Bijlage 3.Huidige gemeenschappelijke regeling Omnibuzz
Tekst van het document
WIJZIGING GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING OMNIBUZZ De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Beek, Beekdaelen, Beesel, Bergen, Brunssum, Echt-Susteren, Eijsden-Margraten, Gennep, Gulpen-Wittem, Heerlen, Horst aan de Maas, Kerkrade, Landgraaf, Leudal, Maasgouw, Maastricht, Meerssen, Nederweert, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul, Venlo, Venray, Voerendaal en Weert, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn: Overwegende • dat de colleges van de gemeenten Beek, Echt-Susteren, Eijsden-Margraten, GulpenWittem, Meerssen, Schinnen, Sittard-Geleen, Stein, Vaals en Valkenburg aan de Geul per 8 december 2005 de gemeenschappelijke regeling Omnibuzz zijn aangegaan; • dat de colleges van de gemeenten Beek, Beekdaelen, Beesel, Bergen, Brunssum, EchtSusteren, Eijsden-Margraten, Gennep, Gulpen-Wittem, Heerlen, Horst aan de Maas, Kerkrade, Landgraaf, Leudal, Maasgouw, Maastricht, Meerssen, Nederweert, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul, Venlo, Venray, Voerendaal en Weert of hun rechtsvoorgangers, per 11 mei 2016 de gemeenschappelijke regeling Omnibuzz hebben gewijzigd dan wel daartoe zijn toegetreden; • dat de samenwerking is gericht op het gezamenlijk nu en in de toekomst uitvoering geven aan het door die gemeenten te verzorgen
doelgroepenvervoer in de provincie Limburg; • dat na de totstandkoming van de hiervoor vermelde samenwerking gebleken is, dat het nodig is de gemeenschappelijke regeling op een aantal onderdelen aan te scherpen c.q. aan te passen aan nieuwe wet- en regelgeving; • dat daarom door het algemeen bestuur besloten is een wijzigingsvoorstel aan de colleges voor te leggen; • dat de hiervoor genoemde colleges, na verkregen toestemming van de gemeenteraden, besloten hebben in te stemmen met het wijzigingsvoorstel. Gelet op • de Wet gemeenschappelijke regelingen; • de Gemeentewet. BESLUITEN De gemeenschappelijke regeling Omnibuzz te wijzigen, waardoor deze als volgt komt te luiden: HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN Artikel 1 Begripsbepalingen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. regeling: de gemeenschappelijke regeling Omnibuzz; b. wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen; c. college: een college van burgemeester en wethouders dat de regeling heeft getroffen; d. gemeente: de gemeente waarvan het college de regeling heeft getroffen; e. raad: de gemeenteraad(en) van een gemeente; f. gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg; g. gebruiker: een door het college geïndiceerde inwoner van de betreffende gemeente die gebruik kan maken van het doelgroepenvervoer en in het bezit is van een Omnibuzz vervoerspas; h.
doelgroepenvervoer: het niet openbaar vervoer voor de gebruikers waarvoor de gemeenten verantwoordelijk zijn. Artikel 2
Openbaar lichaam
1. Voor de uitvoering van de regeling wordt een openbaar lichaam in de zin van artikel 8, eerste lid van de wet ingesteld. 2. Het openbaar lichaam is genaamd “Omnibuzz” en is gevestigd te Sittard.
HOOFDSTUK 2 BELANG, TAKEN EN BEVOEGDHEDEN Artikel 3 Te behartigen belang 1. Het openbaar lichaam is ingesteld in het belang van een kwalitatief hoogwaardige, klantgerichte en een zo doelmatig en doeltreffend mogelijke gezamenlijke operationele regie op en uitvoering van het doelgroepenvervoer. 2. De colleges dragen de operationele regie over en de uitvoering van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 op aan Omnibuzz. 3. Voor wat betreft de andere onderdelen van het doelgroepenvervoer kunnen de colleges de operationele regie en de uitvoering daarvan op nader door de colleges te bepalen tijdstippen opdragen aan Omnibuzz. 4. Gelet op het belang en de ambitie van de samenwerking kunnen de colleges in beginsel ook toekomstige taken met betrekking tot het doelgroepenvervoer opdragen aan Omnibuzz. 5. Het dagelijks bestuur kan, met toestemming van het algemeen bestuur, besluiten andere vormen van vervoer voor derden te regelen en uit te voeren. Hiertoe zullen afzonderlijke dienstverleningsovereenkomsten gesloten worden tussen de betreffende derde en het openbaar lichaam. Artikel 4 Werkzaamheden 1. Ter behartiging van het in artikel 3 genoemde belang verricht Omnibuzz voor de gemeenten, de volgende werkzaamheden: a. het uitvoeren van aanbestedingen; b. het aangaan van contracten; c.
