CConstaterende datMaasgouw
Koppel je AI →
Document · PDF

---------- BIJLAGE 1 160318-_Ontwerp wijzigingsverordening provincie Limburg artikel 13.2 zonneparken

06. Raadsinformatiebrieven 17 september 2024, gemeente MaasgouwBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven behorend bij de portefeuille van wethouder Snijckers12.826 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

21

Provinciaal blad 2024 nr. 7557

24 mei 2024

Hier dient aansluiting gezocht te worden bij hoofdstuk 7 (landschappen), 8 (natuurgebieden) van deze verordening en de principes van de Omgevingsvisie Limburg. Om de voorgenomen landschappelijke inpassing te beoordelen, zijn voor Noord- en Midden Limburg het ‘landschapskader Noord en Midden Limburg’ en de ‘Handreiking Landschap Grootschalige Energie opwek zon-op-land RES Noord-en Midden-Limburg’ waardevolle handvatten. Voor Zuid-Limburg zijn relevante bronnen het ‘Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg’, de ‘Landschappelijke verdiepingsstudie Zon en Wind (HeusschenCopier)’ Energie en Ruimte Zuid-Limburg (Ecorys) en Milieueffectstudie Zonne- en windenergie RES Zuid-Limburg. Voor de het Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg en de groenblauwe mantel (afdeling 7.1 en 7.3) gelden aanvullende regels ten aanzien van de omgang met landschappelijke kernkwaliteiten. De ruimtelijk kwalitatieve omgevingswaarde, bodemkwaliteit en de biodiversiteit van de locatie worden behouden De bedoeling van deze bepalingen is om bij de keuze van de locatie, het ontwerp, de aanleg en de inrichting rekening te houden met de aanwezige omgevingskwaliteit, bodemkwaliteit en ecologische kernkwaliteiten van het gebied, deze te behouden en waar mogelijk te versterken. Een goede ‘omgevingskwaliteit' is opgenomen in de centrale doelstelling (artikel 1.3) van de Omgevingswet.

Dit geeft aan dat bijvoorbeeld de aanwezige cultuur-historische waarden in het gebied, cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap belangrijk zijn. Het gaat daarbij om zowel de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als de waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden. Voor bodemkwaliteit en biodiversiteit is specifiek aandacht nodig voor vocht- en lichttoetreding onder de panelen en het (maai)beheer van het project. Wij maken bij de toetsing gebruik van de uitkomsten van onderzoek die de WUR doet op dit gebied om te komen tot certificering van zonneparken, onder de naam Ecocertified Solar Parks. TNO heeft binnen het ‘Nationaal Consortium Zon in Landschap’ een voorlopige belichtingstoets onder panelen ontwikkeld. Deze is beschreven in het vakblad Bodem en ook op de website van dit consortium te vinden. Deze belichtingstoets hanteren we bij de toetsing tot het moment dat er nieuwe inzichten beschikbaar zijn. Het zonnepark wordt na beëindiging van de activiteit verwijderd Zonneparken hebben over het algemeen een tijdelijk karakter en zulke projecten worden vaak via een buitenplanse omgevingsplan activiteit (bopa) mogelijk gemaakt.

Aan een dergelijke vergunning wordt de termijn verbonden en de voorwaarde dat na afloop van de termijn de situatie van voor de vergunningverlening wordt hersteld. Bij opname in het omgevingsplan worden deze eisen in het omgevingsplan verankerd. Bij beëindiging van een zonnepark gelegen op een bouwvlak, dient het bouwvlak aangepast te worden conform de nieuwe functie. Via het afsluiten van een anterieure overeenkomst met de exploitant worden meer zekerheden over de verwijdering verkregen. Daarbij behoren afspraken over de financiële borging, om de kosten hiervoor tijdig af te kunnen dekken. Instandhouding landschappelijke inpassing Het is gewenst om aangebracht landschapselementen, de groene dooradering en ecologische verbeteringen die bij de aanleg zijn aangebracht te behouden, voor zover deze elementen passend zijn in de aansluitende landschappelijke structuur. In het landschapsontwerp dienen deze elementen al aangeduid te worden. Daarbij behoren afspraken over de (financiële) borging voor het verdere beheer van deze landschapselementen.

