CConstaterende datMaasgouw
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 gewijzigde artikelen van de toelichting behorende bij de Algemene plaatselijke verordening Ma

01. Raadsvergadering 17 december 2024, gemeente MaasgouwBij agendapunt: Voorstel tot wijziging Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2020 versie 202440.990 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Pagina 16 van 76

Z/24/136738 - D/24/172794

Artikel 2:7 beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte. Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.

Lid 3 Door van lid 3 een ‘kan’ bepaling te maken, heeft het college meer beoordelingsvrijheid in het wel of niet vergunnen van de realisatie van een uitweg. Hierdoor kan er maatwerk geleverd worden terwijl dit voorheen met een “zal” bepaling niet van toepassing was. Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.

De indiener van de melding moet bij zijn melding een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie ter plaatse voegen. Aan de hand van deze gegevens kan het college sneller de afweging maken of de gewenste uitweg al of niet kan worden toegestaan en eventueel onder oplegging van welke voorschriften. Een verbod dat in het belang van de verkeersveiligheid wordt gesteld, strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet. De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld gebruikt worden om het maken van een uitweg te verbieden als dat op een onaanvaardbare manier ten koste gaat van het openbaar groen. Artikel 2:8 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Artikel 2:8 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Deze bepaling is misschien niet strikt noodzakelijk, omdat er ook privaatrechtelijk en, wanneer er sprake is van voorwerpen of beplanting op of aan de weg, op grond van artikel 2:5 van de APV 2020 kan worden opgetreden. Maar dit artikel kan wel praktisch zijn en is sneller in te zetten dan het privaatrecht. Bovendien is het denkbaar dat sprake is van beplanting of voorwerpen, al dan niet op geruime afstand van de weg, die het uitzicht belemmeren en hinderlijk zijn voor het

Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 van de Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien. Volgens deze bepaling is het verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere

Pagina 17 van 76

Z/24/136738 - D/24/172794

verkeer. Daarom is dit artikel opgenomen in de APV 2020.

wijze hinder of gevaar oplevert. ‘Wegverkeer’ kan daarbij breed worden gelezen. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk dat een gevaarlijke situatie ontstaat doordat overstekende voetgangers het zicht wordt belemmerd. Jurisprudentie ARRS 10-12-1993, JG 94.0138. Tuin afgeschermd met lattenscherm en coniferen. Het college vond het belang van privacy zwaarder wegen dan het belang van de verkeersveiligheid. De Afdeling is van oordeel dat de belemmering van het uitzicht van beperkte betekenis is omdat het lattenscherm een open constructie kent. De weigering bestuursdwang uit te oefenen tegen de coniferen blijft echter niet in stand omdat de Afdeling van oordeel is dat de coniferen bij het uitrijden van de inrit het zicht geheel ontnemen.

Artikel 2:9 Openen straatkolken e.d. Deze bepaling spreekt voor zich. Artikel 2:10 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

Artikel 2:10 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan.

Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is.

Er geldt nu een algemeen verbod om te roken in bossen, bosschages, heide of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan. Voorheen gold dit verbod alleen voor de maanden april tot en met september. Verder is aan het artikel toegevoegd dat het in bossen, bosschages, heide of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan verboden is, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. Afbakening

Afbakening In artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald: Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan.

In artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald: Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan.

In de Brandbeveiligingsverordening Maasgouw 2012 was een bepaling opgenomen over bossen, heidevelden en venen. Op grond van dit artikel kon het college voorschriften opleggen aan een rechthebbende van bijvoorbeeld een bos, heideveld en veen om brandgevaar te voorkomen. Omdat per 1 januari 2018 het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (hierna: het Besluit) in werking is getreden is de Pagina 18 van 76

Z/24/136738 - D/24/172794

Brandbeveiligingsverordening ingetrokken. Hierdoor is dit artikel vervallen. Vergelijkbare voorschriften zijn opgenomen in artikel 6.1 en 6.3 van het Besluit. Omdat deze artikelen enkel zijn gericht op eenieder in een natuurgebied en niet op de rechthebbende is de inhoud van dit artikel opgenomen in artikel 2:10 APV. Afdeling 3 Evenementen

Afdeling 3 Evenementen

Artikel 2:12 en 2:13 Evenementen

Artikel 2:12 en 2:13 Evenementen

Geen vergunningplicht meer voor het organiseren van een A- evenement

Geen vergunningplicht voor het organiseren van een Aevenement

In de APV 2013 was opgenomen dat het verboden was om een evenement te organiseren zonder vergunning van de burgemeester. In de APV 2017 is de vergunningplicht voor een A- evenement vervallen. Voor het organiseren van een B –en een C evenement geldt wel nog een vergunningplicht.

In de APV 2013 was opgenomen dat het verboden was om een evenement te organiseren zonder vergunning van de burgemeester. In de APV 2017 is de vergunningplicht voor een Aevenement vervallen. Voor het organiseren van een B – en een C evenement geldt wel nog een vergunningplicht. Bevoegdheid nadere regels In de gewijzigde APV 2020 zijn in artikel 2:13 lid 2, 3 en 4 de bevoegdheden aangepast. Nadere regels kunnen worden beschouwd als algemeen verbindende voorschriften. In dat geval worden ze dus door het college vastgesteld, en niet door de burgemeester. De burgemeester kan wel voorschriften aan een vergunning verbinden of beleidsregels vaststellen. Dit vloeit voort uit Artikel 174 Gemeentewet derde lid. Zie ook een uitspraak hierover: ABRvS 13-121999, ECLI:NL:RVS:1999:AP5740 Conform de Handreiking van het Limburg Evenementenorgaan worden drie klassen evenementen onderscheiden:

Conform de Handreiking van het Limburg Evenementenorgaan worden drie klassen evenementen onderscheiden: – A-evenement: regulier eenvoudig evenement. Binnen de gemeente Maasgouw zijn optochten, rommel – en speelgoedmarkten, carnavalsactiviteiten, activiteiten Koningsdag, Kerstmarkten, Sint Maarten feesten, dorps - en koningsschieten, jaarmarkten, wielertoertochten, openluchtconcerten alsmede straat- en buurtfeesten hier voorbeelden van. Op te merken valt dat bij deze evenementen verschillende risicogradaties van toepassing kunnen zijn. Het aantal te verwachten bezoekers en de risico’s bij A-evenementen kunnen divers zijn. Zo kan het om een evenement gaan met een paar honderd bezoekers, maar ook om een paar duizend bezoekers. – B-evenement: evenement met verhoogde aandacht en met een gemiddeld risico. Dit is

– A-evenement: regulier eenvoudig evenement. Binnen de gemeente Maasgouw zijn optochten, rommel – en speelgoedmarkten, carnavalsactiviteiten, activiteiten Koningsdag, Kerstmarkten, Sint Maarten feesten, dorps - en koningsschieten, jaarmarkten, wielertoertochten, openluchtconcerten alsmede straat- en buurtfeesten hier voorbeelden van. Op te merken valt dat bij deze evenementen verschillende risicogradaties van toepassing kunnen zijn. Het aantal te verwachten bezoekers en de risico’s bij A-evenementen kunnen divers zijn. Zo kan het om een evenement gaan met een paar honderd bezoekers, maar ook om een paar duizend bezoekers. – B-evenement: evenement met verhoogde aandacht en met een gemiddeld risico. Dit is een evenement

