---------- RIB-031255 BIJLAGE Bouwstenennotitie visie IHP.pdf
Tekst van het document
Bouwstenennotitie
Visie IHP
Opdrachtgever Gemeente Maasgouw
Datum 1 juli 2021
Project IHP Maasgouw
Referentie 1692101-0022.0.1
Auteur(s) de heer ir. B.G. Verkerk - HEVO B.V. mevrouw ir. M.A.C. Kools - HEVO B.V.
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Statenlaan 8
Postbus 70501
T +31 (0)73 6 409 409
www.hevo.nl
ISO 9001-gecertificeerd
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
5223 LA 's-Hertogenbosch
5201 CB 's-Hertogenbosch
info@hevo.nl
www.rpmbyhevo.nl
Voorwoord
Inhoudsopgave
In opdracht van de gemeente Maasgouw begeleidt HEVO de gemeente en de schoolbesturen om te komen tot een Integraal Huisvestingsplan (IHP) voor het primair onderwijs (PO).
1. 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5. 1.6. 1.7. 1.8.
Inleiding: beleidskaders Zorgplicht Verordening Eigendom Huidig stelsel Wetsvoorstel stelselwijziging Verhoging normbedragen VNG Energieakkoord en Klimaatakkoord Coalitieprogramma 2018-2022: ‘Samen maken we Maasgouw!’
3 3 3 3 3 4 4 4 5
2. 2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5.
Bouwstenen Bouwsteen: Regie Bouwsteen: Samenwerking Bouwsteen: Vraag en aanbod Bouwsteen: Kwaliteit en duurzaamheid Bouwsteen: Renovatie of nieuwbouw
6 6 6 7 7 9
Het IHP bepaalt op basis van visie, gerichte analyse, scenario-ontwikkeling en financiële vertaling de kaders voor investeringen in onderwijshuisvesting. Een strategisch IHP stelt gemeente en schoolbesturen in staat om op de korte- en lange termijn toekomstbestendige keuzes te maken en een proactief (investerings-)beleid te voeren. Het IHP geeft voor de eerste 4 jaar concreet aan wat de opgave is en geeft een doorkijk voor de langere termijn (20 jaar). Het IHP bestaat uit vier fases, ofwel vier deelproducten: 1. Visie: notitie van bouwstenen voor beleid 2. Gebouwanalyses middels de quickscan methode 3. Scenario-ontwikkeling 4. Financiële vertaling Voorliggende rapportage betreft het eerste deelproduct: notitie van bouwstenen voor beleid. Deze notitie beschrijft de visie van de gemeente en schoolbesturen op onderwijshuisvesting. De visie is tot stand gekomen tijdens het bestuurlijk overleg in juni 2021. Tijdens het overleg is aan de hand van stellingen, ervaringen en thema’s gediscussieerd over het onderwijs en de onderwijshuisvesting in Maasgouw. De ‘bouwstenen voor beleid’ die zijn geformuleerd in deze notitie vormen gezamenlijk de visie op onderwijshuisvesting. Het zijn beleidsuitgangspunten op verschillende thema’s. De visie is een belangrijke basis voor de totstandkoming van het IHP en evt. heroverwegingen en herijkingen in de toekomst.
Het IHP is erop gericht om, binnen de randvoorwaarden van de gemeente (financieel, ruimtelijk) en schoolbesturen (financieel, organisatorisch), deze uitgangspunten zoveel als mogelijk te realiseren. De bouwstenen zijn daarmee geen harde afspraken, maar geven richting aan het IHP en het beleid van de gemeente Maasgouw op het gebied van onderwijshuisvesting.
Referentie: 1692101-0022.0.1.
Pagina 2 van 11
1. Inleiding: beleidskaders Alvorens wordt ingegaan op de bouwstenen wordt in dit hoofdstuk stilgestaan bij de beleidskaders voor het IHP. Deze inleiding gaat in op de wettelijke taak van de gemeente en schoolbesturen op het gebied van onderwijshuisvesting en relevante ontwikkelingen.
1.1. Zorgplicht Gemeenten hebben op het gebied van onderwijshuisvesting de zogeheten zorgplicht. De onderwijswetgeving stelt dat een gemeente dient te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het primair onderwijs (PO), (voortgezet) speciaal onderwijs ((V)SO) en voortgezet onderwijs (VO), voor zover dat van toepassing is in de gemeente. De voorzieningen in de huisvesting waarvoor de gemeente verantwoordelijk is, zijn vastgelegd in de wetgeving. Daarbij gaat het onder andere om (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding en herstel van constructiefouten. Het onderhoud (binnen- en buitenkant) en de exploitatie van schoolgebouwen is de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen. De term renovatie is (vooralsnog) niet wettelijk geregeld.
1.2. Verordening
De gemeente heeft dus het economisch claimrecht. Schoolbesturen kunnen vanwege hun positie een gedeelte van het gebouw in medegebruik (voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden) geven aan instellingen die uit de openbare kas worden bekostigd met een ideëel doel of verhuren (commerciële partij). In alle gevallen dient de gemeente daar toestemming voor te geven.