het uitvoeren van contractmanagement en contractbeheer; d. het voeren van operationele regie (onder andere de ritaannames); e. het gevraagd en ongevraagd ondersteunen van de colleges met betrekking tot hun beleidsvorming met betrekking tot het doelgroepenvervoer; f. alle overige werkzaamheden welke ter behartiging van het in artikel 3 van de regeling genoemde belang noodzakelijk zijn. 2. De in het voorgaande lid vermelde werkzaamheden zullen nader worden uitgewerkt in dienstverleningsovereenkomsten tussen de betreffende gemeenten en het openbaar lichaam Omnibuzz. 3. Het algemeen bestuur zal daartoe algemene uitgangspunten voor en voorwaarden van die dienstverleningsovereenkomsten vaststellen.
HOOFDSTUK 3 BESTUUR: ORGANEN, SAMENSTELLING, WERKWIJZE, BEVOEGDHEDEN Artikel 5 Algemeen bestuur: samenstelling
1. Het algemeen bestuur bestaat uit één lid per gemeente, dat evenals diens plaatsvervanger, door het college van die gemeente uit zijn midden wordt aangewezen. 2. De colleges beslissen in de eerste vergadering van hun wettelijke zittingsperiode over de aanwijzing als bedoeld in het vorige lid. 3. Indien tussentijds een vacature in het algemeen bestuur ontstaat, wijst het betreffende college zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan. 4. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt als de zittingsperiode van het college afloopt, of indien de zittingsperiode van het college tussentijds beëindigd wordt of indien het lidmaatschap van het college, waaruit het betreffende lid afkomstig is, tussentijds beëindigd wordt. 5. Een college kan een door hem aangewezen lid ontslaan door het vertrouwen op te zeggen. 6. In geval van het bestaan van een of meer vacatures blijft het algemeen bestuur bevoegd besluiten te nemen. Artikel 6 Algemeen bestuur: werkwijze 1. Het algemeen bestuur vergadert ten minste tweemaal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste zestien leden dit vragen onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen. 2. Op de vergaderingen van het algemeen bestuur is artikel 22 van de wet van toepassing. 3. In de vergaderingen heeft ieder lid één stem.
Voor leden die een gemeente vertegenwoordigen waarvan het inwonertal meer dan 50.000 bedraagt, wordt het stemmenaantal vermeerderd met één stem voor iedere 20.000 inwoners meer. Voor berekening van het aantal inwoners wordt uitgegaan van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek opgemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het betreffende jaar. 4. De besluiten van het algemeen bestuur worden genomen bij meerderheid van stemmen. 5. Stemmen zijn niet overdraagbaar. 6. Het algemeen bestuur stelt voor zijn werkzaamheden een reglement van orde vast. Artikel 7 Algemeen bestuur: bevoegdheden 1. De bevoegdheden die bij de regeling worden opgedragen, berusten bij het algemeen bestuur, tenzij bij wet of in de regeling anders is bepaald. 2. Het algemeen bestuur kan besluiten tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raden van de gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam te brengen. 3.
Het algemeen bestuur kan met toepassing van de artikelen 24 en 25 van de wet commissies van advies dan wel commissies belast met de behartiging van bepaalde belangen instellen. Artikel 8 Algemeen bestuur: informatie en verantwoording 1. Een lid van het algemeen bestuur kan door het college en door de raad van zijn gemeente ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.
2.
Een lid van het algemeen bestuur geeft aan het college van zijn gemeente alle inlichtingen die door het college, of één of meer leden daarvan, worden verlangd op de in die gemeente gebruikelijke wijze.
