04 Ecoscan, d.d. 11 juli 2016
Tekst van het document
Zuidbuurt 4c te Maassluis
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
G&G‐Advies 2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis Toetsing in het kader van de Flora‐ en faunawet
L. Hartog
2016
Opdrachtgever Familie Westdijk
G&G‐advies 2016
Versie Concept Eindrapport
Datum 26 april 2016 11 juli 2016
Bovendijk 35‐G
Hazenkoog 35‐A
2295 RV Kwintsheul
1822 BS Alkmaar
www.vandergoesengroot.nl
Zuidbuurt 4c te Maassluis
4
Inhoudsopgave 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding en doel van het onderzoek .................................................................... 6
1.2
Het plangebied......................................................................................................... 6
2
Methode
7
3
Resultaten
8
3.1
Beschrijving aanwezige biotopen ............................................................................ 8
3.2
Beschermde soorten................................................................................................ 9 3.2.1 Planten ...................................................................................................................... 9 3.2.2 Vissen ........................................................................................................................ 9 3.2.3 Amfibieën ................................................................................................................ 10 3.2.4 Vogels ...................................................................................................................... 10 3.2.5 Zoogdieren .............................................................................................................. 11 3.2.6 Overige fauna .......................................................................................................... 12
4
Wetgeving 4.1
13
Flora‐ en faunawet................................................................................................. 13 4.1.1 Zorgplicht................................................................................................................. 13 4.1.2 Verbodsbepalingen ................................................................................................. 13 4.1.3 Vrijstellingen ............................................................................................................ 13 4.1.4 Ontheffingsmogelijkheid ......................................................................................... 14 4.1.5 Gedragscode ............................................................................................................ 15 4.1.6 Broedvogels ............................................................................................................. 16 4.1.7 Ontheffingsaanvraag Flora‐ en faunawet................................................................ 17
4.2
Natuurbeschermingswet 1998 .............................................................................. 17
4.3
Natuurnetwerk Nederland .................................................................................... 18
4.4
Overig..................................................................................................................... 18
4.5
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht .......................................................... 19
5
Conclusies en aanbevelingen
20
6
Literatuur
21
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
Van der Goes en Groot
5
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
1
6
Inleiding 1.1
Aanleiding en doel van het onderzoek Er bestaan plannen een terrein aan de Zuidbuurt te Maassluis her in te richten. Het plangebied bestaat uit een erf met woonhuis en diverse opstallen, waaronder een grote kas. De woningen en kas zullen gesloopt worden en er zullen vervolgens vier nieuwe woningen worden gebouwd op het terrein In opdracht van Familie Westdijk heeft Ecologisch Onderzoeks‐ en Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de Flora‐ en faunawet een quick scan uitgevoerd naar de (mogelijke) aanwezig‐ heid van beschermde flora en fauna in het plangebied. Het onderzoek heeft bestaan uit een veldbezoek.
1.2
Ligging van het plangebied aan de Zuidbuurt 4c te Maassluis.
Het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het onderzoeksgebied aangegeven. Het plangebied bestaat uit een langgerekt perceel in het zuidoosten van Maassluis tussen de A20 en de spoorweg tussen Rotterdam en Hoek van Holland. Het perceel is vrijwel geheel omgeven door intensief gebruikte graslanden. Aan de noordkant ligt een brede vaart en aan de zuidkant een klein aangelegd meer. Verder zijn diverse lage bosschages aanwezig op geringe afstand van het plangebied.
±
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
2
7
Methode Het plangebied is op 25 april bezocht om enerzijds de aanwezige en aangrenzende biotopen te beschrijven en anderzijds eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar). Op basis van de aangetroffen biotopen en informatie uit de vakliteratuur over populaties in de omgeving, is per soortgroep een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van in ieder geval die beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, ontheffing moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling.
