---------- 143340 BIJLAGE 1 Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Maasgouw 2020
Tekst van het document
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Maasgouw 2020 De raad van de gemeente Maasgouw,
Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders
BESLUIT: 1.
de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Maasgouw 2020 vast
2.
de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Maasgouw 2015 en de verordening
te stellen;
Jeugdhulp gemeente Maasgouw 2018 in te trekken per 1 januari 2020.
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Maasgouw, d.d. 17-12-2019.
De raad voornoemd; De griffier,
H.M.L. van Soest De voorzitter, S.H.M. Strous
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Maasgouw 2020
Artikel 1. Begrippen [Wmo/Jeugdwet]
1. Alle begrippen die in deze verordening staan en die geen nadere beschrijving hebben, betekenen hetzelfde als in de Wmo 2015, de Jeugdwet en/of de Algemene wet bestuursrecht. 2. In deze verordening betekent: a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voor iedereen verkrijgbare voorziening, die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare voorzieningen; b. algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en
mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. c. andere voorziening: voorziening die buiten het bereik van de Wmo 2015 of de Jeugdwet valt, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; d. beschermd wonen: een maatwerkvoorziening bestaande uit de volgende kenmerken: a. wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; en, b. de begeleiding wordt planbaar en onplanbaar (24 uur per dag) geboden op gevraagde en ongevraagde momenten, zodat er goed kan worden ingespeeld op de (al dan niet geëxpliceerde) zorgvraag van de cliënt. e. bijdrage: een bijdrage in de kosten van de voorziening als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid Wmo 2015, die de cliënt verschuldigd is voor het gebruik van die voorziening; f. budgetplan: plan met daarin de onderbouwing van de aanvraag voor een voorziening in de vorm van een pgb; g.
cliënt: persoon die: a. gebruik maakt van een algemene voorziening, of b. aan wie een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura, in de vorm van een pgb dan wel een financiële tegemoetkoming is verstrekt, of c. door of namens wie een hulpvraag of aanvraag is gedaan. h. collectieve voorziening: een individueel verstrekte maatwerkvoorziening die meerdere personen tegelijk kunnen gebruiken; i.
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw.
j.
eigen kracht: het vermogen van een persoon om zelf of met het sociale netwerk oplossingen te vinden voor de hulpvraag en deze oplossingen (deels) zelf uit te voeren;
k. Gebruikelijke hulp:de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van huisgenoten; l.
hoofdverblijf: de woonruimte die bestemd en geschikt is voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft;
m. hulpvraag: a. een verzoek om hulp of ondersteuning in verband met opgroeien opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, lid 1, Jeugdwet, of b. een melding voor maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, lid 1, Wmo 2015; n. informele zorg: zorg die mantelzorgers en vrijwilligers verlenen; o. kostprijs: de prijs waarvoor de gemeente de voorziening in natura heeft ingekocht bij de aanbieder. De kostprijs van een pgb is gelijk aan het bedrag van het pgb; p. maatwerkvoorziening: voorziening als omschreven in artikel 1.1.1 Wmo 2015 en zoals bedoeld in artikel 2.3 Jeugdwet. q. mantelzorger: een persoon die mantelzorg biedt volgens artikel 1.1.1. Wmo 2015; r. naaste familie: een persoon a. zijnde een partner, of bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, of b. zijnde een partner, of bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de wettelijke vertegenwoordiger die verantwoording over het pgb verschuldigd is; s. en waarmee de cliënt aan wie het pgb is toegekend dan wel degene die daarover verantwoording is verschuldigd geen arbeidsovereenkomst aangaat. t. niet-zorgprofessional in loondienst: een persoon die geen zorgprofessional is, waarmee de cliënt die het pgb ontvangt een arbeidsovereenkomst aangaat; u.