Artikel 13.3, lid 5 Zorgvuldige ruimtelijke afweging locatie Een omgevingsplan motiveert waarom op deze locatie een zonnepark aanvaardbaar is: waarom is een zonnepark op deze locatie afgezet tegen gemeentelijke en regionale visie(s) een aanvaardbare locatie? Een brede afweging bijvoorbeeld in een gemeentelijke Omgevingsvisie, op basis van het toekomstig afwegingskader functieverandering landbouwgrond (AFL) vanuit het Nationaal en Limburgs Programma Landelijk Gebied of regionaal ontwerpend onderzoek kunnen voor deze motivatie een goede bron zijn. Niet op treden 1 t/m 3 van de zonneladder Het beleid is er op gericht om zo veel mogelijk zonnepanelen te situeren op daken en niet-landbouwgronden. De motivatie van een omgevingsplan dient een beschrijving te geven van de inspanningen

22

Provinciaal blad 2024 nr. 7557

24 mei 2024

die de gemeente heeft verricht om maximaal hiervan gebruik te maken. Tevens dient de kwantitatieve noodzaak van zon-op-land gemotiveerd te worden, bijvoorbeeld afgezet tegen de regionale RES-opgave. De wijze waarop invulling is gegeven aan het tweede en vierde lid Deze bepaling behoeft, naast het onder artikel 13.3, lid 2 en 4 vermelde, geen verdere toelichting. Streven naar financiële participatie van ten minste 51% door omwonenden, semioverheden of overheden. Zonneparken hebben een impact op het landschap en de woonomgeving. Naast het zo goed als mogelijk inpassen, hechten we er ook aan dat omwonenden direct of indirect via energiecoöperaties, energiegemeenschappen, overheden of semioverheden eigenaarschap hebben of financieel kunnen profiteren van de opbrengsten van het zonnepark. Dit sluit aan bij het streven van beide Limburgse RES’en naar minimaal 50% lokaal eigendom bij zonneparken. Een omgevingsplan dient daarom een beschrijving te bevatten van de wijze waarop de omgeving is betrokken en zorg is gedragen voor maatschappelijk draagvlak, eigenaarschap en financiële participatie. Artikel 13.3, lid 6 Een zonnepark op de stortplaats in Schinnen is nog niet gerealiseerd. Het verkeert wel in een vergevorderd ontwikkelstadium en er is er geen sprake van landbouwgronden. De locatie kent tevens de aanduiding bestaand bos- of natuurgebied binnen de groenblauwe mantel.

Een specifieke regeling is derhalve gewenst. J De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 16 Overige onderwerpen Afdeling 16.1 en 16.2 beschermingsgebied Einstein Telescope De Einstein Telescope is een toekomstig ondergronds onderzoeksobservatorium voor het meten van zwaartekrachtsgolven. Met zwaartekrachtsgolven kunnen wetenschappers de trillingen in de ruimte en tijd waarnemen. Zo kunnen we meer leren over de onontdekte donkere delen van het heelal, en zelfs voor het eerst terugkijken tot vlak na de oerknal. Europese landen zullen (zo is voorzien) in 2025 beslissen over de vestigingslocatie van de Einstein Telescope. De grensregio van Zuid-Limburg – de Euregio Maas-Rijn – is één van de mogelijke locaties voor dit observatorium. Huisvesting van de Einstein Telescope in deze regio kan een grote positieve impact hebben op de wetenschap, economie en maatschappij in Nederland. Nederland heeft de ambitie om zich te kandideren als vestigingslocatie, samen met België en Duitsland. Daartoe heeft het kabinet beslist om 42 miljoen euro uit het Nationaal Groeifonds voorwaardelijk toe te kennen aan de voorbereidingen voor de kandidatuur en € 870 miljoen te reserveren voor een toekomstige Nederlandse inbreng aan de bouw. Dat heeft de ministerraad 14 april 2022 besloten.

