgplichten kunnen zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk worden gehandhaafd. Een overtreding van een gedoogplicht is onder de Omgevingswet strafbaar te stellen. De mogelijkheden voor de bestuurlijke boete zijn uitgebreid. Prioriteringsbeleid mag een formele reden zijn om niet te handhaven en tenslotte kunnen bevoegdheden worden overgedragen aan een ander bestuursorgaan. Deze veranderingen zullen deels effect hebben vanaf 1-1-21 als gevolg van de wet, AMVB's en Regeling en deels in de jaren daarna door nieuwe (typen van) regels in de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Dit vraagt aanpassingen van organisatie, processen en systemen, in samenwerking met uitvoeringsorganisaties en andere bevoegd gezagen. De gemeente moet zich hier in 2020 een beeld van vormen. 13. Toezicht en handhaving aangepast aan de Wkb

Eis (juridisch)

Per 1-1-2021 dient de gemeente de toezichts-en handhavingsprocessen bij bouwactiviteiten te hebben aangepast aan de Wet kwaliteitsborging bouw (Wkb). Dit omvat de inrichting van processen,

4

de informatievoorziening, de afspraken met uitvoeringsdiensten en private partijen en juridische/inhoudelijke aspecten. De Wet kwaliteitsborging betekent een groot aantal veranderingen bij toezicht en handhaving inzake bouwactiviteiten. De gemeente blijft verantwoordelijk voor het toezicht op de bestaande bouw en omgevingsveiligheid en blijft het bevoegd gezag. Bouwtoezicht voor categorie 1 bouwwerken wordt echter primair belegd bij private kwaliteitsborgers. De toets op het bouwplan vooraf wordt vervangen door toetsing op het bouwwerk zoals gebouwd. De gemeente toetst niet meer inhoudelijk aan bouwtechnische voorschriften, maar controleert of de opdrachtgever werkt met een toegelaten, geschikt instrument en een onafhankelijke kwaliteitsborger. De Wkb voert daarbij ook verschillende aanpassingen door in het Burgerlijk Wetboek om de positie van de opdrachtgever te versterken. Dit alles vraagt een aanzienlijk aantal wijzigingen in processen, competenties en informatievoorziening die de gemeente in 2020 dient te implementeren. Planvorming 14. Kunnen wijzigen omgevingsplan

Eis (juridisch)

Als een gemeente een omgevingsplan wil wijzigen, dan stelt de gemeente deze wijziging per 1-1-21 vast conform de eisen van de Omgevingswet. Het gewijzigde deel van het plan voldoet aan de provinciale instructieregels en aan de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De wijziging wordt met behulp van de geldende standaard ontsloten via DSO-LV. (Deze eis is maakt als nummer 4 deel uit van de interbestuurlijke minimumlijst).

Gemeenten beschikken op 1-1-21 over een tijdelijk omgevingsplan van rechtswege. Het wijzigen hiervan moet volgens de regels van de Omgevingswet. Dit betekent dat wijzigingen moeten voldoen aan de instructieregels van rijk en provincie, maar ook aan andere kaders vanuit wet- en regelgeving. Denk aan: wat mag in het omgevingsplan, welke omgevingswaarden mag de gemeente zelf stellen, waar is maatwerk op rijksregels mogelijk etc. Bij het maken van een omgevingsplan nieuwe stijl krijgen gemeenten te maken met een aantal beleidsvernieuwingen rond met name geluid. Zo zullen de huidige geluidproductieplafonds van (spoor)wegen en gezoneerde industrieterrein in omgevingswaarden in het omgevingsplan moeten worden opgenomen en zijn de rekenregels aangepast. Ook de systematiek voor externe veiligheid verandert: in het nieuwe omgevingsplan komen zogenaamde aandachtsgebieden. De wijzigingsbesluiten (en de daaraan voorafgaande voorbereidingsbesluiten) moeten volgens de nieuwe standaard (STOP/TP) aan de LVBB (en daarmee indirect aan DSO-LV) worden aangeboden. Dit vraagt nieuwe ICT-systemen. Het is van belang dat gemeenten zich hierop voorbereiden voor 1-1-21. 15. Kunnen werken met tijdelijk omgevingsplan

Eis (bedrijfsmatig)