1.4. Huidig stelsel De huidige rolverdeling (waarbij gemeenten verantwoordelijk zijn voor o.a. nieuwbouw en constructiefouten en schoolbesturen verantwoordelijk zijn voor o.a. onderhoud, aanpassing en exploitatie) vertoont tekortkomingen. Het stelsel biedt beide partijen theoretisch de mogelijkheid om de eigen uitgaven te beperken. Gemeenten kunnen eigen uitgaven beperken door relatief goedkope gebouwen neer te zetten, met als gevolg hoge onderhouds- en exploitatiekosten. Schoolbesturen kunnen de eigen uitgaven beperken door weinig te investeren in onderhoud en eerder nieuwbouw aan te vragen bij de gemeente. In de praktijk is dit niet aan de orde, maar in zekere zin geeft het stelsel wel een verkeerde impuls. Daarbij komt dat een aantal zaken, zoals bekostiging als gevolg van aangescherpte eisen in het Bouwbesluit en maatschappelijk wenselijke voorzieningen waaronder op het gebied van duurzaamheid, en de voorziening renovatie niet geregeld zijn.
De uitvoering van de zorgplicht wordt geregeld via een juridisch instrument, de verordening. Op grond van de Gemeentewet (artikel 149), de Wet op het Primair Onderwijs (artikel 102), de Wet op de Expertisecentra (artikel 100) en de Wet op het Voortgezet Onderwijs (artikel 76) is de gemeenteraad verplicht bij verordening een regeling vast te stellen. De verordening bevat de basis van het onderwijshuisvestingsbeleid en regelt uitgangspunten voor onder andere de voorzieningen die schoolbesturen jaarlijks kunnen aanvragen bij een gemeente, criteria voor het toetsen van deze aanvragen en procedurele afspraken.
1.3. Eigendom Schoolbesturen hebben, met uitzondering van de 3 brede scholen in Maasbracht, Heel en Thorn, het juridisch eigendom van een schoolgebouw met de daarbij behorende ondergrond. Dit houdt in dat een schoolbestuur als eigenaar van een schoolgebouw en ondergrond juridisch aansprakelijk is. Wanneer een schoolbestuur geen gebruik meer maakt van het gebouw, valt het gebouw in juridisch eigendom terug aan de gemeente. De reden hiervoor is dat de gemeente het gebouw en de ondergrond heeft bekostigd.
Referentie: 1692101-0022.0.1.
Pagina 3 van 11
1.5. Wetsvoorstel stelselwijziging
1.6. Verhoging normbedragen VNG
Op 15 december 2016 hebben de PO-raad, de VO-raad en de VNG een gezamenlijk voorstel gestuurd aan toenmalig staatssecretaris Sander Dekker om de tekortkomingen in het huidige stelsel voor onderwijshuisvesting op te lossen. Het uitgangspunt van dit voorstel is dat gemeenten en schoolbesturen een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor de (kwaliteit van de) huisvesting van scholen. Op 9 mei 2018 is het verder uitgewerkte voorstel gepubliceerd door PO-raad, VO-raad en VNG. Inmiddels is het voorstel ook formeel door de VNG goedgekeurd. Het wordt naar verwachting binnenkort formeel aan de huidige minister aangeboden.
In maart 2018 heeft de VNG geadviseerd om de normbedragen voor nieuwbouw e.d. te verhogen met 40%. De aangekondigde verhogingen in de normbedragen gelden vanaf 2019. De reden hiervoor is dat de jaarlijkse indexering van de normbedragen over de afgelopen jaren de werkelijke prijsontwikkelingen in de markt niet goed blijkt te hebben gevolgd. Daarnaast is per 1 januari 2021 de wijziging met betrekking tot BENG uit het Bouwbesluit in werking getreden. De verplichting van BENG heeft ook gevolgen voor de kosten van onderwijshuisvesting. Hierdoor heeft de VNG de normbedragen bij de Model Verordening voorziening huisvesting onderwijs eenmalig extra opgehoogd met 9,6%. De verhoging van de normbedragen heeft (nog) geen invloed gehad op de beschikbare middelen voor onderwijshuisvesting in het gemeentefonds. De Rijksoverheid is een Interdepartementaal Beleidsonderzoek gestart waarbij wordt onderzocht welke opgaven er liggen op het gebied van onderwijshuisvesting (BENG, veroudering, verduurzamingsopgave, etc.) en hoe hieraan voldaan kan worden.
Het voorstel pleit voor aanpassing van het stelsel om een aantal van de geconstateerde tekortkomingen op te heffen. Daarbij worden de nadelen van de scheiding van de financiële middelen zoveel mogelijk opgeheven. Gemeenten en schoolbesturen komen in een meer gelijkwaardige positie ten opzichte van elkaar. Belangrijke elementen uit het voorstel zijn: De in de wet beschreven jaarcyclus voor aanvragen onderwijshuisvesting wordt vervangen door een langere periode, waarin gemeenten na overleg met betrokken schoolbesturen het huisvestingsbeleid en het investeringsprogramma voor een periode van 4 jaar vastleggen in een meerjarenprogramma (IHP), met een doorkijk tot ten minste het 16e jaar. De mogelijkheid om renovatie als volwaardig alternatief voor vervangende nieuwbouw in te kunnen zetten. Renovatie moet worden opgenomen als voorziening in de wet. Renovatie dient daarbij te leiden tot een startsituatie (of startconditie) die in functioneel en kwalitatief opzicht gelijkwaardig is aan nieuwbouw en gericht is op levensduurverlenging van ten minste 25 jaar. Het investeringsverbod voor het PO en SO wordt zodanig aangepast dat het overeenkomt met de betreffende bepalingen uit de Wet op het Voortgezet Onderwijs. PO- en SO-besturen krijgen daarmee de mogelijkheid om in huisvesting te investeren.