3. Het algemeen bestuur verstrekt aan de raden van de gemeenten de door één of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen. Artikel 9 Dagelijks bestuur: samenstelling 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit zeven leden, waaronder de voorzitter. 2.
De leden van het dagelijks bestuur worden door en vanuit het algemeen bestuur op de volgende wijze aangewezen: - drie leden op voordracht door en uit de leden van het algemeen bestuur die zijn aangewezen door de colleges van de gemeenten uit Noord- en Midden-Limburg en - vier leden op voordracht door en uit de leden van het algemeen bestuur die zijn aangewezen door de colleges van de gemeenten uit Zuid-Limburg; - bij de bepaling van het aantal voor te dragen leden in de voorgaande verdeling wordt rekening gehouden met de gemeente waaruit het lid afkomstig is, die als voorzitter is aangewezen overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, eerste lid.
3.
Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt, indien een lid als zodanig ontslag neemt of ontslagen wordt door het algemeen bestuur en zodra hij ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn.
4.
Het algemeen bestuur draagt in geval van een vacature zo snel mogelijk zorg voor de vervulling daarvan overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid.
Artikel 10 Dagelijks bestuur: werkwijze 1. Het dagelijks bestuur vergadert in beginsel vier keer per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste twee der leden daarom verzoeken onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen. 2. Indien in de vergaderingen van het dagelijks bestuur gestemd wordt over zaken en/of personen heeft ieder lid één stem. Indien in geval van een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de voorzitter. 3. Het dagelijks bestuur kan de uitoefening van een of meer van zijn bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden. Het algemeen bestuur wordt over de eventueel verleende mandaten geïnformeerd. 4. Het dagelijks bestuur stelt voor zijn werkzaamheden een reglement van orde vast. Dit reglement wordt ter kennis gebracht van het algemeen bestuur. Artikel 11 Dagelijks bestuur: bevoegdheden 1. Het dagelijks bestuur is in ieder geval bevoegd om: a. al hetgeen aan het algemeen bestuur ter overweging en beslissing zal worden voorgelegd, voor te bereiden; b. besluiten van het algemeen bestuur uit te voeren; c. toe te zien op de voortgang van de realisering van het bedrijfsplan; d. beheer en administratie van de inkomsten en uitgaven van het openbaar lichaam te voeren; e.
de uitvoeringsorganisatie in te richten en de werkwijze van de uitvoeringsorganisatie te bepalen en in dat kader instructies uit te vaardigen; f. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid; g. te besluiten namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te
h. i. 2.
voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist; zowel in als buiten rechte conservatoire maatregelen te nemen en alles te doen wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit; klachten te behandelen zoals bedoeld in titel 9.1 Algemene wet bestuursrecht.
Het dagelijks bestuur oefent, indien het algemeen bestuur daartoe besluit en naar door dit bestuur te stellen regels, de aan het algemeen bestuur toekomende bevoegdheden uit met uitzondering van: a. het vaststellen en wijzigen van de begroting; b. het vaststellen van de rekening.
Artikel 12 Dagelijks bestuur: informatie en verantwoording 1. De leden van het dagelijks bestuur verstrekken zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk de door het algemeen bestuur of door een of meer leden daarvan gevraagde inlichtingen. Schriftelijk gevraagde inlichtingen worden zo mogelijk schriftelijk gegeven. 2. De leden van het dagelijks bestuur leggen zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk verantwoording af aan het algemeen bestuur voor het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur. 3. Het dagelijks bestuur verstrekt aan de raden van de gemeenten de door één of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen. 4. Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer geniet. Artikel 13 Voorzitter 1. De voorzitter, alsmede zijn plaatsvervanger, wordt in de eerste vergadering van elke zittingsperiode door het algemeen bestuur uit zijn midden aangewezen. 2. De voorzitter leidt de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. 3. Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. 4. De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. 5. De voorzitter tekent alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan. 6.