pgb: persoonsgebonden budget, een geldbedrag waarmee de cliënt zelf zijn hulp(middelen) kan inkopen, zoals in artikel 1.1.1 Wmo 2015 en 8.1.1 Jeugdwet staat;
v. professionele organisatie: een onderneming, volgens artikel 5, onderdelen a, c, d of e, van de Handelsregisterwet 2007, waarvan de activiteiten volgens de inschrijving in het handelsregister op grond van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp; w. uitvoeringsbesluit Wmo 2015: landelijk vastgestelde algemene maatregel van bestuur, waarin nadere regels staan over de uitvoering van de Wmo 2015. x. wettelijk minimumloon: het bruto minimumloon per uur dat iemand die werkt minimaal moet ontvangen, volgens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. y. zorgprofessional in loondienst: een persoon die een gekwalificeerde zorgprofessional is, waarmee de cliënt die het pgb ontvangt een arbeidsovereenkomst aangaat; z. zzp’er of freelancer: een onderneming volgens artikel 5, onderdeel b, van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten volgens de inschrijving in het handelsregister op grond van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Artikel 2. Uitgangspunten van de ondersteuning [Wmo/Jeugdwet]
De inzet van hulp en ondersteuning op grond van deze verordening is primair
gericht op: a. het bevorderen of behoud van zelfredzaamheid en participatie, zodat iedereen zo volledig en volwaardig mogelijk mee kan doen aan de samenleving; b. een integrale aanpak, waarin de leefwereld centraal staat; c. dienstverlening zo licht als mogelijk, zo zwaar als nodig, met de focus op normaliseren; d. zelfregie bij de inwoner; e. het vergroten van het zelfoplossend vermogen van de inwoner; f. (waar mogelijk) vereenvoudigen van de dienstverlening aan de inwoner; g. het bouwen aan een sterke en veerkrachtige basis van burgerkracht in de samenleving. Artikel 3. Hulpvraag en Onderzoek [Wmo/Jeugdwet]
1. Na ontvangst van een hulpvraag, start het college het onderzoek volgens artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 en artikel 2.3 lid 4 van de Jeugdwet. Een gesprek met de cliënt en eventueel zijn vertegenwoordiger, zijn
mantelzorger(s), zijn familie en/of een onafhankelijke cliëntondersteuner maakt deel uit van het onderzoek. 2. In afwijking van lid 1 van dit artikel kan het college, in overleg met de cliënt en als daar aanleiding toe is, een gemotiveerde keuze maken om geen gesprek te voeren. Het college stelt de cliënt daarover schriftelijk in kennis. 3. De cliënt krijgt op tijd, maar uiterlijk tijdens het gesprek volgens lid 1 van dit artikel, informatie over de procedure en zijn rechten en plichten, zoals deze zijn vastgelegd in de Wmo 2015 en de Jeugdwet. De cliënt wordt voor de start van het onderzoek gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. 4. Een weergave van het onderzoek volgens lid 1 van dit artikel wordt, inclusief eventuele gemaakte afspraken, schriftelijk vastgelegd. 5. In spoedeisende en crisissituaties als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 en artikel 7.2.6 van de Jeugdwet, wordt hulp direct en zonder voorafgaand onderzoek ingezet. Het onderzoek volgens lid 1 van dit artikel vindt dan achteraf plaats. 6. Het college kan in nadere regels aanvullende bepalingen opnemen op wat in dit artikel is bepaald. Artikel 4. Toegang jeugdhulp bij directe verwijzing [Jeugdwet]
1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een aanbieder, als en voor zover de aanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Op verzoek van de cliënt legt het college de te verlenen maatwerkvoorziening op grond van lid 1 van dit artikel, of het afwijzen daarvan, vast in een beschikking. 3. Als de te verlenen maatwerkvoorziening behandeling individueel zwaar (meer dan 50 uur) en/of verblijf betreft, stelt de aanbieder het college daarvan in kennis.
Artikel 5. Aanvraag [Wmo/Jeugdwet]
1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger, kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college door middel van: a. een door het college vastgesteld aanvraagformulier, of
b. ondertekening van de weergave van het onderzoek volgens artikel 3 lid 4 van deze verordening. 2. Het college kan in nadere regels aanvullende bepalingen opnemen op wat in dit artikel is bepaald. Artikel 6. Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening [Wmo/Jeugdwet]
1. Het college neemt de schriftelijke weergave van het onderzoek als bedoeld in artikel 3 lid 4 van deze verordening als uitgangspunt bij de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, als de cliënt de problemen of beperkingen zoals omschreven in artikel 2.3.5 lid 3 en 4 van de Wmo 2015 en 2.3 lid 1 van de Jeugdwet niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of; b. gebruikelijke hulp en/of; c. mantelzorg en/of; d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of; e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of; f. algemene voorzieningen en/of; g. andere voorzieningen. 3. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst passende voorziening. 4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 Wmo 2015 geldt het primaat van de collectieve voorziening. 5. Het college kan in nadere regels aanvullende bepalingen opnemen op basis van welke criteria en te bereiken resultaten een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt.