De concretisering van het Huisvestingsvoorstel van de sectorraden en de VNG gaat uit van het handhaven van de huidige financieringsstromen. Aanvullend kan de versoepeling van het investeringsverbod leiden tot een gezamenlijke financiering die de kwaliteit van onderwijshuisvesting kan vergroten dan wel het moment van investeren kan vervroegen.
Referentie: 1692101-0022.0.1.
1.7. Energieakkoord en Klimaatakkoord In het klimaatakkoord is vastgelegd dat de PO-raad en de VO-raad sectorale routekaarten, behorende bij de klimaatopgave, dienen door te rekenen naar een CO2arme gebouwenvoorraad. HEVO heeft deze doorrekening -in opdracht van PO-raad en de VO-raad- uitgevoerd. Deze doorrekening richt zich enerzijds op de effectiviteit van mogelijke scenario’s op de totale reductie van gebouw gebonden CO2-productie. Anderzijds richt de doorrekening op de kosteneffectiviteit van de verschillende maatregelen die op de gebouwenvoorraad kunnen worden toegepast. Op het gebied van de te behalen doelstellingen is de opdracht aan de sectoren om: Te komen tot een gebouw gebonden CO2-reductie van 49% in 2030 ten opzichte van de situatie in 1990, hetgeen overeenkomt met 44% ten opzichte van de situatie in 2017. Te komen tot een gebouw gebonden CO2-reductie van 95% in 2050 ten opzichte van de situatie in 1990.
Pagina 4 van 11
Naast de doelstellingen op het gebied van CO2-reductie, hebben de beide sectorraden daaraan toegevoegd dat een duurzaam schoolgebouw een schoolgebouw is dat optimaal ten dienste staat van het onderwijs dat erin geboden wordt. Een goed binnenklimaat resulteert in een hoger leerrendement en minder ziekteverzuim. Een schoolgebouw is daarmee niet alleen duurzaam voor wat betreft de CO2-uitstoot of het energieverbruik; het is een gebouw dat aansluit bij de onderwijskundige visie van de school, past bij het aantal leerlingen en toekomstbestendig is bij veranderingen.
De doelstellingen zijn als volgt: Doelstelling CO2-reductie 2030 CO2-productie 2030 CO2-reductie 2050 CO2-productie 2050
Referentiejaar 1990 49,0% 51,0% 95,0% 5,0%
Referentiejaar 2017 44,0% 56,0% 94,5% 5,5%
Dit betekent dat ten opzichte van de huidige CO2-uitstoot, representatief gesteld voor referentiejaar 2017, het einddoel per 2050 gesteld wordt op 94,5% CO2-reductie ten opzichte van dat referentiejaar. Het doel voor 2030, 44% reductie ten opzichte van 2017, is door het rijk als doelstelling geformuleerd. Op basis van de verhoudingen voor de doelstelling per 2030 is de doelstelling per 2050 ten opzichte van 2017 bepaald.
1.8. Coalitieprogramma 2018-2022: ‘Samen maken we Maasgouw!’ In het coalitieprogramma van de gemeente Maasgouw is er aandacht voor duurzame ontwikkeling binnen het sociaal, fysiek en economisch domein. Op hoofdlijnen zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: Zorg voor elkaar: de gemeente Maasgouw streeft naar een samenleving die een goede sociale cohesie en verbondenheid kent, waar zorg voor elkaar geregeld wordt in een hecht netwerk. Opvoeding: de gemeente ondersteunt door de instandhouding van scholen in de kernen de opvoeding van kinderen. Er wordt tevens verkend hoe de gemeente scholen kan stimuleren op gezond eten en voldoende beweging. Sport: in de gemeente worden inwoners gestimuleerd om zoveel mogelijk te gaan sporten. De gemeente voert hiervoor een accommodatiebeleid uit.
Referentie: 1692101-0022.0.1.
Culturele rijkdom: het samen beleven van cultuur zorgt voor verbondenheid aan de dorpskern en draagt bij aan een sterk saamhorigheidsgevoel in de dorpen. In het beleid is extra aandacht gegeven voor jongerencultuur. Woningmarkt: de gemeente streeft naar een aanbod van woningen en bouwmogelijkheden die zoveel als mogelijk aansluiten bij de behoeften van de woningzoekenden. In de komende jaren zullen er ruim 400 woningen gebouwd worden. Gebruik van gebouwen: in de gemeente staan veel gebouwen leeg. Er wordt vanuit de gemeente gestreefd naar een duurzame ontwikkeling van deze gebouwen. Beheer openbare ruimte: inwoners worden betrokken bij het beheer en onderhoud van hun eigen buurt of zelfs van natuurgebieden. In de komende jaren zullen de inwoners meer gestimuleerd en ondersteund worden hierin door de gemeente. Duurzaamheid: de transitie naar duurzame energie en aanpassingen die nodig zijn vanwege het veranderende klimaat staan op de agenda. Naast de transitie wil de gemeente inwoners vooral ook bewust laten worden van hun energieconsumptie. Vestigingsklimaat: middels een regionaal verband wil de gemeente een gunstig vestigingsklimaat realiseren voor bedrijven.
