CConstaterende datMaassluis
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Ruimtelijke onderbouwing, d.d. 13 november 2018

gemeenteraad 13 juli 2021, gemeente MaassluisBij agendapunt: Raadsvoorstel tot afgeven verklaring van geen bedenkingen woningbouw Zuidbuurt 4c5.214 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Voor het beste resultaat bij ruimtelijke ontwikkelingen

Ruimtelijke Onderbouwing

Bestemmingswijziging, Zuidbuurt 4c, Maassluis

13 november 2018 Opdrachtgever: Fam. L. Westdijk Zuidbuurt 4c 3141 EM Maassluis

1

INHOUD Inhoud 1. Inleiding 2. Ruimtelijk beleid 3. Parkeer- en verkeerssituaties 4. Milieu Aspecten 5. Overige aspecten 6. Economische uitvoerbaarheid 7. Conclusie

p. 2 p. 3 p. 5 p. 9 p. 10 p. 14 p. 15 p. 15

BIJLAGEN I - Mailwisseling met Provincie Zuid-Holland II - Toekomstig beeld III - Erfdienstbaarheden IV - Besluit hogere grenswaarden V - Ecoscan

Gegevens aanvrager: Fam. L. Westdijk Zuidbuurt 4c 3141 EM Maassluis Tel: 06 - 20 13 87 09 Kadastrale gegevens: Gemeente: Maassluis Sectie: K Perceel: 51

2

1. Inleiding Op initiatief van de fam. L. Westdijk is er een ontwerp gemaakt en een verzoek ingediend voor de sanering en de herontwikkeling van de locatie Zuidbuurt 4c. De locatie betreft een (verouderd) glastuinbouwbedrijf. Op 25 mei 2007 heeft de gemeenteraad van Maasluis het bestemmingsplan Aalkeetpolder vastgesteld waarin de sanering was opgenomen. Nadat de Raad van State op 2 maart 2011 op technische gronden dit onderdeel heeft vernietigd krijgt door middel van dit ontwerp het initiatief een vervolg. Deze ruimtelijke onderbouwing ziet op de activiteit handelen in strijd met het bestemmingplan. Later dient nog een omgevingsvergunning te worden aangevraagd voor de activiteit bouwen. 1.1 Ligging project De locatie is gesitueerd in de Aalkeet binnenpolder te Maassluis, Zuidbuurt 4c. De situering is tussen de Boonervliet en de recreatieplas aan de zuidrand van de bebouwing van Maassluis. De locatie is gelegen in het gebied Midden-Delfland. 1.2 Ruimtelijk De locatie is gelegen in het bestemmingsplan Aalkeetpolder (2011). Dit bestemmingsplan zegt over deze locatie het volgende: “In het plangebied komen twee agrarische complexen in aanmerking voor toepassing van de Ruimte-voor-Ruimteregeling (Besluit burgemeester en wethouders d.d. 13 juli 2004, registratienummer 2004-3064 en d.d. 7 september 2004, registratienummer 2004-4503).

Voor één van deze locaties zijn er plannen om gebruik te maken van de Ruimte-voor-Ruimteregeling. Dit is mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan. Ten aanzien van het saneren van glas is in de provinciale Nota Ruimte voor Ruimte opgenomen dat uitsluitend medewerking wordt verleend in het kader van een bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is volgens de provincie de aangewezen weg voor het wijzigen van de glasbestemming. Er dient namelijk voorkomen te worden dat na sanering en compensatie wederom glas kan worden opgericht. De optimale garantie hiervoor is de wijziging van de bestemming in het bestemmingsplan. Het betreft agrarische bedrijven met bedrijfsbebouwing die zo omvangrijk is dat er in totaal op basis van de regeling bij afbraak van de bedrijfsbebouwing drie woningen mogen worden teruggebouwd naast de bestaande bedrijfswoning. Wanneer wordt overgegaan tot sloop van de agrarische bebouwing en de realisatie van nieuwe woningen, dient te worden voldaan aan een aantal ruimtelijke randvoorwaarden. Deze randvoorwaarden zijn erop gericht om de nieuwe bebouwing zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de bestaande bebouwing en zo goed mogelijk landschappelijk in te passen.”

3

Figuur 1 ligging locatie Daarnaast is het beleid in het Midden-Delflandgebied vastgelegd in een gebiedsvisie MiddenDelfland 2025. Het is er op gericht de ruimtelijke kwaliteit te versterken en de uitstraling en belevingswaarde zoveel als mogelijk terug te brengen in de historische context. 1.3 Functioneel De ontwikkeling betreft de sanering van een glastuinbouwbedrijf met gebruikmaking van de uitgangspunten van de voormalige “Ruimte voor Ruimte-regeling” en is erop gericht ruimtelijke kwaliteit van het gebied te versterken door sanering van verouderd glas en realisatie van een gebiedsgerichte inrichting met compensatiewoningen. Tegenwoordig wordt gesproken over ‘handelingskader ruimtelijke kwaliteit’.