Deel van het plangebied; paardenbak, woonhuis en paardenstallen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
3
8
Resultaten 3.1
Beschrijving aanwezige biotopen Het her in te richten perceel bestaat uit een aantal verschillende opstallen. In het westen van het perceel staan ijzeren stellages van een voormalige kas op gemaaid gras. Het middendeel van het perceel betreft verlaten kassen waar nog hier en daar een buitenkant van glas aanwezig is. Er liggen diverse spullen en materialen, maar het is niet meer in gebruik als kas. Naast dit gedeelte ligt een grote, hoge kas die als schuur in gebruik is. In het oosten van het plangebied liggen een woonhuis, een paardenstal, een kippenhok en twee paardenbakken. Het woonhuis is opgetrokken met stenen muren en heeft ook een bakstenen schoorsteen. Op het dak liggen dakpannen. De onder‐ houdsstaat van het gebouw is redelijk. Tegen de kopse kant in het westen groeit klimop tegen de dakpannenrand omhoog. Er zijn kleine spleten tussen de dakpannen en de stenen muur aanwezig. Ook is een dakgoot aanwezig. De dakpannen lijken langs de randen overwegend nauw gesloten. Aan de kopse kant van de oostkant van het huis is een paardenstal aanwezig, ook met een dak van dakpannen en een dakgoot. Over de gehele lengte van de dakgoot is gaas gespannen, mogelijk om vogels (mussen) te weren. Verder zijn twee paardenbakken aanwezig met zand en er ligt een wat verwaarloosd vrij kruidenrijk gazon met Madeliefje, paarden‐ bloem en Kruipende boterbloem.
Rond het huis en het erf groeien verder diverse sierheesters, Ligusterhaagjes en kleine fruitbomen.
Deel van de Coniferenhaag en Eksternest in populier.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
9
Het erf wordt begrensd door een 2,5 meter hoge Coniferen haag langs het hek. Op de zuidrand ligt een Knotwilgenrij en aan de noordkant van het perceel staat een grote wilg. Net naast het plangebied staat een viertal hoge populieren. In één van deze populieren is een bewoond eksternest aanwezig. Met uitzondering van de noordoostkant is het perceel omgeven door een 1,5 meter breedte, ondiepe sloot met steile oevers. Het water van deze sloot is vrij helder en er groeit hier en daar sterrenkroos en ook wat Riet. Op de oever groeien voornamelijk ruige grassoorten en bloeiende Raapzaad zorgt voor een fleurige gele lijn.
3.2
Beschermde soorten
3.2.1
Planten In het plangebied werd geen beschermde flora waargenomen. Het is niet ondenkbaar dat in de naastgelegen sloot Zwanenbloem voorkomt. Deze soort is licht beschermd en wordt genoemd in Tabel 1 van de Flora‐ en faunawet.
3.2.2
Vissen De sloot rondom het plangebied zou mogelijk geschikt kunnen zijn voor Kleine modderkruiper. Deze soort is juridisch zwaarder beschermd. Ze wordt genoemd in Tabel 2 van de Flora‐ en faunawet, zie §4.1.4. Omdat deze sloot geen onderdeel uitmaakt van het plangebied wordt voor deze soort geen negatief effect verwacht van de plannen.
De wilgenrij langs de smalle sloot in het zuiden van het plangebied.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
3.2.3
10
Amfibieën Het slootje naast het perceel kan dienen als voorplantingswater voor enkele algemene soorten amfibieën zoals Gewone pad, Kleine watersalamander, Bruine kikker of groene kikker (bastaardkikker en/of Meerkikker). Al deze soorten zijn beschermd onder het lichte beschermingsregime, ze worden genoemd in Tabel 1 van de Flora‐ en faunawet, zie §4.1.4. Het onderzoeksgebied levert tevens geschikt landbiotoop voor enkele algemene soorten amfibieën zoals Gewone pad, Kleine water‐ salamander en Bruine kikker. Met name onder opgeslagen hout en stapels materialen kunnen de dieren voor overwintering wegkruipen. Deze soorten zijn beschermd onder het lichte beschermingsregime, ze worden genoemd in Tabel 1 van de Flora‐ en faunawet, zie §4.1.4. Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Rugstreeppad. De benodigde levensvoorwaarden zoals zandig substraat en ondiep geïsoleerd water zijn hiervoor niet aanwezig.
