2.7 Verkennend bodemonderzoek
Tekst van het document
RAPPORT Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Zuidbuurt 13, 13a en 17 te Maassluis
Kenmerk Datum
: 1904M514/JHA/rap1 : 14 juni 2019
Opdrachtgever : Weverskade B.V. Dhr. E. Hazelzet Oostgaag 49 3155 CE Maasland
Goedkeuring
Datum
Dhr. J. van Haaster BBE (Adviseur)
Opsteller, auteur
14-06-2019
Dhr. C. Brouwer BBA (Projectleider)
2e lezerschap, vrijgave rapportage
14-06-2019
Handtekening
BRL SIKB 2000 VKB-protocol 2001, 2002
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ........................................................................................................................................... 3
2.
MILIEUHYGIENISCH VOORONDERZOEK ......................................................................................... 5
2.1
AANLEIDING VOORONDERZOEK............................................................................................. 5
2.2
AFBAKENING ONDERZOEKSGEBIED ...................................................................................... 5
2.3
POTENTIELE BRONNEN VAN BODEMVERONTREINIGING ................................................... 6
2.4
BODEMKWALITEIT EN ASBEST ............................................................................................... 6
2.5
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ................................................................................ 7
2.6
BEINVLOEDING ......................................................................................................................... 7
2.7
BODEMVERONTREINIGING ...................................................................................................... 8
2.8
TERREINVERKENNING ............................................................................................................. 9
2.9
BEOORDELING .......................................................................................................................... 9
2.10
CONCLUSIE EN HYPOTHESESTELLING ............................................................................... 10
3.
VERKENNEND BODEMONDERZOEK ............................................................................................. 11
3.1
ONDERZOEKSSTRATEGIE ..................................................................................................... 11
3.2
UITVOERING VELDONDERZOEK ........................................................................................... 11
3.3
UITVOERING LABORATORIUMONDERZOEK ........................................................................ 14
3.4
BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN ......................................................................... 15
3.5
INTERPRETATIE ...................................................................................................................... 20
3.6
TOETSING HYPOTHESE ......................................................................................................... 22
3.7
CONCLUSIES ........................................................................................................................... 23
3.8
AANBEVELINGEN .................................................................................................................... 24
4.
BETROUWBAARHEID ...................................................................................................................... 25
Bijlagen Milieuhygiënisch vooronderzoek 1 Kaarten en tekeningen 1.1 Topografische kaart 2 2.1 2.2 2.3
Informatie vooronderzoek Bodeminformatie DCMR Milieudienst Rijnmond Fotoreportage Kaartmateriaal
Verkennend bodemonderzoek 3 Situatietekening 4.
Formulieren veldonderzoek
5.
Boorstaten en legenda
6. 6.1 6.2 6.3
Analysecertificaten Certificaten grond / puin Certificaten grondwater Certificaat asbest
7 7.1 7.2
Toetsingstabellen Toetsingsresultaten grond Toetsingsresultaten grondwater
8.
Toetsingstabel regeling bodemkwaliteit 1904M514/JHA/rap1 Pagina 2 van 25
1.
INLEIDING
In opdracht van Weverskade B.V. is een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie betreft Zuidbuurt 13, 13a en 17 te Maassluis.
Afbeelding 1: Zuidbuurt 13, 13a en 17 te Maassluis
Aanleiding en doelstelling Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en bijbehorende aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). In het kader van de Woningwet/Gemeentelijke Bouwverordening dient een omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage inzake de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De doelstelling van het verkennend bodemonderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Milieuhygiënisch vooronderzoek Voorafgaand aan een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740+A1;2016 dient een milieuhygiënisch vooronderzoek te worden uitgevoerd conform de NEN 5725;2017. Op basis van de informatie uit het vooronderzoek wordt een onderzoekshypothese geformuleerd. Het doel van het vooronderzoek is inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen ter plaatse van de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Ook kunnen de resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek.
Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek en heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw, geohydrologie, te verwachten bodemkwaliteit en potentieel bodembedreigende activiteiten op de locatie waar het vooronderzoek betrekking op heeft. 1904M514/JHA/rap1 Pagina 3 van 25
Verkennend bodemonderzoek Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie, is de norm NEN 5740+A1;2016 gehanteerd. Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van bodemverontreiniging en de werkwijze voor het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en eventueel vrijkomende grond. Op basis van de informatie uit het milieuhygiënisch vooronderzoek wordt een onderzoekshypothese geformuleerd. Elke uit het milieuhygiënisch vooronderzoek resulterende onderzoekshypothese over de aan- of afwezigheid van bepaalde verontreinigende stoffen en de wijze van verspreiding wordt getoetst met een locatie specifieke onderzoeksstrategie. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het milieuhygiënisch vooronderzoek stapsgewijs besproken. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bestaat achtereenvolgens uit het vaststellen van de aanleiding en de afbakening van het onderzoeksgebied. Vervolgens wordt informatie verzameld van de voorgeschreven onderzoeksaspecten en worden de onderzoeksvragen beantwoord. Op basis hiervan worden conclusies getrokken en wordt de hypothese voor de onderzoekslocatie vastgesteld. In hoofdstuk 3 wordt het verkennend bodemonderzoek stapsgewijs besproken.
Als eerste stap wordt, op basis van de bij het milieuhygiënisch vooronderzoek voor de locatie vastgestelde hypothese, de onderzoeksstrategie vastgesteld. Vervolgens worden de uitvoering en resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek apart besproken. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de vastgestelde hypothese getoetst en worden indien van toepassing, aanbevelingen gedaan met betrekking tot eventueel te nemen vervolgstappen. In hoofdstuk 4 wordt de betrouwbaarheid van het uitgevoerde onderzoek toegelicht.
1904M514/JHA/rap1 Pagina 4 van 25
2.
MILIEUHYGIENISCH VOORONDERZOEK
2.1
AANLEIDING VOORONDERZOEK
Afhankelijk van de aanleiding voor het verrichten van het vooronderzoek moet antwoord worden verkregen op een aantal onderzoeksvragen. Als eerste stap in het vooronderzoek dient derhalve de aanleiding te worden vastgesteld. In de NEN 5725 zijn zeven aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Opgemerkt wordt dat er sprake kan zijn van een combinatie van meerdere aanleidingen. In dat geval dienen de onderzoeksvragen voor elke afzonderlijke aanleiding te worden beantwoord. Voor onderhavig onderzoek is de volgende aanleiding vastgesteld: A. opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. De onderzoeksvragen, behorende bij de vastgestelde aanleiding, zijn in de navolgende paragrafen in tabelvorm aangegeven. Per onderzoeksvraag is, direct onder de betreffende vraag, het antwoord opgenomen.
2.2
AFBAKENING ONDERZOEKSGEBIED
Vraag: Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? De globale ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op de overzichtskaart die in bijlage 1.1 is opgenomen. In tabel 2.1 is de uitwerking met betrekking tot voornoemde onderzoeksvraag opgenomen. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn een tweetal deellocaties te onderscheiden, te weten: - Deellocatie 1: kassencomplex, circa 27.000 m². - Deellocatie 2: overige terreindelen (woningen, overige opstallen, maaiveldverhardingen), circa 8.000 m². TABEL 2.1: afbakening onderzoeksgebied Vraag
Bronnen
Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? Adres
Zuidbuurt 13, 13a en 17
Plaats
Maassluis
Gemeente
Maassluis
Provincie
Zuid-Holland
RD-coördinaten
Omschrijving: globaal middelpunt onderzoekslocatie X: 78.782
Kadastraal
Kadaster / BAG-viewer / www.gpscoördinaten.nl
Y: 437.524
Gemeente
Maassluis
Sectie
K
Nummers
157, 159, 161, 162, 163, 164, 165, 166, 167
Hoogte maaiveld
Circa -1.9 m NAP
Oppervlakte
Circa 35.000 m²
Dinoloket
Belendingen
Noord
Weiland / bedrijfsruimte
Oost
Weiland / Rijksweg A20
Zuid
Weiland
West
Wonen met tuin
Afbakening VO
25 meter buiten kadastrale grenzen
Afbakening voldoende
Ja
Kadaster / Google Maps
1904M514/JHA/rap1 Pagina 5 van 25
2.3
POTENTIELE BRONNEN VAN BODEMVERONTREINIGING
Vraag: Is sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn de verdachte parameters? In tabel 2.2 is de uitwerking met betrekking tot voornoemde onderzoeksvraag opgenomen. TABEL 2.2: potentiële bronnen van bodemverontreiniging Vraag
Bronnen
Huidig gebruik
Zuidbuurt 13: glastuinbouwbedrijf (met kassen) Zuidbuurt 13a: woning met tuin Zuidbuurt 17: hoveniersbedrijf met bedrijfswoning Potentiële bronnen aanwezig?