Pagina 19 van 76

Z/24/136738 - D/24/172794

een evenement met een lokale of regionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt naast lokaal publiek ook publiek vanuit de regio verwacht. De voorjaarsmarkt in Maasbracht, de Luikse markt in Linne, WessemerBreeze, BeachBash en bondschuttersfeesten zijn hier voorbeelden van. – C-evenement: risico en grootschalig evenement met een verhoogd risico. Dit is een evenement met een sterke bovenregionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt ook publiek van buiten de regio verwacht. Voorbeelden van een C – evenement in Maasgouw zijn het Koninginnedagfeest in 2011 en het Oud Limburg Schuttersfeest. De klasse-indeling vindt plaats aan de hand van het scoreformulier risicopotentie evenement wat in het meld en aanvraagformulier evenementen van de gemeente Maasgouw is opgenomen. Om te komen tot een lastenvermindering en om de kwaliteit van de regels te verbeteren is de vergunningplicht voor een A - evenement vervallen. Daarvoor in de plaatsen gelden nu de “Nadere regels evenementen Maasgouw”. Het evenement hoeft alleen nog te worden gemeld via een meldformulier.

met een lokale of regionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt naast lokaal publiek ook publiek vanuit de regio verwacht. De voorjaarsmarkt in Maasbracht, de Luikse markt in Linne, en de bondschuttersfeesten zijn hier voorbeelden van. – C-evenement: risico en grootschalig evenement met een verhoogd risico. Dit is een evenement met een sterke bovenregionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt ook publiek van buiten de regio verwacht. Voorbeelden van een C – evenement in Maasgouw zijn het Koninginnedagfeest en het Oud Limburg Schuttersfeest. De klasse-indeling vindt plaats aan de hand van het scoreformulier risicopotentie evenement wat in het melden aanvraagformulier evenementen van de gemeente Maasgouw is opgenomen. Om te komen tot een lastenvermindering en om de kwaliteit van de regels te verbeteren is de vergunningplicht voor een A – evenement in een eerdere APV al vervallen. Daarvoor in de plaats gelden de “Nadere regels evenementen Maasgouw 2020”.

Geen vergunning meer voor brandveiligheidsaspecten bij een evenement Artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s bepaalt dat bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) regels worden gesteld over het brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke plaatsen en basishulpverlening op die plaatsen. Deze AMvB heet het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (hierna: het Besluit). Door het Besluit gelden per 1 januari 2018 landelijke regels voor de brandveiligheid van ‘overige plaatsen’. Bij het Besluit gaat het bijvoorbeeld om tenten op evenemententerreinen, (kampeer)terreinen, tribunes, podia, varende objecten, etc. Voor dit brandveilig gebruik kan worden volstaan met een melding. Uiteraard moet hierbij wel worden voldaan aan de gestelde regels in het Besluit. Voorheen gold hiervoor op basis van de “Brandbeveiligingsverordening Maasgouw 2012” (hierna: BBV) een vergunningplicht. In de “Nadere regels A-evenementen Maasgouw 2017” waren voorschriften opgenomen over brandveiligheid. Op deze manier werd de brandveiligheid gewaarborgd. Hierdoor was voor het plaatsen van een tent bij een A- evenement geen vergunning nodig, maar kon worden

Brandveiligheidsaspecten bij een evenement Artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s bepaalt dat bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) regels worden gesteld over het brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke plaatsen en basishulpverlening op die plaatsen. Deze AMvB heet het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (hierna: het Besluit). Door het Besluit gelden per 1 januari 2018 landelijke regels voor de brandveiligheid van ‘overige plaatsen’. Bij het Besluit gaat het bijvoorbeeld om tenten op evenemententerreinen, (kampeer)terreinen, tribunes, podia, varende objecten, etc. Voor dit brandveilig gebruik kan worden volstaan met een melding. Uiteraard moet hierbij wel worden voldaan aan de gestelde regels in het Besluit.

In de “Nadere regels A-evenementen Maasgouw 2020”

Pagina 20 van 76

Z/24/136738 - D/24/172794

volstaan met een melding. Omdat per 1 januari 2018 het Besluit in werking is getreden zijn de bepalingen over brandveiligheid in de nadere regels vervallen. In de nadere regels blijven: – de regels over constructieve veiligheid bij evenementen;

zijn voorschriften opgenomen die niet geregeld zijn in het Besluit zoals bijv. : – de regels over constructieve veiligheid bij evenementen; – de standaard regels GHOR, en;

– de standaard regels GHOR, en; – de standaard politievoorwaarden; – de standaard politievoorwaarden; van kracht, omdat deze elders niet geregeld zijn. De gewijzigde nadere regels gelden voor alle evenementen, omdat de regels over constructieve veiligheid, de GHOR regels en de standaard politievoorwaarden zowel op de A- als de B– en C-evenementen van toepassing kunnen zijn.

Het besluit en de nadere regels gelden voor alle evenementen.

Meldplicht A–evenementen en aanvragen overige vergunningen, ontheffingen en besluiten Ondanks het feit dat bij een A–evenement kan worden volstaan met een melding, blijft een organisator van een A-evenement verantwoordelijk voor het aanvragen van de overige benodigde vergunningen, ontheffingen en besluiten. Als bijvoorbeeld een weg moet worden afgesloten, dan moet door het college een verkeersmaatregel worden genomen. En als bij het evenement alcoholhoudende dranken worden verstrekt, is een ontheffing op grond van de Drank– en Horecawet vereist. Dit betreft vergunningplichten op grond van nationale wetgeving. De gemeente heeft geen invloed op de vergunningplicht. Deze vergunningvoorschriften kunnen daardoor niet in nadere regels worden ondergebracht. Niettemin is voor de organisator van een A-evenement en voor de gemeente sprake van een lastenverlichting.

Overige aanvragen

Ondanks het feit dat bij een A–evenement kan worden volstaan met een melding, blijft een organisator van een A-evenement verantwoordelijk voor het aanvragen van de overige benodigde vergunningen, ontheffingen en besluiten. Als bijvoorbeeld een weg moet worden afgesloten, dan moet door het college een verkeersmaatregel worden genomen. En als bij het evenement alcoholhoudende dranken worden verstrekt, is een ontheffing op grond van de Alcoholwet vereist. Dit betreft vergunningplichten op grond van nationale wetgeving. De gemeente heeft geen invloed op de vergunningplicht. Deze vergunningvoorschriften kunnen daardoor niet in nadere regels worden ondergebracht.