3.2.4
Vogels Tijdens het veldbezoek zijn een aantal verschillende vogels in het plangebied gehoord en/of waargenomen, zoals Ekster, Turkse tortel, Huismus, Pimpelmees, Kookmees en Boerenzwaluw. De aanwezige kas biedt mogelijk broedgelegenheid voor enkele vogelsoorten zoals Merel, Winterkoning en Witte kwikstaart. De verschillende aanwezige heesters, hagen en struiken kunnen ook geschikte broedbiotoop zijn voor algemene struweelvogels. In de paardenstal kan mogelijk een nest van Boerenzwaluw aanwezig zijn. Deze soort vloog laag rond over het erf. Net buiten het plan‐
De kas biedt broedmogelijkheden voor verschillende vogelsoorten en geschikt landbiotoop voor verschillende amfibiëen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
11
gebied is een bewoond Eksternest in een grote populier waar‐ genomen. Gezien de afstand van het nest ten opzichte van het plangebied zal het Eksternest geen verstoring ondervinden van eventuele werkzaamheden. Vogels vallen onder het zwaardere beschermingsregime van de Flora‐ en faunawet. Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. In het plangebied worden geen verblijfplaatsen verwacht van jaarrond beschermde vogelsoorten. Vanwege het gaas langs de dakgootrand is het niet mogelijk voor de Huismus om hier te nestelen. Vanwege de geïsoleerde ligging van de bebouwing, omringd door open landelijk gebied, de nauw gesloten dakpannen met gaas onder de dakgoot en de begroeiing tegen het huis aan de kopse kanten, kunnen geen Gierzwaluwen vestigen in het woonhuis of elders op het terrein.
3.2.5
Zoogdieren Het is mogelijk dat in het gebied enkele (kleine) zoogdieren voorkomen zoals Egel, Mol, kleine marterachtigen en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Er is veel dekking van vegetatie en bijvoorbeeld het kippenhok is gunstig voor muizen, Deze soorten zijn alle beschermd onder het lichte beschermingsregime, ze worden genoemd in Tabel 1 van de Flora‐ en faunawet, zie §4.1.4. Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Noordse woelmuis en de Waterspitsmuis. De benodigde levensvoorwaarden zijn hiervoor niet aanwezig.
Klimop bemoeilijkt de aanvliegroute naar spleten onder de dakrand voor de vleermuis.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
12
In het plangebied kunnen geen vleermuizen verblijven omdat eventueel geschikte holtes of spleten onder de dakpannen in de aanwezige bebouwing geen vrije aanvliegroute hebben. Klimop groeit tot aan de waargenomen spleten tussen de dakpannen en de stenen muur van de woning, waardoor het aanvliegen voor vleermuizen bemoeilijkt word. Op de lange zijde geldt hetzelfde door aanwezige dakgoten. Het huis heeft verder geen opvallende (spouw)gaten of holtes die toegang kunnen geven tot geschikte holtes. Ook de andere opstallen en kassencomplexen zijn niet geschikt voor vleermuizen vanwege het ontbreken van geschikte holtes. Het plangebied is wel geschikt voor foeragerende vleermuizen. De aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken.
3.2.6
Overige fauna Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor andere beschermde diersoorten, in verband met het ontbreken van geschikt biotoop.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
4
13
Wetgeving 4.1
Flora‐ en faunawet De Flora‐ en faunawet is het nationale wettelijke kader dat de soortbeschermende bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn in nationaal recht heeft omgezet. De soortenlijst die volgt uit deze bepalingen is door de Minister van EZ aangevuld met een extra aantal landelijk te beschermen soorten.
4.1.1
Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Flora‐ en faunawet is de zorgplicht (artikel 2), die stelt “dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora en fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijker‐ wijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”
4.1.2
Verbodsbepalingen De Flora‐ en faunawet bepaalt dat het verboden is: Planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen (artikel 8); Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen, dan wel opzettelijk te veront‐ rusten (artikel 9 en 10); Verder is het verboden van beschermde diersoorten nesten, holen of andere voortplantings‐ of vaste rust‐ of verblijfplaatsen te beschadigen, te vernielen, uit te halen of te verstoren (artikel 11) en iets dergelijks geldt voor eieren (artikel 12).