Ja
Google Maps / Topotijdreis / Informatie opdrachtgever / DCMR Milieudienst RIjnmond
De locatie is en/of was in het verleden in gebruik als zijnde glastuinbouw, waar mogelijk bestrijdingsmiddelen (OCB’s) zijn gebruikt en opgeslagen. Voormalig gebruik
De locatie had van 1900 tot 1983 een agrarische bestemming. Sinds 1983 zijn er ter plaatse van de onderzoekslocatie en in de omgeving diverse glastuinbouwbedrijven gevestigd. De onderzoekslocatie is voor zover bekend meerdere malen (deels) bebouwd geweest. Ter plaatse van de onderzoekslocatie was (in de kas) in het verleden een bovengrondse tank met huisbrandolie aanwezig (5400 liter). De tank is op 01-01-1998 geplaatst en is op 16-042007 gesaneerd en verwijderd (certificaatnummer ao2107). De locatie betreft geen (voormalige) stortplaats.
Toekomstig gebruik
Kantoor / bedrijfsruimte
Conclusie van potentiele bronnen
De locatie is en/of was in gebruik ten behoeve van glastuinbouw en wonen met tuin, waarbij mogelijk verhoogde gehalten met bestrijdingsmiddelen (OCB’s) in de bodem verwacht kunnen worden. De (voormalige) bovengrondse tank met huisbrandolie is gesaneerd en verwijderd en heeft naar verwachting geen verontreiniging in de bodem veroorzaakt.
2.4
BODEMKWALITEIT EN ASBEST
Vraag: Is de bodem asbestverdacht? Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden? In tabel 2.3 is de uitwerking met betrekking tot voornoemde onderzoeksvraag opgenomen. TABEL 2.3: bodemkwaliteit en asbest Vraag Asbest
Bronnen Vanwege de lange gebruikshistorie van het perceel kunnen bijmengingen in de bodem, waaronder de aanwezigheid van asbest, niet uitgesloten kan worden.
Topotijdreis / BAG-viewer
Er is geen informatie beschikbaar over de aanwezigheid van asbest in de bodem. Bodemkwaliteit
Conclusie bodemkwaliteit en asbest
Bodemfunctieklassekaart
Landbouw
Bodemkwaliteitszone bodemlaag 0 – 2 m-mv
Bebouwing en weilanden
Ontgravingskaart bodemlaag 0 – 2 m-mv
Landbouw
Toepassingskaart 0 – 2 m-mv
Landbouw
Nota bodembeheer 20162026, gemeente Maassluis en Vlaardingen
Op de locatie is geen informatie beschikbaar over de aanwezigheid van asbest in de bodem, Naar verwachting is de bodem licht verontreinigd.
1904M514/JHA/rap1 Pagina 6 van 25
2.5
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE
Vraag: Wat is de bodemopbouw en geohydrologie en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich? In bijlage 2.3 is kaartmateriaal van de periode 1947 – 2018 opgenomen. In tabel 2.4 is de uitwerking met betrekking tot voornoemde onderzoeksvraag opgenomen. TABEL 2.4: Bodemopbouw en geohydrologie Vraag
Bronnen
Bodemopbouw
Circa 0,0 - 1,5 m-mv
Zand en/of klei
(lokaal)
Circa 1,5 - 2,0 m-mv
Veen
Grondwater (lokaal)
Grondwaterstand freatisch
Circa 1,0 m-mv
Dinoloket / Hoogheemraadschap van Rijnland / Bodematlas provincie Zuid-Holland
Een eenduidige stromingsrichting van het grondwater is niet bekend. Voor zover bekend wordt het grondwater op en in de nabijheid van de onderzoekslocatie niet beïnvloed door menselijk handelen. De onderzoekslocatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Geohydrologie
Doordat de grondwaterstand door middel van de slootpeilen op een vast peil wordt gereguleerd, is er nauwelijks sprake van een horizontale stromingsrichting van het grondwater. Een (tijdelijke) optredende horizontale stromingsrichting wordt veroorzaakt door regenoverschot en zal naar de omliggende sloten gericht zijn. Op de locatie is sprake van infiltratie.
Bodemvreemde lagen
Op basis van het kaartmateriaal is bekend dat op de locatie in het verleden mogelijk enkele watergangen hebben gelegen en zijn gedempt. De exacte periode en het materiaal waarmee de watergangen mogelijk zijn gedempt is niet bekend.
Google Earth / Topotijdreis
Plaatselijk is mogelijk een erfverharding met puin en/of bouw en sloopafval aanwezig. Voor betreffende ophooglagen kunnen verontreinigingen met o.a. zware metalen, PAK en asbest verwacht worden. Conclusie ten aanzien van vigerend bodemonderzoek
2.6
Ter plaatse van de locatie zijn mogelijke enkele watergangen gedempt en zijn mogelijk ophooglagen met puin en/of bouw en sloopafval aanwezig. Betreffende dempingen en ophooglagen zijn verdacht op de kritische parameters zware metalen, PAK en asbest.
BEINVLOEDING
Vraag: Is sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar? In tabel 2.5 is de uitwerking met betrekking tot voornoemde onderzoeksvraag opgenomen. TABEL 2.5: beïnvloeding Vraag
Bronnen
Beïnvloeding
Er wordt op basis van de beschikbare informatie geen beïnvloeding vanuit de omgeving verwacht.
conclusie
Naar verwachting hebben de activiteiten op de omliggende percelen de chemische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie niet negatief beïnvloed.
Bodemloket / DCMR Milieudienst Rijnmond
1904M514/JHA/rap1 Pagina 7 van 25
2.7
BODEMVERONTREINIGING
Vraag: Wordt op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging vermoed? Zo ja, waar bevindt deze zich? In tabel 2.6 is de uitwerking met betrekking tot voornoemde onderzoeksvraag opgenomen. TABEL 2.6: bodemverontreiniging Vraag
Bronnen
Zijn er in het verleden milieukundige bodemonderzoeken verricht op de onderzoekslocatie? Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn voor zover bekend in het verleden diverse milieukundige onderzoeken uitgevoerd, te weten:
Bodemloket / DCMR Milieudienst Rijnmond
Zuidbuurt 13: Nul- of eindsituatie bodemonderzoek, uitgevoerd door Centraal Bodemkundig Bureau, d.d. 01-12-1998 (kenmerk WM400567). In betreffend onderzoek wordt melding gemaakt van een bloemenkwekerij, glastuinbouw, bestrijdingsmiddelenopslagplaats, erfverharding met puin en/of bouw en sloopafval en hbo-tank (bovengronds). In betreffend onderzoek zijn lichte verontreinigingen in de grond en het grondwater aangetroffen. Verkennend bodemonderzoek, uitgevoerd door BMA Milieu, d.d. 27-03-2001 (kenmerk 21844721). In betreffend onderzoek zijn lichte verontreinigingen in de grond en het grondwater aangetroffen. Zuidbuurt 15a Verkennend bodemonderzoek, uitgevoerd door Adviesbureau De Straat, d.d. 27-03-1997 (kenmerk B4046). In betreffend onderzoek zijn hooguit lichte verontreinigingen in de grond en het grondwater aangetroffen. Zuidbuurt (ong. naast 15a) Verkennend bodemonderzoek, uitgevoerd door IJB, d.d. 12-04-1996 (rapport kenmerk onbekend). In betreffend onderzoek zijn lichte verontreinigingen in de grond aangetroffen. Het grondwater is niet verontreinigd. Zuidbuurt 17: Verkennend bodemonderzoek, uitgevoerd door Fugro, d.d. 20-07-1999 (kenmerk 87990211). In betreffend onderzoek zijn lichte verontreinigingen in de grond aangetroffen. Het grondwater is matig verontreinigd.
