CConstaterende datMaasgouw
Koppel je AI →
Document · PDF

ONTVANGEN 20-08-2025 212276-Uitspraak gerechtshof watertoeristenbelastingen 2021 en verder-signed

06. Raadsinformatiebrieven 16 september 2025, gemeente MaasgouwBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven behorend bij de portefeuille van wethouder Cretskens919 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAADSINFORMATIEBRIEF (RIB)

hidden_achternaam hidden_voornaam hidden_tussenvoegsels

Zaaknummer :

Z/25/150322

Documentnummer: D/25/212276 Inlichtingen: Erwin Hollanders Team: Bestuurszaken, Strategie en Control Aan de leden van de raad van de gemeente Maasgouw Portefeuillehouder: Portefeuillehouder Cretskens Onderwerp: Uitspraak gerechtshof watertoeristenbelastingen 2021 en verdere gevolgen Bijlage: -

Geachte leden van de raad, Vanaf boekjaar 2021 is in de verordening op de heffing en de invordering van watertoeristenbelasting Maasgouw in artikel 4 Vrijstellingen een aanvullend lid opgenomen, namelijk lid d: ‘boten van leden van watersportverenigingen die gevestigd zijn in de gemeente Maasgouw’. Uitspraak Naar aanleiding van deze wijziging is bezwaar aangetekend door een belanghebbende die niet aan deze vrijstellingsvereisten voldoet. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een beroepszaak, waarbij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 16 juli 2025 uitspraak heeft gedaan in de hoger beroepszaak van belastingplichtige X. Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond verklaard. Het geschil in deze zaak is of de aanslag watertoeristenbelasting 2021 terecht is opgelegd en of deze opgelegde aanslag in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat de verordening onverbindend moest worden verklaard, nu de vrijstelling in artikel 4, lid d in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende is van mening dat: gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Er is sprake van onredelijke en willekeurige belastingheffing. De aanslag had niet mogen worden opgelegd.

Bij de invoering van het onderscheid tussen degenen die verblijf houden aan boord van boten die wél en boten die niet van leden van watersportverenigingen zijn, is de gemeente uitgegaan van de ervaringsregel dat leden van watersportverenigingen in haar gemeente a) sporten en b) niet als toerist aanwezig zijn. Volgens belanghebbende zijn de vrijgestelde watersportverenigingen identiek aan de jachthaven. Belanghebbende heeft dit onderbouwd met foto’s. Ook is een ‘vrijgestelde watersportvereniging A’ als voorbeeld aangehaald. De club heeft voornamelijk Duitse leden, deze komen niet uit de regio en hebben een ligplaats om toeristisch te recreëren. Belanghebbende verwees tevens naar de statuten van een vrijgestelde watersportvereniging: “De vereniging heeft ten doel het bevorderen van het beoefenen van de watersport, zowel in het algemeen als van de zeil- en motorbootsport in het bijzonder, een en ander ongeacht of dit in wedstrijddan wel in recreatief of in toeristisch verband geschiedt.” Het hof komt uiteindelijk tot de conclusie dat de gemeente niet zomaar in redelijkheid van de aan de vrijstelling ten grondslag liggende ervaringsregels mocht uitgaan. Daarnaast is de conclusie dat er geen sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond voor de vrijstelling. De vrijstelling leidt tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

De verordening is daardoor in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De verordening dient onverbindend te worden verklaard. De aanslag is ten onrechte aan belanghebbende opgelegd.

Pagina 1 van 2

Vervolg Gezien de geringe kans van slagen wordt niet in cassatie gegaan tegen de uitspraak van het gerechtshof m.b.t. de watertoeristenbelasting 2021. Een geheel of gedeeltelijke onverbindendheid van een verordening heeft in beginsel enkel gevolgen voor de aanslag die in het desbetreffende geschil aan de belastingrechter wordt voorgelegd. Uiteraard kunnen op basis van een onverbindende verordening geen nieuwe aanslagen meer worden opgelegd. Gezien de uitspraak van het gerechtshof is besloten om de aanslagen over de belastingjaren 2022 tot en met 2024 ambtshalve te vernietigen, zowel voor de belanghebbende als voor overige belastingplichtigen (betreft alleen de belastingplichtigen die watertoeristenbelasting betaald hebben over de desbetreffende belastingjaren). Voor 2022 tot en met 2024 geldt dezelfde uitspraak van het gerechtshof voor de belanghebbende aangezien in de verordening van de desbetreffende belastingjaren eveneens deze vrijstelling is opgenomen. Gezien er sprake is van openbaarheid van de besluiten die genomen worden op dit punt, de beperkte groep aan belastingplichtigen, alsmede het acteren volgens het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur worden de eerder opgelegde aanslagen (pro-actief) voor de overige belastingplichtigen watertoeristenbelasting ambtshalve vernietigd. Voor 2025 worden er geen aanslagen watertoeristenbelasting opgelegd.

Voor 2025 is dezelfde verordening als voorgaande jaren van toepassing. Indien een aanslag voor 2025 wordt opgelegd op grond van dezelfde verordening zal de belanghebbende eveneens in bezwaar gaan en zoals hierboven gezegd kunnen op basis van een onverbindende verordening geen nieuwe aanslagen meer worden opgelegd. Aangezien momenteel niet voldaan wordt aan het gelijkheidsbeginsel dient de verordening op dit punt aangepast te worden. Dit betekent dat watersportverenigingen vanaf 2026 niet langer zijn vrijgesteld en aangeslagen worden voor watertoeristenbelasting. Er dient nader (juridisch) onderzocht te worden in hoeverre deze verenigingen middels een subsidieverlening gecompenseerd kunnen worden voor deze extra kosten, indien dit gewenst is. Verder acties (en communicatie), als vervolg op de uitspraak door het gerechtshof en de door het college genomen besluiten naar aanleiding daarvan, worden uitgevoerd door BsGW. Financiële gevolg De totale opbrengsten vanuit de watertoeristenbelasting over de jaren 2021 tot en met 2024 bedragen € 631.000. Hiervan heeft afgerond € 200.000 betrekking op de belanghebbende die het geschil heeft gewonnen. De aanslag voor het belastingjaar 2025 dient nog opgelegd te worden. Uitgaande van een gelijke omvang qua vaartuigen dient voor 2025 rekening gehouden te worden met een minimale opbrengst watertoeristenbelasting van € 200.000.

Het financiële gevolg van de uitspraak en de aan de hand daarvan genomen besluiten door het college leiden tot een incidentele kostenpost (lagere opbrengsten) van circa € 831.000. Door BsGW is aangegeven dat de (juridische) kosten worden doorbelast aan de gemeente Maasgouw. Er moet nog inzicht verkregen worden in deze kosten. Alle financiële consequenties van de uitspraak van het gerechtshof over de watertoeristenbelasting 2021 worden verwerkt in de 2e programmarapportage 2025.

Hoogachtend, Burgemeester en wethouders van Maasgouw, De secretaris,

De burgemeester,

C.M. Keersmaekers

D.W.J. Schneider

Pagina 2 van 2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Maasgouw&id=a2ecac98-d909-47b9-b4b1-8ea5814ec459