Artikel 2:13 Evenementen

Artikel 2:13 Evenementen

Negende lid

Negende lid

In de praktijk komt het voor dat activiteiten bij een A-evenement worden georganiseerd waarvoor geen voorschriften zijn opgenomen in de “Nadere regels evenementen”. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan:

In de praktijk komt het voor dat activiteiten bij een A-evenement worden georganiseerd waarvoor geen voorschriften zijn opgenomen in de “Nadere regels evenementen”. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan:

– het plaatsen en in gebruik hebben van hijswerktuigen ten behoeve van een parachutetent; Pagina 21 van 76

Z/24/136738 - D/24/172794

– het plaatsen en in gebruik hebben van een mobiele kogelvanger voor schietactiviteiten in een dorpskern;

– het plaatsen en in gebruik hebben van hijswerktuigen ten behoeve van een parachutetent; – het plaatsen en in gebruik hebben van een mobiele kogelvanger voor schietactiviteiten in een dorpskern;

– overige constructies, zoals plaatsen meibomen. Om de openbare orde en veiligheid te waarborgen is daarom in de APV, in het artikel evenementenvergunning, opgenomen dat in bepaalde gevallen voorschriften aan een melding kunnen worden gesteld. Meld en indieningstermijnen In de APV 2020 is opgenomen dat een melding 8 weken voor de aanvang van een A- evenement moet worden ingediend. Deze termijn wordt redelijk geacht om de melding goed te kunnen beoordelen. Voor de B- en C- evenementen geldt dat een uiterste indieningstermijn van acht weken voor bepaalde aanvragen voor een evenementenvergunning te kort is. Voor de reguliere evenementen is deze termijn voldoende, maar met name voor de grootschaligere evenementen met een gemiddeld of hoog risico is de termijn te kort. Er wordt aangesloten bij de eerde vermelde klasseindeling van evenementen conform het regionale evenementenbeleid van de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Hierbij wordt de uiterste indieningstermijn bij C –evenementen op 26 weken gesteld en bij B evenementen op 14 weken. Uitzondering van het begrip evenement In artikel 2:12, eerste lid, aanhef, onderdeel d is opgenomen dat onder een evenement niet valt het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen.

Hieronder valt het dansen in discotheken en muziekcafés t/m categorie 2 (conform de lijst in de Handreiking bedrijven en milieuzonering van de VNG, versie 2009). Verruiming van het begrip evenement Op grond van de APV 2016 vielen bepaalde activiteiten niet onder het begrip evenement, waardoor er geen voorschriften konden worden gesteld. Denk bijvoorbeeld aan het houden van een vechtsportgala of een dance –en/of houseparty binnen een inrichting. In de APV 2020 is daarom het begrip evenement verruimd en is in artikel 2:12, derde lid APV 2020 opgenomen dat de burgemeester in het belang van de openbare orde en veiligheid een activiteit die in de daarvoor bestemde inrichting zal plaatsvinden kan aanmerken als een evenement.

– overige constructies, zoals plaatsen meibomen. Om de openbare orde en veiligheid te waarborgen is daarom in de APV, in het artikel evenementenvergunning, opgenomen dat in bepaalde gevallen voorschriften aan een melding kunnen worden gesteld. Meld en indieningstermijnen In de APV 2020 is opgenomen dat een melding 8 weken voor de aanvang van een A- evenement moet worden ingediend. Deze termijn wordt redelijk geacht om de melding goed te kunnen beoordelen. Voor de B- en Cevenementen geldt dat een uiterste indieningstermijn van acht weken voor bepaalde aanvragen voor een evenementenvergunning te kort is. Voor de reguliere evenementen is deze termijn voldoende, maar met name voor de grootschaligere evenementen met een gemiddeld of hoog risico is de termijn te kort. Er wordt aangesloten bij de eerder vermelde klasse-indeling van evenementen conform het regionale evenementenbeleid van de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Hierbij wordt de uiterste indieningstermijn bij C –evenementen op 26 weken gesteld en bij B evenementen op 14 weken. Uitzondering van het begrip evenement In artikel 2:12, eerste lid, aanhef, onderdeel d is opgenomen dat onder een evenement niet valt het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen.

Hieronder valt het dansen in discotheken en muziekcafés t/m categorie 2 (conform de lijst in de Handreiking bedrijven en milieuzonering van de VNG, versie 2009). Verruiming van het begrip evenement Op grond van de APV 2016 vielen bepaalde activiteiten niet onder het begrip evenement, waardoor er geen voorschriften konden worden gesteld. Denk bijvoorbeeld aan het houden van een vechtsportgala of een dance –en/of houseparty binnen een inrichting. In de APV 2020 is daarom het begrip evenement verruimd en is in artikel 2:12, derde lid APV 2020 opgenomen dat de burgemeester in het belang van de openbare orde en veiligheid een activiteit die in de

Pagina 22 van 76

Z/24/136738 - D/24/172794

daarvoor bestemde inrichting zal plaatsvinden kan aanmerken als een evenement. Afdeling 4 Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:14 tot en met artikel 2:15 c Exploitatievergunning

Afdeling 4 Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:14 en artikel 2:15 Exploitatievergunning In de gewijzigde APV 2020 is de bevoegdheid in artikel 2:15 lid 6, 7 en 8 aangepast. Zie voor verdere uitleg ook de toelichting “bevoegdheid nadere regels” bij artikel 2:12 en 2:13.

De exploitatievergunning biedt de burgemeester de mogelijkheid om regels te stellen ten behoeve van de woon- en leefsituatie in de omgeving van een horecaonderneming. In een exploitatievergunning worden criteria opgenomen om nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat te voorkomen. Bij strijdigheid met deze criteria kan de vergunning worden geweigerd of worden ingetrokken. Een exploitatievergunning is persoonsgebonden.

De exploitatievergunning biedt het college de mogelijkheid om regels te stellen ten behoeve van de woon- en leefsituatie in de omgeving van een horecaonderneming. In een exploitatievergunning worden criteria opgenomen om nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat te voorkomen. Bij strijdigheid met deze criteria kan de vergunning worden geweigerd of worden ingetrokken. Een exploitatievergunning is persoonsgebonden.

Meerwaarde van de exploitatievergunning Op een exploitatievergunning(aanvraag) kan net als op een drank– en horecawetvergunning(aanvraag) de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: wet Bibob) worden toegepast. Op grond van de wet Bibob kan een onderzoek worden ingesteld naar de integriteit van een ondernemer. In grote lijnen werkt dit als volgt. Als op grond van het vergunningonderzoek twijfels bestaan over de integriteit van een ondernemer wordt aan de aanvrager een Bibob-formulier toegestuurd. Als op grond van dit ingevuld formulier twijfels blijven bestaan over de integriteit van de ondernemer kan het Regionale Expertise en Informatie Centrum (RIEC) worden ingeschakeld. Het RIEC is een gespecialiseerde organisatie die nadere gegevens opvraagt en controleert bij een Bibob-onderzoek. Op grond van dit onderzoek kan het RIEC adviseren om een nader onderzoek te laten instellen door bureau Bibob. Op basis van dit onderzoek kan worden geadviseerd om de vergunning niet te verlenen of in te trekken. Een drank– en horecawetvergunning wordt alleen verleend voor horecaondernemingen waar bedrijfsmatig alcohol wordt verstrekt voor gebruik ter plaatste. Een exploitatievergunning kan ook worden verleend voor horecaondernemingen waar geen alcohol wordt verstrekt. Dit noemt men ook wel de “droge horeca”.

