bijlage 4 ontwerp omgevingsvisie Maasgouw voorzet wijzigingen tekst nav Zienswijzen
Tekst van het document
•
Biodiversiteit Het realiseren van een samenhangend natuurnetwerk, levert een belangrijke bijdrage aan de biodiversiteit. Naast de realisatie van het natuurnetwerk, dienen zich koppelkansen aan bij versterking van het landschap of het nemen van maatregelen om water langer vast te houden. Ook deze koppelkansen hebben een positieve uitwerking op de biodiversiteit. Ook bij bouwen kan rekening worden gehouden met inheemse dier- en plantensoorten. Verbetering van de biodiversiteit vergt gebiedsgericht maatwerk. Randvoorwaarden die hiervoor nodig zijn, werken we verder uit in andere instrumenten, zoals fondsvorming en het omgevingsplan.
•
Veilige leefomgeving Twee belangrijke aspecten die in het landelijk gebied spelen op het gebied van een veilige leefomgeving, zijn hoogwaterveiligheid en verkeersveiligheid. Op hoogwaterveiligheid is een van de bouwstenen van Waterpanel Noord van toepassing: ‘passende bescherming’. Het staat buiten kijf dat hoogwaterveiligheid voor burgers en bedrijven een hoge prioriteit heeft. Het initiatief voor bijbehorende maatregelen ligt bij Rijkswaterstaat en het waterschap Limburg. De gemeente praat mee over het (tijdelijk) reserveren van gebieden voor wateropvang in verband met de waterveiligheid. Dergelijke reserveringen kunnen worden gecombineerd met andere functies, zoals landbouw maar mogelijk ook voor de verbetering van de biodiversiteit. Ook zoeken we samen met onze partners voor waterveiligheid naar koppelkansen bij de inrichting van gebieden en dijkverzwaring. Een ander veiligheidsaspect in het landelijk gebied heeft te maken met de vermenging van zwaar landbouwverkeer met recreatieverkeer (met name wandelen en fietsen). Deze verkeersstromen zouden zoveel mogelijk moeten worden gescheiden. Dit kan onder meer door de aanleg van solitaire fiets- en wandelpaden.
•
Water en ondergrond Voor het landelijk gebied zijn alle bouwstenen van Waterpanel Noord van toepassing. ‘Natuurlijk water’ (doel: gezond waterecosysteem), het streven naar een natuurlijk waterecosysteem, te bereiken met het robuust en veerkrachtig inrichten van beekdalen. Dit hangt nauw samen met de bouwsteen ‘Passende bescherming’ (tegen hoogwater van de Maas en wateroverlast), waar deze inrichting vaan beekdalen eveneens een rol speelt. Met name deze inrichting kan bijdragen aan het langer vasthouden van water in het landelijk gebied, dat wateroverlast kan beperken. Maar dat vasthouden draagt ook bij aan de bouwsteen ‘Voldoende water’, waarmee verdroging kan worden beperkt. Ook ‘Schoon water’ (bouwsteen 4 speelt in het landelijk gebied een rol, maar wellicht nog meer in de Maasplassen. De opgave waarmee we de verschillende waterdoelen willen bereiken (de bouwstenen) heeft in het landelijk gebied vooral te maken met een robuust en veerkrachtig inrichten van de beekdalen, waar met name het waterschap de initiatiefnemer is. De gemeente ondersteunt deze ambitie en ziet ook koppelkansen met andere thema’s zoals het vergroten van de biodiversiteit. De beekdalen zijn op de visiekaart weergegeven. Ontwikkelingen die een robuuste en veerkrachtige inrichting van de beekdalen in de weg staan, moeten worden voorkomen.
Agrarisch grondgebruik speelt een belangrijke rol bij het in stand houden van de kwaliteiten van de ondergrond. Zo hebben de uitspoeling van nitraten en bestrijdingsmiddelen effect op het grondwater en kan de landbouw verder
verduurzamen door verbetering van de waterkringloop en een gesloten nutriëntenkringloop. Dergelijke ambities passen goed bij het streven naar circulaire landbouw, dat door zowel gemeente als Rijk wordt nagestreefd. •
Mobiliteit en bereikbaarheid Het buitengebied dient goed bereikbaar te zijn en te blijven voor de daar aanwezige functies. Dat geldt voor het landbouwverkeer, maar ook voor recreatieverkeer dat vaak uit wandelaars en fietsers bestaat. Beide functies kunnen ook met elkaar conflicteren. Verbeteren van de bereikbaarheid kan dus ook betekenen dat solitaire routestructuren worden aangelegd, zodat landbouwverkeer en recreatieverkeer meer van elkaar worden gescheiden.
4.4
Maasplassen
4.4.1
Identiteit en koers
IDENTITEIT Als er iets kenmerkends is voor de gemeente Maasgouw, is het wel het landschap dat eerst door de Maas en later door aanleg van kanalen en ontgrondingen is ontstaan. Dit waterrijke gebied is onderdeel van het DNA van Maasgouw geworden. Eerst als centrum van de binnenvaart in Nederland, later aangevuld met een palet aan watersportmogelijkheden. Deze identiteit wordt enerzijds bepaald door het open waterlandschap en de rust die daarvan uitgaat, anderzijds door het intensieve gebruik van hetzelfde landschap voor transport over water en waterrecreatie. Onder de titel Maasplassen, verstaan we niet alleen de Maasplassen zelf, maar ook de rivier de Maas en verschillende kanalen en andere wateren die onderdeel uitmaken van dit blauwe netwerk.