4

2. RUIMTELIJK BELEID 2.1 Rijksbeleid Het rijksbeleid geeft geen specifieke informatie over deze locatie in Maassluis. Nota Ruimte De Nota Ruimte pleit voor bescherming en verbetering van de landschappelijke en natuurwaarden (o.a. weidevogels) van buitengebieden en het zoveel mogelijk tegengaan van een toename van het bouwvolume in het buitengebied. Daarnaast beschrijft het ruimtelijk beleid voor o.a. het platteland, waarbij speciaal aandacht is voor het verbeteren van de kwaliteit van stad en platteland en de relatie daartussen met een gebiedsgerichte benadering. Geredeneerd wordt vanuit de burger, de ondernemer en het gebied. Dat betekent een andere rolverdeling tussen de maatschappij en de overheid, en tussen LNV en andere overheden. 2.2 Provinciaal beleid Het provinciale beleid wordt sinds augustus 2014 vorm gegeven in de Visie Ruimte en Mobiliteit. De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit).

Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. 2.3 Regionaal beleid Gebiedsvisie Midden-Delfland 2025® In september 2005 is de gebiedsvisie voor het Midden-Delflandgebied 2025 ontwikkeld. Aanleiding van deze gebiedsvisie is de in 2008 aflopende Reconstructiewet die vanaf 1977 het open en agrarische landschap heeft beschermd tegen de oprukkende verstedelijking. Het gebied omvat 6.500 ha veenweidegebied, waarvan 1/3 is ingericht voor recreatie en natuur. Voor ongeveer 1,5 miljoen omwonenden vormt Midden-Delfland een aantrekkelijke en dichtbijgelegen ruimte om te recreëren, te verblijven en te sporten. Zij bewijzen dit met meer dan 6 miljoen bezoeken op jaarbasis. De versterking van het landschap staat centraal. Om deze ambitie te realiseren wordt een vijftal opdrachten geformuleerd: 1. Ontwikkelen van een landschapsontwikkelingsplan; 2.

Versterken relatie stad-platteland door de ontwikkeling van poorten en de verbindingen tussen Midden-Delfland en haar omgeving 3. Uitwerken van een marketingplan dat het imago en de identiteit van Midden-Delfland vestigt. 4. Ontwikkeling van een grondinstrument, een ontwikkelingsinstrument en een financieringsfonds. 5. Verankeren van de visie in bestuurlijke- en maatschappelijke omgeving om de ambities

5

van Midden-Delfland te realiseren. De gebiedsvisie is geen blauwdruk, maar richtinggevend en kaderstellend. Door de manier waarop deze gebiedsvisie tot stand is gekomen, voelen verschillende partijen zich eigenaar van Midden-Delfland 2025 en zullen de visie gebruiken als basis voor hun verdere beleidsontwikkeling en uitvoering. Landschapsontwikkelingsperspectief Midden-Delfland® Het landschapsontwikkelingsperspectief LOP dateert van mei 2010. In het LOP hebben de deelnemende gemeenten, Midden-Delfland, Delft, Rotterdam-Overschie, Schiedam, Vlaardingen, Maassluis en het Hoogheemraadschap van Delfland hun gezamenlijke koers uitgezet voor de ontwikkeling van het Midden-Delflandgebied tot 2025. Om de doelstellingen uit de gebiedsvisie te bereiken zijn de zes kernkwaliteiten als opgave geformuleerd: • De agrarische identiteit (koe in de wei) • De openheid • Het robuuste watersysteem • De robuuste natuur • De cultuurhistorische waarden • De verbinding tussen stad en land. Bij de uitwerking per polder staat de locatie genoemd als zicht verstorend element. Als ontwikkelingsrichting wordt het verwijderen van de glasopstanden voorgesteld. Met inachtneming van het beleid en de toezeggingen uit het verleden voert gemeente Maassluis een consistent beleid.