Denk aan cafetaria ‘s, thee- en koffiehuizen, ijssalons, shoarmazaken, zonnestudio’s, clubhuizen van bijvoorbeeld

Meerwaarde van de exploitatievergunning Op een exploitatievergunning(aanvraag) kan net als op een Alcoholwetvergunning(aanvraag) de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: wet Bibob) worden toegepast. Op grond van de wet Bibob kan een onderzoek worden ingesteld naar de integriteit van een ondernemer. In grote lijnen werkt dit als volgt. Als op grond van het vergunningonderzoek twijfels bestaan over de integriteit van een ondernemer wordt aan de aanvrager een Bibob-formulier toegestuurd. Als op grond van dit ingevuld formulier twijfels blijven bestaan over de integriteit van de ondernemer kan het Regionale Expertise en Informatie Centrum (RIEC) worden ingeschakeld. Het RIEC is een gespecialiseerde organisatie die nadere gegevens opvraagt en controleert bij een Bibob-onderzoek. Op grond van dit onderzoek kan het RIEC adviseren om een nader onderzoek te laten instellen door bureau Bibob. Op basis van dit onderzoek kan worden geadviseerd om de vergunning niet te verlenen of in te trekken. Een Alcoholwetvergunning wordt alleen verleend voor horecaondernemingen waar bedrijfsmatig alcohol wordt verstrekt voor gebruik ter plaatste. Een exploitatievergunning kan ook worden verleend voor horecaondernemingen waar geen alcohol wordt verstrekt. Dit noemt men

Pagina 23 van 76

Z/24/136738 - D/24/172794

motorclubs en shisha-lounges (bars waar een waterpijp kan worden gerookt). De meerwaarde van de exploitatievergunning is dat de Wet Bibob ook kan worden toegepast bij horecaondernemingen waar geen alcohol wordt verstrekt. Het doel van de exploitatievergunningplicht is om te voorkomen dat de gemeente (onbedoeld) criminele activiteiten faciliteert en hierbij (onbedoeld) een klimaat creëert waarbij Maasgouw onveiliger wordt en hierdoor de leefbaarheid in negatieve zin beïnvloedt. In het kader van de bestuurlijke aanpak van de georganiseerde misdaad is de exploitatievergunning een geschikt middel om deze problematiek tegen te gaan en aan te pakken. Daarnaast kan het niet hanteren van de exploitatievergunningplicht een aanzuigende werking hebben. Het risico bestaat namelijk dat criminele organisaties zich juist in Maasgouw vestigen omdat daar de exploitatievergunningplicht niet bestaat. Dit is dan ook één van de redenen waarom steeds meer gemeenten in de provincie Limburg ervoor kiezen om het exploitatievergunningstelsel te gebruiken. Toevoeging van het begrip coffeeshop en verankering van het nul beleid Ter verduidelijking is bij de begripsomschrijvingen in artikel 2:14 APV 2020 de definitie coffeeshop toegevoegd. Verder is in artikel 2:14 APV 2020 opgenomen dat bij het verlenen van een exploitatievergunning voor een coffeeshop een nul beleid van toepassing is.

Dit betekent dat er binnen de gemeente Maasgouw geen coffeeshop mag worden gevestigd. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar het coffeeshopbeleid van de gemeente Maasgouw. Toevoegen van het begrip “waterpijp café” Het begrip “waterpijpcafé” wordt ook wel “shisha- lounge” genoemd. Onder een waterpijpcafé/sisha-lounge wordt verstaan café waar men waterpijp kan roken, thee en andere drankjes kan nuttigen. Door dit begrip toe te voegen is een “waterpijpcafé” altijd aan een exploitatievergunning onderworpen. Toevoegen/afmelden leidinggevende via melding In afdeling 7 van de APV Maasgouw 2020 zijn artikelen toegevoegd die het mogelijk maken om via een melding een leidinggevende op de vergunning bij of af te laten schrijven. Hierbij is aansluiting gezocht bij de systematiek van de Drank –en Horecawet. Op grond van de Drank –

ook wel de “droge horeca”. Denk aan cafetaria ‘s, thee- en koffiehuizen, ijssalons, shoarmazaken, zonnestudio’s, clubhuizen van bijvoorbeeld motorclubs en shishalounges (bars waar een waterpijp kan worden gerookt). De meerwaarde van de exploitatievergunning is dat de Wet Bibob ook kan worden toegepast bij horecaondernemingen waar geen alcohol wordt verstrekt. Het doel van de exploitatievergunningplicht is om te voorkomen dat de gemeente (onbedoeld) criminele activiteiten faciliteert en hierbij (onbedoeld) een klimaat creëert waarbij Maasgouw onveiliger wordt en hierdoor de leefbaarheid in negatieve zin beïnvloedt. In het kader van de bestuurlijke aanpak van de georganiseerde misdaad is de exploitatievergunning een geschikt middel om deze problematiek tegen te gaan en aan te pakken. Daarnaast kan het niet hanteren van de exploitatievergunningplicht een aanzuigende werking hebben. Het risico bestaat namelijk dat criminele organisaties zich juist in Maasgouw vestigen omdat daar de exploitatievergunningplicht niet bestaat. Dit is dan ook één van de redenen waarom steeds meer gemeenten in de provincie Limburg ervoor kiezen om het exploitatievergunningstelsel te gebruiken. Toevoeging van het begrip coffeeshop en verankering van het nul beleid Ter verduidelijking is bij de begripsomschrijvingen in artikel 2:14 APV 2020 de definitie coffeeshop toegevoegd.

Verder is in artikel 2:14 APV 2020 opgenomen dat bij het verlenen van een exploitatievergunning voor een coffeeshop een nul beleid van toepassing is. Dit betekent dat er binnen de gemeente Maasgouw geen coffeeshop mag worden gevestigd. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar het coffeeshopbeleid van de gemeente Maasgouw. Toevoegen van het begrip “waterpijp café” in de APV 2020 Het begrip “waterpijpcafé” wordt ook wel “shisha- lounge” genoemd. Onder een waterpijpcafé/sisha-lounge wordt verstaan café waar men waterpijp kan roken, thee en andere drankjes kan nuttigen. Door dit begrip toe te voegen is een “waterpijpcafé” altijd aan een exploitatievergunning onderworpen.

Pagina 24 van 76

Z/24/136738 - D/24/172794

en Horecawet is het namelijk ook mogelijk om via een melding een leidinggevende op de vergunning toe te voegen of te verwijderen. De melding wordt gezien als een aanvraag, waardoor een antecenten- en integriteitsonderzoek altijd mogelijk is. Nadere regels terrassen Voor het exploiteren van een terras hoeft geen aparte terrasvergunning te worden verleend. Als een nieuw terras wordt geëxploiteerd of als de bestaande situatie van een terras wijzigt, dan is er alleen een (wijziging van een) exploitatievergunning nodig.

Toevoegen/afmelden leidinggevende via melding In afdeling 7 van de APV Maasgouw 2020 zijn artikelen toegevoegd die het mogelijk maken om via een melding een leidinggevende op de vergunning bij of af te laten schrijven. Hierbij is aansluiting gezocht bij de systematiek van de Alcoholwet. Op grond van de Alcoholwet is het namelijk ook mogelijk om via een melding een leidinggevende op de vergunning toe te voegen of te verwijderen. De melding wordt gezien als een aanvraag, waardoor een antecenten- en integriteitsonderzoek altijd mogelijk is.