De uitgangspunten die een direct relatie met onderwijs en onderwijshuisvesting hebben, zijn ‘Zorg voor elkaar’, ‘Opvoeding’ en ‘Duurzaamheid’. Daarnaast wordt er in het coalitieprogramma gesproken over de instandhouding van dorpskernen. Het zoveel mogelijk in stand houden van lokale voorzieningen, waaronder scholen, is daarvan een belangrijk onderdeel.
Pagina 5 van 11
2. Bouwstenen
kennen dat de (arbeids-) migratie vanuit Nederland (o.a. stedelijk gebied), Duitsland en Oost-Europa zeker een effect kan hebben op de leerlingprognose. Na vaststelling van het IHP is het van belang dat een prognose wordt opgesteld welke specifiek de situatie in Maasgouw in beeld brengt.
2.1. Bouwsteen: Regie Deze bouwsteen geeft aan hoe gemeente en schoolbesturen met elkaar samenwerken op het gebied van onderwijshuisvesting. 4. 1.
2.
3.
De gemeente en de schoolbesturen voeren samen de regie op schoolgebouwen. De gemeente is onder andere verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreidingen. De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud, aanpassing en de exploitatie van schoolgebouwen. De schoolbesturen zijn bovendien verantwoordelijk voor het onderwijsaanbod en de kwaliteit daarvan. In het op overeenstemming gericht overleg (OOGO) of bestuurlijk overleg vindt de afstemming van deze verantwoordelijkheden plaats door middel van gezamenlijk overleg (minimaal 2-jaarlijks). Deze samenwerking overstijgt de samenwerking op basis van de verordening onderwijshuisvesting. Voor het onderwijshuisvestingsbeleid wordt daarom in eerste instantie voor alle betrokken partijen het IHP leidend, voordat er wordt teruggevallen op de verordening. Deze wijze van samenwerking dient, in afwachting van de wettelijke regeling, juridisch vastgelegd te worden. In het geval dat huisvestingsvraagstukken een regionaal karakter hebben vindt, indien noodzakelijk, afstemming plaats met het regionale OOGO en/of het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs. Het IHP is in lijn met het voorstel van PO-raad, VO-raad en VNG om het IHP in de wetgeving te verankeren. Met het vaststellen van het IHP worden tevens de financiële middelen voor de komende 0-4 jaar vastgesteld.
Met de raad wordt verkend op welke wijze haar betrokkenheid is bij de monitoring van de budgettaire kaders (programma- of projectniveau). Het IHP geldt voor een periode van 20 jaar en wordt om de 4 jaar geactualiseerd op basis van onder andere leerlingprognose en nieuwe inzichten vanuit (landelijk) beleid. Ieder jaar wordt in het OOGO de voortgang van het IHP besproken. De prognose van DUO uit 2015 vormt het uitgangspunt voor het IHP voor de voorspelling van de leerlingenontwikkeling. In het IHP volgen we deze prognose tot circa 2031 en gaat daarmee uit van een lichte stabiele groei. De sterke toename na 2031 wordt vooralsnog niet herkend. De schoolbesturen geven te
Referentie: 1692101-0022.0.1.
Vanwege de onzekerheid in de voorspelling van de leerlingenontwikkeling en veranderende omstandigheden in het onderwijsveld wordt -bij aanvang van iedere project (haalbaarheidsstudie)- getoetst aan de uitgangspunten en randvoorwaarden van het IHP.
2.2. Bouwsteen: Samenwerking Deze bouwsteen omschrijft de samenwerkingsmogelijkheden tussen het onderwijs onderling en overige partners die raakvlakken hebben met het onderwijs. 1.
Samenwerking betekent dat scholen gebouwen delen, met elkaar of met partners (bijvoorbeeld kinderopvang, jeugdzorg, buurtvoorzieningen). Samenwerking kan zowel inhoudelijk als gebouwelijk worden vormgegeven. Inhoudelijke samenwerking biedt voordelen op het gebied van kennisuitwisseling. Gebouwelijke samenwerking kan de inhoudelijke samenwerking faciliteren omdat men elkaar ook daadwerkelijk tegenkomt en biedt exploitatievoordelen (door bijvoorbeeld het delen van ruimten). Het onderwijs staat daarbij centraal en daarmee is een gebouwelijke samenwerking geen verplichting, maar een verkenning.
2.
Samenwerking tussen PO en SBO draagt bij aan het speerpunt dat kinderen de gemeente niet uit hoeven om passend onderwijs te krijgen. De samenwerking tussen het SBO en PO werkt goed en is voornamelijk op inhoudelijke gebied. De SBO is niet alleen binnen de gemeente van belang maar draagt bij aan het regionale scholenlandschap.
3.
Schoolbesturen en kinderopvang zetten in op het behouden, versterken en waar nodig uitbreiden van samenwerking tussen het PO en kinderopvang, peuteropvang en buitenschoolse opvang. Dit worden ook wel de onderwijs- en kindpartners genoemd: a. De samenwerking richt zich op de afstemming van de pedagogiek en didactiek van beide partijen.
Pagina 6 van 11
b.
c.
4.
5.