Betreffende onderzoeken zijn weergegeven op de website van de DCMR milieudienst Rijnmond, en zijn beknopt weergegeven in bijlage 2.1. Zijn er in het verleden milieukundige bodemonderzoeken verricht in de nabije omgeving van de onderzoekslocatie? In de nabije omgeving van de onderzoekslocatie zijn ter plaatse van de Zuidbuurtseweg 21 in het verleden diverse milieukundige bodemonderzoeken uitgevoerd en heeft een sanering plaatsgevonden. Betreffende onderzoeken zijn weergegeven op de website van de DCMR milieudienst Rijnmond.
Bodemloket / DCMR Milieudienst Rijnmond
Conclusie Op de locatie is geen vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Echter, kan dit door de mogelijke aanwezigheid van enkele slootdempingen en ophooglagen met puin en/of bouw en sloopafval, niet uitgesloten worden.
1904M514/JHA/rap1 Pagina 8 van 25
2.8
TERREINVERKENNING
De terreinverkenning heeft tot doel om te controleren of de gedocumenteerde informatie overeenkomt met de daadwerkelijke situatie ter plaatse en deze aan te vullen met relevante waarnemingen. De terreinverkenning is op 13 mei 2019 uitgevoerd. Op basis van de terreinverkenning blijkt het navolgende: -
Er zijn geen bijzonderheden waargenomen die kunnen duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Er zijn geen bijzonderheden waargenomen die van invloed kunnen zijn op het uit te voeren bodemonderzoek.
Naar aanleiding van de terreinverkenning hebben zich geen wijzigingen voorgedaan ten opzichte van de reeds verkregen gegevens uit het vooronderzoek. Ter illustratie is in bijlage 2.2 een fotoreportage opgenomen.
2.9
BEOORDELING
Vraag: Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Het vooronderzoek is beoordeeld op afwijkingen ten opzichte van de NEN 5725;2017. Indien er sprake is van afwijkingen zijn deze omschreven en is de reden van afwijking aangegeven. Beoordeeld is in hoeverre de afwijking gevolgen heeft op de betrouwbaarheid en in hoeverre er sprake is van beperkingen in relatie tot de onderzoeksvragen. Vervolgens is beoordeeld in hoeverre de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, op basis van de resultaten van het vooronderzoek, afdoende bekend is, of in hoeverre bodemonderzoek noodzakelijk is. In tabel 2.7 is de uitwerking met betrekking tot voornoemde onderzoeksvraag opgenomen. TABEL 2.7: beoordeling Vraag Zijn er afwijkingen opgetreden ten opzichte van de NEN 5725;2017 Ten opzichte van de NEN 5725:2017 zijn geen afwijkingen opgetreden. Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Onvoldoende
De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is niet afdoende bekend, ter plaatse van de onderzoekslocatie dient een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd te worden.
1904M514/JHA/rap1 Pagina 9 van 25
2.10
CONCLUSIE EN HYPOTHESESTELLING
Vraag: Welke hypothese is van toepassing? Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn conclusies getrokken over de verwachting van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en de aanwezige verontreinigende stoffen. Op basis van de getrokken conclusie is een hypothese geformuleerd. De hypothese betreft voor elke (deel)locatie, in zowel het horizontale als het verticale vlak, de verwachting met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Bij het vervolgonderzoek, zie hoofdstuk 3, dient de hypothesestelling als basis voor de onderzoeksstrategieën uit de desbetreffende normdocumenten. De hypothese en strategie zijn complementair aan elkaar. TABEL 2.8: conclusie en hypothese Vraag Onderzoekslocatie
Zuidbuurt 13, 13a en 17 te Maassluis
Totale oppervlakte
Circa 35.000 m²
Deellocatie 1 Conclusie / hypothese
Kassencomplex (circa 27.000 m²)
Deellocatie 2 Conclusie / hypothese
Bovengrond
Kritische parameters: bestrijdingsmiddelen (OCB’s)
Ondergrond
Onverdacht
Grondwater
Onverdacht
Overige terreindelen (woningen, overige opstallen, maaiveldverhardingen, circa 8.000 m²) Grond
Verdacht, kritische parameters: zware metalen, PAK, asbest
Grondwater
Onverdacht
1904M514/JHA/rap1 Pagina 10 van 25
3.
VERKENNEND BODEMONDERZOEK
3.1
ONDERZOEKSSTRATEGIE
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn een tweetal deellocaties te onderscheiden, te weten: - Deellocatie 1: kassencomplex, circa 27.000 m². - Deellocatie 2: overige terreindelen (woningen, overige opstallen, maaiveldverhardingen), circa 8.000 m². Voor het verkrijgen van inzicht in de milieuhygiënische bodemkwaliteit van deellocatie 1 (kassencomplex) wordt de onderzoeksstrategie van de NEN 5740 (2016) voor een onverdachte ‘niet lijnvormige’ locatie gehanteerd (ONV-NL), waarbij alle boringen worden doorgezet tot minimaal 1,0 m-mv en wordt de bovengrond aanvullend onderzocht op OCB’s (verzamelparameter bestrijdingsmiddelen). Voor het verkrijgen van inzicht in de milieuhygiënische bodemkwaliteit van deellocatie 2 (overige terreindelen) wordt de onderzoeksstrategie van de NEN 5740 (2016) voor een verdachte ‘niet lijnvormige’ locatie gehanteerd (VED-HE-NL). De onderzoeksstrategieën zijn gebaseerd op de hypothese zoals deze is vastgesteld op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek, zie hoofdstuk 2. De onderzoeksstrategie is aangegeven in tabel 3.1. TABEL 3.1: onderzoeksstrategie Onderzoeksaspect
Onderzoeksstrategie
Oppervlakte
Deellocatie 1: kassencomplex (algemene bodemkwaliteit)
NEN 5740; onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL)*
Circa 27.000 m²
Deellocatie 2: overige terreindelen NEN 5740; verdachte niet-lijnvormige locatie (VED-HE-NL) Circa 8.000 m² (algemene bodemkwaliteit) * In aanvulling op de onderzoeksstrategie worden alle boringen doorgezet tot minimaal 1,0 m-mv en wordt de bovengrond aanvullend onderzocht op bestrijdingsmiddelen (OCB’s).