Per 1-1-21 is de gemeente in staat om te kunnen werken met het tijdelijk omgevingsplan (van rechtswege). De gemeente heeft zich hiervoor verdiept in de bruidsschat, het overgangsrecht en de wijze waarop het tijdelijk omgevingsplan geraadpleegd kan worden in het DSO-LV. Daarnaast heeft de gemeente de bestaande 'planvoorraad' opgeschoond en voor zover nodig geacht de oude bestemmingsplannen geactualiseerd in ruimtelijkeplannen.nl. Elke gemeente krijgt van rechtswege het tijdelijk omgevingsplan: de verzamelde bestaande ruimtelijke plannen aangevuld met de bruidsschat - regels die van het Rijk overgaan naar gemeenten. Om hiermee goed te kunnen werken moet de gemeente de inhoud van de bruidsschat doornemen en oefenen met het nieuwe omgevingsloket, waarin de bruidsschat en ruimtelijke plannen naast elkaar getoond worden. Gemeenten kunnen de bruidsschat nog even ongemoeid laten, maar kunnen ook besluiten om die, vanaf 1-1-21, te vervangen door eigen regels in het nieuwe omgevingsplan. Het advies is om daar in 2020 over na te denken. Daarnaast raden we aan om voor 2021 de bestemmingsplannen 'op te schonen'.

5

16. Plan(ning) gemaakt voor een nieuw omgevingsplan

Advies

De gemeente heeft keuzen gemaakt over de uitgangspunten, structuur en insteek van het nieuwe omgevingsplan. Daarbij is ook bepaald in welke stappen en in welk tempo het nieuwe omgevingsplan wordt opgesteld. Eén en ander in lijn met de kaders vanuit rijks- en provinciale regelgeving en vastgelegd in een met de raad afgestemd plan van aanpak. De gemeente heeft tot 1-1-2029 de tijd om het tijdelijke omgevingsplan om te vormen tot een omgevingsplan dat voldoet aan de bedoeling van de Omgevingswet. Dit is in de meeste gemeenten een proces van jaren. Daarom is het verstandig om nu te beginnen met oriënterende en voorbereidende stappen. Relevant hierbij is dat wanneer het langer duurt om te komen tot het nieuwe omgevingsplan dit tot gevolg heeft dat een langere periode het oude regime (tijdelijk omgevingsplan) en nieuwe regime (nieuw omgevingsplan) naast elkaar bestaan, hetgeen de lijnorganisatie belast. Daarom wordt geadviseerd in het plan te sturen op een zo kort mogelijke periode voor het opstellen van het nieuwe omgevingsplan. Het is daarnaast van belang om de kaders vanuit rijksregelgeving en de provinciale verordening goed te bestuderen; provinciale instructieregels kunnen bijvoorbeeld betekenen dat sommige onderdelen van het omgevingsplan al (ruim)voor 2029 vastgesteld moeten zijn (denk aan klimaatadaptatie, energietransitie etc.).

17. Programma luchtkwaliteit vastgesteld

Eis (juridisch)

Per 1-1-21 beschikken die gemeenten die daartoe verplicht zijn over een vastgesteld programma luchtkwaliteit. In het Besluit kwaliteit leefomgeving is een omgevingsnorm voor luchtkwaliteit opgenomen. Gemeenten waar deze norm overschreden wordt, moeten per 1-1-21 een vastgesteld programma luchtkwaliteit hebben. 18. Kennis vergaard over kerninstrument programma

Advies

De gemeente heeft haar programma('s) vastgesteld en (zodra mogelijk) gepubliceerd via DSO-LV. Het programma is een belangrijk kerninstrument dat een rol vervult als verbindend instrument tussen omgevingsvisie en het omgevingsplan. De VNG adviseert om tijdig kennis op te bouwen over dit kerninstrument, aangezien de wijze waarop de gemeente het programma in wil zetten van invloed is op het opstellen van de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Omgevingsvisie 19. Omgevingsvisie in voorbereiding

