Bijlage 1: het raadsbesluit – de wijzigingsverordening Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2020
Tekst van het document
Raadsvergadering 20-12-2022 BESLUIT
De raad van de gemeente Maasgouw, Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 25 oktober 2022, gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, 2.21, eerste lid, onder a en b, en 3.148, tweede lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer juncto artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; gezien het advies van de commissie; het volgende besluit genomen: BESLUIT: De Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2020, conform volgende wijzigingsverordening, te wijzigen. I.
Artikel 1:1 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 1:1 Definities
Nieuwe tekst Artikel 1:1 Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
In deze verordening wordt verstaan onder:
a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
b. beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
c. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming direct of indirect met de grond verbonden is, dan wel direct of indirect steun vindt in of op de grond,
c. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;
d. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt 1
bedoeld om ter plaatse te functioneren;
verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
d. bromfiets, motorvoertuig en parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
e. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
e. college: het college van burgemeester en wethouders;
f. college: het college van burgemeester en wethouders;
f. gebouw: wat in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan;
g. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
g. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk een commercieel belang wordt gediend;
h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk een commercieel belang wordt gediend;
h. ideële reclame: iedere openbare aanprijzing waarmee een maatschappelijk of politiek belang wordt gediend;
i.
i.
outlaw Motor Gang (OMG): een groep met een hiërarchische structuur die affiniteit met motorrijden uitdraagt met herkenbare groepssymbolen, waarbij geweld of dreiging met geweld en verstoring van de openbare orde onderdeel zijn van de groepscultuur of het groepsgedrag;
j. outlaw Motor Gang (OMG): een groep met een hiërarchische structuur die affiniteit met motorrijden uitdraagt met herkenbare groepssymbolen, waarbij geweld of dreiging met geweld en verstoring van de openbare orde onderdeel zijn van de groepscultuur of het groepsgedrag;
j. ongewenste groep: een door de burgemeester aangewezen groep personen met een herkenbare organisatiestructuur of herkenbare groepssymbolen of een herkenbaar optreden naar buiten als groep, waarbij geweld of dreiging met geweld of verstoring van de openbare orde onderdeel zijn van de groepscultuur of het groepsgedrag;
k. ongewenste groep: een door de burgemeester aangewezen groep personen met een herkenbare organisatiestructuur of herkenbare groepssymbolen of een herkenbaar optreden naar buiten als groep, waarbij geweld of dreiging met geweld of verstoring van de openbare orde onderdeel zijn van de groepscultuur of het groepsgedrag;
k. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar zijn of op andere wijze toegankelijk;
l.
l.
openbare plaats: wat in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;
m. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of
ideële reclame: iedere openbare aanprijzing waarmee een maatschappelijk of politiek belang wordt gediend;
motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
m. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar zijn of op andere wijze toegankelijk; n. openbare plaats: wat in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder
2
persoonlijk recht; n. reclame: verzamelterm voor de uiting van handels- en ideële reclame; o. snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; p. verboden rechtspersoon: een op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek verboden rechtspersoon; q. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen; r. weg: wat in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.
wordt verstaan; o. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; p. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; q. reclame: verzamelterm voor de uiting van handels- en ideële reclame; r. snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; s. verboden rechtspersoon: een op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek verboden rechtspersoon; t. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen; u. weg: wat in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.
De toelichting op artikel 1:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst In overeenstemming met de Aanwijzingen voor de regelgeving is het opschrift “Begripsbepalingen” vervangen door “Definities”. Ook zijn een aantal andere definities overgeheveld naar artikel 1:1. Het betreft onder andere de definities bromfiets, motorvoertuig, parkeren, voertuig en snuffelmarkt. Deze waren eerst opgenomen in artikel 5:1 en 5:20.
Nieuwe tekst In overeenstemming met de Aanwijzingen voor de regelgeving is het opschrift “Begripsbepalingen” vervangen door “Definities”. Ook zijn een aantal andere definities overgeheveld naar artikel 1:1. Het betreft onder andere de definities bromfiets, motorvoertuig, parkeren, voertuig en snuffelmarkt. Deze waren eerst opgenomen in artikel 5:1 en 5:20.
3
Ook zijn een aantal begrippen met betrekking tot de aanpak van de Outlaw Motor Gang (OMG) toegevoegd. In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen.