Gelet op bovenstaande is in de Omgevingsvisie Limburg 2021 opgenomen dat de “Einstein Telescope van bijzonder provinciaal belang is” en dat wij de kandidatuur voor de vestiging van de Einstein Telescope in Zuid-Limburg steunen. In de Voorjaarsnota 2022 is aangekondigd dat voorstellen zullen worden gedaan om de omgevingskwaliteiten te borgen die nodig zijn voor een sterke kandidatuur voor de Einstein Telescope. Voor een sterke kandidatuur is het van cruciaal belang nu reeds nieuwe activiteiten te weren die verstorend (kunnen) zijn voor een goede werking van de Einstein Telescope. Daarbij gaat het om activiteiten die trillingen kunnen veroorzaken die van invloed zijn op de zeer gevoelige sensoren van de Einstein Telescope en daarmee de Telescope nadelig kunnen beïnvloeden. Uit eerdere wetenschappelijke studies blijkt dat windturbines ‘seismische ruis’ introduceren door de intensieve trillingen die deze veroorzaken in diepere bodemlagen waar de Einstein Telescope gevestigd zou moeten worden. Op dit moment is een groot deel van het zoekgebied voor de Einstein Telescope en een zone tot 10 km rond het zoekgebied op grond van de Omgevingsverordening al uitgesloten voor de plaatsing van windturbines, met het doel om het Nationaal Landschap ZuidLimburg te beschermen. Met het opnemen van een beschermingsgebied Einstein Telescope wordt

23

Provinciaal blad 2024 nr. 7557

24 mei 2024

het uitsluitingsgebied voor windturbines voor wat betreft Zuid-Limburg uitgebreid voor de gehele zone tot 10 km rond het zoekgebied voor de Einstein Telescope. Naast windturbines is de verwachting dat andere activiteiten die trillingen in de bodem veroorzaken tevens verstorende effecten hebben op de werking van de Einstein Telescope. Aanvullend op het moratorium voor windturbines wordt daarom ook in de Omgevingsverordening voorzien in een onderzoeksplicht voor ontgrondingen en boringen en andere ingrepen in de bodem binnen het beschermingsgebied voor de Einstein Telescope. Indien door middel van onderzoek is aangetoond dat deze activiteiten geen trillingen kunnen veroorzaken die een nadelig effect kunnen hebben de op de werking van de Einstein Telescope, kan het bevoegd gezag door middel van een vergunning afwijken van het gestelde verbod. Wij kiezen hier – anders dan voor windturbines - niet voor een absoluut verbod omdat niet op voorhand uitgesloten is dat, hier activiteiten onder vallen waarvoor uit onderzoek blijkt dat deze geen verstorend effect hebben op de werking van de Einstein Telescope. Afhankelijk van de locatiekeuze voor de Einstein Telescope en de uitkomsten van verder onderzoek naar technische en mitigerende maatregelen, kan er aanleiding zijn het beleid en de regels in de omgevingsverordening aan te passen.

Tot die tijd biedt de Omgevingsverordening de garanties die nodig zijn voor een sterke Europese kandidatuur van de Einstein Telescope. Artikel 16.1 en 16.2 Artikel 16.1 bevat de instructieregels die gemeenten in acht moeten nemen bij het vaststellen van een omgevingsplan. Om ongewenste ontwikkelingen (interfererende activiteiten) te voorkomen in de periode dat de instructieregels nog niet door de betreffende gemeenten zijn geïmplementeerd in het omgevingsplan, bevat de verordening naast de instructieregels rechtstreeks werkende verbodsbepalingen, opgenomen in artikel 16.2. Deze verbodsbepalingen blijven gelden totdat een onherroepelijk omgevingsplan is vastgesteld dat in overeenstemming met de instructieregels is. De instructieregels hebben als grondslag artikel 2.22, en de daaraan gekoppelde tijdelijke verbodsbepalingen artikel 4.1 van de Omgevingswet. Het verbod voor ontgrondingen geldt alleen voor ontgrondingen waarvoor een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit vereist is en niet voor de in de artikelen 16.7 en 16.8 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen vergunningvrije ontgrondingen. Voor boringen of andere ingrepen in de bodem die niet als ontgronding kunnen worden aangemerkt, geldt alleen een verbod als deze ingrepen dieper dan 100 meter beneden maaiveld zullen worden uitgevoerd.