Artikel 7. Voorwaarden en weigeringsgronden [Wmo]
1. De cliënt komt slechts voor een bepaalde maatwerkvoorziening in aanmerking, als deze gezien de problemen of beperkingen van de cliënt, langdurig noodzakelijk is, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt. 2. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening als:
a. voor de problematiek, die ten grondslag ligt aan de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. de cliënt de gevraagde voorziening vóór de datum van de beschikking geheel of gedeeltelijk heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven; c. de gevraagde voorziening al eerder aan de cliënt is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet is verstreken, tenzij: 1. de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of 2. de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel heeft vergoedt; d. de aanspraak niet is vast te stellen doordat de cliënt niet of onvoldoende inlichtingen verstrekt dan wel medewerking verleent als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 7 en 2.3.8 lid 3 van de Wmo 2015. e. als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening voor het vervoer houdt het college alleen rekening met verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving, met een maximum van 2000 kilometer op jaarbasis. 4. [vervallen] 5.
Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening ten behoeve van het wonen: a. als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van het onderhoud; b. als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waarin de voorziening wordt getroffen; c. voor woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. d. als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte.
e. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; f. als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; g. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. 6. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ten behoeve van het wonen kan het college het primaat van verhuizen toepassen. In dat geval verstrekt het college een financiële tegemoetkoming van € 2500,-. 7. Het college kan bij nadere regels aanvullende voorwaarden stellen voor de (wijze van) toekenning van maatwerkvoorzieningen. Artikel 8. Inhoud beschikking [Wmo/Jeugdwet]
1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat in ieder geval of deze als voorziening als zorg in natura, in de vorm van een pgb of als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura staat in de beschikking in ieder geval gemotiveerd: a. wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing, d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb staat in de beschikking in ieder geval: a. voor welk resultaat het pgb dient te worden gebruikt, eventueel aangevuld met een programma van eisen waaraan de besteding van het pgb moet voldoen; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe dat is berekend; d. wat de duur is van de verstrekking is waarvoor het pgb is bedoeld; e. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn, en f. hoe de besteding van het pgb verantwoord moet worden.
4. Als de cliënt een bijdrage moet betalen volgens artikel 11 van deze verordening, staat dit in de beschikking vermeld. Artikel 9. Regels voor pgb: algemeen [Wmo/Jeugdwet]
1. Het college kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb, naast de genoemde eisen en weigeringsgronden als genoemd in artikel 2.3.6 lid 2 van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1 lid 2 van de Jeugdwet, weigeren als: a. de cliënt geen volledig ingevuld budgetplan heeft ingediend volgens het door het college vastgestelde model; b. de cliënt weigert het budgetplan met het college te bespreken of, na voor bespreking van het budgetplan te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt; c. de cliënt, of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, één van diens ouders of voogden, surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard; d. ten aanzien van de cliënt of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, ten aanzien van één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; e. naar het oordeel van het college onvoldoende aannemelijk is dat de cliënt met het pgb toereikende zorg van goede kwaliteit zal inkopen. 2. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld budgetplan waarin in ieder geval uiteen is gezet: 1.
welke jeugdhulp dan wel diensten, hulpmiddelen, woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren de cliënt van het budget wil betrekken, en 2. welke ondersteuning de cliënt wil laten uitvoeren door een professionele organisatie, een gediplomeerde zzp’er of freelancer, een zorgprofessional in loondienst, een nietzorgprofessional in loondienst en/of naaste familie; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en
andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en c. wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud, reparaties, keuringen en verzekering, en d. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura. 3. Een pgb mag alleen worden besteed aan de kosten van ondersteuning. 4. De hoogte van een pgb bedraagt voor: a. diensten, door: 1. een professionele organisatie: maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura, zoals door het college vastgesteld op grond van artikel 18 lid 1 of lid 6 van deze verordening dan wel gecontracteerd voor het betreffende jaar; 2. een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1.; 3. een zorgprofessional in loondienst: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1.; 4. Niet-professional in loondienst en/of naaste familie: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren; 5.