WAT WILLEN WE BEREIKEN?
We willen het kenmerkende Maaslandschap behouden en versterken en daarmee de identiteit van Maasgouw ondersteunen. Dat betekent dat we het open waterlandschap willen behouden en versterken. De Maasplassen zijn daarnaast belangrijk voor de economie van Maasgouw voor zowel scheepvaart als (water-)toerisme. De ontwikkeling van deze economische factor moet in balans blijven met de kwaliteiten van natuur, het open landschap en de weidsheid en rust die dit uitstraalt. Voor nieuwe ontwikkelingen gelden daarom naast de basisprincipes de volgende toetsingscriteria: •
•
•
Overlast; Onder identiteit werd de diversiteit in gebruik van de Maasplassen al benoemd. Vooral in die delen van de Maasplassen waar de intensiteit van het gebruik laag is en daardoor de rust een belangrijke kwaliteit vormt, willen we geen nieuwe activiteiten die deze rust tenietdoen. Gebieden waar al sprake is van intensief gebruik, lenen zich beter voor recreatieve of andere economische activiteiten. Aandachtspunten hierbij zijn overlast door verkeer en afval in de natuur- en recreatiegebieden. Draagkracht; De Maasplassen zijn een belangrijk leefgebied voor plant en dier. Een deel ervan (en enkele gebieden net over de grens met België) is Natura-2000 gebied. Nieuwe initiatieven mogen geen afbreuk doen aan de bescherming van leefgebieden of aan het bewaren van rust en openheid. Bijzondere aandacht gaat uit naar de oevers (overgang water en land). Vanwege hun kwetsbaarheid dienen deze beschermd te worden. Meerwaarde; Initiatieven moeten meerwaarde hebben. Die meerwaarde kan enerzijds bestaan uit het verbreden van het toeristisch-recreatieve aanbod, anderzijds in het versterken van de ruimtelijke kwaliteit en het bieden van duurzame oplossingen.
De Maasplassen bieden ook kansen voor economische ontwikkeling van de watersport zelf en de toeleverende bedrijven. Met name de Nautische boulevard in Wessem is bedoeld om dergelijke bedrijven te faciliteren. Het streven is erop gericht dit gebied verder te ontwikkelen als aantrekkelijk watersport-verblijfsgebied gebundeld met de nautische servicesector om zo voor de watersporters een one-stop-shop te creëren voor de regionale markt (zie ook bijzondere gebieden).
4.4.2
Toelichting op de thema’s
•
Ruimtelijke kwaliteit Verdere toeristisch-recreatieve ontwikkeling, met name van de watersportsector, dient gepaard te gaan met kwaliteitsverbetering. Het handhaven van de landschappelijke openheid betekent dat we uitgaan van ontwikkeling van bestaande locaties. In uitzonderingsgevallen kunnen nieuwe locaties worden ontwikkeld, als nadrukkelijk bijgedragen wordt aan een kwaliteitsimpuls en wordt afgedragen aan het kwaliteitsfonds. Dit kan door versterking van landschapskwaliteiten en verbeteren van de biodiversiteit, maar de kwaliteitsimpuls kan ook voortkomen uit een verbreding van het recreatieve aanbod die de identiteit van de Maasplassen verder versterkt.
•
Duurzaamheid Een opgave die zich ook in de Maasplassen kan voordoen is de opwek van duurzame energie in de vorm van zonnevelden op water. Deze mogen enerzijds de landschappelijke openheid, rust en biodiversiteit niet aantasten, anderzijds moeten zij de scheepvaart en watersport niet beperken. De gebieden die na deze toets overblijven, met name de wateren direct rond de Clauscentrale, zijn op de kaart aangegeven. Een andere opgave bestaat uit het verder verduurzamen van de scheepvaart- en watersportsector op het gebied van uitstoot van waarmee water- en luchtkwaliteit kan worden verbeterd. Denk bijvoorbeeld aan elektrisch varen, het beperken van (toxische) aangroei werende middelen, voorzieningen voor inname van vuil water en afgewerkte olie. Gezondheid Watersport kan bijdragen aan een positieve gezondheid. Denk aan beweging, de rust op het water en natuurbeleving. Dit geldt ook voor andere activiteiten in en om de Maasplassen, zoals zwemmen, vissen, wandelen en fietsen. Om die reden is de toegankelijkheid van de Maasplassen ook belangrijk voor onze gezondheid. Daarnaast heeft vervuild oppervlaktewater directe gevolgen voor de gezondheid van mensen en dieren (bijvoorbeeld door de verspreiding van ziekten). De kwaliteit van het water is daarom ook belangrijk voor de gezondheid. Nieuwe initiatieven mogen geen afbreuk doen aan de waterkwaliteit en verbeteren deze bij voorkeur.
•
Biodiversiteit De Maasplassen herbergen vele dier- en plantensoorten. De Maas en enkele Maasplassen vanaf de Koningssteen zijn Natura 2000 gebied. Nieuwe initiatieven mogen geen afbreuk doen aan de biodiversiteit en dragen daar bij voorkeur aan bij.
•
Veilige leefomgeving Een veilige leefomgeving wordt gewaarborgd door een goede bescherming tegen hoogwater van de Maas. Het RijkRijkswaterstaat en Waterschap Limburg zijn hier primair verantwoordelijk voor. De gemeente heeft een positie in het integraal riviermanagement. Hier kunnen zo mogelijk maatregelen met betrekking tot hoogwaterveiligheid gekoppeld worden aan andere doelen die we hier willen bereiken. De vermenging van beroepsvaart en waterrecreatie kan op gespannen voet staan met de veiligheid op het water. Deze situatie wordt vaak versterkt door onwetendheid van de watersporter. Goede voorlichting, aanwijzingen en bebording kan daarbij helpen. Gemeente, Rijkswaterstaat en de watersportsector trekken hierin bij voorkeur samen op.