4.1.3
Vrijstellingen De Mol is vrijgesteld van de verboden van de artikelen 9 t/m 11 en daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis vrijgesteld in of op gebouwen of daarbij behorende erven. Er zijn daarnaast nog een aantal andere algemene soorten aan‐ gewezen die vrijgesteld zijn van de verboden van de artikelen 8 t/m 12, indien werkzaamheden worden verricht in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
14
gebruik of van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Voor deze soorten hoeft dan geen ontheffing te worden aangevraagd, maar de zorgplicht blijft onverminderd gelden. Dit wordt het ‘lichte bescher‐ mingsregime’ genoemd, geldend voor de zogenaamde ‘Tabel 1‐ soorten’ (zie kader ‘Tabellen van de Flora‐ en faunawet’. Voor een precies overzicht van soorten in de tabellen zie: http://www.vandergoesengroot.nl/wet‐en‐regelgeving/huidige‐ natuurwetgeving/
4.1.4
Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het aanleggen van woningbouw‐ of bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings‐ en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing volgens artikel 75 van de Flora‐ en faunawet verkregen worden. Als er beschermde soorten voorkomen uit Tabel 2 of Tabel 3 (zie kader ‘Tabellen van de Flora‐ en faunawet’) én als het niet mogelijk is door middel van verzachtende en/of compenserende maatregelen schade aan deze natuurwaarden te voorkomen, dan is ontheffing vereist. Als door het nemen van voldoende verzachtende en/of compen‐ serende maatregelen geen schade optreedt (te beoordelen door het
Kader Tabellen van de Flora‐ en faunawet.
Tabel Omschrijving Tabel 1 Wanneer activiteiten worden ondernomen die zijn te kwalificeren als “bestendig beheer en onderhoud”, “bestendig gebruik” of “ruimtelijke ontwikkeling”, geldt een vrijstelling voor de soorten uit Tabel 1.Voor deze activiteiten hoeft dan geen ontheffing aangevraagd worden. Voor andere dan hierboven genoemde activiteiten is voor de soorten uit Tabel 1 wel een ontheffing nodig. Tabel 2 Wanneer activiteiten worden ondernomen die zijn te kwalificeren als “bestendig beheer en onderhoud”, “bestendig gebruik” of “ruimtelijke ontwikkeling”, geldt een vrijstelling voor de soorten in Tabel 2, mits activiteiten aantoonbaar worden uitgevoerd op basis van een door de Minister van EL&I goedgekeurde gedragscode. Als de functionaliteit van de voortplantings‐, rust‐ en/of vaste verblijfplaats niet kan worden gegarandeerd en men niet in het bezit is van een dergelijke gedragscode, is voor de soorten in Tabel 2 een ontheffing nodig. Tabel 3 Wanneer activiteiten worden ondernomen die zijn te kwalificeren als “bestendig beheer en onderhoud” of “bestendig gebruik”, geldt een vrijstelling voor de soorten in Tabel 3 mits activiteiten aantoonbaar worden uitgevoerd op basis van een door de Minister van EZ goedgekeurde gedragscode.