Advies

De gemeente heeft wezenlijke stappen gezet in het formuleren van een integrale omgevingsvisie zoals bedoeld in de Omgevingswet, en heeft besloten of zij gebruik maakt van de gelijkstellingsbepaling, welke regelt dat een voor 1-1blijft gelden als omgevingsvisie De verplichting om een gebiedsdekkende omgevingsvisie te hebben geldt vanaf 1-1-24. De doorlooptijd voor het opstellen van een omgevingsvisie en de besluitvorming is echter vaak lang. Daarom is het zinvol om hiermee nu te beginnen. De gemeente kan op deze wijze leren hoe zij het instrument omgevingsvisie wil inzetten en bovendien helpt duidelijkheid over de omgevingsvisie bij het opstellen van het omgevingsplan. Indien een gemeente voor 2021 reeds beschikt over een geldt een omgevingsvisie die is vastgesteld voor 2021 daarna ook als een omgevingsvisie. Indien een gemeente na 1-1-21 een omgevingsvisie vaststelt, dient deze bekendgemaakt en beschikbaar gesteld te worden via de LVBB.

6

Monitoring en evaluatie 20. Monitoring en evaluatie ingericht

Advies

De gemeente heeft monitoring & evaluatie afgestemd op de bedoelingen en eisen van de Omgevingswet. De Omgevingswet heeft op uiteenlopende wijzen consequenties voor monitoring. Deels per 1-1-21 als gevolg van wet- en regelgeving op landelijk niveau en deels (in toenemende mate) in de jaren daarna door nieuwe (typen van) regels in de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Dit vraagt aanpassingen van organisatie, processen en systemen in samenwerking met uitvoeringsorganisaties en andere bevoegd gezagen. In het bijzonder dient hierbij - vanuit het aanvullingsspoor geluid aandacht te zijn voor monitoring van geluid: dit moet structureel en fijnmaziger worden ingericht. Er komen daarnaast nieuwe normen en meetwaarden (dit betekent anders meten). Bij gebiedsontwikkeling wordt een preventieve geluidstoets verplicht. Tevens komt er de verplichting geluidsbelastingkaarten te bepalen, gekoppeld het omgevingsplan. Deze moeten landelijk worden ontsloten via de Cvgg, naar verwachting per 2023. Overig 21. Kunnen uitvoeren gedecentraliseerde bodemtaken

Eis (juridisch)

Per 1-1-21 heeft de gemeente afspraken gemaakt over de overdracht van bodemtaken, de regels en de bijbehorende middelen vanuit de provincie en is in staat om de overgedragen taken uit te (laten) voeren. Als gevolg van de aanvullingswet bodem gaat een aantal bodemtaken over van de provincie naar de gemeente. (29 gemeenten voeren deze taken nu al uit). Dit betreft onder meer onderzoek en regelgeving van bodemsanering. De gemeente dient afspraken te maken met de provincie over de overdracht van deze taken en de bijbehorende middelen en zich voor te bereiden op de uitvoering ervan. Hierin dienen ook de betreffende uitvoeringsorganisaties te worden betrokken. 22. Kunnen toepassen procedures en regels voorkeursrecht en onteigenen

Eis (juridisch)

Per 1-1-21 kan de gemeente de procedurele wijzigingen van het voorkeursrecht toepassen, zoals beschreven in de aanvullingswet grondeigendom. Als een gemeente vanaf 1-1-21 een voorkeursrecht wil vestigen moeten procedurele en juridische wijzigingen zijn doorgevoerd. Dit betreft onder meer de van toepassing zijnde grondslagen, termijnen, etc. Hetzelfde geldt voor onteigeningen. Beide wijzigingen maken deel uit van de Aanvullingswet grondeigendom. Deze nieuwe regels moeten worden toegepast vanaf 1-1-21; de gemeente moet zich daarop in 2020 voorbereiden. 23. Kunnen toepassen procedures en regels kostenverhaal

Eis (bedrijfsmatig)

Per 1-1-21 heeft de gemeente de procedures en (reken)methoden voor kostenverhaal geïmplementeerd, zoals beschreven in de aanvullingswet grondeigendom. De Omgevingswet (aanvullingswet grondeigendom) betekent aanzienlijke wijzigingen voor kostenverhaal. Dit wordt gekoppeld aan nieuwe instrumenten. Daarnaast veranderen de grondslagen, de kostensoortentabel en de procedurele vereisten en termijnen. Zeer belangrijk is tenslotte dat verandert welke kosten de gemeente kan verhalen. De nieuwe regels moeten worden toegepast vanaf 1-1-21; de gemeente moet zich daarop in 2020 voorbereiden. Ook is het verstandig om bij trajecten die nu in voorbereiding zijn te kiezen of de gemeente kostenverhaal wil inzetten onder het oude regime of juist onder het nieuwe.