2.4 Gemeentelijk beleid Structuurvisie 2012-2025 De structuurvisie is het kader waarbinnen toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen worden aangestuurd en beoordeeld. Enkele passages van de visie ten aanzien van het buitengebied zijn: Behoud en versterken poorten tussen stad en buitengebied Een belangrijke opgave is het versterken van de verbindende structuren van de stad naar het omliggende buitengebied. Dat betekent versterking van de verwevenheid en verbindingen van de stad met het Midden-Delflandgebied. Belangrijke verbindende elementen tussen stad en het Midden-Delflandgebied zijn: - de Noordvliet en Zuidvliet en de ook in ecologisch opzicht interessante verbinding via de Boonervliet; - de nog nader vorm te geven relatie Midden-Delflandgebied en Dijkpolder; - de groenstructuur Sluispolder Oost en Aalkeetpolder (ter plaatse van Vermeerlaan). Landschappelijk recreatieve inrichting van buitengebied Aalkeetpolder De ambitie is om verspreid liggende kassen te saneren waarbij kleinschalige gebouwde ontwikkelingen mogelijk zijn ter compensatie mits de karakteristieke erfinrichting wordt gerespecteerd.

6

De Woonvisie Maassluis 2016-2020 In de woonvisie staan een aantal beleidspunten geformuleerd: • Maassluis voor iedereen • Maassluis bij de tijd • Maassluis biedt een woon carrière De woonvisie richt zich voornamelijk over de zorg voor voldoende betaalbare huurwoningen en wat minder op een analyse van de voorraadkoopwoningen. 2.5 Beoogde ontwikkeling Randvoorwaarden vanuit bestemmingsplan Aalkeetpolder Gezien de wens van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied wordt gestreefd naar de sloop van voormalige bedrijfsgebouwen en kassen die qua schaal en massa niet in het landschap passen. Om dit doel te bereiken, worden de uitgangspunten van de voormalige Ruimte-voor-Ruimteregeling ingezet, zoals ook geborgd in het bestemmingsplan Aalkeetpolder. Het betreft een agrarisch bedrijf met bedrijfsbebouwing die voldoende omvangrijk is dat op basis van de regeling bij afbraak van de bedrijfsbebouwing, maximaal drie nieuwe woningen mogen worden teruggebouwd naast de bestaande bedrijfswoning. Tevens kan de bestaande bedrijfswoning worden behouden. De Ruimte-voor-Ruimteregeling bepaalt dat voor elke 5.000 m² glas en elke 1.000 m² bedrijfsbebouwing een woning kan worden teruggebouwd. Op deze locatie zal 13.317 m2 glas en 353 m2 bedrijfsgebouw worden gesaneerd.

Na sloop van de agrarische bebouwing en de realisatie van nieuwe woningen zijn de volgende ruimtelijke randvoorwaarden van belang: - er mogen maximaal drie compensatie woningen worden gebouwd; - om de openheid te waarborgen en te grote bouwmassa's (visueel) te voorkomen, zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan en dient de onderlinge afstand en de afstand van bestaande woningen ten minste 3 m te bedragen; - om de ondergeschiktheid van aan- en bijgebouwen te benadrukken, mogen deze uitsluitend achter de voorgevel worden gebouwd; - ten behoeve van een landschappelijke inpassing van de nieuwe woningen zal bij de ontwikkeling van nieuwe woningen een beplantingsplan moeten worden opgesteld. De gronden die vrijkomen mogen worden aangewend voor agrarisch gebruik, voor nieuwe natuur of voor recreatieve voorzieningen. De locatie ligt niet direct aan het ontsluitingslint van de Zuidbuurt. Dit past in principe in het patroon van dit voormalige agrarische gebied. Her en der verspreid liggen (voormalige) agrarische ondernemingen in het landschap. Om de woonfunctie in dit agrarisch-recreatieve gebied landschappelijk in te passen, is het van belang dat de cluster met beplanting wordt afgeschermd. Door een eenduidig beplantingsplan zal de cluster wel als zodanig herkenbaar zijn, maar wordt een zachte overgang gecreëerd (zie hiervoor bijlage II – toekomstbeeld).

De bestaande ontsluiting van de locatie is ingebed tussen de percelen. Deze ontsluiting zal juist als onderdeel van het landschap moeten worden ingericht en niet worden benadrukt. De bestaande ontsluiting zal als collectieve ontsluiting van het gehele cluster worden ingezet, om verdere versnippering van het landschap te voorkomen. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal de welstandsnota Maassluis 2012 als toetsingskader worden gehanteerd.