Het uitvoeren van onderzoeksboringen of wetenschappelijke boringen die alleen bedoeld zijn voor het verzamelen van data over de ondergrond en gerealiseerd zijn voordat de Einstein Telescope operationeel is, veroorzaken, nadat zij gerealiseerd zijn, geen trillingen die de telescoop nadelig kunnen beïnvloeden. Derhalve zijn dergelijke onderzoeksboringen en wetenschappelijke boringen uitgezonderd van het verbod om boringen dieper dan 100 m beneden maaiveld uit te voeren binnen beschermingsgebied Einstein Telescope. Zoals hierboven aangegeven geldt voor nieuwe windturbines in het beschermingsgebied Einstein Telescope een absoluut verbod, maar kan voor ontgrondingen, boringen en andere ingrepen in de bodem een vergunning worden verleend mits door middel van onderzoek is aangetoond, dat de activiteit geen trillingen kan veroorzaken die een nadelig effect kunnen hebben op de werking van de Einstein Telescope. In de fase dat de rechtstreekse verbodsbepalingen gelden zullen doorgaans gedeputeerde staten het bestuursorgaan zijn dat beslist op de vergunningaanvraag. Dat volgt uit artikel 4.6, eerste lid, onder f, van het Omgevingsbesluit. Alleen bij meervoudige aanvragen kunnen burgemeester en wethouders bevoegd gezag zijn.

Wel zullen gedeputeerde staten dan om advies moete worden gevraagd en zullen zij moeten instemmen alvorens een vergunning mag worden verleend (artikel 4.25, eerste lid, onder f en lid 3, Omgevingsbesluit). In de fase dat de instructieregel is geïmplementeerd in het ruimtelijk plan zullen gewoonlijk burgemeester en wethouders beslissen op de aanvraag. In hoofdstuk 17, Artikel 17.2, lid 6 en 7, zijn overgangsbepalingen opgenomen voor bestaande gevallen. Mocht uit geologische onderzoeken blijken dat wij het beschermingsgebied kunnen verkleinen, dan zullen wij de verordening aanpassen. Hetzelfde geldt voor verdiepend onderzoek naar mitigerende maatregelen, indien uit dat onderzoek naar voren komen dat effectieve mitigerende maatregelen mogelijk zijn.

24

Provinciaal blad 2024 nr. 7557

24 mei 2024

Toelichting De Omgevingsverordening Limburg, die als grondslag artikel 2.6 van de Omgevingswet wordt op vier onderdelen gewijzigd. Het gaat om aanpassingen van bestaande onderdelen en niet om nieuwe onderwerpen. Wijziging van de verordening heeft betrekking op: a. Normering wateroverlast en toelichting (afdeling 3.1) b. Instructieregels vestigingsmogelijkheden bedrijventerreinen, overgangsbepaling en toelichting (artikel 12.5, artikel 17.2, vierde lid) c. Instructieregels zonneparken en toelichting (artikel 13.3) d. Onderzoeksboringen binnen het beschermingsgebied Einstein Telescope en toelichting (artikel 16.2) Hieronder wordt nader ingegaan op deze wijzigingen.