Naar aanleiding van het aantreffen van enkele matig tot sterk verhoogde waarden met zware metalen, is een uitsplitsing uitgevoerd naar de mate van de verhoogd aangetroffen parameters. 3.2
UITVOERING VELDONDERZOEK
Een samenvatting van de tijdens het veldonderzoek uitgevoerde werkzaamheden is opgenomen in de navolgende tabel. De posities van de genoemde meetpunten zijn weergegeven op de situatietekening die in bijlage 3 is opgenomen. TABEL 3.2: samenvatting veldonderzoek Uitvoeringsperiode
13 t/m 16 mei 2019 / 23 mei 2019
Uitvoerende partij
BodemExpert / VeldXpert
BRL SIKB / VKB protocol
BRL SIKB 2000 VKB protocol 2001, 2002
Onderzoeksaspect
Meetpunten
Codering
Type Deellocatie 1: kassencomplex (algemene bodemkwaliteit)
Boring
Boring met peilbuis
101, 102, 103, 105, 106, 107, 108, 110, 111, 112, 113, 114, 115, 116, 117, 118, 120, 121, 122, 123, 124, 125, 126, 127, 128, 129, 130, 132, 133, 134, 135, 136, 137, 138 104, 109, 119, 131
Deellocatie 2: Boring 01, 02, 03, 05, 06, 07, 08, 09, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 17, 18, overige terreindelen 19, 20, 21*, 22, 23 (algemene bodemkwaliteit) Boring met peilbuis 04, 16 * Boring 21 is (na 4 maal verplaatsen van de boring) gestaakt naar aanleiding van het aantreffen van een ondoordringbare verhardingslaag. 1904M514/JHA/rap1 Pagina 11 van 25
Uitvoeringswijze Tijdens het veldonderzoek is niet afgeweken van de beoordelingsrichtlijn. Het veldverslag met daarin de gegevens van het veldwerkbureau en de namen van de veldwerkers is opgenomen in bijlage 4. Het procescertificaat en het hierbij behorende keurmerk zijn van toepassing op de activiteiten met betrekking tot het veldonderzoek en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie aan een erkend laboratorium of aan de opdrachtgever. Uit oogpunt van onafhankelijkheid verklaart IDDS geen eigenaar te zijn, of in de nabije toekomst te worden, van het terrein waarop het bodemonderzoek en de advisering betrekking heeft. Tijdens het verrichten van het veldonderzoek is de bodem zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen en is de bodemopbouw beschreven. Bodemopbouw Per meetpunt is de texturele, minerale en organische samenstelling van de bodem nauwkeurig beschreven. Op basis van deze beschrijving is per meetpunt een boorstaat vervaardigd. De boorstaten zijn opgenomen in bijlage 5. De globale opbouw van de bodem ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie, gebaseerd op uitgevoerde boringen, wordt als volgt omschreven: Deellocatie 1: kassencomplex - De bovengrond, vanaf het maaiveld tot een diepte van circa 0,5 m-mv, bestaat uit klei.
- De ondergrond, vanaf 0,5 m-mv tot de geboorde diepte van circa 4,0 m-mv bestaat overwegend uit klei, waarbij plaatselijk een zand- en/of veenlaag voorkomt. Deellocatie 2: overige terreindelen (woningen, overige opstallen, maaiveldverhardingen) - De bovengrond, vanaf het maaiveld tot een diepte van circa 0,5 m-mv, bestaat uit een afwisseling van zand en/of klei. - De ondergrond, vanaf 0,5 m-mv tot de geboorde diepte van circa 4,0 m-mv bestaat uit een afwisseling van zand, klei en veen. Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Het opgeboorde en vrijgegraven bodemmateriaal is visueel geïnspecteerd op afwijkingen en op het voorkomen van bodemvreemde bijmengingen die kunnen duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Het materiaal is met name beoordeeld op de aard, grootte en gradatie van voorkomen. Sommige verontreinigingen die in de bodem aanwezig zijn, kunnen aan de geur herkend worden. Benadrukt dient te worden dat, indien tijdens de veldwerkzaamheden passieve geurwaarnemingen worden gedaan, deze gekarakteriseerd worden en per boorpunt worden beschreven. Indien er sprake is van afwijkingen en/of bijmengingen zijn deze, per meetpunt en per bodemlaag, aangegeven in de boorstaten die zijn opgenomen in bijlage 5.
Op basis van de boorstaten blijkt in hoofdlijnen het navolgende: Deellocatie 1: kassencomplex - In de bovengrond zijn plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen en glas) aangetroffen. - In de ondergrond zijn plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (piepschuim en plastic) aangetroffen. Deellocatie 2: overige terreindelen (woningen, overige opstallen, maaiveldverhardingen) - In de bovengrond zijn plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen) aangetroffen. - Plaatselijk is onder de klinkers en grindverharding een verhardingslaag met puin (repac, baksteen, grind en/of kolengruis) aangetroffen. - In de ondergrond zijn plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen, kolengruis en glas) aangetroffen.
1904M514/JHA/rap1 Pagina 12 van 25
Asbest Het veldonderzoek is uitgevoerd door veldwerkers welke zijn opgeleid voor het herkennen van asbestverdachte materialen. Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek is het maaiveld van de onderzoekslocatie, evenals het opgeboorde bodemmateriaal visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Hierbij opgemerkt dat bij het aantreffen van puin in de bodem, de locatie op voorhand als asbestverdacht dient te worden aangemerkt. In de boringen zijn plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen) aangetroffen. Op basis van de beschikbare informatie zoals verstrekt in de norm NEN 5725;2017 zit in de soorten puin (puin van asfalt, asfalt, bakstenen, dakpannen, cement, klinkers en/of straatstenen, trottoirbanden en historisch puin) in de regel geen asbesthoudend materiaal en de aanwezigheid daarvan maakt een locatie niet verdacht op het aantreffen van asbest. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn lichte tot sterke bijmengingen met baksteen aangetroffen. Gezien het historisch gebruik van de locatie in combinatie met het aantreffen van bijmengingen met enkel baksteen is de locatie, ons inziens, niet verdacht op het aantreffen van asbest. Grondwater Voorafgaand aan de bemonstering van het grondwater is de actuele grondwaterstand opgenomen ten opzichte van het maaiveld.
Van het bemonsterde grondwater is in het veld de zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en de mate van troebelheid (NTU) gemeten. Het bemonsterde grondwater is zintuiglijk beoordeeld op eventuele afwijkingen die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. In tabel 3.3 zijn de resultaten opgenomen van de uitgevoerde metingen en verrichtte waarnemingen. TABEL 3.3: Metingen uitgevoerd aan het grondwater Deellocatie
1: kassencomplex
2: overige terreindelen
Peilbuis
Filterstelling [m-mv]
Monstername
pH
d.d.
Grondwaterstand [m-mv]
104
2,0 – 3,0
23-05-2019
0,65
6,74
109
2,0 – 3,0
23-05-2019
1,60
6,88
119
2,0 – 3,0
23-05-2019
1,60
131
2,0 – 3,0
23-05-2019
04
2,0 – 3,0
16
2,3 – 3,3
EC
Zintuiglijke afwijkingen / overige bijzonderheden
[S/cm]
Troebel -heid [NTU]
1022
44.9
geen bijzonderheden
866
144
geen bijzonderheden
7,73
660
125
geen bijzonderheden
1,50
7,02
221
90
geen bijzonderheden
23-05-2019
1,40
6,84
968
24.5
geen bijzonderheden
23-05-2019
0,60
6,9
956
68
geen bijzonderheden
De gemiddelde grondwaterstand ter plaatse van deellocatie 1 (kassencomplex) bevindt zich op circa 1,34 m-mv. De gemiddelde grondwaterstand ter plaatse van deellocatie 2 (overige terreindelen) bevindt zich op circa 1,34 m-mv. De gemeten zuurgraad (pH en het elektrisch geleidingsvermogen (EC) van het grondwater vertonen geen afwijkende waarden ten opzichte van een natuurlijke situatie. De mate van troebelheid (NTU) is enigszins verhoogd ten opzichte van een natuurlijke situatie. Echter, een verklaring hiervoor is op basis van de voor de locatie bekende gegevens vooralsnog niet te geven.
1904M514/JHA/rap1 Pagina 13 van 25
3.3
UITVOERING LABORATORIUMONDERZOEK
Voor de verrichting van het chemisch onderzoek zijn de monsters overgebracht naar een (RvA) geaccrediteerd en AS3000 erkend laboratorium. De naam en contactgegevens van het betreffende laboratorium, alsmede de data waarop de monstervoorbehandeling en het analytisch onderzoek is uitgevoerd, zijn aangegeven op de analysecertificaten die in bijlage 6 zijn opgenomen. Analysestrategie Bij de selectie van de grond(meng)monsters is, voor het verkrijgen van een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, rekening gehouden met de bodemopbouw en eventuele zintuiglijk waargenomen afwijkingen. Voor het verkrijgen van een ruimtedekkend beeld is eveneens rekening gehouden met de situering van de boringen. In tabel 3.4 is een overzicht gegeven van de monsters, waar van toepassing de monstersamenstelling, de monstertrajecten en de uitgevoerde analyses. De bovengrondmonsters ter plaatse van deellocatie 1 (kassencomplex) zijn aanvullend geanalyseerd op bestrijdingsmiddelen (OCB’s). Naar aanleiding van het aantreffen van enkele matig tot sterk verhoogde waarden met zware metalen, is een uitsplitsing uitgevoerd naar de mate van de verhoogd aangetroffen parameters. Samenstelling analysepakketten In het standaard pakket voor grond zijn de volgende analyses opgenomen: -
Zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink). PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen). Minerale olie (GC). PCB (PolyChloorBifenylen).