Ook zijn een aantal begrippen met betrekking tot de aanpak van de Outlaw Motor Gang (OMG) toegevoegd. In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen.
“
In het kader van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de definitie beperkingengebiedactiviteit toegevoegd.
”
“
II.
”
Artikel 1:2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1:2 Beslistermijn
Nieuwe tekst Artikel 1:2 Beslistermijn
1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2. Het bevoegde bestuursorgaan kan de beslistermijn met maximaal acht weken verlengen.
2. Het bevoegde bestuursorgaan kan de beslistermijn met maximaal acht weken verlengen.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
De toelichting op artikel 1:2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst “ ” “ Wabo Omgevingswet De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel 3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd.
Nieuwe tekst ”
Het derde lid is in overeenstemming gebracht met de Omgevingswet.
4
III.
Artikel 1:4 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 1:4 Voorschriften, voorwaarden en beperkingen
Nieuwe tekst Artikel 1:4 Voorschriften, voorwaarden en beperkingen
1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften, voorwaarden en beperkingen worden verbonden. Deze strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften, voorwaarden en beperkingen worden verbonden. Deze strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2. Het is verboden de aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften, voorwaarden en beperkingen te overtreden of te laten overtreden.
2. Het is verboden de aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften, voorwaarden en beperkingen te overtreden of te laten overtreden. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
IV.
Artikel 1:5 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 1:5 Persoonlijk karakter vergunning en ontheffing De vergunning en ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
Nieuwe tekst Artikel 1:5 Persoonlijk karakter vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
V.
Artikel 1:6 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 1:6 Wijziging, schorsing en intrekking van vergunning of ontheffing
Nieuwe tekst Artikel 1:6 Wijziging, schorsing en intrekking van vergunning of ontheffing
De vergunning en ontheffing kunnen worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken als:
1. De vergunning en ontheffing kunnen worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken als:
a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
a. ter verkrijging daarvan onjuiste of 5
onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften, voorwaarden of beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een redelijke termijn, als de vergunning of ontheffing hierover niets regelt.
b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften, voorwaarden of beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een redelijke termijn, als de vergunning of ontheffing hierover niets regelt.
e. de houder dit verzoekt. e. de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
VI.
Artikel 2:5 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:5 Voorwerpen op of aan de weg of andere openbare plaats
Nieuwe tekst Artikel 2:5 Voorwerpen op of aan de weg of een openbare plaats
1. Het is verboden de weg, een weggedeelte of andere openbare plaats anders te gebruiken, in de vorm van het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg, dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Hiervan is in ieder geval sprake als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer en onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand of de van kracht zijnde Welstandsnota.
1. Het is verboden de weg, een weggedeelte of andere openbare plaats anders te gebruiken, in de vorm van het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg, dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Hiervan is in ieder geval sprake als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer en onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand of de van kracht zijnde Welstandsnota.
2. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en
2. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en
6
leefomgeving nadere regels stellen die gelden voor de plaatsing van voorwerpen op of aan de weg zie bijlage.
leefomgeving nadere regels stellen die gelden voor de plaatsing van voorwerpen op of aan de weg zie bijlage.
3. Het is verboden om te handelen in strijd met de nadere regels zoals bedoeld in het tweede lid.
3. Het is verboden om te handelen in strijd met de nadere regels zoals bedoeld in het tweede lid.
4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
5. De ontheffing van het verbod in het eerste lid wordt verleend als omgevingsvergunning voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of onder k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
5. Het verbod in het eerste lid geldt niet in het geval van: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:13; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:16; c. terrassen als bedoeld in artikel 2:14; d. steigers, containers en uitstallingen, als bedoeld in de nadere regels plaatsen containers, steigers en uitstallingen op of aan de weg zie bijlage; e. reclame als bedoeld in de nadere regels reclame, onverminderd artikel 4:10; f. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend; g. beperkingengebied activiteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
6. Het verbod in het eerste lid geldt niet in het geval van: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:13; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:16; c. terrassen als bedoeld in artikel 2:14; d. steigers, containers en uitstallingen, als bedoeld in de nadere regels plaatsen containers, steigers en uitstallingen op of aan de weg zie bijlage; e. reclame als bedoeld in de nadere regels reclame, onverminderd artikel 4:10; f. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend; g. situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 7. Op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
7
VII.