Wanneer activiteiten worden ondernomen die zijn te kwalificeren als “ruimtelijke ontwikkeling”, en de functionaliteit van de voortplantings‐, rust‐ en/of vaste verblijfplaats kan niet worden gegarandeerd, dan is voor Tabel 3‐soorten een ontheffing nodig. Ook voor vogels geldt deze zware toets.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
15
Ministerie van EZ!), hoeft geen ontheffing te worden verkregen. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (Ministerie van EZ) op grond van de volgende punten per beschermingsregime of soortgroep: Tabel 2 In hoeverre treedt schade op? Komt ‘de gunstige staat van instandhouding’ in gevaar? Tabel 3 én voorkomend in Bijlage IV Habitatrichtlijn In hoeverre treedt schade op? Is er een wettelijk belang zoals bescherming flora en fauna, volksgezondheid, openbare veiligheid of dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten? Zijn er bevredigende alternatieven? Komt ‘de gunstige staat van instandhouding’ in gevaar? Tabel 3, niet voorkomend in Bijlage IV Habitatrichtlijn In hoeverre treedt schade op? Is er een wettelijk belang zoals onder andere eerder genoemde belangen of een belang in de vorm van het uitvoeren van werkzaamheden in verband met ruimtelijke inrichting en ontwikkeling? Zijn er, bevredigende, alternatieven? Komt ‘de gunstige staat van instandhouding’ in gevaar? Broedvogels (zie §4.1.6) In hoeverre treedt schade op? Is er een wettelijk belang zoals bescherming van flora en fauna, veiligheid van het luchtverkeer, bedreiging van de volksgezondheid of openbare veiligheid? Zijn er bevredigende
alternatieven? Komt ‘de gunstige staat van instandhouding’ in gevaar? Voor een overzicht van de soorten van Bijlage IV zie: http://www.hetlnvloket.nl/txmpub/files/?p_file_id=37183.
4.1.5
Gedragscode Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goed‐ gekeurde gedragscode hoeft bij werkzaamheden in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud en van bestendig gebruik voor de Tabel 2‐ en 3‐soorten en ook voor vogels geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld!
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
16
Bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting hoeft voor Tabel 2‐soorten geen ontheffing te worden aangevraagd wanneer men in het bezit is van (of aansluit bij) een door de minister van EZ goedgekeurde gedragscode.
4.1.6
Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van vaste rust‐ of verblijfplaatsen en zijn daarom jaarrond beschermd. Van enkele soorten zijn de nesten jaarrond beschermd. De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf wordt zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan, betrokken! Voor jaarrond beschermde soorten kan, meestal alleen buiten het broedseizoen, ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevings‐ check’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat door verzachtende en /of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings‐ en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn en er geen onthef‐ fing nodig is, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan het Ministerie van EZ.
Het is uiteraard essentieel dat
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten.
Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Van der Goes en Groot
Categorie 4 4 2 3 4 2 3 3 3 4 2 3 4 1 4
Toelichting codes Vogelsoorten waarvan de nesten in principe jaarrond zijn beschermd met beschermingscategorie: 1 = soorten die ook buiten het broedseizoen het nest gebruiken als vaste rust‐ of verblijfplaats, 2= koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop, 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing, 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in staat zijn een nest te maken.
4
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
17
de (aan het ministerie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. De overige vogelsoorten keren weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaar‐ wegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’ (categorie 5).
4.1.7
Ontheffingsaanvraag Flora‐ en faunawet Zijn er negatieve effecten mogelijk op soorten van Tabel 2 en/of Tabel 3 dan dient een “Aanvraag ontheffing, ingevolge Flora‐ en faunawet artikel 75, vierde lid of vijfde lid onderdeel c” te worden ingediend bij de ‘Rijksdienst voor Ondernemend Nederland’ (RVO) van het Ministerie van EZ. Deze aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van: Een zogenaamd ‘Activiteitenplan’ met daarin: ‐Een beschrijving de plannen, tijdstip en locatie van uitvoer en van de te verwachten schade voor de in de aanvraag vermelde soorten. Beschrijving van het doel en de eventuele alternatieven. ‐Een beschrijving van de werkwijze en de te verwachten effecten op zwaar beschermde natuurwaarden. ‐Een beschrijving van voorgenomen mitigerende en/of compenserende maatregelen indien schade onvermijdelijk is. Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier‐ en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3‐5 jaar geldig). Aanvraagformulier ‘Ontheffing artikel 75 Flora‐ en faunawet’ Voor de eerdergenoemde Tabel 3‐soorten dient wegens een uitgebreide toets ook te worden vermeld: Onderbouwing van de keuze voor de geplande locatie van de voorgenomen activiteit en onderzoek naar alternatieve locaties. De onderbouwing van het wettelijke belang van de voorgenomen activiteit.