De samenwerking tussen onderwijs- en kindpartners kan verschillende vormen aannemen. Er zijn verschillende manieren van integratie tussen onderwijs en kinderopvang. Het IHP formuleert uitgangspunten, maar biedt ruimte om per project maatwerk te leveren, passend bij de specifieke situatie. Gezamenlijke huisvesting is in sommige situaties een pre maar geen voorwaarde. Door de afname van het leerlingenaantal en vanuit politieke wenselijkheid is in veel bestaande gebouwen ruimte ontstaan voor onderwijs- en kindpartners. Het is van belang dat ook in nieuwe situaties (na nieuwbouw/renovatie) er ruimte beschikbaar blijft voor onderwijs- en kindpartners.
Schoolbesturen en gemeente streven naar samenwerking met overige maatschappelijke partners (bibliotheek, jeugdzorg, sportorganisaties, dorpshuis etc.): a. Er wordt tegemoetgekomen aan de sociaal-maatschappelijke rol van een school voor de kern. Deze functie kan per kern en per school anders worden ingevuld. Het IHP formuleert uitgangspunten, maar biedt ruimte om per project maatwerk te leveren, passend bij de lokale situatie. b. Scholen en (maatschappelijke) partners dragen bij aan de dorpskernontwikkeling. c. Andersom kan de school ook gebruik maken van de maatschappelijke voorzieningen die in de kern aanwezig zijn. In de gemeente Maasgouw zijn drie multifunctionele accommodaties (MFA’s) gerealiseerd waar scholen onderdeel van zijn. Naast de scholen zitten er in deze gebouwen ook diverse kind- en zorgpartners en sportaccommodaties. De toegevoegde waarde van een dergelijk (gebouwelijke) samenwerking wordt door de betrokken partijen gewaardeerd. De gebouwen dienen tevens optimaal gebruikt te worden. Multifunctioneel gebruik leidt tot een hogere bezetting en daarmee een duurzaam gebruik van de gebouwen. Samenwerking met verschillende typen gebouwgebruikers onder één dak vergroot de flexibiliteit – als de ene gebruiker minder ruimte nodig heeft, kan de andere gebruiker deze ruimte wellicht gaan huren. Op die manier kan zo veel mogelijk leegstand intern worden opgevangen.
Dit vraagt wel om aandacht over
Referentie: 1692101-0022.0.1.
afspraken ten aanzien van; beheersvorm, eigendomsverhouding, samenwerkingsafspraken, exploitatie en financiële geldstromen. Dergelijke afspraken dienen te volgen uit de inhoudelijke afspraken die aan de samenwerking ten grondslag liggen. Het is belangrijk om hier al bij planvorming over na te denken. 6.
Indien ruimten in schoolgebouwen in gebruik worden gegeven aan partijen anders dan het onderwijs (kinderopvang en/of andere maatschappelijke partijen) wordt ofwel ‘verhuur’ ofwel ‘medegebruik’ toegepast. Voorwaarde voor medegebruik is dat het bij medegebruik gaat om het gebruik door (uit de openbare kas bekostigd) onderwijs of voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. In het geval van verhuur geldt een marktconforme huur. De marktconforme huur sluit aan bij de Wet Markt en Overheid en bestaat in basis uit een gebruiksvergoeding: de extra kosten die de verantwoordelijke voor onderhoud en exploitatie maakt als gevolg van de verhuur (ofwel exploitatiekosten) en een vergoeding voor investeringslasten: de jaarlijkse lasten die het gevolg zijn van het realiseren van de voorziening, bestaande uit rente en afschrijving, die kan worden verhoogd met een deel van de kosten van verzekering van het gebouw en de kosten van onroerendezaakbelasting. De vergoeding voor de investeringslasten gaat naar de investerende partij (tenzij dit uiteraard de kinderopvang of maatschappelijke partij zelf is).
2.3. Bouwsteen: Vraag en aanbod Deze bouwsteen geeft aan welk aanbod de gemeente en schoolbesturen nastreven. Het gewenste aanbod van onderwijs is bepalend voor de huisvestingsoplossingen. 1.
Het streven is goede spreiding van onderwijsaanbod over de kernen van Maasgouw, waarbij de voorwaarde is dat de kwaliteit van onderwijs geborgd is. Scholen zijn belangrijk voor de leefbaarheid in de kernen, met als ambitie om het onderwijs “thuis nabij” te organiseren. De kwaliteit van het onderwijs is daarin leidend. Het is daarmee niet de eis dat in elke kern een school moet zijn. De afstand voor een kind tot de school moet in verhouding zijn. Het huidige scholenlandschap laat zien dat deze verhoudingen in voldoende mate aanwezig zijn.
Pagina 7 van 11
2.
3.