7

Beeldkwaliteitparagraaf Het eeuwenoude, authentieke veenweidegebied van het Midden Delfland met zijn vergezichten over de polder is van grote waarde voor het vestigingsklimaat in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). Als onderdeel van het gebied Midden Delfland zijn de Aalkeetpolders van grote waarde, juist ook voor de stad Maassluis. In diverse regionale en provinciale visies, vervult de locatie een belangrijke poortfunctie. De locatie maakt Midden Delfland zichtbaar en bereikbaar vanuit de stad en biedt extensieve recreatiemogelijkheden aan de stadsrand. Het vervallen glastuinbouwcomplex van Zuidbuurt 4c is een visuele barrière en doet afbreuk aan de beleving van de stadsrand als verblijfsgebied en de openheid van het polderlandschap. Mede gezien de vele inspanningen van de Provincie Zuid-Holland op het opruimen van losse glastuinbouwcomplexen binnen het groene kerngebied, is het voor de gemeente Maassluis van grote waarde dat dit vervallen complex wordt opgeruimd en de locatie wordt herontwikkeld op een landschappelijke aanvaardbare wijze. Het doel hierbij is het versterken van de openheid en het zicht over de polder. Het nieuwbouwplan voorziet in een ensemble van een drietal woningen die samen met de bestaande woning ogenschijnlijk opgaan in de historische structuur van boerderijpercelen die meestal op de oude kreekruggen liggen.

Deze clusters zijn herkenbaar door bomen en struiken, die de bebouwing beschermen tegen de wind en daardoor als een eenheid worden ervaren. De bestaande bebouwing van het glastuinbouwcomplex is met zijn bomen en struiken al herkenbaar als een cluster. Door het verdwijnen van de kassen wordt dit beeld versterkt en wordt de openheid van het polderlandschap vergroot. Het voorstel grijpt zoveel mogelijk terug op de oude karakteristieke bouwprincipes van het beeld van een boerderij met wagenschuur en hooiberg. Het perceel, waar de kassen op hebben gestaan krijgt een agrarische bestemming en draagt daardoor bij aan het karakter van de polder. Met dit plan maakt ca. 1.4 ha. vervallen glascomplex plaats voor een beperkt woningbouwprogramma binnen de landschappelijke en architectonische principes waarmee de openheid en zicht over de polder wordt versterkt. De ontwikkeling sluit daarmee sterk aan bij de huidige identiteit van het gebied. De ontwikkeling is gebiedseigen en past bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van het gebied. Daarbij komt dat de ontwikkeling zich afspeelt op een kavel. 2.6 Conclusie Het bestaande beleid bij het rijk, de provincie en de gemeente is erop gericht de niet-stedelijke gebieden in de dichtbevolkte zuidvleugel van de Randstad zoveel mogelijk open te houden. De voorgestane ontwikkeling past binnen dit beleid.

Door de sanering van het glastuinbouwbedrijf en de clustering en wijze van inpassing van de compensatie woningen wordt de openheid van het landschap vergroot. 3. PARKEER- EN VERKEERSSITUATIES 3.1 Ontsluiting Het plangebied wordt via de Zuidbuurt en de Kortebuurt ontsloten vanaf de A20 (RotterdamHoek van Holland). Zowel het autoverkeer als het langzaam verkeer kunnen gebruikmaken van de Zuidbuurt en de Kortebuurt. De Zuidbuurt en Kortebuurt is een rechte, maar relatief smalle weg en is gecategoriseerd als erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een

8

verblijfsfunctie. De maximumsnelheid bedraagt 30 km/h. De Zuidbuurt wordt voornamelijk gebruikt ter ontsluiting van de agrarische en burgerwoningen. 3.2 Verkeersgegevens De verkeersgegevens die ten grondslag liggen aan de onderzoeken met betrekking tot wegverkeerslawaai en luchtkwaliteit, staan vermeld in tabel 6.1. De verkeersgegevens zijn afkomstig uit de rapportage luchtkwaliteit 2006 opgesteld door de gemeente Maassluis. Voor extrapolatie naar het maatgevende jaar (2010 voor luchtkwaliteit en 2020 voor wegverkeerslawaai) is uitgegaan van een autonome groei van 1,5% per jaar. 3.3 Verkeersveiligheid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is beoordeeld of de bestaande ontsluiting (de private weg) kan voldoen als ontsluiting voor de nieuw te bouwen woningen. Daarbij is onder andere gekeken naar de verkeersaantrekkende werking en de veiligheid. De gemeente hanteert hiervoor objectieve nomen die zijn neergelegd in de CROW ASW 2012. Hieruit is gebleken dat voor woningen in het buitengebied (niet stedelijk) het aantal verkeersbewegingen tussen de 7,8 en de 8,6 (gemiddeld 8,2) per woning per etmaal bedraagt. De vergunning voorziet in drie extra woningen. Dit brengt gemiddeld een extra hoeveelheid verkeersbewegingen met zich mee van 25 voertuigen per dag (3x8,2). Over een periode van 12 uur gerekend gaat het dan gemiddeld om 2 extra passerende voertuigen per uur.