•
Water en ondergrond Een bouwsteen (Waterpanel Noord) die specifiek op de Maasplassen van toepassing is, is ‘Schoon water’. Schoon grond- en oppervlaktewater draagt bij aan een aantrekkelijke leefomgeving. In de Maasplassen is schoon water essentieel, zowel voor de waterrecreatie (schoon zwemwater), maar ook voor het verbeteren van de biodiversiteit (‘Natuurlijk water’) en drinkwaterwinning. Dit belang geldt specifiek voor De Lange Vlieter, de waterplas waarvan de Waterleidingmaatschappelijk Limburg (WML) haar water voor drinkwatervoorziening betrekt.. In zijn algemeenheid geldt het belang van bescherming van bodemkwaliteit en de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater voor een veel groter gebied. De bescherming van deze kwaliteiten is verder geregeld in het omgevingsplan.
•
4.5
Mobiliteit en bereikbaarheid Een goede bereikbaarheid van de Maasplassen is niet alleen belangrijk voor de waterrecreant, een goede bereikbaarheid draagt ook bij aan het voorkomen van overlast. Spreiding van plekken waar je bij het water kunt komen, zorgt ervoor dat de druk op de huidige plekken beter kan worden gereguleerd en er minder drukte en daardoor overlast ontstaat. Naast barrière kan het water zelf ook als vervoersas dienen. Voor toeristen en recreanten functioneren diverse veerponten.
Bijzondere gebieden
Onder bijzondere plekken verstaan we enerzijds locaties die zich onderscheiden door bijzondere kwaliteiten die we voor de toekomst willen behouden en versterken, anderzijds locaties waar een bijzondere veranderopgave plaats vindt, die verder uitgewerkt moet worden en waar de omgevingsvisie de koers op hoofdlijnen bepaalt. Die laatste kan mogelijk afwijken van de algemene gebiedsdoelen die we onder de drie gebiedstypen hebben geformuleerd. 4.5.1 De parels van Maasgouw Uit verschillende bronnen blijkt dat Maasgouw gezegend is met een aantal bijzondere plekken van hoge kwaliteit. Vaak wordt die kwaliteit ingegeven door fraaie natuur en landschap of door cultuurhistorische kwaliteiten. Je zou bijna zeggen: ‘niks meer aan doen!’. Dat laatste zou betekenen dat op deze plekken geen ontwikkelingen spelen. En dat is niet het geval. Ook voor deze parels kunnen we kansen benutten om de kwaliteiten ook voor de toekomst te behouden. We noemen: • Historische kernen Thorn, Stevensweert en Wessem De beschermde stads- en dorpsgezichten van Thorn, Stevensweert en Wessem zijn van hoge kwaliteit en ook ver buiten de gemeentegrenzen bekend. Bescherming van deze kwaliteit heeft zowel betrekking op de kernen zelf als op het behoud van open zicht op deze historische kernen. Daarnaast liggen hier kansen voor recreatie en toerisme.
Ontwikkeling van recreatie kan plaats vinden met behoud van de kwaliteiten van de historische kernen. In Wessem biedt de combinatie van watersportcentrum en de historische kern extra kansen. • Waardevolle natuurgebieden Fraaie natuurgebieden, zoals de Beegderheide en de Heelderpeel, bieden bewoners en recreanten de mogelijkheid van extensief recreatief medegebruik. Tegelijkertijd moeten we zorgen dat te intensief gebruik, verdroging en verstoring geen knelpunt gaan vormen in de toekomst. • Het Maaslandschap Door kanalisatie en ontgrondingen is een belangrijk deel van het oorspronkelijk Maaslandschap verdwenen. Toch zijn er nog een paar gebieden die een beeld geven van het landschap van voor die tijd. Het Eiland in de Maas en de Linnerweerd zijn twee van die pareltjes. Beiden vormen een fraai overblijfsel van het oorspronkelijke Maaslandschap dat de moeite waard is om te behouden, maar waar diverse ontwikkelingen ook vragen om kwaliteitsverbetering. • Monumenten Maasgouw is vele monumenten rijk, waarvan er een aantal hun functie hebben verloren. Hierdoor ontbreekt de financiële grondslag voor behoud, onderhoud en bescherming. Via een ruime functietoekenning willen we dergelijke monumenten voor de toekomst te behouden. Ook het kwaliteitsfonds kan voorzien in bijdragen die leiden tot behoud.