Artikel 2:6 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:6 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Nieuwe tekst Artikel 2:6 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2. De vergunning wordt verleend als een omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
2. Het verbod is niet van toepassing als in opdracht van het bevoegd gezag of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
3. Het verbod is niet van toepassing als in opdracht van het bevoegd gezag of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
8
De toelichting op artikel 2:6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken). De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen. In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1:8 van de Apv 2020. Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd.
Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.
Eerste lid Aan artikel 2:6 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de
Nieuwe tekst Op het aanleggen of veranderen van een weg is de Omgevingswet van toepassing als de activiteit verboden is in het Omgevingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in de Omgevingswet van toepassing zijn op deze vergunning. In de Omgevingswet is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1:8 van de Apv 2020. Indien de activiteit niet is verboden in het Omgevingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is de Omgevingswet niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.
Eerste lid Aan artikel 2:6 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.
9
bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. Tweede lid Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d. Derde lid Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.
Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d. Tweede lid Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg. Derde lid Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:6 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke) Telecommunicatieverordening.
Vierde lid Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:6 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke) Telecommunicatieverordening. Vijfde lid In de WABO is bepaald dat voor deze vergunning een positieve fictieve beschikking
10
bij niet tijdig beslissen van toepassing is. Voor de duidelijkheid is dat hier nogmaals opgemerkt. NB! De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van de Apv niet de vrijheid om te bepalen dat er geen lex silencio van toepassing is!
VIII.
Artikel 2:7 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:7 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als:
Nieuwe tekst Artikel 2:7 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als:
a. daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of
a. daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of
b. het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.
b. het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.
2. De melding wordt op de in de gemeente gebruikelijke wijze bekend gemaakt.
2. De melding wordt op de in de gemeente gebruikelijke wijze bekend gemaakt.
3. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als:
3. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als:
a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 4. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen vier weken heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. Deze termijn begint de dag na de datum van ontvangst van
a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 4. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen vier weken heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. Deze termijn begint 11
de melding. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken en de Waterschapskeur of de Omgevingsverordening Limburg.
IX.
de dag na de datum van ontvangst van de melding. 5. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Artikel 2:10 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:10 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen en bosschages, op heide of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken; of b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a is verder niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen of op aangrenzende erven. 4. De rechthebbende van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die voor meer dan de helft bestaat uit: a. naaldhout; b. een heideveld; c. een veen; d. of een ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 1.1. van het Bouwbesluit 2012 en dat met brandbare gewassen is begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand.
Nieuwe tekst Artikel 2:10 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen en bosschages, op heide of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken; of b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a is verder niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen of op aangrenzende erven. 4. De rechthebbende van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die voor meer dan de helft bestaat uit: a. naaldhout; b. een heideveld; c. een veen; d. of een ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in Bijlage 1, onderdeel A, bij artikel 1.1 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving en dat met brandbare gewassen is begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand.
12
X.
Artikel 2:11 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:11 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
Nieuwe tekst Artikel 2:11 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
13
XI.
Artikel 2:12 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:12 Definities
Nieuwe tekst Artikel 2:12 Definities
1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:4 en 2:29 van deze verordening; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportgala’s als bedoeld in het tweede lid onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan een: a. herdenkingsplechtigheid; b. braderie; c. optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. snuffelmarkt als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel o; f. vechtsportgala’s waarbij activiteiten in het kader van vecht- of verdedigingssporten worden georganiseerd. 3. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid een activiteit die in de daarvoor bestemde inrichting zal plaatsvinden aanmerken als een evenement als bedoeld in het eerste lid. 4. Bij evenementen wordt de volgende klasse-indeling gehanteerd: a. A-evenement: regulier eenvoudig evenement; b.
B-evenement: evenement met verhoogde aandacht en een gemiddeld risico. Dit is een evenement met een
1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:4 en 2:29 van deze verordening; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportgala’s als bedoeld in het tweede lid onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan een: a. herdenkingsplechtigheid; b. braderie; c. optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. snuffelmarkt als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel r; f. vechtsportgala’s waarbij activiteiten in het kader van vecht- of verdedigingssporten worden georganiseerd. 3. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid een activiteit die in de daarvoor bestemde inrichting zal plaatsvinden aanmerken als een evenement als bedoeld in het eerste lid. 4. Bij evenementen wordt de volgende klasse-indeling gehanteerd: a. A-evenement: regulier eenvoudig evenement; b.