De voorzitter verstrekt aan de raden van de gemeenten de door één of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen. 7. Bij afwezigheid van de voorzitter wordt deze vervangen door zijn plaatsvervanger. 8. In afwijking van het gestelde in de leden 1 en 2 van dit artikel wordt de eerste vergadering van het algemeen bestuur in een nieuwe zittingsperiode bijeengeroepen en voorgezeten door de aftredende voorzitter of zijn aftredende plaatsvervanger. Indien zulks niet mogelijk is treedt de burgemeester van de plaats van vestiging van het openbaar lichaam op als tijdelijk voorzitter. In deze vergadering vinden de benoemingen van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van het algemeen bestuur plaats, alsmede de benoemingen van de leden van het dagelijks bestuur.
HOOFDSTUK 4
ORGANISATIE EN PERSONEEL
Artikel 14 Directeur 1. Aan het hoofd van de organisatie van het openbaar lichaam staat een directeur. Hij is belast met de dagelijkse leiding daarvan. 2. Het dagelijks bestuur stelt voor de taken en bevoegdheden van de directeur een directiestatuut vast. Dit statuut wordt aan het algemeen bestuur ter kennisneming verstrekt. 3.
In het directiestatuut wordt de vervanging van de directeur geregeld.
4. De directeur staat het algemeen en dagelijks bestuur bij in hun functioneren. Hij woont als adviseur de vergaderingen van beide bestuursorganen bij. 5. De directeur ondertekent mede alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan. 6. De directeur is verantwoording verschuldigd aan het dagelijks bestuur. Artikel 15 Inrichting organisatie en personeel 1. Het dagelijks bestuur stelt de inrichting en werkwijze van de organisatie vast. 2. Op het personeel van de organisatie is de Cao Samenwerkende gemeentelijke organisaties van toepassing alsmede de binnen de organisatie vastgestelde personele regelingen, inclusief alle toekomstige wijzigingen daarvan. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de uitvoering van de arbeidsvoorwaarden en de personele regelingen en kan daartoe volmacht verlenen aan de directeur.
HOOFDSTUK 5
FINANCIËN
Artikel 16 Algemeen De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op de financiën van het openbaar lichaam, voor zover daarvan bij of krachtens de wet niet is afgeweken. Artikel 17 Financiële en beleidsmatige kaders 1. Het dagelijks bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting geldt, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de gemeenten. 2.
Bij het opstellen van de beleidsmatige kaders handelt het dagelijks bestuur volgens het door het algemeen bestuur vastgestelde bedrijfsplan.
Artikel 18 Financiering 1. De kosten van personeel en beheer die voortvloeien uit het te behartigen belang en de werkzaamheden, zoals vermeld in de artikelen 3 en 4 van de regeling, met uitzondering van het bepaalde in de leden 3 tot en met 5 van artikel 3, zullen gedragen worden door de gemeenten op basis van de volgende verdeelsleutel: a. 50 % naar rato van het aantal inwoners per gemeente op 1 januari van het jaar waarop die kosten betrekking hebben. Het aantal inwoners wordt bepaald op de cijfers van het CBS. b. 50 % naar rato van het aantal gebruikers per gemeente op 1 januari van het jaar waarop die kosten betrekking hebben. 2. Alle kosten verband houdende met de uitvoering van het vervoer op basis van deze regeling worden gedragen door de gemeenten op basis van het werkelijk gebruik daarvan door de inwoners van die gemeenten.
3. De kosten met betrekking tot de andere vormen van vervoer voor derden, zoals vermeld in artikel 3, vijfde lid van de regeling, worden in de betreffende dienstverleningsovereenkomsten doorberekend op basis van de integrale kostprijs. 4. De colleges zullen er steeds zorg voor dragen dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om al zijn verplichtingen te kunnen voldoen. 5. Indien het algemeen bestuur blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de gemeentebegroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 193 en 194 van de Gemeentewet. 6. Het algemeen bestuur bepaalt de wijze van facturering aan de gemeenten. Artikel 19 Begroting 1. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting en bijbehorende stukken acht weken voordat deze aan het algemeen bestuur worden aangeboden toe aan de colleges en raden. 2. De ontwerpbegroting wordt door de colleges voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, ook algemeen verkrijgbaar gesteld. 3. De raden kunnen binnen acht weken bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden. 4.