7

24. Legesmodel, mandaatregelingen en verordening planschade aangepast

Eis (bedrijfsmatig)

De gemeente heeft haar legesmodel, de mandaatregelingen en de procedureverordening planschade aangepast op de situatie per 1-1-21. Aanpassingen door de stelselwijziging per 1-1-21 moeten in het legesmodel worden verwerkt. (Dit is een reguliere periodieke activiteit voor het team dat de legesverordening beheert.) Hierbij moet in ieder geval worden gekeken naar de milieubelastende activiteit, het bijbehorend bouwwerk, brandveilig gebruik, de gevolgen van de Wkb en (in een latere fase) de gevolgen van al dan niet dereguleren. Ook de mandaatregelingen dienen te worden aangepast, zoals dit algemeen gebruikelijk is bij de invoering van nieuwe wetgeving. Tenslotte moet worden bezien of en hoe de Omgevingswet). 25. Financiële arrangementen met uitvoeringsdiensten herzien

Eis (bedrijfsmatig)

De gemeente heeft de financiële arrangementen met haar uitvoeringsdiensten herzien. Het takenpakket van uitvoeringsdiensten verandert in veel gevallen per 1-1-21. De dienstverleningsovereenkomsten, samenwerkingsafspraken en financiële arrangementen met de uitvoeringsdiensten moeten hierop voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn aangepast. Belangrijke aandachts- en bespreekpunten in dit kader zijn o.a.: Herintroductie van de milieuleges (misschien gaat de OD die heffen namens de gemeente); Wijzigingen omtrent de kleine bouw (gevolgklasse 0: deregulering, gevolgklasse 1 naar de Wkb); Wijzigingen in vermindering van gebruiksvergunningen / meldingen / informatieplicht, ook omtrent brandveiligheid; Wijzigingen in het basistakenpakket; Wijzigingen op basis van beleidskeuzes van de gemeente (ambities aangaande dienstverlening, deregulering, of juist lokaal maatwerk, bijvoorbeeld vanuit de bruidsschat) 26. Verstrekken informatie over de Omgevingswet

Eis (bedrijfsmatig)

De gemeente (en uitvoeringsorganisatie) kan burgers en bedrijven voorzien van correcte en begrijpelijke informatie over de Omgevingswet. Voorafgaand aan de invoering van de wet dienen burgers en bedrijven te worden geïnformeerd over de aanstaande wijzigingen. Gemeenten hebben hierin taken, aanvullend aan een geplande campagne van het Rijk. Daarnaast verstrekken gemeenten (en hun uitvoeringsorganisaties) via uiteenlopende kanalen informatie aan burgers en bedrijven over de procedures verbonden aan de wet, over de eisen die wet- en regelgeving stellen aan initiatieven, etc. Dit gebeurt zowel door middel van algemene voorlichting als in reactie op vragen. Alle communicatie uitingen (website, brochures, formulieren, standaardbrieven etc.) dienen per 1-1-21 te zijn aangepast. 27. Veranderopgave na 2021 bepaald

Advies

Gemeentebestuur, management en 'uitvoering' hebben een beeld van de verdere veranderopgave die voortvloeit uit de bedoeling van de wet en hebben op basis daarvan een aanpak gedefinieerd om de organisatie verder te laten groeien in de wijze waarop de Omgevingswet wordt uitgevoerd. Voor het bereiken van onderliggende doelstellingen van de Omgevingswet is meer nodig dan invulling geven aan de minimumeisen. De gewenste ontwikkeling vraagt niet alleen het 'technisch' aanpassen van regels, processen en werkwijzen, maar (vooral) om een verdergaande ontwikkeling van o.a. cultuur, vaardigheden, gedrag, gedeelde waarden. Het is van belang dat gemeenten de verdere organisatieontwikkeling vormgeeft en/of faciliteert. Deze ontwikkeling vraagt duurzaam aandacht tot 2029 (en wellicht daarna)

8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10314388/3