B-evenement: evenement met verhoogde aandacht en een gemiddeld risico. Dit is een evenement met een
14
lokale of regionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt niet veel publiek van buiten de gemeente verwacht; c. C-evenement: grootschalig evenement met een verhoogd risico. Dit is een evenement met een sterke bovenregionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt ook publiek van buiten de regio verwacht. De vaststelling van de bovenvermelde klasseindeling vindt plaats aan de hand van het scoreformulier zoals opgenomen in het melden aanvraagformulier evenementen zie bijlage. XII.
lokale of regionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt niet veel publiek van buiten de gemeente verwacht; c. C-evenement: grootschalig evenement met een verhoogd risico. Dit is een evenement met een sterke bovenregionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt ook publiek van buiten de regio verwacht. De vaststelling van de bovenvermelde klasseindeling vindt plaats aan de hand van het scoreformulier zoals opgenomen in het melden aanvraagformulier evenementen zie bijlage.
Artikel 2:15 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:15 Exploitatie openbare inrichting
Nieuwe tekst Artikel 2:15 Exploitatie openbare inrichting
1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2. De aanvraag wordt gesteld op een door de burgemeester vastgesteld (elektronisch) formulier zie bijlage.
2. De aanvraag wordt gesteld op een door de burgemeester vastgesteld (elektronisch) formulier zie bijlage.
3. De burgemeester weigert geheel of gedeeltelijk de vergunning of trekt deze in als:
3. De burgemeester weigert geheel of gedeeltelijk de vergunning of trekt deze in als:
a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. voor de exploitatie van de openbare inrichting ook andere publiekrechtelijke toestemmingen zijn vereist die op grond van of krachtens de desbetreffende wettelijke bepalingen niet kunnen worden verleend; of c. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 4. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigerings- of
a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. voor de exploitatie van de openbare inrichting ook andere publiekrechtelijke toestemmingen zijn vereist die op grond van of krachtens de desbetreffende wettelijke bepalingen niet kunnen worden verleend; of c. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.
4. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigerings- of 15
intrekkingsgrond onder a houdt de burgemeester rekening met: a. het karakter van de straat en de wijk waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen; b. de aard van de openbare inrichting; c. de spanning waaraan het woonen leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat; d. de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende; en e. het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende. 5. De vergunning kan voorts worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 6. Voor de uitoefening van zijn bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester nadere regels vaststellen. Ten aanzien van het exploiteren of laten exploiteren van een terras dat deel uitmaakt van een openbare inrichting kan de burgemeester in ieder geval nadere regels vaststellen voor zie bijlage: a. het waarborgen van de verkeersveiligheid; b. de inrichting van terrassen, inclusief het voeren van reclame op terrassen; c. het voorkomen van overlast voor eigenaren en gebruikers van aangrenzende percelen. 7. Het is verboden om te handelen in strijd met de door de burgemeester vastgestelde nadere regels als bedoeld in het zesde lid. 8.
Als uit de aanvraag en de daarbij behorende stukken blijkt dat het voorgenomen terras niet voldoet aan de door de burgemeester vastgestelde nadere regels, kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden
intrekkingsgrond onder a houdt de burgemeester rekening met: a. het karakter van de straat en de wijk waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen; b. de aard van de openbare inrichting; c. de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat; d. de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende; en e. het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende. 5. De vergunning kan voorts worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 6. Voor de uitoefening van zijn bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester nadere regels vaststellen. Ten aanzien van het exploiteren of laten exploiteren van een terras dat deel uitmaakt van een openbare inrichting kan de burgemeester in ieder geval nadere regels vaststellen voor zie bijlage: a. het waarborgen van de verkeersveiligheid; b. de inrichting van terrassen, inclusief het voeren van reclame op terrassen; c. het voorkomen van overlast voor eigenaren en gebruikers van aangrenzende percelen.
7. Het is verboden om te handelen in strijd met de door de burgemeester vastgestelde nadere regels als bedoeld in het zesde lid. 8. Als uit de aanvraag en de daarbij behorende stukken blijkt dat het voorgenomen terras niet voldoet aan de door de burgemeester vastgestelde nadere regels, kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd.
16
geweigerd.
9. Geen vergunning als bedoeld in het eerste lid is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:
9. Geen vergunning als bedoeld in het eerste lid is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:
a. zorginstelling; b. museum; of c. een bedrijfskantine of – restaurant.
a. zorginstelling; b. museum; of c. een bedrijfskantine of – restaurant. 10. Op de aanvraag om vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
XIII.