Het algemeen bestuur stelt jaarlijks vóór 15 juli de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 5. Binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus zendt het dagelijks bestuur de begroting aan gedeputeerde staten en zo nodig aan de raden van de gemeenten die hun zienswijze kenbaar hebben gemaakt zoals bepaald in het derde lid van dit artikel. 6. Het bepaalde in het eerste, derde en vijfde lid van dit artikel is, met uitzondering van de in de leden 3 en 5 genoemde termijnen, van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. Artikel 20 Jaarrekening en jaarverslag 1. Van de baten en lasten van het openbaar lichaam wordt door het dagelijks bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur, onder overlegging van de conceptjaarrekening, het jaarverslag met daarbij behorende bescheiden, zoals vermeld in artikel 213 van de Gemeentewet. Na de eigen oordeelsvorming zendt het dagelijks bestuur de voorlopige jaarrekening jaarlijks vóór 15 april toe aan de raden. 2. De voorlopige jaarrekening en het jaarverslag worden door de gemeenten voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 197, tweede en derde lid van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. 3.
De raden kunnen bij het dagelijks bestuur desgewenst hun zienswijze over de voorlopige jaarrekening en het jaarverslag naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de stukken, zoals deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling worden aangeboden. Nadat een daartoe aangestelde accountant een controleverklaring over de jaarrekening heeft afgegeven, wordt de jaarrekening vervolgens door het algemeen bestuur vastgesteld.
4. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft aan gedeputeerde staten en voorts aan de raden. 5. Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling van de jaarrekening de leden van het dagelijks bestuur ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer.
HOOFDSTUK 6 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING Artikel 21 Toetreding 1. Toetreding door een niet aan de regeling deelnemend college kan plaatsvinden bij een besluit van het betreffende college en met toestemming van de betreffende raad. Ten minste drie vierde van de deelnemende gemeentebesturen dienen in te stemmen met een toetreding. 2. Het algemeen bestuur bepaalt de voorwaarden voor en de gevolgen van een toetreding. 3. Het algemeen bestuur bepaalt het moment waarop een toetreding van kracht wordt. Artikel 22 Uittreding 1. Een college kan uit de regeling treden door een daartoe strekkend besluit van het betreffende college en na verkregen toestemming van de betreffende raad. 2. Uittreding kan plaatsvinden niet eerder dan 5 jaren na toetreding tot de regeling, met in acht name van een opzegtermijn van tenminste twee jaren. Deze opzegtermijn vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op dat waarin tot uittreden besloten is. 3. Een college zendt, na toestemming van zijn raad, het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen. 4. Het algemeen bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het concept-uittredingsplan. 5.
Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 6. Indien het algemeen bestuur constateert dat binnen 3 maanden na de in het derde lid aangevangen datum meer dan 75% van de deelnemende colleges besluit tot uittreding en dit binnen 6 maanden wordt bevestigd door meer dan 75% van de deelnemende raden, doet zij de colleges van de deelnemers een voorstel tot opheffing van de regeling als bedoeld in artikel 24, eerste lid. Artikel 22a Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. Het uittredingsplan bepaalt de systematiek voor berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom.
3. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 4. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval de vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van de uittredende deelnemer. 5. Ten minste 12 maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het eerste lid en op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 6. Uiterlijk 6 maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom vast.
Het algemeen bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het eerste lid en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. 7. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van XX% toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 8. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het algemeen bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het algemeen bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen.
Artikel 22b Te vergoeden kosten 1. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. 2. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 3. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door het openbaar lichaam die samenhangen met de afbouw
van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4. Het openbaar lichaam brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 22a, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 22a, achtste lid, anders is vastgelegd. 5. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 6. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. 7. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden.
Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.
Artikel 22c Verplichtingen uittreder 1. De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden. Artikel 23 Wijziging 1. Het dagelijks bestuur en de colleges kunnen aan het algemeen bestuur voorstellen tot wijziging doen. 2.
Indien het algemeen bestuur instemt met een wijzigingsvoorstel, doet het daarvan mededeling aan de raden en de colleges.
3.
Een wijzigingsbesluit komt vervolgens tot stand, indien drie vierde van de colleges een gelijkluidend besluit daartoe genomen hebben en de betreffende raden daar mee ingestemd hebben.
Artikel 24 Opheffing en liquidatie 1. De regeling kan worden opgeheven bij een daartoe strekkend besluit van ten minste drie vierde van de colleges en indien de betreffende raden daarmee ingestemd hebben. 2. In geval van een opheffingsbesluit draagt het algemeen bestuur zorg voor de opstelling en vaststelling van een liquidatieplan. Alvorens dit plan vast te stellen legt het algemeen bestuur dit voor aan de colleges en raden die daarover hun zienswijzen kenbaar kunnen maken. 3. De gemeentebesturen verbinden zich in het geval van opheffing van het openbaar lichaam in het liquidatieplan de verplichting op te nemen dat zij alle rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de gemeenten verdelen op een in het plan te bepalen wijze. 4. Het dagelijks bestuur zal als vereffenaar optreden en belast worden met de uitvoering van het liquidatieplan. 5. Het openbaar lichaam en zijn bestuur blijven na het opheffingsbesluit bestaan voor zover dit voor de uitvoering van het liquidatieplan nodig is.
HOOFDSTUK 7
SLOTBEPALINGEN
Artikel 25 Onvoorziene gevallen In alle gevallen waarin de regeling niet voorziet, beslist het algemeen bestuur, met inachtneming van de ter zake geldende bepalingen uit de wet. Artikel 26 Geschillenregeling 1. Voordat een geschil als bedoeld in artikel 28 van de wet ter beslissing wordt voorgelegd aan gedeputeerde staten, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie. 2. De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Eén lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en één lid door het college van de betrokken gemeente. Deze leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens zal optreden als voorzitter van de commissie. 3. De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken bestuursorganen en zo nodig derden die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de aard van het geschil en/of het feitencomplex. 4. De geschillencommissie brengt in beginsel binnen drie maanden na het begin van haar werkzaamheden aan de betrokken bestuursorganen advies uit over de mogelijkheden tot een overeenstemming over de oplossing van het gerezen geschil te komen. Bij acceptatie van het advies zullen partijen ter zake van de oplossing een vaststellingsovereenkomst sluiten. 5. Indien het advies van de commissie niet leidt tot een oplossing van het geschil, wordt dit voorgelegd aan gedeputeerde staten overeenkomstig het bepaalde in artikel 28 van de wet.
Aan gedeputeerde staten wordt eveneens het dossier van de geschillencommissie overgelegd. Artikel 27 Toezending en bekendmaking regeling 1. Het college van de gemeente Sittard-Geleen maakt de regeling in alle gemeenten bekend in het door Sittard-Geleen uitgegeven gemeenteblad.
2. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging, verlenging of opheffing van de regeling, alsmede op besluiten tot toetreding en uittreding. 3. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de wet en de registratie in het Handelsregister. Artikel 28 Archief 1. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van Omnibuzz. 2. De directeur van Omnibuzz is belast met het beheer archiefbewaarplaats overgebrachte archiefbescheiden.
van
de
niet
naar
de
3. Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van Omnibuzz is de archiefbewaarplaats van de gemeente Sittard-Geleen aangewezen 4. De archivaris van de gemeente Sittard-Geleen is belast met het toezicht op het beheer van de niet naar de archiefbewaarplaats overgebrachte archiefbescheiden. De archiefverordening van de gemeente Sittard Geleen is hiertoe van overeenkomstige toepassing. 5. Bij opheffing van de regeling worden de daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Sittard Geleen. Artikel 29 Inwerkingtreding, duur, evaluatie en citeertitel 1. De gewijzigde regeling treedt in werking op 1 januari 2022, echter niet eerder dan de dag nadat de regeling bekend is gemaakt overeenkomstig artikel 27, eerste lid. 2. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. 3. De werking van de regeling zal om de vier jaar geëvalueerd worden. Het dagelijks bestuur zal daartoe een onderzoeksvoorstel aan het algemeen bestuur voorleggen. 4. De regeling kan worden aangehaald als “gemeenschappelijke regeling Omnibuzz”.
*******************