Ten behoeve van de toetsing van de analyseresultaten zijn van alle grondmonsters de percentages lutum en/of organische stof bepaald. In het standaard pakket voor grondwater zijn de volgende analyses opgenomen: -
Zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink). BTEXNS (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen). VOCl (vluchtige organochloorverbindingen). Minerale olie.
Verhardingsonderzoek Onder de klinkers en grindverharding ter plaatse van deellocatie 2 (is plaatselijk een verhardingslaag met puin (repac en kolengruis) aangetroffen. Het verhardingsmateriaal bevat meer dan 50% bodemvreemd materiaal en kan derhalve niet geclassificeerd worden als bodem. De betreffende monsters van de verhardingslaag zijn, na cryogeen vermalen en homogenisering, geanalyseerd op de samenstelling van de parameters uit het standaard NENpakket. Uitloging van de anorganische parameters is niet uitgevoerd.
1904M514/JHA/rap1 Pagina 14 van 25
3.4
BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN
De resultaten van de chemische analyses zijn weergegeven op de analysecertificaten, die in bijlage 6 zijn opgenomen. De analyseresultaten zijn, waar van toepassing, getoetst middels de Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa). De toetsingstabellen zijn opgenomen in bijlage 7. Wet bodembescherming (Wbb) Voor de interpretatie van de resultaten van de chemische analyses van de grondmonsters zijn de meetwaarden, conform bijlage G van de Regeling bodemkwaliteit, gecorrigeerd voor de gemeten percentages lutum en/of organische stof. De gecorrigeerde meetwaarden zijn vergeleken met het toetsingskader van de Wet bodembescherming. Dit toetsingskader bestaat uit de achtergrondwaarden, zoals opgenomen in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit, en de interventiewaarden, zoals opgenomen in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 (Staatscourant nr. 16675, 27 juni 2013). Naast het wettelijk kader zijn de gecorrigeerde meetwaarden getoetst aan de tussenwaarden, zijnde het rekenkundig gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarden voor de betreffende stof. Indien de gecorrigeerde meetwaarde voor één of meerdere stoffen de tussenwaarde overschrijdt kan in potentie sprake zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging (Handhavingsuitvoeringsmethode Wbb, versie 7.5 van het SIKB) en is het uitvoeren van nader bodemonderzoek in veel gevallen noodzakelijk. In tabel 3.5a/b.
zijn de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek opgenomen alsmede de resultaten van de uitgevoerde toetsingen. <AW / <S niet verontreinigd: het gehalte / de concentratie is lager dan of gelijk aan de achtergrond-waarde (grond) of streefwaarde (grondwater), dan wel de rapportagegrens; >AW / >S licht verontreinigd: het gehalte overschrijdt de achtergrondwaarde (grond) of streefwaarde (grondwater) en is lager dan of gelijk aan de tussenwaarde, zijnde licht verontreinigd; >T matig verontreinigd: het gehalte overschrijdt de tussenwaarde en is lager dan of gelijk aan de interventiewaarde; >I sterk verontreinigd: het gehalte overschrijdt de interventiewaarde. Asbest Onder de grindverharding ter plaatse van deellocatie 2 (overige terreindelen) is plaatselijk een verhardingslaag met puin (repac) aangetroffen. Van betreffende verhardingslaag is een mengmonster (ASBMM01) samengesteld, waarop op indicatieve wijze een kwantificatie is verricht op asbest. In het monster is analytisch geen asbest aangetoond. Opgemerkt wordt dat geen asbestonderzoek conform de NEN 5707 is uitgevoerd. De resultaten geven louter een indicatie inzake de verwachting omtrent de aan- of afwezigheid van asbest. Om de aanwezigheid van asbest daadwerkelijk vast te stellen dient formeel gezien een asbestonderzoek conform de NEN 5707 te worden uitgevoerd.
1904M514/JHA/rap1 Pagina 15 van 25
Verhardingsonderzoek Onder de klinkers en grindverharding ter plaatse van deellocatie 2 (overige terreindelen) is plaatselijk een verhardingslaag met puin (repac en kolengruis) aangetroffen. Het verhardingsmateriaal bevat meer dan 50% bodemvreemd materiaal en kan derhalve niet geclassificeerd worden als bodem. Indicatieve toetsing van de samenstellings-waarden van de organische parameters heeft plaatsgevonden aan de Regeling bodemkwaliteit (tabel 3.4). De toetsingstabel Regeling bodemkwaliteit is weergegeven in bijlage 8. TABEL 3.4: Overschrijdingen ten opzichte van toetsingswaarden Regeling bodemkwaliteit Onderzoeksaspect
Repaclaag (MM06) [mg/kg.ds]
Kolengruis (MM07) [mg/kg.ds]
barium
140
¹
78
¹
cadmium
< 0,35
¹
0,73
¹
kobalt
4,7
¹
6,8
¹
koper
13
¹
37
¹
kwik
0,06
¹
0,32
¹
lood
21
¹
73
¹
molybdeen
< 1,5
¹
2,8
¹
nikkel
16
¹
39
¹
zink
78
¹
140
¹
PCB
0,015
< SW
0,005
< SW
minerale olie
230
< SW
200
< SW
PAK
3,7
< SW
3,9
< SW
¹: < SW: > SW:
Uitloging niet bepaald; Lager dan maximale samenstellingswaarde; Hoger dan maximale samenstellingswaarde.
Om een eerste indruk te krijgen in de mogelijke hergebruiksmogelijkheden van de verhardingslaag zijn van het materiaal een tweetal mengmonsters samengesteld. Van het materiaal is de samenstelling (minerale olie, PAK, PCB) indicatief bepaald. Op basis van de beoordeling van de samenstellingswaarden is het materiaal mogelijk herbruikbaar. Om de hergebruiks-mogelijkheden formeel vast te stellen dient een keuring van het materiaal conform protocol 1002 te worden uitgevoerd.