1 Normering wateroverlast en toelichting (afdeling 3.1) Inleiding In 2021 zijn de normen voor regionale wateroverlast geactualiseerd op basis van de Omgevingsvisie Limburg. Deze normen zijn weergegeven op de kaarten bij de Omgevingsverordening Limburg, die op basis van de Omgevingswet is opgesteld. Onder de Omgevingswet zijn de normen ‘omgevingswaarden’. De normeringskaart behoeft op enkele punten aanpassing vanwege gerealiseerde maatregelen, gewijzigd grondgebruik en onvolkomenheden in de kaart. Ook is een kleine tekstwijziging van de toelichting bij de Omgevingsverordening Limburg wenselijk. Hieronder zijn de aanpassingen van de normeringskaart en de voorgestelde tekstwijziging beschreven. De aanpassingen van de normeringskaart zijn weergegeven op kaartuitsnedes van respectievelijk de huidige situatie en de situatie na aanpassing. Aanpassingen van de normeringskaart voor wateroverlast (overstromingskansgebieden) 1.De belangrijkste aanpassing van de normeringskaart komt voort uit het feit dat in Slenaken beschermingsmaatregelen zijn uitgevoerd tegen overstromingen vanuit de Gulp. Aanleiding van het uitvoeren van deze maatregelen was de flashflood in 2012 die in Slenaken veel schade heeft veroorzaakt. De nu uitgevoerde maatregelen (gereed gekomen in 2022) zijn ontworpen om in Slenaken een 1:100 beschermingsniveau te bereiken.

Daardoor kan de beschermingsnorm in het bebouwde gebied van Slenaken nu grotendeels omhoog naar 1:100. Deze aanpassing komt rechtstreeks voort uit het beleid voor bebouwd gebied in het Heuvelland van ZuidLimburg, zoals vastgelegd in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 (blz. 44). De norm voor deze bebouwde gebieden in Zuid-Limburg is nu veelal 1:25, maar “de ambitie is om waar dit goed mogelijk is (kosten niet hoger zijn dan de te vermijden schade; maatregelen inpasbaar) een hogere norm, tot maximaal 1:100 te realiseren.” Alleen in een klein gebiedje op de oostoever van de Gulp (tussen de Waterstraat en de Gulp) kan de norm niet omhoog naar 1:100 maar naar 1:25 (was 1:10), omdat de beschermingsmaatregelen daar niet volledig konden worden uitgevoerd zoals gepland: de eigenaar van een van de panden wilde geen hoge dijk voor zijn huis. Zie onderstaande kaartuitsnedes.

25

Provinciaal blad 2024 nr. 7557

24 mei 2024

Huidig

Aangepast

Legenda voor alle kaartjes (kleuren op de kaartjes zijn wat fletser omdat de topografie er doorheen is geprojecteerd) 2.De normering bij het “Steenen Huys” te Vlodrop is bij het vaststellen van de Omgevingsverordening Limburg (PS, 17 december 2021) van 1:100 naar “geen norm” gegaan. De motivering hiervoor was dat

26

Provinciaal blad 2024 nr. 7557

24 mei 2024

er vanuit watersysteem bezien geen norm moet gelden, want het gebied waarin dit kasteel en het naastgelegen koetshuis liggen maakt feitelijk onderdeel uit van het overstromingsgebied in het Roerdal. Periodieke overstroming en waterberging horen hier bij het natuurlijke proces. Een recente ontwikkeling (in 2023) is echter dat de bewoners (die tevens eigenaar zijn) van het Steenen Huys, in samenwerking met het Waterschap, zelf een dijkje hebben aangelegd ten behoeve van de bescherming van het kasteel en koetshuis tegen hoogwater. De aanleg van het dijkje door derden was mogelijk doordat dit gebied door het Waterschap formeel niet als inundatiegebied is aangewezen. Door het dijkje wordt het beschermingsniveau van 1:100 bereikt en op grond van een te sluiten overeenkomst met het Waterschap door de eigenaar duurzaam in stand gehouden. Omdat het gebiedje tevens als “bebouwd gebied” is begrensd in de Omgevingsverordening, is er vanuit het provinciale beleid aanleiding om de oude situatie te herstellen en de norm weer naar 1:100 terug te zetten. Bij het terugzetten van de normering naar 1:100 houden we de begrenzing aan zoals die was in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Huidig