Verder gelden er naast de exploitatievergunningplicht nadere regels voor terrassen. De exploitant van een terras moet voldoen aan deze nadere regels. Dit zorgt voor duidelijkheid en eenduidigheid. De nadere regels kunnen niet worden “aangetast” door het opleggen van vergunningvoorschriften die afwijken van deze nadere regels. Wat in de nadere regels is voorgeschreven, valt buiten het bereik van de exploitatievergunning. De nadere regels hebben betrekking op de verkeersveiligheid, de openbare orde en veiligheid bij het exploiteren van terrassen.

Nadere regels terrassen

Artikel 2:16 Sluitingstijd

Artikel 2:16 Sluitingstijd

In de APV 2013 was de mogelijkheid opgenomen dat de burgemeester een ontheffing kon verlenen van het sluitingsuur van een horecaonderneming. In de praktijk kwam het er op neer dat bij elke afwijking van het sluitingsuur een ontheffing moest worden verleend.

In de APV 2013 was de mogelijkheid opgenomen dat de burgemeester een ontheffing kon verlenen van het sluitingsuur van een horecaonderneming. In de praktijk kwam het erop neer dat bij elke afwijking van het sluitingsuur een ontheffing moest worden verleend.

In artikel 2:15, derde tot en met het vijfde lid APV 2020 is opgenomen in welke gevallen een ruimere sluitingstijd geldt. Tijdens de kermis en Koningsnacht wordt bijvoorbeeld een ruimere sluitingstijd gehanteerd. Ook wordt de horecaondernemers, via een meldplicht, de mogelijkheid geboden om vijf keer per jaar één uur langer open te zijn.

In artikel 2:16, derde en vierde lid APV 2020 is opgenomen in welke gevallen een ruimere sluitingstijd geldt. Tijdens de kermis en Koningsnacht wordt bijvoorbeeld een ruimere sluitingstijd gehanteerd. Ook wordt de horecaondernemers, via een meldplicht, de mogelijkheid geboden om vijf keer per jaar één uur langer open te zijn.

Als gevolg van het opnemen van de sluitingstijden en het meldsysteem in de APV

Als gevolg van het opnemen van de

Voor het exploiteren van een terras hoeft geen aparte terrasvergunning te worden verleend. Als een nieuw terras wordt geëxploiteerd of als de bestaande situatie van een terras wijzigt, dan is er alleen een (wijziging van een) exploitatievergunning nodig. Verder gelden er naast de exploitatievergunningplicht nadere regels voor terrassen. De exploitant van een terras moet voldoen aan deze nadere regels. Dit zorgt voor duidelijkheid en eenduidigheid. De nadere regels kunnen niet worden “aangetast” door het opleggen van vergunningvoorschriften die afwijken van deze nadere regels. Wat in de nadere regels is voorgeschreven, valt buiten het bereik van de exploitatievergunning. De nadere regels hebben betrekking op de verkeersveiligheid, de openbare orde en veiligheid bij het exploiteren van terrassen.

Pagina 25 van 76

Z/24/136738 - D/24/172794

2020, hoeft geen ontheffing meer te worden verleend door de burgemeester.

sluitingstijden en het meldsysteem in de APV 2020, hoeft geen ontheffing meer te worden verleend door de burgemeester.

Artikel 2:19 Handel binnen openbare inrichtingen

Artikel 2:19 Handel binnen openbare inrichtingen

Dit artikel betreft een verbod van heling.

Dit artikel betreft een verbod van heling.

In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen. Artikel 2:19 sluit aan op het in artikel 14 Drank en Horecawet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen.

In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen. Artikel 2:19 sluit aan op het in artikel 14 Alcoholwet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen.

Omdat artikel 2:18 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet.

Omdat artikel 2:19 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet.

Afdeling 4A Toezicht op campings en recreatieparken

Afdeling 4A Toezicht op campings en recreatieparken en jachthavens

Gemeenten hebben de laatste jaren een grote rol gekregen in het tegengaan van 'ondermijnende criminaliteit'. Van de lokale overheid wordt verwacht dat deze zich 'weerbaar' opstelt tegen dit soort ongewenste ontwikkelingen. De rol van de gemeente komt daarbij met name tot uiting in het gebruik van bestuurlijke instrumenten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het invoeren van een vergunningplicht voor bepaalde activiteiten (zoals we momenteel onder meer een horeca-exploitatievergunning kennen). De eisen die aan een vergunning gesteld kunnen worden, zoals bijvoorbeeld een procedure op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur (verder Wet Bibob), kunnen een preventieve werking hebben. Daarnaast biedt het verplicht stellen van bepaalde vergunningen extra mogelijkheden om onwenselijke activiteiten via toezicht en handhaving tegen te gaan. Door het opnemen van deze norm, worden ook campings en recreatieparken binnen onze gemeente verplicht om in het bezit te zijn van de benodigde exploitatievergunning.

Gemeenten hebben de laatste jaren een grote rol gekregen in het tegengaan van 'ondermijnende criminaliteit'. Van de lokale overheid wordt verwacht dat deze zich 'weerbaar' opstelt tegen dit soort ongewenste ontwikkelingen. De rol van de gemeente komt daarbij met name tot uiting in het gebruik van bestuurlijke instrumenten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het invoeren van een vergunningplicht voor bepaalde activiteiten (zoals we momenteel onder meer een horecaexploitatievergunning kennen). De eisen die aan een vergunning gesteld kunnen worden, zoals bijvoorbeeld een procedure op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur (verder Wet Bibob), kunnen een preventieve werking hebben. Daarnaast biedt het verplicht stellen van bepaalde vergunningen extra mogelijkheden om onwenselijke activiteiten via toezicht en handhaving tegen te gaan. Door het opnemen van deze norm, worden ook campings , recreatieparken en jachthavens binnen onze gemeente verplicht om in het bezit te zijn van de benodigde exploitatievergunning. Campings en recreatieparken

Dit zal, naast de handhaving van permanente bewoning op de recreatieparken binnen onze gemeente, mede bijdragen aan de revitalisering van de recreatiesector binnen de gemeente Maasgouw.

De vergunningplicht (inclusief Bibobtoets) zal, naast de handhaving van permanente bewoning op de recreatieparken binnen onze gemeente, mede

Pagina 26 van 76

Z/24/136738 - D/24/172794

bijdragen aan de revitalisering van de recreatiesector binnen de gemeente Maasgouw. Jachthavens Onder jachthavens genoemd in deze afdeling wordt verstaan: Havens met inbegrip van de daarbij behorende grond, zijnde een accommodatie die gelegenheid biedt voor de exploitatie van zomerligplaatsen en ligplaatsen voor passanten met recreatievaartuigen, waar overwegend de gelegenheid wordt geboden voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van recreatievoertuigen, eventueel in combinatie met reparatie van recreatievaartuigen, exploitatie van winterstalling voor recreatievaartuigen en verkoop van motorbrandstoffen en andere benodigdheden voor recreatievaartuigen” Steeds vaker blijkt dat jachthavens zich lenen voor ondermijnende criminaliteit, omdat jachthavens logistieke knooppunten vormen die zich uitstekend lenen voor de aan- en afvoer van (illegale) goederen, waaronder de aan- en afvoer van bijvoorbeeld verdovende middelen, mensensmokkel en illegale afvaltransporten. Ook zijn jachthavens een broedplaats voor ondermijning, doordat de anonimiteit in het gebied makkelijk gewaarborgd kan worden en er makkelijk anoniem geld witgewassen kan worden met de aankoop en/of het gebruik van boten en jachten.