4.2
Natuurbeschermingswet 1998 De Natuurbeschermingswet 1998 is het nationale wettelijke kader dat de gebiedsbeschermende bepalingen van de Europese Habitat‐ richtlijn en Vogelrichtlijn in nationaal recht heeft omgezet. Gebieden die hieronder vallen zijn de Natura 2000‐gebieden en de Beschermde Natuurmonumenten. Voor een overzicht van deze gebieden zie:
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
18
http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=infogebieden Voor natuurgebieden die geheel of gedeeltelijk binnen de grenzen van een provincie liggen, is die Provincie het bevoegde gezag. Soms kan ook een andere provincie bevoegd zijn, of het ministerie van EZ. Procedure bij vergunningaanvraag Initiatiefnemers die een project willen uitvoeren IN of NABIJ een natuurgebied dat wordt beschermd door de Nb‐wet dienen altijd na te gaan wat de mogelijke gevolgen zijn voor het natuurgebied. De eerste stap daarbij is om eerst met de provincie in vooroverleg te treden. Hierbij krijgt u de mogelijkheid uw project toe te lichten. Zij kan de mogelijkheden en onmogelijkheden uitleggen en informatie verschaffen voor het (voor)onderzoek. In het (ontwerp)aanwijzingsbesluit van het natuurgebied (van zowel Natura 2000 als van een Beschermd Natuurmonument) staat opgenomen voor welke natuurwaarden het gebied is aangewezen. Er dient een (voor)onderzoek te worden gedaan waarin deze natuur‐ waarden worden genoemd, en welke effecten er mogelijk zijn op deze natuurwaarden door de voorgenomen activiteiten. Als er geen negatieve effecten zijn is er geen vergunningplicht. Als er wel effecten zijn, kan vergunning worden verleend aan de hand van het (voor)onderzoek.
Als er significante negatieve effecten zijn, kan vergunning uitsluitend verleend worden aan de hand van een passende beoordeling. In zo’n passende beoordeling wordt het initiatief dan afgewogen tegen de belangen, en wordt de mogelijkheid van mitigatie en compensatie nagegaan.
4.3
Natuurnetwerk Nederland Ingrepen in gebieden die horen bij het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) worden in principe niet toegestaan, tenzij bijvoorbeeld uitgesloten is dat de ingreep een negatief effect heeft op het netwerk of de ingreep een groot maatschappelijk belang dient. Als een dergelijke ingreep wordt toegestaan, moeten eventuele nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen en de resterende schade moet worden gecompenseerd.
4.4
Overig Naast deze wetgeving zijn soms andere gebiedsbeschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘weidevogelleefgebieden’ van de Provincie Noord‐ Holland. Per gebied zal moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
4.5
19
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Vanaf 1 oktober 2010 is het mogelijk geworden voor particulieren, bedrijven en overheden om voor projecten een zogenaamde omgevingsvergunning aan te vragen onder de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (Wabo). De omgevingsvergunning komt in plaats van een groot aantal andere losse vergunningen en kan digitaal (of op papier) worden aangevraagd bij de gemeente waarin de activiteit plaats vindt. Formulieren zijn (digitaal) te verkrijgen via www.omgevingsloket.nl. Ook een ontheffing Flora‐ en faunawet en een vergunning Natuur‐ beschermingswet 1998 kan onder de Wabo worden aangevraagd in het formulier door aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Vervolgens kan met het (digitale) formulier, ongeveer op dezelfde wijze als bij de ontheffingsaanvraag zoals hierboven beschreven, worden aangegeven welke beschermde flora en fauna voorkomt, wat de verwachte schade is, wat het belang is van de ingreep en welke verzachtende (mitigerende) en/of compenserende maatregelen worden getroffen. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar het ministerie van EZ die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (Vvgb) afgeeft als onderdeel van de omgevingsvergunning.