27

Provinciaal blad 2024 nr. 7557

24 mei 2024

Aangepast

3.Bedrijventerrein Hegge (bij Schinnen) is in de Omgevingsvisie Limburg als een nieuw bebouwd gebied aangegeven. Omdat het vertrekpunt is dat bebouwd gebied in Limburg (met uitzondering van Zuid-Limburg) een 1:100 norm krijgt, heeft dit gebied, enkel door de status bebouwd gebied, op de nieuwe normeringskaart automatisch een 1:100 nom gekregen. Voor bebouwde gebieden in beekdalen en droogdalen in het Heuvelland is de “basisnorm” echter 1:25 omdat een 1:100 norm daar veelal niet haalbaar is. Gezien de ligging in het dal van de Geleenbeek is ook in dit bedrijventerrein bij Hegge een norm van 1:100 niet haalbaar en daarom moet hier ook een norm van 1:25 worden toegekend. Deze 1:25 norm geldt nu ook al voor het naastgelegen bebouwde gebied Hegge. Huidig

28

Provinciaal blad 2024 nr. 7557

24 mei 2024

Aangepast

4.Ook bij Bocholtz heeft een nieuw bebouwd gebied als gevolg van de gehanteerde systematiek automatisch een 1:100 norm gekregen. Een 1:100 bescherming is ook hier niet haalbaar. Ook hier moet de norm terug naar de “basisnorm” 1:25 die eerder al was toegekend aan de hele bebouwde kern van Bocholtz. Huidig

29

Provinciaal blad 2024 nr. 7557

24 mei 2024

Aangepast

5.“Uitgangspunt is dat aan waterlopen binnen beekdalen en natte laagten gelegen in de groenblauwe mantel geen norm wordt toegekend, omdat we in deze gebieden de ruimte voor waterberging willen behouden” (Provinciaal Waterprogramma, blz. 43). Doorgaans liggen de gebieden die begrensd zijn als “beekdal” binnen Natuurnetwerk Limburg (NNL; waar sowieso geen norm geldt) of binnen de groenblauwe mantel. Op de normeringskaart hebben alle beekdalen daarom geen norm gekregen. Er blijken echter ook kleine stukjes van de beekdalen buiten zowel NNL als groenblauwe mantel te liggen. Die gebiedjes hebben op de nieuwe normeringskaart dus ten onrechte geen norm gekregen. Die gebiedjes moeten weer de norm krijgen die ze hadden op de vorige normeringskaart (bij de Omgevingsverordening Limburg 2014). Het gaat om een groot aantal meestal hele kleine gebiedjes in heel Limburg. Ze zijn daardoor moeilijk zichtbaar te maken op een kaart van heel Limburg. De gebiedjes zijn weliswaar klein maar er liggen soms wel woningen of andere gebouwen in. Als voorbeeld is in deze notitie een kaartuitsnede van het gebied bij Vlodrop opgenomen. Daar gaat het om enkele gebiedjes in het gehucht “Tussen de Bruggen” waar in de normeringskaart ten onrechte geen norm meer was toegekend.

Bij deze wijziging van de Omgevingsverordening Limburg zijn digitaal alle wijzigingen die op grond van dit inzicht moeten worden aangepast te zien, mits voldoende wordt ingezoomd.

Huidig

30

Provinciaal blad 2024 nr. 7557

24 mei 2024

Aangepast

6.Zoals ook bij punt 5 toegelicht is het uitgangspunt dat “aan waterlopen binnen beekdalen en natte laagten gelegen in de groenblauwe mantel geen norm wordt toegekend, omdat we in deze gebieden de ruimte voor waterberging willen behouden” (Provinciaal Waterprogramma, blz. 43). Voor de Geul en de Roer is in de Omgevingsverordening Limburg vanwege dit uitgangspunt niet alleen aan de provinciale beekdalen maar ook aan de “inundatiegebieden” zoals die zijn vastgelegd door het Waterschap geen norm toegekend. Dit is gedaan omdat deze inundatiegebieden het natuurlijke overstromingsgebied in het Geuldal en het Roerdal aangeven. Periodieke overstroming en waterberging horen hier bij het natuurlijke proces. Er zijn enkele plekken in deze inundatiegebieden die buiten de groenblauwe mantel liggen, zoals dit ook voor de beekdalen geldt. Voor drie plekken binnen deze inundatiegebieden buiten de groenblauwe mantel (twee in het Roerdal en één in het Geuldal) hebben we nu vastgesteld dat het ongewenst is om aan deze plekken geen norm toe te kennen omdat zich hier bebouwing bevindt (Roerdal) en een RWZI (Geuldal). Op deze drie genoemde plekken is nu een correctie doorgevoerd zodat hier weer de norm geldt die daar ook in de Omgevingsverordening Limburg 2014 van kracht was. De twee plekken in het Roerdal maken deel uit van het bebouwde gebied van Vlodrop en van Sint Odiliënberg.