De hoeveelheid verkeer in de nieuwe situatie blijft naar objectieve normen derhalve zeer beperkt en is door de huidige ontsluitingsweg goed te verwerken.. Daarbij komt dat de eigenaar aan het begin van de weg middels een bord heeft aangegeven dat maximaal toegestane snelheid 15km/u bedraagt. Deze snelheid is vastgelegd in de vestigingsakte. De weg is op de meeste plaatsen breed genoeg voor twee auto’s om elkaar te passeren en tegenliggers kunnen elkaar over de hele lengte van de weg zien. De maximaal toegestane snelheid op de Zuidbuurt is 30 km/u en het aanbod van verkeer op de Zuidbuurt is zeer laag waardoor geen problemen worden verwacht. Bovendien is het verboden voor gemotoriseerd verkeer om in de ochtendspits (07.00-09.00) gebruik te maken van de Zuidbuurt, met uitzondering van bestemmingsverkeer. De verkeersveiligheid komt met het uitbreiden van het gebruik van 1 naar 4 woningen niet in gevaar. 3.4 Parkeren Op de locatie is voldoende ruimte om op eigen grond te parkeren. 3.5 Conclusie De verkeers- en parkeeraspecten vormen geen belemmering voor de ontwikkeling.

4. MILIEU-ASPECTEN De milieu onderzoeken welke noodzakelijk zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn reeds uitgevoerd en staan beschreven in het vigerend bestemmingsplan Aalkeetpolder. 4.1 Geluid Uit de geluidskaarten van de gemeente Maassluis (versie 2012) blijkt dat de huidige geluidsbelasting overdag en ’s nachts maximaal 45 dB is.

9

Wegverkeerslawaai Uit de berekening van het vigerend bestemmingsplan Aalkeetpolder blijkt dat op alle locaties sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. De locatie ligt op meer dan 600 meter van de A20 en de Vlaardingesedijk. Dit houdt in dat deze bronnen niet onderzocht hoeven te worden. Wel ligt de locatie binnen de invloedssfeer van het tracé van de toekomstige Blankenburgtunnel. Uit diverse onderzoeken ten aanzien van de Blankenburgverbinding kan het volgende geconcludeerd worden: De geluidsbelasting is bij volledige benutting van het geluidproductieplafond is maximaal 53 dB op de Zuidbuurt 4A. Dit blijkt uit het akoestisch onderzoek ten behoeve van de blankenburgverbinding (pagina 3 van Resultaten geluidgevoelige bestemmingen bijlage E, akoestisch onderzoek d.d. 3.09.’15) Uit de effectstudie geluid van Witteveen en Bos (september 2015) wordt de gecumuleerde geluidsbelasting in 2032 in de Zuidbuurt ten hoogte van 4c geprojecteerd tussen de 51 en 55 dB. Dit hogere niveau wordt veroorzaakt door het onderliggend wegennet. Op dit moment is het dan ook voldoende aannemelijk dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt gegarandeerd. Bij de toekomstige aanvraag omgevingsvergunning zal een akoestische onderbouwing worden ingediend.

Ontsluitingsweg De Wet geluidhinder (Wgh) en de Wet luchtvaart zijn twee specifieke wettelijke kaders ter voorkoming van geluidshinder die in acht moeten worden genomen bij ruimtelijke planvorming. Zij hebben betrekking op een aantal geluidsgevoelige bestemmingen in combinatie met een aantal belangrijke geluidsbronnen. In de Wgh wordt wegverkeerslawaai vrijwel uitputtend geregeld. Alleen voor de geluidsbelasting van wegverkeer op woonerven en 30-km wegen biedt de Wgh geen bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen. Nu is daar de verkeersintensiteit zodanig laag dat de dat de geluidsbelasting gering zal zijn. In voorkomende gevallen kan een 30-km weg met een relatief hoge verkeersdrukte aan (vracht)wagens in combinatie met een niet-vlakke bestrating (klinkerbestrating) toch voor een hoge geluidsbelasting zorgen. Deze weg moet dan wel degelijk bij de beoordeling van een goed woon- en leefklimaat beschouwd worden. Zoals eerder gezegd blijft de hoeveelheid verkeer bij de nieuwe situatie beperkt (2 auto’s extra per uur) op een weg waar maximaal 15 km/uur mag worden gereden op basis van de vestigingssakte. Er is derhalve geen sprake van een 30-km weg met een relatief hoge verkeersdrukte in combinatie met een niet-vlakke bestrating. Om die reden kan en is deze weg in het kader van een goed woon-en leefklimaat buiten beschouwing gelaten.