4.5.2 Veranderopgaven • De Nautische boulevard De gemeente ontwikkelt samen met ondernemers de Mauritshaven in Wessem tot Nautische Boulevard. Doel is om hier naast het aantrekkelijke watersport-verblijfsgebied ook de nautische servicesector te bundelen en voor de watersporters een one-stop-shop te creëren voor de regionale markt. In de Mauritshaven zijn nu zowel bedrijven aanwezig die zich richten op de watersportsector als andere bedrijven. De bedoeling is dat er een natuurlijke transformatie plaats vindt naar watersport gerelateerde bedrijvigheid. Hiervoor gelden de eerste twee voorwaarden voor transformatie (zie onder 4.2.2. ruimtelijke kwaliteit). De achtergrond voor deze koers voert terug op de visie herstructurering bedrijventerreinen Maasgouw 2013-2018. In deze visie wordt geconstateerd dat er weinig groeimogelijkheden zijn voor bestaande bedrijven in het algemeen en voor watergebonden bedrijven in het bijzonder. Om de schaarse ruimte aan (natte) bedrijventerreinen optimaal te benutten, wil de gemeente voor de Prins Mauritshaven aansluiten bij de ontwikkeling en bevordering van de
watersport, die in dit gebied al langer gaande is. Ook de provincie ondersteunt dit voornemen, wat onder meer blijkt uit de subsidie die de provincie heeft toegekend voor de transformatie van de Prins Mauritshaven. De gemeente wilde oorspronkelijk via actief grondbeleid verdere sturing geven aan deze ontwikkelingen. Transformatie, en daarmee het schrappen van planologische rechten, is aan de orde als de gemeente zelf actief gronden verwerft of dit op vrijwillige basis plaatsvindt. In de praktijk blijkt dat lastig te realiseren. Dat betekent dat de transformatie nu eveneens op basis van beleidsmatige aansturing moet gaan verlopen, bijvoorbeeld door bij medewerking aan een initiatief functies toevoegen en schrappen in een planologische procedure. Bestaande bedrijven houden hun huidige rechten die ze op basis van het omgevingsplan hebben. Aan nieuwe ontwikkelingen die niet passen binnen het omgevingsplan wordt alleen meegewerkt, als deze passen bij de beleidsdoelen zoals in deze omgevingsvisie zijn omschreven. Daarmee wordt stap voor stap uitvoering gegeven aan het realiseren van de ambities en doelen voor de Nautische Boulevard.
Stip op de horizon Het beeld dat de gemeente nastreeft, bestaat uit een volledige invulling als one-stop-shop, met bedrijven in milieucategorie 1 t/m 4.1, net als in de huidige omgevingsplan maar met een thematische aanduiding passend binnen het concept van de one-stop-shop, gerelateerd aan de recreatievaart. Dit betekent bijvoorbeeld dat ook horeca- en evenementenfunctie toegevoegd kan worden. Daarnaast wordt ook in een jachthavenfunctie, inclusief incidenteel nachtverblijf en dagrecreatie voorzien. Voor jachthavens en voor bouw- en onderhoud van houten schepen geldt milieucategorie 3.1. Voor de bouw- en onderhoud van kunststof of metalen schepen gelden de categorieën 3.2 respectievelijk. 4.1. Dit betekent dat alle voorziene nautische bedrijvigheid binnen deze milieucategorieën inpasbaar zijn. De woonboten en het comfortpark blijven in de huidige vorm aanwezig. Deze zijn overigens gelegen buiten de Nautische Boulevard. De entree van het gebied en de aansluiting met de omgeving zijn belangrijke aandachtpunten. Er wordt rekening gehouden met het gegeven dat enkele bedrijven nog lange tijd in het gebied gevestigd zullen zijn. Bij de stip op de horizon past het volgende kaartbeeld:
Afbeelding 4. Koers op hoofdlijnen voor de Nautische boulevard •
Haven van Maasbracht In 1998 is de visie ‘Havenfront’ vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Maasbracht. Deze
ontwikkelingsvisie schetste een samenhangend perspectief voor ingrepen in de ruimtelijke en functionele structuur alsook voor de inrichting van de openbare ruimte voor het Havenfront te Maasbracht. In de loop der jaren hebben diverse ontwikkelingen binnen het Havenfront plaatsgevonden conform het perspectief van deze visie. In 2019 is deze visie geactualiseerd en vormt daarmee een actueel toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. Diverse onderdelen uit de geactualiseerde visie dienen nog uitgevoerd te worden om de visie te completeren. Dit zijn hoofdzakelijk stedenbouwkundige aspecten. In deze omgevingsvisie wordt dat beleid voortgezet. •
Clauscentrale In de gesprekken (ambtelijk en bevolking) is de Clauscentrale vaak genoemd als een bijzondere plek. Enerzijds vanwege de aandacht voor de milieueffecten van de elektriciteitscentrale zelf, anderzijds vanwege de kansen voor transformatie naar een plek voor het opwekken van duurzame energie of naar een recreatieve functie. Sinds 1 oktober 2020 is de aardgasgestookte centrale weer in gebruik genomen. Daarnaast heeft het energiebedrijf plannen om de centrale uit te breiden. De benodigde vergunningen zijn hiervoor al afgegeven. Als gevolg van de moeilijke economische vooruitzichten voor aardgasgestookte energiecentrales zijn er momenteel geen concrete plannen om de uitbreiding te realiseren. Toch zien wij kansen om de Clauscentrale en omgeving als energielandschap aan te wijzen. Uitvloeisel van die gedachte is dat de directe omgeving van de Clauscentrale is aangeduid als gebied waar de opwek van duurzame energie afweegbaar is. Dat geldt zoel voor het agrarisch cultuurlandschap als voor de Maasplassen.
•
Gebied tussen Thorn en Wessem Hier spelen verschillende opgaven, zoals waterberging, kwaliteitsverbetering van het landschap, en transformatie van leegstaande bebouwing. Het is zaak om met slimme combinaties een transformatie te bewerkstellingen die bijdraagt aan het kwaliteitsstreven van het buitengebied. Het zoeken naar kansen en synergie vraagt om een nadere uitwerking.