1904M514/JHA/rap1 Pagina 16 van 25
TABEL 3.5a: overzicht monsters, monstersamenstelling, analyses en toetsingsresultaten Onderzoeksaspect
Deellocatie 1: kassencomplex (algemene bodemkwaliteit)
Monstercodes, deelmonsters en bodemlagen bodemlagen in cm-mv)
Matrix en eventuele bijzonderheden
Analyse
MM101: 102 (0-50) 103 (0-50) 106 (0-50) 107 (0-50) 110 (0-50)
Klei, sporen baksteen
NEN 5740 grond + OCB’s
MM102: 111 (0-50) 112 (0-50) 113 (0-50) 115 (0-50) 116 (0-50) 117 (0-50)
Klei, sporen baksteen en glas
NEN 5740 grond + OCB’s
MM103: 120 (0-50) 121 (0-50) 122 (0-50) 123 (0-50) 125 (0-50) 126 (0-50) MM104: 127 (0-50) 129 (0-50) 130 (0-50) 135 (0-50) 138 (0-50)
Klei, sporen baksteen
NEN 5740 grond + OCB’s NEN 5740 grond + OCB’s
MM105: 105 (0-50) 109 (0-50) 118 (0-50) 124 (0-50) 128 (0-50) 132 (0-50) 134 (0-50) 137 (050) MM106: 119 (100-150) 125 (50-100) 126 (150200) 129 (50-100) 131 (50-100) 136 (50-100) 137 (50-100) MM107: 104 (100-150) 108 (100-150) 109 (100150) 110 (100-150) 113 (150-200) 114 (150-200) MM108: 103 (50-100) 105 (220-250) 111 (250270) 117 (150-200) 121 (100-150) 131 (400-450)
Klei, geen bijzonderheden
NEN 5740 grond + OCB’s
Klei, geen bijzonderheden
Klei, sporen baksteen
Toetsingsresultaten Wbb (GSSD) > AW / > S >T (licht verhoogd) (matig verhoogd) Cadmium 0,65 Kwik 0,21 Lood 100 Molybdeen 3,9 Zink 184 PAK 1,9 PCB 0,030 DDD 0,034 Drins 0,27 HCB 0,034 Lood 71 Molybdeen 2,2 Zink 167 PAK 2,4 Drins 0,026 HCB 0,013 Molybdeen 1,8 -
>I (sterk verhoogd) -
-
-
-
-
-
-
NEN 5740 grond
Kwik 0,30 Lood 62 Molybdeen 2,5 PAK 2,5 PCB 0,034 DDD 0,040 Drins 0,134 Chloordaan 0,0039 HCB 0,059 Molybdeen 2,1 Drins 0,058 HCB 0,021 -
-
-
Klei, geen bijzonderheden
NEN 5740 grond
Molybdeen 1,6
-
-
Klei, geen bijzonderheden
NEN 5740 grond
Kwik 0,19 Molybdeen 2,3
1904M514/JHA/rap1 Pagina 17 van 25
TABEL 3.5a (vervolg): overzicht monsters, monstersamenstelling, analyses en toetsingsresultaten Onderzoeksaspect
Deellocatie 1: kassencomplex (algemene bodemkwaliteit)
Monstercodes, deelmonsters en bodemlagen bodemlagen in cm-mv)
Matrix en eventuele bijzonderheden
Analyse
MM109: 122 (200-230) 129 (200-250) 130 (200250) 132 (100-150) 134 (100-150) 137 (100-150) 104-1-1: 104 (200-300) 109-1-1: 109 (200-300) 119-1-1: 119 (200-300)
Klei, geen bijzonderheden
NEN 5740 grond
Grondwater, geen bijzonderheden Grondwater, geen bijzonderheden Grondwater, geen bijzonderheden
NEN 5740 grondwater NEN 5740 grondwater NEN 5740 grondwater
131-1-1: 131 (200-300)
Grondwater, geen bijzonderheden
NEN 5740 grondwater
Toetsingsresultaten Wbb (GSSD) > AW / > S >T (licht verhoogd) (matig verhoogd) Barium 93 Barium 100 Koper 19 Molybdeen 22 Nikkel 23 Zink 97 Barium 51 Nikkel 30
>I (sterk verhoogd) -
-
-
-
-
1904M514/JHA/rap1 Pagina 18 van 25
TABEL 3.5b: overzicht monsters, monstersamenstelling, analyses en toetsingsresultaten Onderzoeksaspect
Deellocatie 2: overige terreindelen (algemene bodemkwaliteit)
Monstercodes, deelmonsters en bodemlagen bodemlagen in cm-mv)
Matrix en eventuele bijzonderheden
Analyse
MM01 06 (80-130) 18 (100-140)
Zand, matig tot sterk baksteenhoudend Klei, matig tot sterk baksteenhoudend
NEN 5740 grond
MM02 10 (30-80) 12 (30-80) 20 (50-100)
Toetsingsresultaten Wbb (GSSD) > AW / > S >T (licht verhoogd) (matig verhoogd) PAK 2,0 -
>I (sterk verhoogd) -
NEN 5740 grond
Cadmium 1,9 Koper 146 Lood 694 Kobalt 25 Nikkel 88 Zink 1907 Kwik 0,71 Molybdeen 2,3 MM03 06 (0-50)* 20 (0-50) 22 (0-50) 23 (0-50) Zand, sporen baksteen NEN 5740 grond Lood 74 Molybdeen 1,8 Zink 238 PAK 5,2 MM04 04 (50-100) 11 (50-100) Zand, sporen baksteen en glas NEN 5740 grond Cadmium 0,86 Koper 49 Kwik 0,58 Lood 198 Molybdeen 1,8 Zink 281 PAK 6,0 MM05 14 (60-110) 15 (50-100) 18 (25-75) Klei, sporen baksteen en NEN 5740 grond Lood 241 kolengruis Nikkel 35 Zink 331 PAK 3,9 10-2: 10 (30-80) Klei, sterk baksteenhoudend Zware metalen pakket Lood 59 Zink 143 12-2: 12 (30-80) Klei, sterk baksteenhoudend Zware metalen pakket Cadmium 1,07 Lood 377 Koper 44 Zink 602 Kwik 0,18 20-2: 20 (50-100) Klei, matig baksteenhoudend Zware metalen pakket Cadmium 0,78 Koper 67 Kwik 0,25 Lood 193 Molybdeen 2,5 Nikkel 38 Zink 278 04-1-1: 04 (200-300) Grondwater, geen bijzonderheden NEN 5740 grondwater Molybdeen 12 16-1-2: 16 (230-330) Grondwater, geen bijzonderheden NEN 5740 grondwater Barium 91 Nikkel 19 * Per abuis is in mengmonster MM03 (bestaande uit zand en sporen baksteen) een monster bestaande uit grind (06, 0-50) geanalyseerd. Op basis van de analyseresultaten, wordt gezien de lichte overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden, verwacht dat dit geen invloed heeft gehad op de representativiteit van het geanalyseerde monster.
1904M514/JHA/rap1 Pagina 19 van 25
3.5
INTERPRETATIE
Naar aanleiding van de verkregen onderzoeksresultaten blijkt met betrekking tot de chemische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocaties het volgende: Deellocatie 1: kassencomplex Bovengrond De bovengrond ter plaatse van deellocatie 1 (kassencomplex) is opgebouwd uit klei. In de grond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen en glas) waargenomen. In de bovengrond overschrijden plaatselijk de gehalten cadmium, kwik, lood, molybdeen, zink, PAK, PCB en diverse bestrijdingsmiddelen (DDD, drins, chloordaan en HCB) de desbetreffende achtergrondwaarden. De gehalten van de overige onderzochte parameters zijn allen lager dan de desbetreffende achtergrondwaarden. Ondergrond De ondergrond ter plaatse van de onderzoekslocatie is overwegend opgebouwd uit klei, waarbij plaatselijk een zand- en/of veenlaag voorkomt. In de grond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (piepschuim en plastic) waargenomen. In de ondergrond overschrijden plaatselijk de gehalten kwik en molybdeen de desbetreffende achtergrondwaarden. De gehalten van de overige onderzochte parameters zijn allen lager dan de desbetreffende achtergrondwaarden. Grondwater De gemiddelde grondwaterstand ter plaatse van deellocatie 1 (kassencomplex) bevindt zich op circa 1,34 m-mv.
In het grondwater overschrijden plaatselijk de concentraties barium, koper, molybdeen, nikkel en zink de desbetreffende streefwaarden. De concentraties van de overige onderzochte parameters zijn allen lager dan de betreffende streefwaarden.
Deellocatie 2: overige terreindelen (woningen, overige opstallen, maaiveldverhardingen) Bovengrond De bovengrond ter plaatse van deellocatie 2 (overige terreindelen) is opgebouwd uit een afwisseling van zand en/of klei. In de grond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen) waargenomen. Plaatselijk is onder de klinkers en grindverharding een verhardingslaag met puin (repac, baksteen, grind en/of kolengruis) aangetroffen. In de bovengrond overschrijden plaatselijk de gehalten lood, molybdeen, zink en PAK de desbetreffende achtergrondwaarden. De gehalten van de overige onderzochte parameters zijn alle lager dan de desbetreffende achtergrondwaarden.