Spoorweglawaai De ontwikkelingslocatie ligt op meer dan 500 m van het spoor. Dit houdt in dat deze bron niet onderzocht hoeft te worden. Industrielawaai De ontwikkelingslocaties liggen buiten de geluidszone van industrieterrein "Key en Kramer", maar binnen de geluidszone van industrieterrein "Botlek-Pernis". De geluidsbelasting als gevolg van de activiteiten op industrieterrein "Botlek-Pernis" is bij een aantal ontwikkelingslocaties hoger dan 50 dB(A): Hogere grenswaarde Voor de betreffende nieuwbouwplannen zijn hogere grenswaarden op basis van de "oude" Wgh

10

door de provincie vastgesteld (Bijlage IV). 4.2 Externe veiligheid Bedrijvigheid De DCMR heeft in het kader van de registratieplicht een inventarisatie uitgevoerd onder bedrijven die voor wat betreft het aspect (externe) veiligheid mogelijk relevant zijn. Hierin zijn ook de provinciale inrichtingen meegenomen (Risico inventarisatie Maassluis, DCMR, 2005). Er zijn in of rondom het plangebied geen inrichtingen aanwezig die vallen onder het Bevi of het Brzo. De vestiging van dergelijke bedrijven zal in dit bestemmingsplan ook niet mogelijk worden gemaakt. Aan de overzijde van de Nieuwe Waterweg ligt het industrieterrein Botlek. Op dit industrieterrein zijn meerdere Brzo-bedrijven aanwezig. De 10-6-contour voor het PR van deze bedrijven ligt buiten het plangebied. De 10-8-contour voor het PR (van Huntsman Holland BV) ligt in het plangebied, ten zuiden van de spoorlijn. Momenteel is geen informatie bekend over de grootte van het invloedsgebied voor het groepsrisico. Gelet op de ligging van de 10-8-contour wordt verwacht dat de beoogde woningbouwontwikkelingen buiten dit invloedsgebied plaatsvindt (de afstand tussen de 10-8contour en de dichtstbijzijnde ontwikkelingslocatie bedraagt circa 450 m). Ook de nieuwe horecavoorziening en de beoogde kinderboerderij liggen buiten de 10-8-contour. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen gevolgen voor het GR.

Het aspect externe veiligheid als gevolg van bedrijvigheid heeft derhalve geen gevolgen voor dit bestemmingsplan. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de A20 Over de A20 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Uit de Risicoatlas Wegtransport gevaarlijke stoffen (AVIV 2003) blijkt dat de contour van 10-6 voor het PR langs de A20 niet buiten de weg zelf ligt. De PR 10-8-contour ligt op 160 m. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat de oriënterende waarde voor het GR ter plaatse niet wordt overschreden. Het groepsrisico is een factor 10 of meer kleiner dan de oriënterende waarde1). De beoogde ontwikkelingen liggen op een afstand van ruim meer dan 200 m vanaf de A20 en hebben derhalve geen gevolgen voor het GR. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen gevolgen heeft voor de beoogde ontwikkelingen in dit bestemmingsplan. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor Momenteel vindt over het spoor geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Dit is tevens in de Risicoatlas Spoor (AVIV, juni 2001) aangegeven. In Hoek van Holland bevindt zich DSM. Dit bedrijf krijgt zijn grondstoffen voornamelijk aangevoerd over de weg. Bovendien ligt de dichtstbijzijnde ontwikkelingslocatie op circa 250 m vanaf de spoorlijn. Het aspect vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn heeft derhalve geen gevolgen voor de verdere planvorming.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Waterweg Het plangebied ligt voor een zeer klein deel in de zuidoosthoek binnen 200 m vanaf de oever van de Nieuwe Waterweg. De dichtstbijzijnde ontwikkelingslocatie ligt op een afstand van circa 275 m vanaf de Nieuwe Waterweg. Uit een onderzoeksrapport van AVIV2) blijkt dat de contour van 10-6 voor het PR langs de Nieuwe Waterweg niet buiten de oever ligt. De PR 10-8-contour die over het algemeen wordt gezien als indicator van het invloedsgebied, ligt volgens het AVIVrapport ten zuiden van de spoorlijn op 175 m van de oever. Uit dit onderzoeksrapport blijkt dat de oriënterende waarde voor het GR ter plaatse niet wordt overschreden. Het groepsrisico is een factor 10 of minder kleiner dan de oriënterende waarde. Ook in het ROM Rijnmondproject