•
Bestaande recreatieparken Bestaande recreatieparken functioneren nu onvoldoende waarvoor ze zijn bedoeld: recreatie. Hoe de bestaande recreatieparken kunnen worden versterkt en gerevitaliseerd naar een daadwerkelijke recreatieve functie vraagt om een nadere uitwerking.
•
Kern Panheel In de kern Panheel vindt functiemenging plaatst van wonen en bedrijven. De gevestigde bedrijven geven een rommelige uitstraling aan het dorp. Dit levert knelpunten op voor de leefbaarheid in de kern. Revitalisering van de bedrijven en herstructurering van functies (scheiding van wonen en industrie) is hier wenselijk. Alleen aan bedrijven ten zuiden van de Heelderweg wordt nog medewerking gegeven aan een ontwikkeling. Aan bedrijven ten noorden van de Heelderweg wordt ingezet om transformatie naar een functie met weinig hinder zoals wonen of recreatie. De wijze waarop we hier uitvoering aan geven, moet nader worden uitgewerkt.
•
Transformatielocaties Al eerder werd gesignaleerd dat er in Maasgouw een aantal plekken zijn die weinig kwaliteit in zich dragen en die door transformatie kunnen worden verbeterd. In de loop van het proces van de omgevingsvisie worden transformatielocaties geïnventariseerd. Er zal dan ook naar de gebiedsontwikkelingen in een aantal kernen gekeken worden. Deze worden toegevoegd aan de uitvoeringsparagraaf van de omgevingsvisie.
5. UITVOERINGSPARAGRAAF 5.1
Inleiding
Een wethouder zei ooit: ‘De omgevingsvisie zelf doet niks. De waarde van de omgevingsvisie blijkt pas als we in staat zijn uitvoering te geven aan al deze mooie woorden’. In dit hoofdstuk willen we daar verder invulling aan geven. Maar wie moet dat doen, die uitvoering? De tijd van de regisserende gemeente die overal over gaat, is voorbij. Voor Maasgouw geldt dat al langer. In de Strategische visie 2025 is destijds al vastgelegd dat we samen de schouders eronder moeten zetten om iets voor elkaar te krijgen en dat de gemeente anderen nodig heeft om haar doelen te realiseren. Hoe we denken over de rol- en taakverdeling leest u in paragraaf 5.2. En als de gemeente niet (alleen) de uitvoering op zich neemt, wat verwachten we dan van initiatiefnemers? Via initiatieven willen we eveneens onze doelen realiseren. Die moeten daar immers aan bijdragen. De omgevingsvisie is een belangrijk hulpmiddel om te beoordelen of initiatieven dat doen. Niet een kader waarin precies staat wat wel en niet mag, eerder een gesprekshandleiding die helpt om initiatieven bespreekbaar en daardoor haalbaar te maken. Hoe we dat doen, leest u in paragraaf 5.3. En waar de gemeente een actievere rol speelt, is het mooi als er ook middelen beschikbaar komen, om doelen dichterbij te brengen. Hoe we gaan werken met een fonds, leest u in paragraaf 5.4.
Naast financiële middelen zijn er nog andere instrumenten die helpen onze doelen te realiseren. Welke dat zijn en hoe we die in de toekomst willen inzetten, beschrijven we in paragraaf 5.5.
5.2
Rolopvatting
De gemeente Uit de toekomstvisie 2025 blijkt al welke rol de gemeente Maasgouw wil spelen in de fysieke leefomgeving. De uitvoering ligt voornamelijk bij andere partijen. De gemeente faciliteert processen en ontwikkelingen, waarbij zij die beoordeelt op basis van kaders, waaronder deze omgevingsvisie. Deze rolopvatting willen we met deze omgevingsvisie voortzetten, waarbij een dergelijke beoordeling niet louter plaatsvindt in een toetsende rol, zoals voorheen gebruikelijk was. De gemeente denkt op een positieve manier mee met ontwikkelingen die de ambities en doelen van de omgevingsvisie dichterbij brengen. We maken in deze omgevingsvisie ook duidelijk dat we werk willen maken van ruimtelijke kwaliteit. Hiervoor wordt een fonds in het leven geroepen (zie ook 5.4). Met de middelen uit dit fonds willen we niet alleen een faciliterende rol spelen, maar willen we ook een actieve rol oppakken bij het nemen van kwaliteit verbeterende maatregelen, gefinancierd met onder meer het kwaliteitsfonds. De initiatiefnemer Van initiatiefnemers wordt verwacht dat zij bijdragen aan de ambities en doelen van het omgevingsplan. Dat kan direct (realiseren van ambities, zoals opwekken van duurzame energie) of indirect (voldoen aan voorwaarden, die gepaard gaan met het toestaan van en meewerken aan initiatieven, waaronder het afdragen aan een fonds).
In paragraaf 5.3 is aangegeven hoe de gemeente wil omgaan met het beoordelen van dergelijke initiatieven. Samenwerking Bij deze rolopvatting past een intensieve samenwerking met alle relevante betrokkenen; van initiatiefnemer, tot andere belanghebbenden, van gemeente tot ketenpartners, van ambtenaar tot bestuurder. We zien een grote meerwaarde in deze manier van samenwerken; meer mogelijkheden voor koppelkansen, waardoor initiatieven kunnen verbeteren en worden versterkt en een betere en snellere besluitvorming vanwege eerder bereiken van consensus bij de betrokken partijen. Monitoring Zowel met betrekking tot geschetste werkwijze als tot de inhoud van de omgevingsvisie, willen we de vinger aan de pols houden. Om die reden monitoren we zowel onze werkwijze als de inhoud van de omgevingsvisie. Hierdoor kunnen we constateren of we vooruitgang boeken. Leiden de doelen die we hebben gesteld en de voorwaarden die we daaraan hebben verbonden ook daadwerkelijke tot een betere kwaliteit van de leefomgeving? Als dat niet het geval is, zullen we
moeten bezien of de maatregelen die we voor ogen hadden wel de juiste zijn, of dat de geformuleerde ambities en doelen nog voldoende actueel zijn (zie ook onder 5.5).