Door een vergunningplicht in te stellen en voorwaarde te verbinden aan de vergunning kan er meer zicht en grip komen op de exploitatie van een jachthaven en biedt, net zoals is toegelicht bij de campings en recreatieparken, het verplicht stellen van bepaalde vergunningen extra mogelijkheden om onwenselijke activiteiten via toezicht en handhaving tegen te gaan en zo de openbare orde en het leefklimaat te verbeteren. De vergunningsplicht draagt tevens bij aan het project Maasplassengebied. Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen uit de Drank- en Horecawet

Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen uit de Alcoholwet

Artikel 2:22 Schenktijden paracommerciële rechtspersonen

Artikel 2:22 Schenktijden paracommerciële rechtspersonen

Eerste lid Eerste lid Hieronder vallen voornamelijk de dorpshuizen c.q. gemeenschapshuizen. Omdat er binnen de gemeente veel gemeenschapshuizen zijn waarbij de horeca op grond van een reguliere vergunning (B.V. of eenmanszaak) wordt geëxploiteerd is het voor verenigingen die van deze accommodaties gebruik maken mogelijk langer dan één uur na afloop van de

Hieronder vallen voornamelijk de dorpshuizen c.q. gemeenschapshuizen. Omdat er binnen de gemeente veel gemeenschapshuizen zijn waarbij de horeca op grond van een reguliere vergunning (B.V. of eenmanszaak) wordt geëxploiteerd is het voor verenigingen die van deze

Pagina 27 van 76

Z/24/136738 - D/24/172794

verenigingsactiviteit in deze inrichting te verblijven. Een maximaal verblijf van één uur na afloop van de verenigingsactiviteit wordt als zeer kort ervaren. In de praktijk zien wij dat met name muziekverenigingen, buurtverenigingen, bejaardenverenigingen, vrouwenverenigingen gebruik maken van deze accommodaties. De verruiming tot twee uur na afloop verenigingsactiviteit komt tegemoet aan de wens. Tweede lid Bij de tijden van zaterdag (16:00 uur tot 00:00 uur) en zondag (10:00 uur tot 00.00 uur) is rekening gehouden met het feit dat vrijwel alle sportverenigingen hun jeugdwedstrijden op zaterdag hebben. Op zondag spelen de senioren hun wedstrijden, vaak verspreid over de hele ochtend en middag. Bij de eindtijd van 00.00 uur is rekening gehouden met het grote aantal tennisverenigingen die volgens hun statuten activiteiten hebben tot 23.00 uur.

accommodaties gebruik maken mogelijk langer dan één uur na afloop van de verenigingsactiviteit in deze inrichting te verblijven. Een maximaal verblijf van één uur na afloop van de verenigingsactiviteit wordt als zeer kort ervaren. In de praktijk zien wij dat met name muziekverenigingen, buurtverenigingen, bejaardenverenigingen, vrouwenverenigingen gebruik maken van deze accommodaties. De verruiming tot twee uur na afloop verenigingsactiviteit komt tegemoet aan de wens. Tweede lid Bij de tijden van zaterdag (16:00 uur tot 00:00 uur) en zondag (10:00 uur tot 00.00 uur) is rekening gehouden met het feit dat vrijwel alle sportverenigingen hun jeugdwedstrijden op zaterdag hebben. Op zondag spelen de senioren hun wedstrijden, vaak verspreid over de hele ochtend en middag. Bij de eindtijd van 00.00 uur is rekening gehouden met het grote aantal tennisverenigingen die volgens hun statuten activiteiten hebben tot 23.00 uur. Artikel 2:23 Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen

Artikel 2:23 Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen Artikel 4 van de Drank- en Horecawet bevat onder meer de verplichting bij gemeentelijke verordening regels te stellen waaraan paracommerciële rechtspersonen zich te houden hebben bij de verstrekking van alcoholhoudende drank. Door dit artikel wordt voorkomen dat (veelal gesubsidieerde) paracommerciële instellingen op onaanvaardbare wijze concurreren met de reguliere horeca door bijeenkomsten van persoonlijke aard te houden. Met dit artikel in deze verordening wordt aan de verplichting om dit bij gemeentelijke verordening te regelen voldaan. Met bijeenkomsten van persoonlijke aard wordt gedoeld op bijeenkomsten waarbij alcoholhoudende drank wordt genuttigd, die geen direct verband houden met de activiteiten van de desbetreffende paracommerciële instelling, zoals bruiloften, feesten, partijen, recepties, jubilea, verjaardagen. Voor zover die bijeenkomsten ook een zakelijk karakter hebben dat direct verband houdt met de activiteiten van de rechtspersoon, zoals het afscheid van de voorzitter van een vereniging of kampioensreceptie, vallen deze niet onder het bereik van deze bepaling. Met bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken

Artikel 4 van de Alcoholwet bevat onder meer de verplichting bij gemeentelijke verordening regels te stellen waaraan paracommerciële rechtspersonen zich te houden hebben bij de verstrekking van alcoholhoudende drank. Door dit artikel wordt voorkomen dat (veelal gesubsidieerde) paracommerciële instellingen op onaanvaardbare wijze concurreren met de reguliere horeca door bijeenkomsten van persoonlijke aard te houden. Met dit artikel in deze verordening wordt aan de verplichting om dit bij gemeentelijke verordening te regelen voldaan. Met bijeenkomsten van persoonlijke aard wordt gedoeld op bijeenkomsten waarbij alcoholhoudende drank wordt genuttigd, die geen direct verband houden met de activiteiten van de desbetreffende paracommerciële instelling, zoals bruiloften, feesten, partijen, recepties, jubilea, verjaardagen. Voor zover die bijeenkomsten ook een zakelijk karakter hebben dat direct verband houdt met de activiteiten van de rechtspersoon, zoals het afscheid van de voorzitter van een vereniging of kampioensreceptie, vallen deze niet onder het bereik van deze bepaling. Met bijeenkomsten die gericht zijn op

Pagina 28 van 76

Z/24/136738 - D/24/172794

zijn worden onder ander bedrijfsfeesten, personeelsfeesten, koffietafels etc. bedoeld.

personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn worden onder ander bedrijfsfeesten, personeelsfeesten, koffietafels etc. bedoeld.

Artikel 2:24 Stellen van voorschriften en beperken vergunning

Artikel 2:24 Stellen van voorschriften en beperken vergunning

Artikel 25a, tweede lid onder b, Drank- en Horecawet biedt de gemeente de mogelijk om de burgemeester bij in de verordening te stellen regels voorschriften aan een vergunning te verbinden en de vergunning te beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.