11

herstructurering Rechtermaasoever Rijnmond (januari 2004) is berekend wat de waarde zal zijn van het groepsrisico. Hierbij wordt voor het gedeelte ter hoogte van de Aalkeetpolder vermeld dat "het groepsrisico minder dan een factor 10 kleiner is dan de oriënterende waarde, maar dat de oriënterende waarde niet overschreden wordt". De beoogde ontwikkelingen liggen buiten de PR 10-8-contour. De ontwikkelingen hebben daarom geen relevante invloed op het GR. Het aspect vervoer van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Waterweg heeft derhalve geen gevolgen voor dit bestemmingsplan. 4.3 Luchtkwaliteit A20 Aangezien in de huidige situatie op korte afstand van de A20 aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook in de komende jaren het geval zijn. Door de maatregelen die op verschillende overheidsniveaus worden genomen om de concentraties luchtverontreinigende stoffen te beperken, zullen de concentraties stikstofdioxide en fijn stof verder dalen. Ter plaatse van de beoogde ontwikkelingen zal de aanwezigheid van de A20 derhalve niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden uit het Blk. Overige wegen Uit het luchtkwaliteitsonderzoek voor het bestemmingsplan Aalkeetpolder blijkt dat de beoogde ontwikkelingen in het plangebied niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden uit het Blk.

Er wordt in het plangebied direct langs de maatgevende wegen (Vlaardingsedijk, Zuidbuurt en Vermeerlaan) ruimschoots voldaan aan de grenswaarden uit het Blk. Uit de luchtkwaliteitsberekeningen volgt eveneens dat ter plaatse van de beoogde ontwikkelingen ruimschoots voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Blk. Er kan derhalve geconcludeerd worden dat er voldaan wordt aan het Blk. Het plan volvoldoet tevens uit het oogpunt van luchtkwaliteit aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Stof In het kader van een goede ruimtelijke ordening is onder andere gekeken naar het thema (fijn)stof. De fijnstofaspecten voldoen ruim aan de luchtkwaliteitseisen. Voor het thema stof is geen wettelijk kader. Gezien de beperkte toename in vervoersbewegingen wordt de toename van stof als verwaarloosbaar gezien. Te meer omdat bij harde wind in de huidige situatie nu ook al sprake kan zijn van stofoverlast. De wettelijke regels met betrekking tot het onderhoud en eventuele overlast van wegen zijn te vinden in Wegenwet. Deze wet verplicht de wegbeheerder tot het onderhoud van openbare wegen. De betreffende weg is echter geen openbare weg maar in privaat eigendom. De gemeente is van mening dat dit dan ook een privaatrechtelijke aangelegenheid is.

Zo bepaalt artikel 5:75 lid 1 en 2 BW dat dat de eigenaar van het heersende erf (gebruiker) bevoegd is om op zijn kosten op het dienende erf alles te verrichten wat voor de uitoefening van een erfdienstbaarheid noodzakelijk is (zoals het aanbrengen van gebouwen, werken en beplanting). In de vestigingsakte is van deze bepaling niet afgeweken. In de vestigingsakte is een bepaling opgenomen over het eventuele vernieuwing van de weg en onderhoud. In deze bepaling is een verdeelsleutel opgenomen. Mede gelet op het feit dat het in casu gaat om een toename van het verkeer van 2 auto’s per uur is niet dermate evident dat dit aan de verlening van de vergunning in de weg staat. Bodem Voor wat betreft de bodem kwaliteit, zal te zijner tijd bij de aanvraag omgevingsvergunning een actueel bodemrapport conform NEN5740 worden overlegd.

12

Ecologie Voor wat betreft ecologie is op 11 juli 2016 een nieuw onderzoek uitgevoerd De samenvatting van de uitkomst van het hernieuwde onderzoek, bijlage V, is: • Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten planten, amfibieën, vogels en (kleine) zoogdieren. • Gezien het aanwezige biotoop, het oppervlak, de geografische ligging en informatie uit de vakliteratuur over populaties in de omgeving, zullen van de planten, amfibieën en (kleine) zoogdieren alleen licht beschermde soorten aanwezig zijn. • Voor de aangetroffen of verwachte licht beschermde soorten gelden geen verbodsbepalingen als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Een ontheffing is dan niet nodig. • In het plangebied kunnen broedvogels voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. • Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar biotoop aanwezig is.