De plek in het Geuldal betreft de RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie) Wijlre. Huidig

31

Provinciaal blad 2024 nr. 7557

24 mei 2024

Aangepast

Huidig

32

Provinciaal blad 2024 nr. 7557

24 mei 2024

Aangepast

Huidig

Aangepast

7.Op veel plekken op de nieuwe normeringskaart zijn “snippertjes” of “rafelrandjes” (kleine plekjes, strookjes) met een afwijkende norm van het omliggende gebied zichtbaar. Deze snippertjes zijn veelal onterecht en onbewust op de kaart gekomen als gevolg van GIS bewerkingen. De onderliggende GIS bestanden waren voor de nieuwe Omgevingsvisie Limburg en Omgevingsverordening Limburg namelijk vernieuwd en pasten niet meer naadloos op andere (oudere) GIS bestanden waardoor deze “snippertjes”

33

Provinciaal blad 2024 nr. 7557

24 mei 2024

ontstonden. Deze snippertjes zijn nu op veel plekken weggehaald door handmatige correcties in een separaat GIS bestand. Niettemin zullen de middels dit GIS bestand aangepaste normeringskaart her en der op de kaart nog steeds (maar veel minder) kleine snippertjes zichtbaar zijn, meestal alleen als sterk wordt ingezoomd op de kaart. Het betreft over het algemeen geen bebouwing Slechts in enkele van deze verwijderde snippertjes lag een (deel van een) gebouw, waarbij evident was dat dit een GIS foutje betrof omdat het direct omliggende gebied een andere norm heeft. Tekstwijziging toelichting Omgevingsverordening Limburg Los van de bovenstaande wijzigingen van de normeringskaart zijn twee tekstwijzigingen over het onderwerp normering wateroverlast in de toelichting bij de Omgevingsverordening Limburg aangebracht. Het gaat om de volgende twee wijzigingen: ● Een verbetering van de uitleg over de bescherming die op grond van de normering wordt geboden in bebouwd gebied; ● Vermeld stond dat bij het ontwerpen van maatregelen altijd uit moet worden gegaan van de “meest actuele neerslagstatistieken” voor 2050. Om te voorkomen dat in een ver gevorderd stadium van het ontwerpproces weer opnieuw moet worden ontworpen is dit vervangen door “bij aanvang van het ontwerpproces van maatregelen moet worden uitgegaan van de op dat moment geldende klimaatscenario’s voor 2050”.

Hierbij merken we op dat de bestaande tekst letterlijk ook is opgenomen in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027. De toelichting bij de Omgevingsverordening Limburg zal hier dan licht van gaan afwijken, maar met dezelfde strekking.

2 Instructieregels vestigingsmogelijkheden bedrijventerreinen, overgangsbepaling en toelichting (artikel 12.5, artikel 17.2, vierde lid) Artikel 12.5 Via instructieregel artikel 12.5, vierde lid, is vastgelegd dat in een omgevingsplan geen nieuwe bedrijfskavels met een oppervlakte van meer dan 5 hectare mogen worden opgenomen. In een nieuw vijfde lid is bepaald dat deze instructieregel niet geldt voor bedrijventerreinen in een logistiek knooppunt. Deze bedrijventerreinen zijn op de kaarten bij deze verordening aangewezen. In een specifieke casus kunnen Gedeputeerde Staten op grond van artikel 1.6 aan een gemeente ontheffing van toepassing van een instructieregel verlenen. In een nieuw zesde lid van artikel 12.5 is bepaald dat zo’n ontheffing kan worden verleend indien ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten welke uitgevoerd zullen worden op de nieuwe, de te vergroten bedrijfskavel of op de te herontwikkelen bedrijfskavel sprake is van regionale meerwaarde. In een nieuw zevende lid is bepaald dat Gedeputeerde Staten beleidsregels kunnen vaststellen over de invulling van het aspect regionale meerwaarde. Voor meer informatie over de wijzigingen in artikel 12.5 worden verwezen naar de toelichting opgenomen in artikel II, onderdeel B, van deze wijzigingsverordening.