Artikel 2:16, 10e lid wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst 10. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. XIV.
10. Op de aanvraag om vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Nieuwe tekst 10. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.
Artikel 2:18 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:18 Verboden gedragingen
Nieuwe tekst Artikel 2:18 Verboden gedragingen
Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:17, eerste lid; c. op het terras voedsel of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras; d. een bijeenkomst van een Outlaw Motor Gang, een verboden rechtspersoon of een ongewenste groep, zoals omschreven in artikel 1:1, onderdeel i, j en p, te laten plaatsvinden.
Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:17, eerste lid; c. op het terras voedsel of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras; een bijeenkomst van een Outlaw Motor Gang, een verboden rechtspersoon of een ongewenste groep, zoals omschreven in artikel 1:1, onderdeel j, k en s, te laten plaatsvinden.
17
XV.
Artikel 2:20d wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:20d Weigeringsgronden
Nieuwe tekst Artikel 2:20d Weigeringsgronden
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:
a. de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in 2:20c gestelde eisen; b. de exploitatie van de camping of het recreatiepark in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; c. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de camping of het recreatiepark of de openbare orde door de exploitatie van de camping of recreatiepark op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed; d. de exploitatie van de camping of het recreatiepark een onaanvaardbaar risico op ernstige verstoring van de openbare orde met zich zal meebrengen; e. dit in het belang is van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten.
a. de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in 2:20c gestelde eisen; b. de exploitatie van de camping of het recreatiepark in strijd is met het omgevingsplan; c. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de camping of het recreatiepark of de openbare orde door de exploitatie van de camping of recreatiepark op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed; d. de exploitatie van de camping of het recreatiepark een onaanvaardbaar risico op ernstige verstoring van de openbare orde met zich zal meebrengen; e. dit in het belang is van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten.
XVI.
Artikel 2:28d wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:28d Weigeringsgronden 1. Een aanvraag om vergunning zoals bedoeld in artikel 2:28b wordt geweigerd als:
Nieuwe tekst Artikel 2:28d Weigeringsgronden 1. Een aanvraag om vergunning zoals bedoeld in artikel 2:28b wordt geweigerd als:
a. De exploitant of beheerder niet voldoet aan de in artikel 2:28c gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de huisvestingsvoorziening in strijd is met het geldend bestemmingsplan.
a. De exploitant of beheerder niet voldoet aan de in artikel 2:28c gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de huisvestingsvoorziening in strijd is met het omgevingsplan.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 en artikel 1:8 kan de vergunning als bedoeld in artikel 2:28b worden ingetrokken of geweigerd in het belang van:
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 en artikel 1:8 kan de vergunning als bedoeld in artikel 2:28b worden ingetrokken of geweigerd in het belang van:
18
a. het voorkomen of beperken van overlast; b. het voorkomen of beperken van aantasting van het woonen leefklimaat; c. de veiligheid van personen of goederen; d. de verkeersveiligheid; e. de gezondheid of zedelijkheid.
XVII.
a. het voorkomen of beperken van overlast; b. het voorkomen of beperken van aantasting van het woonen leefklimaat; c. de veiligheid van personen of goederen; d. de verkeersveiligheid; e. de gezondheid of zedelijkheid.
Artikel 2:28h wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:28h Afbakening
Nieuwe tekst Artikel 2:28h Afbakening
Deze afdeling is niet van toepassing voor zover het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Huisvestingswet, het Bouwbesluit dan wel de Bouwverordening.
Deze afdeling is niet van toepassing in gevallen waarin wordt voorzien bij of krachtens het Besluit bouwwerken leefomgeving, het omgevingsplan of de Huisvestingswet.
XVIII.
Artikel 2:29 wordt als volgt gewijzigd Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 2:29 Definities Artikel 2:29 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. kamerverhuurbedrijf: een gebouw of deel van een gebouw, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was drie of meer kamers, niet vallende onder het begrip logiesgebouw en/of logiesverblijf als bedoeld in het Bouwbesluit, worden verhuurd, welke kamers als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden bewoond door niet in het verband van een huishouden levende personen; b. huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren.