De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Zorgplicht Voor alle beschermde soorten (alle regimes) geldt de zorgplicht (zie §4.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren: • Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. De aanvraag ziet op het gebruiken van de gronden voor meer dan 1 woning. Derhalve ziet de aanvraag op het gebruik van gronden in afwijking van het bestemmingsplan. Met het daadwerkelijke bouwen van de woning kan pas worden aangevangen wanneer ook een aanvraag wordt gedaan voor de activiteit bouwen en deze vergunning is verleend. Daarvan is in casu geen sprake. Op het moment dat een aanvraag voor de activiteit bouwen wordt aangevraagd en blijkt dat deze activiteit tevens is aan te merken als een handeling die in strijd is met het verbod uit artikel 75b Ffw, dan heeft de aanvrager de keuze. Ofwel hij overhandigt bij zijn vergunningaanvraag een eerder verkregen ontheffing op grond van de Ffw, of hij overhandigt een ontvangstbevestiging dat hij de ontheffingsprocedure is gestart.

Ofwel hij kiest ervoor om de aanvraag om omgevingsvergunning tevens aan te laten merken als een aanvraag om een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) voor de activiteit ‘verstoren van beschermde dier- en plantensoorten’. In het eerste geval heeft (of krijgt) de aanvrager een aparte ontheffing voor zijn handelingen op grond van de Ffw. In het tweede geval kan de omgevingsvergunning pas worden verleend wanneer het bevoegd gezag op grond de Ffw een VVGB heeft verleend.

13

In deze vergunning (het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan) zal worden opgenomen dat bij de activiteit bouwen (of slopen) overtredingen van de verboden in artikel 8 tot en met 13, eerste lid en 17 en 18 Ffw mogelijk zijn en dat daarvoor mogelijk een ontheffing ex artikel 75 Ffw nodig is. Overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van de beschermde gebieden genoemd in §4.2 t/m §4.4, is op voorhand uit te sluiten dat het project negatieve effecten op beschermde natuurgebieden zal hebben. Er is derhalve geen andere natuurwetgeving aan de orde in het plangebied dan de besproken Flora‐ en faunawet. Het rapport is bijgevoegd, (bijlage V) 4.4. Conclusie Ten aanzien van alle relevante milieu aspecten is de conclusie dat er geen belemmeringen zijn voor deze ontwikkeling. 5. Overige aspecten 5.1 Water De ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt leveren een positieve bijdrage aan het realiseren van een robuust en zelfvoorzienend watersysteem doordat het verhard oppervlak belangrijk afneemt. 5.2 Leidingen Er wordt voor de ontwikkelingslocatie voldaan aan de toetsingsafstanden van het vigerende beleid en aan de door het RIVM berekende maximale richtafstanden. De aanwezigheid van de betreffende leidingen legt derhalve geen beperkingen op aan de voorgenomen ontwikkelingen.

5.3 ARCHEOLOGIE Op grond van het vastgestelde archeologiebeleid geld voor het onderhavige gebied waarde – archeologie 5. Het gevolg is, dat indien ter zijner tijd uit de aanvraag omgevingsvergunning blijkt dat de aanvraag betrekking heeft op een gebied met een oppervlakte van meer dan 200 m2 en wanneer er dieper dan 200 cm beneden het maaiveld in de grond wordt geroerd, er een geaccordeerd bureau onderzoek zal worden bijgevoegd. 5.4 PRIVAATRECHTELIJKE BELEMMERINGEN Door de realisatie van de drie woningen ontstaat geen (direct) zicht op de naburige erven en woningen. De afstand van de locatie tot het erf van naburige erven is 200 tot 500 meter, net als de bestaande situatie. De voordeur van het dichtstbijzijnde erf (Zuidbuurt 4a) is gelegen aan de ontsluitingsweg en haaks op de ontwikkellocatie. Daarbij komt dat de tuin is omringd door bomen en groen. Derhalve staat de privacy niet in de weg aan vergunningverlening. Het feit dat in de nieuwe situatie maximaal 2 auto’s per uur extra langs rijden, doet daar niet aan af. Op de locatie zijn verder geen beperkende erfdienstbaarheden gevestigd. 5.5. Conclusie Op basis van bovenstaande vormen de overige aspecten geen belemmering voor de ontwikkeling.

14

6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Voor de realisatie van het plan hoeft door de gemeente geen investering gedaan te worden. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen. De grond en de opstallen voor de realisatie van de plannen zijn in eigendom van initiatiefnemer. Initiatiefnemer voert voor eigen rekening en risico de bouwwerkzaamheden geheel op eigen terrein uit. Hiermee is sprake is van een financieel uitvoerbaar plan. 7. CONCLUSIE Gelet op bovenstaande zijn er geen belemmeringen aanwezig die medewerking aan de gewenste ontwikkeling in de weg staan.

Figuur 2 gebiedsimpressie

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10192128/2