Het onderwijs in de gemeente Maasgouw is verdeeld over de verschillende kernen. Behoud van een kwalitatief aanbod in onderwijs én kinderopvang in de afzonderlijke kernen is een belangrijke voorwaarde. Het moet voor elk kind mogelijk zijn in de eigen kern naar school te gaan, ongeacht of hier door ouders ook daadwerkelijk voor gekozen wordt. Het streven is een optimale afstemming tussen vraag en aanbod. Daarbij gaat het direct ook om het voorkomen van leegstand en ruimtetekorten bij scholen. Daarvoor zijn een aantal instrumenten geformuleerd. De keuze van het toe te passen instrument zal altijd in samenspraak tussen de gemeente en schoolbesturen gemaakt worden. Er is sprake van maatwerk. a. Wanneer meerdere gebruikers in één gebouw zijn gehuisvest kunnen er onderlinge volumeafspraken worden gemaakt. In het geval van twee scholen in één schoolgebouw gaat het bijvoorbeeld om het maken van afspraken over zogeheten ‘wissellokalen’. Het is belangrijk om bij de ontwikkeling van een nieuw schoolgebouw naar de indeling te kijken omdat de mogelijkheid bestaat dat bepaalde (groeps-)ruimten na verloop van tijd wisselen van gebruiker. b. In het geval van multifunctionele accommodaties (MFA) waar scholen, kinderopvang partners en/of maatschappelijke partners gebruik van maken, is het ook mogelijk om volumeafspraken te maken voor een verandering in de ruimtevraag in de toekomst.
Het is ook in dit geval belangrijk om op voorhand duidelijke afspraken te maken over welke ruimten voor gemeenschappelijk gebruik zijn en welke ruimten (onder bepaalde voorwaarden) kunnen wisselen van gebruiker in de toekomst. c. Verhuur van ruimten kan, na toestemming van de gemeente, een oplossing zijn voor een ruimteoverschot. Ook afstoten van leegstand kan een mogelijkheid zijn. d. Gebruik maken van (gedeeltelijk) leegstaande panden welke niet tot de onderwijshuisvestingvoorraad behoren is een mogelijkheid om incidenteel, niet-structureel, ruimtetekort op te lossen. Denk aan dorpshuizen of andere maatschappelijke voorzieningen. In het geval van structureel ruimtetekort gaat de gemeente na of er een geschikte voorziening in de dorpskern is om het ruimtetekort op te lossen (bijvoorbeeld leegstand in een andere school). Ook worden oplossingen
Referentie: 1692101-0022.0.1.
zoals een noodunit of aanbouw onderzocht. Het kiezen van de oplossing gebeurt altijd in samenspraak tussen schoolbesturen en gemeente. 4.
Er is tevens vanuit het coalitie programma aandacht voor de relatie met sport, bewegen en cultuur. Dit gaat enerzijds over de afstand tot en de bereikbaarheid van gymzalen en voorzieningen binnen Maasgouw, maar anderzijds ook over hoe de inrichting van een gebouw, het speelterrein (groen) en de directe omgeving beweging kunnen stimuleren. De school kan gebruik maken van de faciliteiten uit de kern, maar kan eventueel ook een functie voor de kern vervullen op het gebied van sport, bewegen en cultuur.
2.4. Bouwsteen: Kwaliteit en duurzaamheid Deze bouwsteen geeft aan welke kwaliteitsambities de gemeente en schoolbesturen nastreven op het gebied van kwaliteit en duurzaamheid. 1.
Gemeente en schoolbesturen zien het realiseren van kwalitatief goede en duurzame huisvesting als een maatschappelijke, gezamenlijke verantwoordelijkheid. Een kwalitatief goed en duurzaam gebouw heeft een positief effect op het onderwijs én op het leefklimaat voor de toekomstige generaties.
2.
Het IHP streeft, bij nieuwbouw, naar het realiseren van energieneutrale gebouwen (ENG) die tevens aardgasvrij zijn. Bij renovatie wordt beoogd om dit zoveel mogelijk te realiseren; dit dient per situatie bekeken te worden, met een gezonde balans tussen kwaliteit, duurzaamheid en de (financiële) middelen (kostenbatenanalyse). Per locatie dient in aanvullende onderzoeken, zoals een haalbaarheidsstudie, toegewerkt te worden naar een optimale balans tussen de diverse criteria passend bij het schoolgebouw en de omgeving.
3.
Gemeente en schoolbesturen willen duurzaamheid breder definiëren dan alleen energiebesparing en CO2-reductie: duurzaamheid gaat ook over goed onderwijs, een gezond leer- en leefklimaat, een gezonde financiële exploitatie, circulariteit en toekomstbestendigheid. Deze thema’s hebben een hogere prioriteit dan alleen energiebesparing. a. Ten aanzien van goed onderwijs gaat het om onderwijskundige functionaliteit: nieuwe en gerenoveerde schoolgebouwen dienen
Pagina 8 van 11
b.
c.
d.
onderwijsconcepten goed te faciliteren. Het gebouw dient aan te sluiten bij het onderwijsconcept van de school. Daarnaast dienen ook andere functies in samenhang met onderwijs goed gefaciliteerd te worden. Denk hierbij aan kinderopvang, jeugdzorg en eventueel andere sociaal-culturele faciliteiten. Ten aanzien van gezondheid wordt rekening gehouden met de Frisse Scholen-thema’s (naast energie): lucht, temperatuur, licht en geluid om een prettig en gezond klimaat voor kinderen en medewerkers te realiseren. Voor de Frisse Scholen thema’s wordt gekozen voor een slimme mix van eisen per subonderdeel, waarbij in sommige gevallen klasse A de beste keuze is, maar in andere gevallen klasse C of niveau bouwbesluit ook goede kwaliteit levert. Hierbij wordt het kwaliteitskader van HEVO aangehouden, wat is gebaseerd op een optimale prijs-kwaliteit verhouding. Ten aanzien van circulariteit wordt ernaar gestreefd bewust om te gaan met de toegepaste materialen en waar mogelijk gebruik te maken van natuurlijke, herbruikbare materialen. In het geval van nieuwbouw wordt gelet op de basisprincipes van circulariteit, zoals de toekomstige losmaakbaarheid van de gebouwelementen. Ten aanzien van toekomstbestendigheid wordt ingezet op maximale flexibiliteit (o.a.