5.3
Beoordeling initiatieven
Nieuwe ontwikkelingen die niet in het omgevingsplan passen (en na 1 juli 2022 in het omgevingsplan), worden getoetst aan de koers van het gebied en de onderliggende thema’s. Daarbij gaan we op zoek in hoeverre het initiatief bijdraagt aan de gestelde doelen of daar op zijn minst geen afbreuk aan doet. Gemeente Maasgouw geeft ruimte aan flexibiliteit en maatwerk bij de beoordeling van initiatieven. De gemeente hanteert een welwillende ‘ja, mits’-houding. In het ‘mits’ zitten de voorwaarden opgesloten die aan nieuwe initiatieven meegeven worden. De ligging in een gebied en de koers voor dat gebied geven handvatten aan het college om voorwaarden aan een nieuw initiatief mee te geven. Als een initiatief zich aandient, hanteren we de volgende stappen en spelregels: Stap 1. Bijdrage doelen De gemeente beoordeelt of het initiatief bijdraagt aan de doelen die we in de omgevingsvisie hebben geformuleerd (zie hoofdstuk 3 en 4). Het initiatief dient op zijn minst geen afbreuk te doen aan de gestelde doelen. Stap 2. Maatschappelijk draagvlak Wat onder ‘voldoende’ bijdrage aan de visie moet worden verstaan, wordt medebepaald door het maatschappelijk draagvlak. Dit wordt door de initiatiefnemer georganiseerd. De gemeente kan hierbij behulpzaam zijn. Een gebiedsdialoog met betrokkenen speelt een belangrijke rol bij het creëren van draagvlak. Stap 3.
Voldoet het project aan omgevingsaspecten In de structuurvisie zijn ambities en doelen op hoofdlijnen geformuleerd. Daaronder ligt een heel palet aan wet- en regelgeving dat van toepassing kan zijn. Hiermee moet eveneens rekening worden gehouden en is een verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer. Past een initiatief in de visie, dan onderzoekt de initiatiefnemer hoe het initiatief mogelijk kan worden gemaakt. De gemeente kan hierbij helpen. Stap 4. Bijdrage ruimtelijke kwaliteit Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling verwachten we van de initiatiefnemer dat er ook wordt geïnvesteerd in verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In het buitengebied deden we dit al met het gemeentelijk kwaliteitsmenu (GKM). Dit fonds willen we echter breder gaan inzetten. De eerste ideeën zijn, om net als in het GKM, zowel een fysieke- als een financiële bijdrage te vragen van initiatiefnemers. De financiële bijdrage wordt gebruikt om de doelen die voor het betreffende gebied zijn gesteld, te ondersteunen. Dit kan dus breder worden ingezet dan alleen ruimtelijke kwaliteit. Een eerste aanzet voor deze regeling treft u aan in paragraaf 5.4., fondsvorming. Stap 5 Financiering, prioriteitstelling en fasering Als (mede)financiering van de gemeente noodzakelijk en gewenst is, dan kan het project zo mogelijk in de begroting worden opgenomen.
Omdat niet alles tegelijkertijd kan, zal de gemeente prioriteiten stellen en projecten zo nodig faseren. Stap 6 Besluitvorming De gemeente is gesprekspartner, faciliteert (ambtelijk) en is op een hoger abstractieniveau de bewaker van de onderlinge samenhang (college en raad). Ook als het maatschappelijk draagvlak geen duidelijk beeld geeft van de wenselijkheid van het initiatief, zal het gemeentebestuur uiteindelijk de knoop doorhakken. Omgekeerd betekent dit, dat als een initiatief voldoet aan stap 1 t/m 4 (of 5), het college en raad het initiatief in principe zullen omarmen.
5.4
Fondsvorming
Om onze ambities kracht bij te zetten en hiervoor middelen te genereren kunnen we fondsen inzetten. Dat is geen nieuw instrument voor de gemeente, we kennen immers al een fonds voor het gemeentelijk kwaliteitsmenu (GKM).
Gemeentelijk Kwaliteitsmenu De gemeente heeft in 2012 het GKM vastgesteld, als uitwerking van het Limburgs kwaliteitsmenu. Het GKM heeft als doel om (rode) ontwikkelingen in het buitengebied te combineren met kwaliteitsverbetering aldaar. De kwaliteitsverbetering ontstaat door landschappelijke inpassing, een (financiële) kwaliteitsbijdrage dan wel door kwaliteit vebeterende maatregelen. Dit wordt vastgelegd in een Overeenkomst Gemeentelijke Kwaliteitsmenu (anterieure overeenkomst). De kwaliteitsbijdrage wordt gestort in een fonds dat weer wordt aangewend om de kwaliteit van het buitengebied te verbeteren. Het GKM functioneert nu 9 jaar naar behoren. Een evaluatie kan ons verder helpen het GKM zo mogelijk verder te verbeteren. Daarbij onderzoeken we of we dit fonds breder kunnen inzetten, zodat extra middelen beschikbaar komen waarmee we onze ambities uit de omgevingsvisIe een stap verder kunnen brengen. Deze ambities en doelen van de omgevingsvisie worden in belangrijke mate gedragen door de drie basisprincipes: ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en gezondheid. In dat geval onderzoeken we ook of het fonds binnen de hele gemeente ingezet kan worden en niet alleen in het buitengebied. Een dergelijke fonds, waarvoor we in de omgevingsvisie de basis leggen, noemen we het fonds omgevingskwaliteit.
Binnen deze basis benoemen we wel alvast wie bij zou moeten dragen aan het fonds, waar de middelen van het fonds voor kunnen worden ingezet en welke instrumenten toegepast kunnen worden om dit goed te regelen. Na vaststelling van de omgevingsvisie werken we dit fonds verder uit. Wie draagt bij? Droegen in het GKM alleen rode ontwikkelingen in het buitengebied bij aan het fonds, bij een fonds omgevingskwaliteit beperken we ons niet tot het buitengebied. Rode ontwikkelingen binnen de hele gemeente dragen bij. We hanteren ook een ondergrens, die we baseren op de volgende twee criteria: 1. Alleen ontwikkelingen waarin sprake is van een afwijking van het omgevingsplan (met een omgevingsvergunning of door het wijzigen van het omgevingsplan) vragen we een bijdrage aan het fonds; 2. De ondergrens wordt ook gebaseerd op een minimale bouw- of gebruiksomvang. Waar die grens precies ligt is onderwerp van nadere uitwerking. Waaraan wordt bijgedragen? Bij het fonds omgevingskwaliteit wordt bijgedragen aan grijze/groene/blauwe projecten2 die: • Bijdragen aan de doelen van de omgevingsvisie in het algemeen, en • Bijdragen specifiek aan de doelen ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en gezondheid, en • Een meerwaarde hebben voor de Maasgouwse samenleving, en • Een tekort in de businesscase hebben.
De gemeente stelt een beleidsnotitie op (bijvoorbeeld een programma) waarin de te behalen doelen, de inzet van het fonds en de prioritering aan elkaar worden gekoppeld. Vergelijkbaar met het GKM wordt er een monitoringstool opgenomen, waarmee we zicht houden op het al of niet bereiken van onze doelen en daarmee op de effectiviteit van het instrument. Hoe regelen we dat? Conform het GKM borgen we het fonds omgevingskwaliteit door middel van een verordening. Deze is bindend voor zowel de overheid als initiatiefnemers. In de verordening leggen we ook vast wat de omvang van de bijdrage moet zijn en hoe die wordt berekend. Bij de verdere uitwerking van het fonds en de verankering in de verordening, zal gebruik gemaakt worden van de ervaringen die met het GKM zijn opgedaan. Door het instellen van een fonds omgevingskwaliteit zorgen we ervoor dat we gezamenlijk bijdragen aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en gezondheid binnen de gemeente. In deze paragraaf is op hoofdlijnen aangegeven wie bijdraagt aan het fonds, waar die bijdragen aan worden besteed en hoe we dat gaan regelen. Dit behoeft
2
Dit zijn projecten op het gebied van milieu, natuur & landschap en water in de brede betekenis van het woord
een verdere uitwerking, die we ter hand nemen na vaststelling van de omgevingsvisie. Tot die tijd blijft het GKM functioneren.
5.5
Houdbaarheid en de relatie met andere instrumenten
De omgevingsvisie is een van de vele instrumenten waarmee ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving kunnen worden aangestuurd. We geven aan wat de relatie is met andere instrumenten, waarbij we een onderscheid maken tussen instrumenten van de Omgevingswet en overige instrumenten. De relevante instrumenten van de Omgevingswet voor de gemeente zijn: 1. De omgevingsvisie 2. Het programma 3. Het omgevingsplan 4. De omgevingsvergunning 5.5.1 De houdbaarheid van de omgevingsvisie Vaak wordt de vraag gesteld hoe lang een omgevingsvisie ‘houdbaar’ is. In Maasgouw is er bewust voor gekozen een omgevingsvisie op een vrij hoog abstractieniveau op te stellen. Verdere detaillering volgt zo nodig via uitwerkingen en programma’s (zie hieronder). De ambities en doelen zullen niet snel verouderen. Tegelijkertijd is de omgevingsvisie ook een weerslag van maatschappelijke ontwikkelingen. Zodra die ontwikkelingen vragen om nieuwe of andere doelen te formuleren, is aanpassing van de omgevingsvisie nodig. Als dergelijke ontwikkelingen nog steeds om dezelfde doelen vragen maar om andere maatregelen, is aanpassing van de omgevingsvisie niet nodig. Dan kan worden volstaan met andere uitwerkingen of programma’s. Daarvoor ligt de verantwoordelijkheid bij het college.
(Deel)aanpassingen van de omgevingsvisie zelf is en blijft een verantwoordelijkheid van de gemeenteraad en vraagt dus om een volledige vaststellingsprocedure, inclusief tervisielegging gedurende 6 weken. Zoals in paragraaf 5.2 al is beschreven, houden we via zorgvuldige monitoring de vinger aan de pols, waarmee voortdurend zicht is op de actualiteit van de omgevingsvisie en op de bijbehorende uitwerkingen, programma’s en andere maatregelen die we inzetten om onze ambities te realiseren. 5.5.2 Het programma Het programma is een instrument dat geen burgers bindt, maar wel het gemeentebestuur. Er bestaan verplichte en vrijwillige programma’s. Voor het realiseren van de veelal kwalitatieve doelen van de omgevingsvisie, zullen met name vrijwillige programma’s worden gehanteerd. In het programma geef je de maatregelen weer, om de doelen uit de omgevingsvisie te realiseren. Het programma kan ook een uitwerking zijn van een specifiek onderdeel van de omgevingsvisie. Het maatregelenpakket kent een tijdsperiode, waarbinnen het voorgenomen doel moet worden bereikt. In het programma kunnen ook maatregelen worden opgenomen die andere partijen moeten nemen om het doel te bereiken. Uiteraard moet een en ander goed onderling worden afgestemd. De gemeente is verplicht het programma te monitoren.
Zo kan goed worden bijgehouden of het maatregelenpakket afdoende is om het voorgenomen doel te bereiken. Is dat niet het geval, kan de gemeente extra maatregelen nemen om het doel alsnog te bereiken. In onderstaand kader wordt een voorbeeld gegeven van een programma. Voorbeeld: programma ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en gezondheid In Maasgouw hebben we duidelijke ambities met de drie basisprincipes; ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en gezondheid. We stellen voorwaarden aan nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot de drie basisprincipes en stellen er een fonds voor in. Met gelden uit dat fonds kunnen we als gemeente gerichte acties uitvoeren, gericht op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en gezondheid. Hiervoor stellen we een programma op, waarin we aangegeven welke doelen we willen bereiken en wanneer en welke maatregelen we hieraan willen koppelen. Door de maatregelen te monitoren, wordt zichtbaar of we onze doelen ook daadwerkelijk bereiken. Halen we onze doelen niet, dan nemen we extra maatregelen om onze doelen alsnog te kunnen bereiken. Dit programma moet nog worden opgesteld en uitgewerkt, evenals het fonds dat hiervan deel gaat uitmaken.
Daarmee legt de gemeente niet alleen de voorwaarden vast (bijvoorbeeld in het omgevingsplan), maar draagt ze zelf ook bij door maatregelen te treffen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en gezondheid.
5.5.3 Het omgevingsplan Het omgevingsplan is de opvolger van het bestemmingsplan, maar kent een bredere werking. Zo worden ook bepaalde milieuregels opgenomen en komen uiteindelijk de gemeentelijke verordeningen ook in het omgevingsplan terecht. In tegenstelling tot het programma, bindt het omgevingsplan burgers en bedrijven wel. In het omgevingsplan is vastgelegd hoe gronden en gebouwen mogen worden gebruikt en wat er mag worden gebouwd. Ook worden er specifieke milieuregels in het omgevingsplan opgenomen. De kansen en ontwikkelingsmogelijkheden die in de omgevingsvisie worden geboden, worden in het omgevingsplan mogelijk gemaakt. Tegelijkertijd worden de kwaliteiten die in de omgevingsvisie zijn benoemd in het omgevingsplan veiliggesteld, door daar regels aan te verbinden. Dat kunnen verbodsbepalingen zijn of voorwaarden waar ontwikkelingen aan moeten voldoen om vergund te worden. 5.5.4 De omgevingsvergunning De omgevingsvergunning manifesteert zich op twee manieren: 1. De omgevingsvergunning kan worden verleend op grond van het omgevingsplan. De voorwaarden voor vergunningverlening worden ontleend aan het omgevingsplan zelf; 2. Een omgevingsvergunning kan worden verleend waarmee kan worden afgeweken van een omgevingsplan (de zogenaamde buitenplanse omgevingsplanactiviteit).
De voorwaarden voor vergunningverlening worden ontleend aan de omgevingsvisie en aanvullend gemeentelijk beleid. Met name in het laatste geval speelt de omgevingsvisie een cruciale rol. Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als wordt bijgedragen (of op zijn minst geen afbreuk wordt gedaan) aan de ambities uit de omgevingsvisie. 5.5.5 Overige instrumenten Naast de instrumenten die voortkomen uit de Omgevingswet zijn er nog allerlei andere instrumenten waarmee de gemeente haar beleid kracht bij kan zetten. Denk aan het verstrekken van informatie of actiever, het voeren van campagnes. Ook kan de gemeente financieel bijdragen aan ontwikkelingen of subsidies beschikbaar stellen (zoals bijvoorbeeld gebeurt op het gebied van isoleren van woningen). Deze instrumenten worden in het kader van deze omgevingsvisie niet verder uitgewerkt.
BIJLAGE I, LANDSCHAPPELIJK RAAMWERK Uit de omgevingsvisie blijkt onomwonden dat ruimtelijke kwaliteit een belangrijk streven is van de gemeente Maasgouw. Op hoofdlijnen is dat geborgd met de doelen en randvoorwaarden die we in deze omgevingsvisie hebben gesteld. Om te beoordelen of nieuwe initiatieven voldoende bijdragen aan deze ruimtelijke kwaliteit, hebben we met name voor het landelijk gebied en de Maasplassen behoefte aan aanvullend instrumentarium om deze ambitie verder handen en voeten te geven. We willen op een meer gedetailleerd niveau kunnen beoordelen of nieuwe initiatieven de landschappelijke kenmerken niet aantasten en welke maatregelen nodig zijn om die landschappelijke karakteristiek juist te versterken. Hiervoor heeft de gemeente een landschappelijk raamwerk opgesteld. Hiermee krijgt de initiatiefnemer een beeld van hoe deze kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het initiatief en kan de gemeente beoordelen of in voldoende mate wordt bijgedragen aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Het landschappelijk raamwerk bestaan uit verschillende onderdelen; een kaartbeeld van het bestaande en toekomstige landschappelijk raamwerk en een korte toelicht daarop.