Artikel 17.2, vierde lid Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ook de Omgevingsverordening Limburg van kracht geworden. Met het hanteren van dezelfde datum ten aanzien van artikel 17.2, vierde lid, wordt de werkingssfeer van dit deel van de overgangsbepaling duidelijk gekoppeld aan de datum van inwerkingtreding van de nieuwe omgevingsverordening. Hetgeen thans in artikel 12.5, vierde lid, is geregeld, te weten: geen bedrijfskavels groter dan 5 hectare (nieuw of door samenvoeging), was overigens ook al geregeld in artikel 2.4.5, vierde lid van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Artikel 17.2, vierde lid, brengt dus geen nieuwe of andere rechtsgevolgen met zich in vergelijking met de voorgaande versie van dit artikel. Artikel 17.2, vierde lid, bewerkstelligt dat een bedrijf dat op 1 januari 2024 reeds op een (samengevoegde) bedrijfskavel met een (gezamenlijke) oppervlakte groter dan 5 hectare rechtmatig was gevestigd of vergund, niet wordt geraakt door de instructieregel van artikel 12.5, vierde lid. Bovendien geldt dat in afwachting van de aanpassing van een omgevingsplan, bedrijfskavels met een oppervlakte groter dan 5 hectare planologisch toegestaan blijven als dit reeds in het betreffende omgevingsplan werd toegestaan.

3 Instructieregels zonneparken en toelichting (artikel 13.3) Voor de toelichting bij dit onderdeel wordt verwezen naar de toelichting opgenomen onder artikel II, onderdeel C.

34

Provinciaal blad 2024 nr. 7557

24 mei 2024

4 Onderzoeksboringen binnen het beschermingsgebied Einstein Telescope en toelichting (artikel 16.2) In artikel 16.2 een verbod opgenomen voor interfererende activiteiten binnen beschermingsgebied Einstein Telescope. Reden hiervoor is dat het voor een sterke kandidatuur van cruciaal belang is nu reeds nieuwe activiteiten te weren die verstorend (kunnen) zijn voor een goede werking van de Einstein Telescope. Daarbij gaat het om activiteiten die trillingen kunnen veroorzaken die van invloed zijn op de zeer gevoelige sensoren van de Einstein Telescope en daarmee de telescope nadelig kunnen beïnvloeden. Eén van de verboden activiteiten is een boring dieper dan 100 meter beneden het maaiveld. Gelet op het doel van het verbod zoals opgenomen in de omgevingsverordening dienen enkel boringen te worden uitgezonderd die trillingen kunnen veroorzaken en daarmee de Einstein Telescope nadelig kunnen beïnvloeden. Het uitvoeren van onderzoeksboringen of wetenschappelijke boringen die alleen bedoeld zijn voor het verzamelen van data over de ondergrond, en gerealiseerd zijn voordat de Einstein Telescope operationeel is, veroorzaken, nadat zij gerealiseerd zijn, geen trillingen die de telescope nadelig kunnen beïnvloeden.

Derhalve worden dergelijke onderzoeksboringen en wetenschappelijke boringen uitgezonderd van het verbod om boringen dieper dan 100 m beneden maaiveld uit te voeren binnen beschermingsgebied Einstein Telescope.

35

Provinciaal blad 2024 nr. 7557

24 mei 2024

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Maasgouw&id=c289a895-22e3-4d7c-be8e-d1e36af70ebc