Als voorschriften worden overtreden en beschermde soorten worden geschaad, moeten de gemeenten handhaven. Bij een overtreding van de Flora‐ en faunawet die los staat van de Wabo, moet het ministerie van EZ optreden. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes of stilleggen van werkzaamheden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
5
20
Conclusies en aanbevelingen Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten planten, amfibieën, vogels en (kleine) zoogdieren. Gezien het aanwezige biotoop, het oppervlak, de geografische ligging en informatie uit de vakliteratuur over populaties in de omgeving, zullen van de planten, amfibieën en (kleine) zoogdieren alleen licht beschermde soorten aanwezig zijn. Voor de aangetroffen of verwachte licht beschermde soorten gelden geen verbodsbepalingen als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Een ontheffing is dan niet nodig. In het plangebied kunnen broedvogels voorkomen. Voor de ver‐ wachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broed‐ seizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijk‐ baar biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve ge‐ makkelijk uitwijken. Zorgplicht Voor alle beschermde soorten (alle regimes) geldt de zorgplicht (zie §4.1.1).
Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren: Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodem‐ bewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van de beschermde gebieden genoemd in §4.2 t/m §4.4, is op voorhand uit te sluiten dat het project negatieve effecten op beschermde natuurgebieden zal hebben. Er is derhalve geen andere natuurwetgeving aan de orde in het plangebied dan de besproken Flora‐ en faunawet.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
6
21
Literatuur BROEKHUIZEN, S., B. HOEKSTRA, V. VAN LAAR, C. SMEENK & J.B.M. THISSEN (RED.), 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. 3e herziene druk. KNNV Uitgeverij, Utrecht. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland ‐ Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. JANSSEN, J.A.M., J.H.J SCHAMINÉE, 2004. Europese Natuur in Nederland, Soorten van de habitatrichtlijn. KNNV Uitgeverij, Utrecht. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord‐Holland, Noord‐ hollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. MEIJDEN, R. VAN DER, 2005. Heukels’ Flora van Nederland. 23e druk. Wolters–Noordhoff, Groningen. NEDERLANDSE VERENIGING VOOR LIBELLENSTUDIE 2002. De Nederlandse Libellen (Odonata). – Ne‐derlandse Fauna 4. Nationaal Natuur‐ historisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey‐Nederland, Leiden. NIE, H.W. DE & G. VAN OMMERING, 1998. Bedreigde en kwetsbare zoetwatervissen in Nederland. Toelichting op de Rode Lijst.
Rapport nr. 33, IKC Natuurbeheer, Wageningen. NIE, H.W. DE, 1997. Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. 2e herziene druk. Media Publishing Int. bv, Doetinchem. NÖLLERT, A, C. NÖLLERT, 2001. Amfibieëngids van Europa. TIRION Uitgevers bv, Baarn. PETERS, T.M.J., C. VAN ACHTERBERG, W.R.B. HEITMAN, W.F. KLEIN, V. LEFEBER, A.J. VAN LOON, A.A. MABELIS, H. NIEUWENHUIJSEN, M. REEMER, J. DE ROND, J. SMIT, H.H.W. VELTHUIS, 2004. De wespen en mieren van Nederland (Hymenoptera: Aculeata) – Nederlandse Fauna 6. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden, KNNV Uitgeverij, Utrecht & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. SCHARRINGA, C.J.G., W. RUITENBEEK & P.J. ZOMERDIJK, 2010. Atlas van de Noord‐Hollandse broedvogels 2005‐2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord‐Holland, Landschap Noord‐Holland.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
22
SDU UITGEVERS, 2002‐2007. Flora‐ en faunawet, bewerkt en toegelicht door M.A. Huber, mr. drs. D. van der Meijden, J.A.M. van Spaandonk & mr. A.S. Vreugdenhil. Koninklijke Vermande, Den Haag. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998‐2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & Euro‐ pean Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. STUMPEL, TON, STRIJBOSCH, HENK. 2006. Veldgids Amfibieën en reptielen. KNNV Uitgeverij, Utrecht. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
2016
Zuidbuurt 4c te Maassluis
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks‐ en adviesbureau
G&G‐Advies 2016