In deze afdeling wordt verstaan onder: a. kamerverhuurbedrijf: een gebouw of deel van een gebouw, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was drie of meer kamers, niet vallende onder het begrip logiesgebouw en/of logiesverblijf als bedoeld in Bijlage 1, onderdeel B, bij artikel 1.1 van het Besluit Bouwwerken Bijlage Leefomgeving, worden verhuurd, welke kamers als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden bewoond door niet in het verband van een huishouden levende personen; b. huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren.
19
XIX.
Artikel 2:29a wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:29a Exploitatievergunning kamerverhuurbedrijf
Nieuwe tekst Artikel 2:29a Exploitatievergunning kamerverhuurbedrijf
1. Het is verboden een kamerverhuurbedrijf te exploiteren zonder vergunning van het college.
1. Het is verboden een kamerverhuurbedrijf te exploiteren zonder vergunning van het college.
2. De aanvraag wordt gesteld op een door het college vastgesteld (elektronisch) formulier zie bijlage.
2. De aanvraag wordt gesteld op een door het college vastgesteld (elektronisch) formulier zie bijlage.
3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de vergunningaanvraag.
3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de vergunningaanvraag.
4. Het college weigert de vergunning:
4. Het college weigert de vergunning:
a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het kamerverhuurbedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. indien de exploitatie van een kamerverhuurbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 5. Bij de toepassing van de in het vierde lid onder a genoemd belang houdt het college rekening met het karakter en de wijk, waarin het kamerverhuurbedrijf is gelegen of zal zijn gelegen en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie
a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het kamerverhuurbedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. indien de exploitatie van een kamerverhuurbedrijf in strijd is met het omgevingsplan.
5. Bij de toepassing van de in het vierde lid onder a genoemd belang houdt het college rekening met het karakter en de wijk, waarin het kamerverhuurbedrijf is gelegen of zal zijn gelegen en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie
6. Geen vergunning is vereist voor woonruimtes die deel uitmaken van een seniorencomplex, herstelinrichtingen en verzorgingstehuizen of daarmee naar hun aard vergelijk te stellen woonvormen, zolang deze worden verhuurd overeenkomstig de specifieke functies van de in dit lid bedoelde woonvormen.
6. Geen vergunning is vereist voor woonruimtes die deel uitmaken van een seniorencomplex, herstelinrichtingen en verzorgingstehuizen of daarmee naar hun aard vergelijk te stellen woonvormen, zolang deze worden verhuurd overeenkomstig de specifieke functies van de in dit lid bedoelde woonvormen.
7. Op de aanvraag om een vergunning is
7. Op de aanvraag om een vergunning is 20
paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
XX.
paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30a wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:30a Speelgelegenheden
Nieuwe tekst Artikel 2:30a Speelgelegenheden
1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te laten exploiteren.
1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te laten exploiteren.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de Kansspelen.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de Kansspelen.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:
a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
21
XXI.
Artikel 2:35 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:35 Rijden over bermen en dergelijke
Nieuwe tekst Artikel 2:35 Rijden over bermen en dergelijke
1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.
1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Limburg.
2. Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
XXII.
Artikel 2:45 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:45 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
Nieuwe tekst Artikel 2:45 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
1. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen, ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
1. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen, ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben in strijd met de door het college gestelde nadere regels; en/of c. te voeren. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van één of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben in strijd met de door het college gestelde nadere regels; en/of c. te voeren. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van één of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
22
De toelichting op artikel 2:45 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer” op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd. Het (oude) vierde lid is daarmee vervallen. Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.
Nieuwe tekst
Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen op de Omgevingswet, waarin regels worden gegeven ter bescherming van dieren.
23
XXIII.
Artikel 2:47 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:47 Bijen
Nieuwe tekst Artikel 2:47 Bijen
1. Het is verboden bijen te houden binnen een afstand van 30 meter van:
1. Het is verboden bijen te houden binnen een afstand van 30 meter van:
a. woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; en/of b. van de weg. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een legale afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
a. woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; en/of b. van de weg. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een legale afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.
3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.
4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening Limburg.
4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
24
XXIV.
Artikel 2:52 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:52 Definities
Nieuwe tekst Artikel 2:52 Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit).
In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
XXV.
Artikel 3:12 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 3:12 Weigerings- en intrekkingsgronden Artikel 3:12 Weigerings- en intrekkingsgronden 1. De vergunning bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, wordt geheel of gedeeltelijk geweigerd of ingetrokken als: