Bijlage 3 Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp
Tekst van het document
Sub e De in de aanhef van het tweede lid beschreven passage uit de memorie van toelichting in het bijzonder – maar gelezen in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis – biedt een onderbouwing om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening. Zoveel volgt ook uit de passages in de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever aan heeft willen sluiten bij de huidige rechtspraak op dit punt (zie in het bijzonder de nadere memorie van antwoord, Kamerstukken I 2013-14, 33841, nr. J, p. 18). Hieruit volgt verder dat nadrukkelijk geen (verkapte) inkomenstoets is – of kan worden – beoogd. Ook op grond van de wettekst en blijkens de parlementaire geschiedenis is hiervoor namelijk uitdrukkelijk geen ruimte gelaten (zie verder de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 34, p. 24). Gelet op artikel 2.1.3, eerste en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie1 is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Sub e van het tweede lid voorziet in een dergelijke grondslag.
Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is de weigeringsgrond als ‘kan-bepaling’ vormgegeven; het college van burgemeester en wethouders is daarmee altijd gehouden een inhoudelijke afweging te maken bij iedere individuele aanvraag. Derde lid De te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer is voldoende passend als deze de cliënt in staat stelt tot lokale verplaatsingen (CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1961 en CRvB 27-6-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1972). Het college hoeft dus geen rekening te houden met een bovenregionale vervoersbehoefte (CRvB 9-5-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1487). Op basis van jurisprudentie kan het college in principe volstaan met een voorziening of een combinatie van voorzieningen, waarmee een cliënt tot 2.000 kilometer per jaar kan reizen (CRvB 29-02-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463, CRvB 06-06-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7705, Rechtbank Noord-Nederland 25-7-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:3496). Als de cliënt een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan de cliënt om dit aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen.
Zie in dit kader ook de uitspraak van de CRvB van 22 augustus 2018, waarin de CRvB oordeelt dat de Wmo 2015, evenals de Wmo deed, ruimte biedt om van burgers te eisen dat zij bij het doen van een aanschaf of bij een verhuizing rekening houden met de al aanwezige beperkingen en de redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling hiervan. De Wmo 2015 biedt echter evenmin als de Wmo ruimte, zo stelt de CRvB verder, om van de burger te eisen dat hij preventief maatregelen treft en investeringen doet die tot doel hebben te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden leiden tot een beroep op deze wet. De op deze uitleg gebaseerde overwegingen in het bestreden besluit zijn daarom ondeugdelijk (ECLI:NL:CRVB:2018:2603). 1
18
Vijfde lid Sub a Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. Hierop kan bijvoorbeeld een uitzondering worden gemaakt als de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder weg te laten nemen. Een uitzondering is ook mogelijk als er, gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt, geen zicht is op opheffing van de gebreken binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek. Sub b Het college treft alleen een voorziening in of aan een woning waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als de cliënt over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van co-ouderschap. In dat geval kan een cliënt twee hoofdverblijven hebben, namelijk in de woning van zowel moeder als vader. Sub c Op basis van deze bepaling hoeft het college geen woningen aan te passen aan de beperkingen van een tijdelijk verblijvende bewoner. Hierbij kan gedacht worden aan het verblijf in hotels/pensions, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen.
Het categorisch uitsluiten van aanpassingen in woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning, is toegestaan volgens rechtbankuitspraken (ECLI:NL:RBARN:2008:BH0126 en ECLI:NL:RBROE:2010:BM6304). Sub d Het college verstrekt geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de in deze bepaling genoemde voorzieningen. Sub e Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er kan een uitzondering worden gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn.
Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 WMO). Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Sub f Als een cliënt verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat de cliënt een ongeschikte woning kiest en vervolgens een hulpvraag voor aanpassingen indient bij de gemeente. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste of eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast moet de gemeente inwoners goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat sprake is van een verhuizing
19
naar de voor de situatie van cliënt meest geschikte woning. Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien cliënt verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf tot het college heeft gewend om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen. Onder deze omstandigheden is het aan de cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was. Dit volgt uit CRvB 13-04-2011, nrs. 09/3047 WMO e.a.. Zevende lid Het zevende lid kan ertoe leiden dat als maatwerkvoorziening ten behoeve van het wonen niet een woningaanpassing wordt verstrekt maar een financiële tegemoetkoming (verhuisverkostenvergoeding). De woningaanpassing kan dermate kostbaar zijn dat het college het primaat van verhuizing hanteert.