Artikel 25a, tweede lid onder b, Alcoholwet biedt de gemeente de mogelijk om de burgemeester bij in de verordening te stellen regels voorschriften aan een vergunning te verbinden en de vergunning te beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.

Op grond van de gewijzigde Drank en horecawet is de burgemeester verantwoordelijk voor het toezicht en handhaving. Om deze verantwoordelijkheid goed uit te kunnen oefenen is in de verordening aan de burgemeester de bevoegdheid toegekend om voorschriften aan de vergunning te verbinden en om de vergunning te kunnen beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.

Op grond van de gewijzigde Alcoholwet is de burgemeester verantwoordelijk voor het toezicht en handhaving. Om deze verantwoordelijkheid goed uit te kunnen oefenen is in de verordening aan de burgemeester de bevoegdheid toegekend om voorschriften aan de vergunning te verbinden en om de vergunning te kunnen beperken tot het verstrekken van zwakalcoholhoudende drank.

Artikel 2:26 Kennisgeving exploitatie

Artikel 2:26 Kennisgeving exploitatie

Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en kampeerinrichtingen.

Artikel 2:26 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en kampeerinrichtingen.

Artikel 2:27 Nachtregister

Artikel 2:27 Nachtregister

De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de exploitant van de inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht.

De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de exploitant van de inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht.

Om de burgemeester toch nog de bevoegdheid te geven om een nachtregister te vorderen is dit ook nog in de APV 2017 geregeld. Verder is artikel 2:25 zodanig geformuleerd zodat naast een inrichting zoals bedoeld in artikel 2:25 APV 2017, ook de exploitant of beheerder van, dan wel anderszins rechthebbende op een recreatiepark dat gelegenheid geeft tot nachtverblijf verplicht is om een nachtregister bij te houden. Op deze manier kan bijvoorbeeld de verplichting van het bijhouden van het nachtregister ook worden opgelegd aan een vereniging van eigenaren op een recreatiepark.

Om de burgemeester toch nog de bevoegdheid te geven om een nachtregister te vorderen is dit ook nog in de APV 2017 geregeld. Verder is artikel 2:25 zodanig geformuleerd zodat naast een inrichting zoals bedoeld in artikel 2:25 APV 2017, ook de exploitant of beheerder van, dan wel anderszins rechthebbende op een recreatiepark dat gelegenheid geeft tot nachtverblijf verplicht is om een nachtregister bij te houden. Op deze manier kan bijvoorbeeld de verplichting van het bijhouden van het nachtregister ook worden opgelegd aan een vereniging van eigenaren op een recreatiepark. In de gewijzigde APV 2020 is opgenomen dat de registratie op een door de burgemeester voorgeschreven wijze dient plaats te vinden. Hierdoor staat de mogelijkheid open om regels te stellen aan het nachtregister.

Pagina 29 van 76

Z/24/136738 - D/24/172794

Artikel 2:28 Verschaffing gegevens nachtregister

Artikel 2:28 Verschaffing gegevens nachtregister

Op grond van artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht is een ondernemer die een hotel of pension drijft verplicht om een nachtregister bij te houden. Dit artikel in de APV komt die ondernemer tegemoet door de gast te verplichten daaraan mee te werken en zijn of haar gegevens te verstrekken. Zo’n aanvulling van het Wetboek van Strafrecht bij plaatselijke verordening werd door de Hoge Raad toelaatbaar geacht: HR 10 april 1979, NJ 1979, 442. Daarbij wordt vaak opgemerkt dat een goed bijgehouden nachtregister ook in het belang van de gemeente is, bijvoorbeeld voor de brandweer, mocht er onverhoopt brand uitbreken in een hotel of pension.

Op grond van artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht is een ondernemer die een hotel of pension drijft verplicht om een nachtregister bij te houden. Dit artikel in de APV komt die ondernemer tegemoet door de gast te verplichten daaraan mee te werken en zijn of haar gegevens te verstrekken. Zo’n aanvulling van het Wetboek van Strafrecht bij plaatselijke verordening werd door de Hoge Raad toelaatbaar geacht: HR 10 april 1979, NJ 1979, 442. Daarbij wordt vaak opgemerkt dat een goed bijgehouden nachtregister ook in het belang van de gemeente is, bijvoorbeeld voor de brandweer, mocht er onverhoopt brand uitbreken in een hotel of pension. De sinds 25 mei 2018 geldende AVG heeft, net als de daarvoor geldende Wbp, als uitgangspunt dat er niet meer wordt uitgevraagd dan nodig. Er worden alleen de gegevens uitgevraagd die artikel 438 van het WvSr noemt.

Afdeling 6A Huisvesting arbeidsmigranten

Afdeling 6A Huisvesting arbeidsmigranten

Ook in de gemeente Maasgouw wordt een deel van de werkgelegenheid ingevuld door buitenlandse werknemers, zogenaamde arbeidsmigranten. De huisvesting van arbeidsmigranten is van groot economisch belang, met name voor agrariërs en (delen van) het bedrijfsleven. De gemeente wil dat iedere inwoner van de gemeente gedegen en verantwoord wordt gehuisvest. Dat geldt dus ook voor arbeidsmigranten. Tegelijkertijd wil de gemeente ook dat de omgeving zo min mogelijk hinder ondervindt van het (tijdelijk) huisvesten van arbeidsmigranten, de woningvoorraad voor starters beschermen en belastingen voor arbeidsmigranten kunnen innen omdat zij immers ook gebruik maken van de lokale voorzieningen. Om veilige, kwalitatief goede huisvesting van arbeidsmigranten te stimuleren en overlast te voorkomen, is een exploitatievergunning voor de huisvestingsvoorziening van arbeidsmigranten opgenomen in de APV 2020. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is namelijk niet toereikend om problematiek rondom de huisvesting van arbeidsmigranten aan te pakken. Vanwege uniformiteit is aansluiting gezocht bij de bepalingen van de APV Echt-Susteren.

Wet goed verhuurderschap Op 1 juli 2023 is de Wet goed verhuurderschap in werking getreden. Het doel van deze wet is het voorkomen en tegengaan van ongewenste verhuurpraktijken bij alle groepen huurders, waaronder arbeidsmigranten. Daarnaast is per 1 juli 2024 met de komst van de Wet betaalbare huur, Wet vaste huurcontracten en Wet maximering huurprijsverhoging geliberaliseerde huurovereenkomsten een instrumentarium beschikbaar gekomen om huurders verder te beschermen en ongewenste verhuurpraktijken tegen te gaan. De VNG geeft in haar geactualiseerde versie van de handreiking “Goed verhuurderschap” (van juli 2024) het volgende aan met betrekking tot de samenloop tussen de exploitatievergunning in de Apv en de verhuurvergunning voor arbeidsmigranten: “Indien de voorschriften in de exploitatievergunning niet (uitsluitend) betrekking hebben op de relatie tussen verhuurder en arbeidsmigrant, en dus worden gesteld met een ander doel (zoals het voorkomen dat er overlast is voor omwonenden, of de openbare orde), heeft de gemeente de bevoegdheid tot het stellen van die regels bij Apv. Een en ander ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet.”