1904M514/JHA/rap1 Pagina 20 van 25
Ondergrond De ondergrond ter plaatse van de onderzoekslocatie is opgebouwd uit een afwisseling van zand, klei en veen. In de grond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen, kolengruis en glas) waargenomen. In de ondergrond (MM02) overschrijden de gehalten overschrijden de gehalten lood en zink de desbetreffende interventiewaarden, overschrijden de gehalten koper en nikkel de desbetreffende tussenwaarden, en overschrijden de gehalten cadmium, kobalt, kwik en molybdeen de desbetreffende achtergrondwaarden. In de overige ondergrondmonsters overschrijden plaatselijk de gehalten cadmium, koper, kwik, lood, nikkel, molybdeen, zink en PAK de desbetreffende achtergrondwaarden. De gehalten van de overige onderzochte parameters zijn alle lager dan de desbetreffende achtergrondwaarden. Naar aanleiding van de aangetroffen tussenwaarden/inverventiewaarden overschrijdingen met zware metalen is mengmonster MM03 uitgesplitst en zijn de boringen separaat geanalyseerd op de gehalten zware metalen. Na de uitsplitsing overschrijden de gehalten lood en zink ter plaatse van boring 12 (0,30 – 0,80 m-mv) de desbetreffende tussenwaarden, en overschrijden de gehalten cadmium, koper, en kwik de desbetreffende achtergrondwaarden. Ter plaatse van boring 10 (0,30-0,80 m-mv) overschrijden de gehalten lood en zink de desbetreffende achtergrondwaarden.
Ter plaatse van boring 20 (0,50-1,00 m-mv) overschrijden de gehalten cadmium, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink de desbetreffende achtergrondwaarden. De gehalten van de overige onderzochte zware metalen zijn alle lager dan de desbetreffende achtergrondwaarden. De resultaten na de uitsplitsing worden als meest representatief geacht voor het onderzoek. Grondwater De gemiddelde grondwaterstand ter plaatse van deellocatie 2 (overige terreindelen) bevindt zich op circa 1,34 m-mv. In het grondwater overschrijden plaatselijk de concentraties molybdeen, barium en nikkel de desbetreffende streefwaarden. De concentraties van de overige onderzochte parameters zijn alle lager dan de betreffende streefwaarden. Asbest Onder de grindverharding ter plaatse van deellocatie 2 (overige terreindelen) is plaatselijk een verhardingslaag met puin (repac) aangetroffen. Van betreffende verhardingslaag is een mengmonster (ASBMM01) samengesteld, waarop op indicatieve wijze een kwantificatie is verricht op asbest. In het monster is analytisch geen asbest aangetoond.
1904M514/JHA/rap1 Pagina 21 van 25
Verhardingsonderzoek Onder de klinkers en grindverharding ter plaatse van deellocatie 2 (overige terreindelen) is plaatselijk een verhardingslaag met puin (repac en kolengruis) aangetroffen. Het verhardingsmateriaal bevat meer dan 50% bodemvreemd materiaal en kan derhalve niet geclassificeerd worden als bodem. Om een eerste indruk te krijgen in de mogelijke hergebruiksmogelijkheden van de verhardingslaag zijn van het materiaal een tweetal mengmonsters samengesteld. Van het materiaal is de samenstelling (minerale olie, PAK, PCB) indicatief bepaald. Op basis van de beoordeling van de samenstellingswaarden is het materiaal mogelijk herbruikbaar. Om de hergebruiks-mogelijkheden formeel vast te stellen dient een keuring van het materiaal conform protocol 1002 te worden uitgevoerd.
3.6
TOETSING HYPOTHESE
De op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek vastgestelde onderzoekshypothese is getoetst aan de resultaten van het verkennend bodemonderzoek. De toetsing van de hypothese is in onderstaande tabel opgenomen. Indien van toepassing is, bij een (gedeeltelijk) onjuiste hypothese de invloed op representativiteit van het onderzoek in relatie met de gevolgde onderzoeksstrategie aangegeven. TABEL 3.6: hypothese en onderzoeksstrategie Onderzoekslocatie
Zuidbuurt 13, 13a en 17 te Maassluis
Deellocatie 1
Kassencomplex
Hypothese / toetsing
Bovengrond
Kritische parameters: bestrijdingsmiddelen (OCB’s)
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de hypothese ten aanzien van bestrijdingsmiddelen aanvaard. Reden: in de bovengrond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen aangetroffen. Ondergrond
Onverdacht
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de hypothese onverdacht ten aanzien van de ondergrond formeel verworpen. Reden: in de ondergrond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten zware metalen aangetroffen. Grondwater
Onverdacht
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de hypothese onverdacht ten aanzien van het grondwater formeel verworpen. Reden: in het grondwater zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten zware metalen aangetroffen. Deellocatie 2
Overige terreindelen (woningen, overige opstallen, maaiveldverhardingen
Hypothese / toetsing
Grond
Verdacht, kritische parameters: zware metalen, PAK, asbest
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de hypothese verdacht ten aanzien van de grond aanvaard. Reden: in de grond zijn plaatselijk licht tot matig verhoogde gehalten zware metalen en PAK aangetroffen. Grondwater
Onverdacht
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de hypothese onverdacht ten aanzien van het grondwater formeel verworpen. Reden: in het grondwater zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten zware metalen aangetroffen.
1904M514/JHA/rap1 Pagina 22 van 25
3.7
CONCLUSIES
In opdracht van Weverskade B.V. is een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie betreft Zuidbuurt 13, 13a en 17 te Maassluis. Aanleiding en doelstelling Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en bijbehorende aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). In het kader van de Woningwet/Gemeentelijke Bouwverordening dient een omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage inzake de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De doelstelling van het verkennend bodemonderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Conclusies Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Deellocatie 1: kassencomplex - In de grond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen, glas, piepschuim en plastic) aangetroffen. - Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen. - De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met cadmium, kwik, lood, molybdeen, zink, PAK, PCB en diverse bestrijdingsmiddelen (DDD, drins, chloordaan en HCB). - De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met kwik en molybdeen.
- Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met barium, koper, molybdeen, nikkel en zink. Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden en streefwaarden dient de hypothese onverdacht voor deellocatie 1 (kassencomplex) formeel te worden verworpen. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel, ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Deellocatie 2: overige terreindelen (woningen, overige opstallen, maaiveldverhardingen) - In de grond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen, kolengruis en glas) aangetroffen. Plaatselijk is onder de klinkers en grindverharding een verhardingslaag met puin (repac, baksteen, grind en/of kolengruis) aangetroffen. - Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen. In het verhardingsmateriaal is op indicatieve basis analytisch geen asbest aangetoond. - De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met lood, molybdeen, zink en PAK. - De ondergrond is plaatselijk matig verontreinigd met lood en zink en licht verontreinigd met de overige onderzochte zware metalen en PAK. - Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met molybdeen, barium en nikkel.
- Het aanwezige verhardingsmateriaal (repac en kolengruis) onder de klinkers en grindverharding is op basis van de beoordeling van de samenstellingswaarden mogelijk herbruikbaar. Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden en streefwaarden dient de hypothese verdacht voor deellocatie 2 (overige terreindelen) te worden gehandhaafd. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel, ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. 1904M514/JHA/rap1 Pagina 23 van 25
Beperkingen inzake de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en bijbehorende aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien.
3.8
AANBEVELINGEN
Op basis van de onderzoeksresultaten en conclusies wordt het navolgende aanbevolen: Wij adviseren om de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag, zijnde Gemeente Maassluis, om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en bovengenoemde conclusies ten behoeve van het verkrijgen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Indien op de onderzoekslocatie ten gevolge van graafwerkzaamheden grond vrijkomt en buiten de locatie wordt hergebruikt, vindt hergebruik veelal plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In dat geval dient de chemische kwaliteit van de grond te worden getoetst aan de kwaliteitsnormen die door het Besluit bodemkwaliteit aan de betreffende toepassing worden verbonden. IDDS Milieu Noordwijk (ZH)
1904M514/JHA/rap1 Pagina 24 van 25
4.
BETROUWBAARHEID
Het onderhavige onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen geaccepteerde inzichten en methoden. Echter, een bodemonderzoek is gebaseerd op het nemen van een beperkt aantal monsters en chemische analyses. IDDS streeft naar een zo groot mogelijke representativiteit van het onderzoek. Toch blijft het mogelijk dat lokaal afwijkingen in de milieuhygiënische kwaliteit of opbouw van het bodemmateriaal voorkomen, ten opzichte van de in onderhavig rapport beschreven situatie. IDDS acht zich niet aansprakelijk voor eventuele schade die als gevolg van deze afwijkingen zou kunnen ontstaan. Hierbij dient tevens te worden gewezen op het feit dat het uitgevoerde onderzoek een momentopname is. Beïnvloeding van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) zou plaats kunnen vinden na uitvoering van dit onderzoek door, bijvoorbeeld het bouwrijp maken van de locatie, het aanvoeren van grond van elders, toevoeging van bodemvreemde materialen of het naar de onderzoekslocatie verspreiden van verontreinigingen van verder gelegen terreinen via het grondwater. Naarmate de periode tussen de uitvoering van het onderzoek en het gebruik van de resultaten langer wordt, zal meer voorzichtigheid betracht moeten worden.
In veel gevallen hanteren de beoordelende instanties termijnen (doorgaans maximaal 3 jaar voor een bedrijfslocatie en maximaal 5 jaar voor een woonlocatie) waarbinnen de onderzoeksresultaten representatief worden geacht te zijn. Bij het gebruik van de resultaten van dit onderzoek dient het doel van het onderzoek goed in ogenschouw te worden genomen. Zo zullen de resultaten van een onderzoek naar het voorkomen en/of verspreiding van één specifieke verontreinigende stof geen uitsluitsel bieden omtrent de aanwezigheid aan verhoogde concentraties van overige, niet onderzochte verontreinigende stoffen.
1904M514/JHA/rap1 Pagina 25 van 25
BIJLAGE 1 1.1 OVERZICHTSKAART 1.2 KADASTRALE KAART
Topografische kaart
Schaal 1:25.000
Legenda Locatie
BIJLAGE 2.1 BODEMINFORMATIE DCMR MILIEUDIENST RIJNMOND
BIJLAGE 2.2 FOTOREPORTAGE
Foto 1:
Foto 2:
Foto 3:
Foto 4:
Foto 5:
Foto 6:
Foto 7:
Foto 8:
Foto 9:
Foto 10:
Foto 11:
Foto 12:
Foto 13:
Foto 14:
Foto 15:
BIJLAGE 2.3 KAARTMATERIAAL
Kaartmateriaal 1947: (bron: www.topotijdreis.nl)
Kaartmateriaal 1960: (bron: www.topotijdreis.nl)
Kaartmateriaal 1971: (bron: www.topotijdreis.nl)
Kaartmateriaal 1988: (bron: www.topotijdreis.nl)
Kaartmateriaal 1997 (bron: www.topotijdreis.nl)
Kaartmateriaal 2018: (bron: www.topotijdreis.nl)
BIJLAGE 3 SITUATIETEKENING
78600
78650
78700
78750
78800
78850
78900
78950
79000
437700 437550
437600
437650
Plangebied Boorpunten Boring Boring met peilbuis
437450 437400
437500
437450 437400
437500
437550
437600
437650
437700
Legenda
Opdrachtgever Weverskade B.V. Projectnummer 1904M514
437350
437350
Akkoord
78600
78650
78700
78750
78800
78850
78900
78950
79000
Getekend: Vrijgegeven: Formaat: Schaal: Schaal situatie: Datum:
JHA COB A3
4-6-2019
Locatie Zuidbuurt 13, 13a en 17 te Maassluis Omschrijving Verkennend bodemonderzoek Tekening nr.
Versie nr.
Bijlage nr.
M514-BO-01
1.1
3
BIJLAGE 4 FORMULIEREN VELDONDERZOEK
IDDS Milieu s’-Gravendijkseweg 37 2200 AC Noordwijk T.a.v.: J. Haaster Noordwijk 23-05-2019 Projectnummer: 1904M541 Uw Kenmerk : 1904M541 Betreft project : Zuidbuurt Maassluis. Geachte heer van Haaster, Hierbij doen wij u de rapportage toekomen betreffende de uitgevoerde werkzaamheden naar aanleiding van uw opdracht op de bovengenoemde locatie. De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder het certificaat van VeldXpert van de BRL SIKB 2000. Voor het nemen van de grondwatermonsters is uitgegaan van VKB-protocol 2002. Het procescertificaat van VeldXpert en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. VeldXpert verklaart hierbij geen eigenaar te zijn van de locatie waar de veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd of in de nabije toekomst te worden. Deze rapportage de onderhavige brief samen met - FV04 Veldwerk verslag - Uitdraai watermonstername Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
Melvin Koelewijn Planner / Veldwerker VeldXpert
BRL SIKB 2000 VKB-protocollen 2002
BIJLAGE 5 BOORSTATEN EN LEGENDA
Boring:
01
Boring:
02
Datum:
13-05-2019
Datum:
13-05-2019
0
1
0 -2
2 50
3
0
Brokken repac, zwak zandhoudend, donker zwartbruin, Betonboor
1 2
0 -7 -20
Zand, zeer fijn, kleiïg, neutraal bruinbeige, Edelmanboor
klinker Edelmanboor, Klinker Zand, uiterst fijn, zwak siltig, zwak grindig, licht witbeige, Edelmanboor
3
50
Klei, sterk siltig, donker zwartgrijs, Edelmanboor
-70
4
100
grind Betonboor, Grindverharding
4
100
-120
150
5
200
6
250
7
Klei, sterk siltig, donker blauwgrijs, Edelmanboor
5 6
150
-130 -150
7 -200
200 8
-250
250
Veen, zwak zandig, matige veengeur, donker zwartbruin, Edelmanboor Klei, sterk siltig, donkergrijs, Edelmanboor Veen, zwak zandig, matige veengeur, donker bruinzwart, Edelmanboor
8 -300
300
Klei, matig siltig, matig humeus, neutraal bruingrijs, Guts
9 -350
350
Boring:
03
Boring:
04
Datum:
15-05-2019
Datum:
15-05-2019
0
0 1
gras Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, matig wortelhoudend, donker zwartbruin, Edelmanboor
-50
50
Klei, sterk zandig, brokken klei, donker grijsblauw, Edelmanboor
2 100
1
2 -100
100
150
Veen, mineraalarm, sporen wortels, donker grijsbruin, Edelmanboor
4 -200
Zand, matig grof, kleiïg, brokken klei, sporen baksteen, sporen schelpen, sporen glas, donker zwartbruin, Edelmanboor Klei, matig zandig, brokken klei, licht bruinblauw, Edelmanboor
3 -150
gras Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, matig wortelhoudend, donker zwartbruin, Edelmanboor
-50
50
3
200
0
0
-150
150
Veen, mineraalarm, sporen wortels, donker bruinzwart, Edelmanboor
4 200 5 250 6 300
Projectcode: 1904M514
Projectnaam: Zuidbuurt 13, 13A, 17 - Maassluis
-300
Pagina 1 / 16
Boring:
05
Boring:
06
Datum:
13-05-2019
Datum:
15-05-2019
0
0 1
groenstrook Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, neutraal zwartbruin, Edelmanboor
-50
50
1 50
Klei, matig siltig, neutraal grijsbruin, Edelmanboor
2
0
0
2 -80
-90
100
Klei, zwak siltig, zwak humeus, neutraal bruingrijs, Edelmanboor
3 150
0
50
100
4
-160
5
-180
200
100
3
150
4
Zand, matig fijn, zwak siltig, brokken klei, sporen wortels, sterk baksteenhoudend, sterk grindhoudend, Edelmanboor -160
Veen, zwak kleiïg, matige veengeur, zwartbruin, Veenboor