Artikel 8. Inhoud beschikking
[Wmo/Jeugdwet]
Als de cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger een formele aanvraag (artikel 5 van deverordening) of een verzoek om een beschikking (artikel 4 lid 2 van de verordening) bij het college indient, moet het college een schriftelijke beschikking opstellen, waartegen de cliënt bezwaar en beroep op grond van de Awb kan indienen. Eerste lid Uitgangspunt van de Wmo 2015 en de Jeugdwet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om, waar de verordening dat expliciet toestaat (bijvoorbeeld artikel 7 lid 7 van deze verordening), een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming te verstrekken. Deze toevoeging is opgenomen naar aanleiding van de constatering van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) dat het (ook) onder de Wmo 2015 mogelijk is om een financiële maatwerkvoorziening te verstrekken.2 Het betreft hier nadrukkelijk niet de (financiële) tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische problemen. Deze is geregeld in artikel 19 van deze verordening. Het betreft ook geen pgb, waarvoor een specifiek regime geldt en waarop de cliënt aanspraak maakt als zijn voorkeur hiernaar uitgaat en de aanvraag aan de vereisten van artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 voldoet.
De Wmo 2015 verplicht weliswaar niet om specifiek iets te regelen ten aanzien van financiële maatwerkvoorzieningen. Toch is er voor gekozen, om de inzet van financiële maatwerkvoorzieningen te beperken tot die gevallen waar ze een duidelijke meerwaarde hebben of waar geen alternatief in natura voorhanden is. Met ‘financiële maatwerkvoorziening’ wordt op zichzelf overigens geen inhoudelijke kwalificatie gegeven, het betreft een verstrekkingswijze (in zekere zin de 3e variant, naast in natura en als pgb). Wel geldt – net als bij alle maatwerkvoorzieningen – dat de (financiële) maatwerkvoorziening ‘een passende bijdrage moet leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven’. Het gaat in dit geval om een forfaitaire, niet noodzakelijk kostendekkende tegemoetkoming. Deze mag echter niet zo ver afstaan van de werkelijke kosten van de compenserende maatregel dat deze geen passende bijdrage meer levert aan het verminderen of wegnemen van de beperkingen. Dan kan deze namelijk niet gelden als maatwerkvoorziening. Tweede en derde lid Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’.
Tweede lid, onder b, en derde lid, onder d: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven.
2
Zie de uitspraken van de CRvB van 12 februari 2018 (ECLI:NL:CRV:2019:395 en 396).
20
Artikel 9. Regels voor pgb: algemeen
[Wmo/Jeugdwet]
Tweede lid Sub c Het pgb voor de in dit lid genoemde kosten worden waar mogelijk gebaseerd op de contractafspraken die de gemeente heeft met de aanbieders van de betreffende zorg in natura. Derde lid Een pgb is enkel bedoeld voor de vergoeding van zorgkosten. Andere kosten, zoals reiskosten of een eindejaarsuitkering, kunnen niet afzonderlijk worden betaald uit het pgb. Vierde lid In dit lid wordt beschreven op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Hierbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Gemeenten hebben de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. In dit lid is daar uitvoering aan gegeven. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1 lid 4 sub a van de Jeudgwet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod.
Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Een pgb is gemiddeld genomen goedkoper dan zorg en ondersteuning in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Als op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning tegen lagere kosten kan worden ingekocht, mag voor de berekening van het pgb uitgegaan worden van deze lagere kosten. Sub f Onder een zaak worden alle tastbare voorzieningen begrepen. Hieronder vallen bijvoorbeeld sportvoorzieningen, woningaanpassingen en hulpmiddelen zoals een rolstoel of een traplift. Voor zover het college deze zaken niet in natura heeft ingekocht, geldt een door het college geaccepteerde offerte als basis voor de berekening van het pgb.
Artikel 10. Regels voor pgb: beschermd wonen en opvang
[Wmo]
In dit artikel wordt voor maatwerkvoorzieningen met betrekking tot beschermd wonen en opvang een uitzondering gemaakt op de hoofdregel van artikel 9 lid 4 sub a van deze verordening. De gemeente Maasgouw heeft de taken met betrekking tot (de toegang tot) beschermd wonen en maatschappelijke opvang gemandateerd aan de (centrum)gemeente Venlo. Deze taken worden vanuit het Rijk rechtstreeks bekostigd aan de gemeente Venlo. De gemeente Venlo voert de taken mede namens alle gemeenten in Noord- en Midden-Limburg uit. Omwille van de praktische uitvoerbaarheid is door alle betrokken gemeenten afgesproken het beleid van de centrumgemeente met betrekking tot beschermd wonen en opvang over te nemen. Met dit artikel wordt daar invulling aan gegeven.
Artikel 11. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen
[Wmo]
Op grond van artikel 2.1.4 lid 1 sub a van de Wmo 2015 kan de gemeente een bijdrage vragen voor het gebruik van een algemene voorziening. Dit artikel geeft de kaders weer waarbinnen een dergelijke bijdrage kan worden gevraagd.
Artikel 12. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen
[Wmo]
Dit artikel geeft invulling aan artikel 2.1.4 lid 1 sub b, lid 2 sub b en lid 7 van de Wmo 2015. Derde lid
21
Geen bijdrage aan de gemeente is verschuldigd voor een maatwerkvoorziening voor het collectief vervoer volgens artikel 7 lid 5 van deze verordening. Om gebruik te maken van het collectief vervoer is de cliënt een zonetarief verschuldigd aan de vervoerder. Voor de actuele tarieven wordt verwezen naar de website www.omnibuzz.nl.
Artikel 13. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen voorzieningen en misbruik of oneigenlijk gebruik [Wmo/Jeugdwet] Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.9 onder d van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het tweede, derde en vijfde lid bevatten in hoofdzaak een herhaling van hetgeen al in de tekst van de Wmo 2015 en de Jeugdwet is opgenomen (artikelen 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1 van de Wmo 2015 en artikelen 8.1.2 en 8.1.4 van de Jeugdwet). Deze is voor wat betreft de Jeugdwet hier echter uitgebreid naar maatwerkvoorzieningen. Derde lid Sub d Onder de voorwaarden aan een maatwerkvoorziening vallen, naast de voorwaarden als genoemd in de beschikking, ook de bepalingen in een eventuele (bruikleen)overeenkomst die de cliënt aangaat. Sub f Een voorbeeld van een instelling als bedoeld in sub f is het ziekenhuis. Vijfde lid Verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering is alleen mogelijk wanneer de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien (artikel 4:93 lid 1 Awb).
Deze voorziening is voor wat betreft de Wmo 2015 getroffen in artikel 3.3 lid 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Dat artikel geeft het college de bevoegdheid tot het verrekenen van een vordering op grond van de Wmo 2015 met vorderingen op grond van de Wmo (2007) of de Participatiewet. De verrekeningsbevoegdheid in het Uitvoeringsbesluit beperkt zich gezien de tekst (waarschijnlijk) tot de bijdrage in de kosten en is in het bijzonder opgenomen om de bijdrage voor opvang te kunnen verrekenen met een bijstandsuitkering. Om ook andere vorderingen op grond van de Wmo 2015 te kunnen verrekenen, bijvoorbeeld in het geval van een terug te vorderen pgb, is de bepaling in dit artikel opgenomen. Het artikel geldt bovendien ook voor bestaande vorderingen op grond van de Jeugdwet. Zesde lid Het zesde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat de cliënt daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, sub e van dit artikel.
Artikel 14. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
[Wmo]
Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval staat welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. In het eerste lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeente om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wmo 2015.
Artikel 15. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
[Wmo/Jeugdwet]
In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van
22
een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 14 van deze verordening dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen (eerste lid) en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld (derde lid). Ondanks het feit dat calamiteiten en geweldsincidenten in het kader van Jeugdhulp primair moeten worden gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, moeten aanbieders Jeugdhulp dergelijke gevallen ook bij het college melden.
Artikel 16. Klachtenregeling
[Wmo/Jeugdwet]
Eerste lid Het eerste lid van dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht in het kader van de Jeugdwet. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. Tweede lid In de regel zal de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 3.2 lid 1 sub a van de Wmo 2015 en 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet. Derde lid Het derde lid geeft een aantal instrumenten aan het college om te zorgen dat de klachtregelingen door aanbieders goed worden uitgevoerd.
Artikel 17. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
[Wmo]
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo 2015, waarin staat dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling, voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. Het gaat dus uitdrukkelijk om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. In het verleden moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (hierna: Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van alle genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de Wmo 2015). In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Artikel 18. Prijs en kwaliteit levering dienst door derden
[Wmo/Jeugdwet]
Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, lid 1, van de Wmo 2015 en artikel 2.11 lid 1 van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening in de vorm van een dienst (dus geen zaak) gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en, voor wat betreft voorzieningen op grond van de Wmo 2015, de op grond
23
van artikel 2.6.6, tweede lid, van de Wmo 2015, gestelde nadere regels in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Dit artikel geeft uitvoering aan hierboven weergegeven wettelijke verplichtingen.
Artikel 19. Jaarlijkse waardering mantelzorgers
[Wmo]
Mantelzorgers kunnen bij het college in aanmerking worden gebracht voor de jaarlijkse blijk van waardering (eerste lid). Het college stelt hiertoe nadere regels.
Artikel 20. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
[Wmo/Jeugdwet]
Deze bepaling geeft uitvoering aan de verplichting in artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 en 2.10 van de Jeugdwet om in de verordening te bepalen op welke manier ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van beide wetten. Met het derde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.
Artikel 21. Evaluatie
[Wmo/Jeugdwet]
Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.
Artikel 22. Hardheidsclausule
[Wmo/Jeugdwet]
Eerste lid Het gebruik van de hardheidsclausule is een uitzondering en geen regel. Het college moet in voorkomend geval dan ook duidelijk aangeven (motiveren) waarom zij in een bepaalde situatie van deze verordening afwijkt. Tweede lid Het college heeft op grond van deze bepaling de bevoegdheid om in onvoorziene omstandigheden besluiten te kunnen nemen.
Artikel 23. Overgangsrecht
[Wmo/Jeugdwet]
In dit artikel is het overgangsrecht geregeld. Tweede lid In het tweede lid is vastgelegd dat bestaande rechten en plichten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden en het college een nieuw besluit heeft genomen. Derde lid Het derde lid regelt dat wanneer het recht op de lopende voorziening op grond van het tweede lid doorloopt, ook het recht op de hoogte van het pgb gedurende die periode doorloopt. Hiermee wordt voorkomen dat een cliënt door de inwerkingtreding van deze verordening een lager pgb gaat ontvangen voor een lopende voorziening. Pas bij een nieuw toekenningsbesluit wordt het pgb dan naar beneden bijgesteld. Uitzondering hierop vormt een lopende voorziening in de vorm van een pgb voor een niet-professional in loondienst of naaste familie. De hoogte van het pgb wordt in dat geval gehandhaafd tot het moment waarop het wettelijk minimumloon op gelijk niveau is, ongeacht of het college in de tussentijd een nieuw toekenningsbesluit neemt. Uiteraard gaat het daarbij wel om toekenning van dezelfde maatwerkvoorziening. Vierde lid Dit lid regelt dat aanvragen waarop het college nog niet heeft beslist op het moment dat deze verordening in werking treedt, beoordeeld worden op grond van deze verordening.
Zesde lid Deze bepaling biedt de grondslag om voorzieningen, die toegekend zijn op basis van voorgaande verordeningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, op grond van deze verordening te beëindigen, herzien, in te trekken of terug te vorderen. Een dergelijke bepaling is
24
noodzakelijk omdat de voorgaande verordeningen zijn/worden ingetrokken en daarmee niet meer gelden.
Artikel 24. Inwerkingtreding en citeertitel
[Wmo/Jeugdwet]
Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.
25