Bij de definitiebepaling is opgenomen dat onder shortstay-arbeidsmigranten tevens wordt verstaan tijdelijke Nederlandse arbeidskrachten. Hiermee is beoogd om Nederlandse arbeiders, die tijdelijk in de regio werkzaam zijn, legaal te laten verblijven in een huisvesting voor (buitenlandse) arbeidsmigranten.

“Het is voor een gemeente nadrukkelijk niet noodzakelijk om een verhuurvergunning in te voeren als zij randvoorwaarden wil instellen omtrent het beheer van de woon- en verblijfsruimten. Gemeenten kunnen in de Apv via een exploitatievergunning randvoorwaarden op het

Pagina 30 van 76

Z/24/136738 - D/24/172794

gebeid van beheer instellen. Deze regels dienen dan niet toe te zien op ‘verhuurdersgedrag’.” Er zijn echter ook geluiden te horen dat deze bepalingen niet naast elkaar kunnen blijven bestaan. Dat zou inhouden dat van de bepaling in de Apv van rechtswege geen gebruik meer gemaakt kan worden per 1 juli 2024. De regels die nu in de Apv zijn opgenomen kunnen dan opgenomen worden in een gemeentelijke verhuurderverordening. Omdat er op dit moment nog geen (nieuwe) gemeentelijke verhuurderverordening is vastgesteld is er voor gekozen om afdeling 6A en afdeling 6B van Hoofdstuk 2 bij de wijziging van de Apv in 2024 te laten staan. In Afdeling 6A is in de Apv 2020 een exploitatievergunning voor de huisvestingsvoorziening van arbeidsmigranten opgenomen. Deze vergunningplicht is opgenomen om veilige, kwalitatief goede huisvesting van arbeidsmigranten te stimuleren en overlast te voorkomen. In de gemeente Maasgouw wordt een deel van de werkgelegenheid ingevuld door buitenlandse werknemers, zogenaamde arbeidsmigranten. De huisvesting van arbeidsmigranten is van groot economisch belang, met name voor agrariërs en (delen van) het bedrijfsleven. De gemeente wil dat iedere inwoner van de gemeente gedegen en verantwoord wordt gehuisvest. Dat geldt dus ook voor arbeidsmigranten.

Tegelijkertijd wil de gemeente ook dat de omgeving zo min mogelijk hinder ondervindt van het (tijdelijk) huisvesten van arbeidsmigranten, de woningvoorraad voor starters beschermen en belastingen voor arbeidsmigranten kunnen innen omdat zij immers ook gebruik maken van de lokale voorzieningen. De Omgevingswet is niet toereikend om problematiek rondom de huisvesting van arbeidsmigranten aan te pakken.

Afdeling 6B Toezicht op kamerverhuur

Bij de definitiebepaling is opgenomen dat onder shortstay-arbeidsmigranten tevens wordt verstaan tijdelijke Nederlandse arbeidskrachten. Hiermee is beoogd om Nederlandse arbeiders, die tijdelijk in de regio werkzaam zijn, legaal te laten verblijven in een huisvesting voor (buitenlandse) arbeidsmigranten. Afdeling 6B Toezicht op kamerverhuur

Naast de huisvesting van de arbeidsmigranten wil de gemeente Maasgouw ook grip krijgen op kamerverhuur. Door de invoering van de exploitatieplicht vallen deze ook onder de reikwijdte van de Wet Bibob en kunnen voorschriften aan de vergunning worden verbonden, waardoor indien nodig de vergunning

Zie ook de toelichting van artikel 6A in verband met de komst van de ‘Wet goed verhuurderschap’ Naast de huisvesting van de arbeidsmigranten wil de gemeente Maasgouw ook grip krijgen op kamerverhuur. Door de invoering van de exploitatieplicht vallen deze ook onder de reikwijdte van de Wet Bibob en kunnen voorschriften aan de

Pagina 31 van 76

Z/24/136738 - D/24/172794

(tijdelijk) kan worden ingetrokken. Hierdoor kan de gemeente beter grip krijgen op het weren van malafide huisjesmelkers. Deze groep wordt namelijk in verband gebracht met mensenhandel en/of arbeidsuitbuiting. Afdeling 7 Toezicht op speelgelegenheden

vergunning worden verbonden, waardoor indien nodig de vergunning (tijdelijk) kan worden ingetrokken. Hierdoor kan de gemeente beter grip krijgen op het weren van malafide huisjesmelkers. Deze groep wordt namelijk in verband gebracht met mensenhandel en/of arbeidsuitbuiting. Afdeling 7 Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2:30 Definities

Artikel 2:30 Definities

Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze restcategorie van speelgelegenheden voor behendigheidsspelen is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden, waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.

Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze restcategorie van speelgelegenheden voor behendigheidsspelen is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden, waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.

Definities die voorheen in de APV 2017 stonden en ook in de Wet op de kansspelen staan zijn nu niet meer opgenomen. Nu wordt rechtstreeks verwezen naar de Wet op de Kansspelen. Artikel 2:30b Kansspelautomaten

Artikel 2:30b Kansspelautomaten

Op 1 juni 2000 is het gewijzigde hoofdstuk van de Wet op de Kansspelen over de speelautomaten in werking getreden (opnieuw gewijzigd per 1 november 2000). De wetgever had er bewust voor gekozen ruimte te laten voor de uitleg van de artikelen: de rechter moest maar voor nieuwe jurisprudentie zorg dragen. Deze opvatting gaf de gemeenten nogal wat problemen. De vraag was met name of een horeca inrichting als “hoogdrempelig” of “laagdrempelig”, wat van belang was voor de vraag of er gokautomaten aanwezig mochten zijn. Er ontstond een uitvoerige en gedetailleerde jurisprudentie. Zie hieronder voor een aantal voorbeelden.

Dit artikel is een uitwerking van artikel 30c, tweede lid, van de Wok. Hierin staat dat bij gemeentelijke verordening het aantal kansspelautomaten wordt vastgesteld waarvoor per hoog- en laagdrempelige inrichting een aanwezigheidsvergunning wordt verleend. Voor hoogdrempelige inrichtingen kan dat voor maximaal twee kansspelautomaten. Kansspelautomaten zijn speelautomaten, die geen behendigheidsautomaat (zoals een flipperkast) zijn, maar gokkasten waarmee ook geld kan worden gewonnen en waar doorgaans geen behendigheid bij te pas komt.

Bij de wijziging van de Wet op de kansspelen in 2010 constateerde de wetgever dat het gezien de regels van de Europese Dienstenrichtlijn niet viel te verdedigen dat voor het aanwezig hebben van enkele behendigheidsautomaten een vergunning vooraf wordt geëist. Dit vooral ook omdat een aanwezigheidsvergunning voor gokkasten met name wordt verdedigd door te wijzen op het risico van gokverslaving. Het valt moeilijk vol te houden dat een flipperkast een vergelijkbaar risico op verslaving oplevert als

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Maasgouw&id=8aa9da69-e9b1-48d0-b6f5-4947d62c1aeb