het vermijden van dragende binnenwanden) om ervoor te zorgen dat de schoolgebouwen in de toekomst ook andere onderwijsconcepten kunnen faciliteren. Hierbij gaat het zowel om interne flexibiliteit, als ook om transformatiemogelijkheden van het vastgoed. Het definitieve kwaliteitsniveau en de verdeling van de kosten worden nader geconcretiseerd binnen de budgettaire kaders.
4.
Naast bouwkundige kwaliteit van schoolgebouwen is er in het IHP expliciet aandacht voor andere (strategische) kaders voor vastgoedbeleid (in volgorde): onderwijskundige functionaliteit, binnenmilieu, exploitatie en uitstraling.
5.
Duurzaamheidsprincipes worden toegepast bij nieuwbouw/renovatie van schoolgebouwen. Daarbij bieden de principes van Trias Energetica houvast om hierin een realistische afweging te maken tussen ambitie en budget: a. Voorkomen van onnodig energieverbruik (bijvoorbeeld isolatie). b. Gebruik van duurzame energiebronnen (bijvoorbeeld zonnepanelen). c.Indien nodig, efficiënt gebruik van fossiele brandstoffen (bijvoorbeeld gas).
Referentie: 1692101-0022.0.1.
De scholen en schoolgebouwen hebben een maatschappelijke verantwoordelijkheid en voorbeeldfunctie naar leerlingen, hun familie en de kern. 6.
Het is van belang dat de duurzaamheid op projectniveau intensief wordt afgestemd op de mogelijkheden in de kern en omgeving. Daarbij is te denken aan restgebruik van warmte, aansluiten op warmtenet of het toevoegen van extra zonnepanelen voor het leveren van energie aan omliggende woningen.
7.
Het IHP geeft de schoolbesturen inzicht in de vervangingstermijn van hun gebouwen. Schoolbesturen zijn door het IHP in staat om onderhoud en duurzaamheidsmaatregelen af te stemmen op het moment van nieuwbouw renovatie en te koppelen aan terugverdientijden.
5.
Schoolgebouwen dienen veilig en integraal toegankelijk te zijn. Veilig als het gaat om de bereikbaarheid en verkeersveiligheid en toegankelijk als het gaat om het bezoeken van de school.
6.
Investeringen in duurzaamheid dienen gerelateerd te worden aan de gehele levenscyclus van gebouwen. Daarbij is een afstemming tussen de verantwoordelijkheden van gemeente en schoolbesturen van belang. Liever gezamenlijk goed investeren in deugdelijke maatregelen dan nadelige gevolgen te ondervinden in bijvoorbeeld exploitatie en onderhoud tijdens de levensduur van een gebouw. Dit valt samen met de principes van TCO: inzetten op betaalbare investeringen die zich laten terugverdienen in de exploitatie.
7.
Schoolbesturen en gemeente verkennen tijdens het IHP-traject de principes van Total Cost of Ownership (TCO). Bij TCO dragen schoolbesturen mogelijk bij aan een deel van de stichtingskosten van een nieuwbouw- of renovatieopgave. Deze investering komt de duurzaamheid van het gebouw op het gebied van onderhoud en exploitatie ten goede, waardoor een investering aan de voorkant een besparing kan opleveren tijdens het gebruik van het gebouw. Een integrale afweging tussen investering en onderhouds- en exploitatiekosten is daarbij van belang. Schoolbesturen maken voor hun bijdrage gebruik van de vergoeding voor materiële instandhouding die zij ontvangen van het rijk. Met de schoolbesturen wordt verkend of- en op welke manier TCO een plek kan krijgen in het IHP. In het
Pagina 9 van 11
IHP wordt rekening gehouden met het op dit moment nog geldende investeringsverbod voor het PO en de (exploitatie) tekorten die zij (net als de gemeente) ervaren in de bekostiging.
gemeente, waarbij op basis van Total Cost of Ownership (TCO) en vanuit de MJOP een investeringsbijdrage van het schoolbestuur aan de dekking van de renovatie kan worden toegevoegd (hierover volgt nadere afstemming in de werkgroepen Financiën).
2.5. Bouwsteen: Renovatie of nieuwbouw Deze bouwsteen geeft aan hoe gemeente en schoolbesturen omgaan met renovatie en vervangende nieuwbouw. 1.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor nieuwbouw, schoolbesturen zijn in alle situaties verantwoordelijk voor het goed onderhouden en exploiteren van gebouwen. Renovatie (lees: vernieuwbouw) is wettelijk nog niet geregeld. Renovatie kan een duurzamere oplossing zijn dan nieuwbouw. Ten aanzien van renovatie wordt aangesloten op het voorstel van PO-raad, VO-raad en VNG. a. Renovatie wordt opgenomen als voorziening. In de huidige situatie zijn gemeenten alleen verantwoordelijk voor vervangende nieuwbouw wanneer een gebouw aan het einde van zijn levensduur is (onder andere artikel 2 verordening). Door renovatie op te nemen als voorziening ontstaat de mogelijkheid om bij een gebouw dat aan het einde van zijn levensduur is ook renovatie toe te passen. b. Renovatie (vernieuwbouw) is daarbij een integrale levensduurverlengende ingreep in het gebouw, waarmee de levensduur van het gebouw met ten minste 25 jaar, maar bij voorkeur 40 jaar, wordt verlengd. Dit betekent dat vernieuwbouw alleen een overweging is wanneer aangetoond kan worden dat de betreffende school en het schoolbestuur weer ten minste 25 jaar op een goede en betaalbare manier met het gebouw vooruit kunnen. In specifieke situaties kan van dit uitgangspunt worden afgeweken, als een tijdelijke oplossing noodzakelijk is, maar in principe zou renovatie gelijkwaardig aan nieuwbouw moeten zijn. c.
Uitgangspunt bij renovatie is dat de aanpassingen die leiden tot een levensduurverlenging van ten minste 25 jaar1 voor rekening komen van de
1 In het concretiseringsvoorstel van de PO-VO Raad en VNG is opgenomen: ‘Renovatie is een grootschalige en
integrale aanpak van een bestaand schoolgebouw waarmee de levensduur verlengd wordt met ten minste 25 jaar en het gebouw (weer) voldoet aan de functionele eisen en kwaliteitseisen zoals geformuleerd in het IHP (en ten minste aan vigerende eisen van het Bouwbesluit).’
Referentie: 1692101-0022.0.1.
2.
Bij investeringsopgaven in het kader van het IHP wordt de mogelijkheid van renovatie onderzocht. Daarbij wordt beoogd om de gedefinieerde duurzaamheidseisen (BENG, gasloos en streven richting ENG) en kwaliteitseisen, in het bijzonder op gebied van binnenklimaat (gemiddeld Frisse Scholen klasse B), zoveel mogelijk te realiseren. Dit wordt in de afweging nieuwbouw of renovatie inzichtelijk gemaakt.
3.
Per situatie wordt een afweging gemaakt (bijvoorbeeld in een haalbaarheidsonderzoek) of nieuwbouw of renovatie de beste oplossing is voor de betreffende school. Daarbij worden onder andere de volgende aspecten meegenomen in de afweging (willekeurige volgorde): a. Er wordt rekening gehouden met de onderwijskundige functionaliteit van de gebouwen. Past de huisvesting bij de onderwijsvisie, nu en in de toekomst? Is de huisvesting voldoende flexibel aanpasbaar voor gebruik in de toekomst? Is het mogelijk om middels renovatie ervoor te zorgen dat de huisvesting weer past bij de onderwijsvisie? Dan is renovatie een goede optie. b. Er wordt rekening gehouden met een goede bezetting van gebouwen. Er wordt (bij voorkeur) niet gerenoveerd voor een schoolgebouw waar sprake is van significant ruimtetekort of ruimteoverschot, tenzij de eventuele overmaat kan worden toebedeeld aan andere gebouwgebruikers. c. Er wordt rekening gehouden met de culturele en maatschappelijke waarde en de stedenbouwkundige uitstraling in samenhang met de omgeving. d. Er wordt rekening gehouden met mogelijkheden om de gestelde duurzaamheidsambities (zie bouwsteen 4) te bereiken. e. De kosten en mogelijkheden voor tijdelijke huisvesting worden meegenomen in de afweging voor nieuwbouw of renovatie. f. De toekomstige exploitatie- en onderhoudslasten worden meegenomen als afweging voor nieuwbouw of renovatie. g.
De levensduur van het gebouw wordt gekoppeld aan de leerlingprognose en scenario ontwikkeling.
Pagina 10 van 11
h. i.
4.
Er wordt rekening gehouden met de bouwtechnische staat van het schoolgebouw – is renovatie een (financieel) haalbare en aantrekkelijke optie? Er wordt gekeken naar de meerjarenplanning van andere scholen en dorpsfuncties die wellicht nieuwbouw gaan krijgen – dan is gezamenlijke huisvesting in die nieuwbouw een interessante optie. In dat geval kan in samenspraak gekozen worden om een enkele jaren te overbruggen en daarna over te gaan tot gezamenlijke nieuwbouw.
Het IHP geeft de schoolbesturen en de gemeente inzicht in de vervangingstermijn van hun gebouwen. Schoolbesturen zijn door het IHP in staat om onderhoud en duurzaamheidsmaatregelen af te stemmen op het moment van nieuwbouw of renovatie. Gemeenten kunnen in hun meerjarenbegroting rekening houden met de vervanging van onderwijsgebouwen en daardoor financieel voorsorteren op de komende uitgaven/investeringen.
Colofon Uitgave: Datum:
HEVO B.V. 1 juli 2021
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Contact Statenlaan 8 5223 LA 's-Hertogenbosch
Postbus 70501 5201 CB 's-Hertogenbosch
T +31 (0)73 6 409 409 info@hevo.nl www.hevo.nl
www.rpmbyhevo.nl
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Niets uit deze uitgave mag zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van HEVO B.V. worden gekopieerd, noch aan derden ter inzage worden gegeven
Referentie: 1692101-0022.0.1.
Pagina 11 van 11