Niet-professional in loondienst en/of naaste familie: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. b. bij inzet van alphahulpen bij ‘hulp bij het huishouden 1’ en ´hulp bij het huishouden 2’, in afwijking van het gestelde in sub a: € 16,75 per uur inclusief servicekosten, waarvan maximaal €1,00 per uur mag worden besteed aan de door een serviceverleningsbureau geboden administratieve ondersteuning;
c. vervoer van en naar de dagbesteding, in afwijking van sub a van dit lid: maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura zoals gecontracteerd voor het betreffende jaar; d. taxi- en rolstoeltaxivervoer, in afwijking van sub a van dit lid: maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura zoals gecontracteerd voor het betreffende jaar, met een maximum van 2000 kilometers per jaar; e. een zaak: 1. maximaal het bedrag van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten; 2. maximaal het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten. 5. Het college kan in nadere regels aanvullende bepalingen opnemen, waaronder nadere (kwaliteits)eisen die gesteld worden aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. Artikel 10. Regels voor pgb: beschermd wonen en opvang [Wmo]
1. In afwijking van artikel 9 lid 4 sub a van deze verordening bedraagt de hoogte van een pgb beschermd wonen voor: a. professionele en gediplomeerde hulp: maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura zoals gecontracteerd in het betreffende jaar; b. gediplomeerde ZZP’ers, maximaal 90% van de kostprijs zoals vermeld in sub a.; c. niet-professionele hulp uit het eigen sociaal netwerk: 75% van de kostprijs zoals vermeld in onderdeel a. tot een maximum bedrag van € 20 per uur. 2. Indien uit het onderzoek als bedoeld in artikel 3 van deze verordening blijkt dat een cliënt structureel behoefte heeft aan aanvullende ondersteuning, kan in uitzonderlijke gevallen een toeslag intensieve ondersteuning toegekend worden. Deze toeslag kan worden toegekend als er:
a. als een gevolg van een lichamelijke of somatische aandoening, inzet van (verpleegkundige) ondersteuning nodig is aanvullend op beschermd wonen en/of; b. er sprake is van dermate complexe psychiatrische problematiek, in combinatie met ernstige gedragsproblematiek, waardoor er inzet van begeleiding nodig is aanvullend op beschermd wonen. 3. Indien uit het onderzoek blijkt dat een cliënt behoefte heeft aan een maatwerkvoorziening voor dagbesteding, kan er een toeslag dagbesteding aanvullend op beschermd wonen worden toegekend. 4. Voor de toepassing en berekening van de tariefdifferentiatie, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, wordt in de basis uitgegaan van een fictief aantal te leveren uren voor beschermd wonen van acht uur ondersteuning per week. 5. Het college kan in nadere regels aanvullende bepalingen opnemen, waaronder nadere (kwaliteits)eisen die gesteld worden aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. Artikel 11. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen [Wmo]
1. De cliënt kan bij het gebruik van een door de gemeente gerealiseerde algemene voorziening op grond van de Wmo 2015, met uitzondering van cliëntondersteuning, een bijdrage verschuldigd zijn. 2. De bijdrage is nooit hoger dan de kostprijs van deelname aan de algemene voorziening. 3. Bij gebruikmaking van een voorziening als bedoeld in lid 1, die ziet op individuele of collectieve begeleiding waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan, kan een bijdrage worden gevraagd als bedoeld in artikel 2.1.4 lid 3 van de Wmo 2015. 4. Het college legt in nadere regels vast in welke gevallen de bijdrage in de kosten van toepassing is en wat de hoogte is van de bijdrage.
Artikel 12. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen [Wmo] 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een
maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is verstrekt.
2. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of pgb wordt vastgesteld conform de maximale variant in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en is nooit hoger dan de kostprijs van de betreffende voorziening. 3. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van een collectieve voorziening voor vervoer, ter hoogte van € 0,91 per zone (prijspeil 2024), met een jaarlijkse indexering conform de Landelijke Tarieven Index (LTI). 4. De hoogte van de eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang wordt bepaald met inachtneming van artikel 3.20 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 5. Het college legt in nadere regels de wijze van berekening en inning van de eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang vast. 6. In de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4b lid 2 Wmo 2015 wordt de eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang door de instantie(s) die de opvang realiseert/realiseren, vastgesteld en geïnd. 7. [vervallen] 8. [vervallen] 9. [vervallen] 10. [vervallen] 11. [vervallen] Artikel 13. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen voorzieningen en misbruik of oneigenlijk gebruik [Wmo/Jeugdwet]
1. Het college informeert de cliënt in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 of de Jeugdwet. 2. Naast het bepaalde in artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 en artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doet een cliënt aan het college op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening.
3. Naast het bepaalde in artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 en artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een beslissing over een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan voorwaarden die verbonden zijn aan de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb; e. de cliënt de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb niet of voor een ander doel gebruikt, of f. de cliënt die een maatwerkvoorziening heeft op grond van de Wmo 2015 langer dan 8 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Zorgverzekeringswet. 4.
Als het college een beslissing op grond van het vorige lid, aanhef en onder sub a, heeft ingetrokken en door de cliënt met opzet onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de waarde in geld vorderen van de ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of het ten onrechte ontvangen pgb. 5. Het college kan een terug te vorderen bedrag als bedoeld in lid 4 van dit artikel verrekenen met betalingen op grond van de Wmo 2015 dan wel de Jeugdwet, die nog uitgekeerd moeten worden. 6. Het college kan een beslissing tot verlening van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb intrekken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is gebruikt voor de bekostiging van de voorziening waarvoor het pgb is verstrekt. 7. Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening op grond van de Wmo 2015 is ingetrokken, dan kan het college deze voorziening terugvorderen.
8. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen in de vorm van zorg in natura en in de vorm van pgb’s met het oog op de kwaliteit en de recht- en doelmatigheid daarvan. 9. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet, waaronder de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet. 10. Het college kan in nadere regels aanvullende bepalingen opnemen over de beëindiging, wijziging, herziening of intrekking van een maatwerkvoorziening. Artikel 14. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning [Wmo]
1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. Dit wordt onder meer bereikt door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning, waaronder informele zorg, die de cliënt ontvangt; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2. Naast andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 3. Het college kan in nadere regels aanvullende bepalingen opnemen op wat in dit artikel is bepaald.
Artikel 15. Meldingsregeling calamiteiten en geweld [Wmo/Jeugdwet]
1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan, volgens artikel 6.1 van de Wmo 2015.
2. Aanbieders zijn verplicht iedere calamiteit en ieder geweldsincident, dat zich heeft voorgedaan bij de levering van een voorziening, direct te melden aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan in nadere regels bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Artikel 16. Klachtenregeling [Wmo/Jeugdwet]
1. Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten, die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van hulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle door hen te leveren voorzieningen. 3. Naast andere handhavingsbevoegdheden, ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 17. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning [Wmo]
1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Naast andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 18. Prijs en kwaliteit levering dienst door derden [Wmo/Jeugdwet]
1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor:
1. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met een derde, en 2. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a van dit lid. 2. Het college stelt de prijzen, op grond van lid 1, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, lid 2, onderdeel c, van de Wmo 2015, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, lid 2, van de Wmo 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de prijzen, op grond van lid 1 van dit artikel, op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan lid 1, onderdeel b, van dit artikel buiten beschouwing laten als bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op lid 2 en 3 van dit artikel. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5.
Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in lid 1 van dit artikel hij een overeenkomst aangaat. 6. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding en de kwaliteit van de uitvoering bij de vaststelling van de tarieven die het college hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken;
b. de voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie. Artikel 19. Jaarlijkse waardering mantelzorgers [Wmo]
1. Een jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers is beschikbaar op aanvraag bij het college. 2. Het college bepaalt in nadere regels op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers in de gemeente.
Artikel 20. Betrekken van ingezetenen bij het beleid [Wmo/Jeugdwet]
1. Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg. Zij kunnen daarbij onderwerpen voor de agenda aanmelden en het college zorgt ervoor dat zij de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie krijgen. 3. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van lid 1 en 2 van dit artikel.
Artikel 21. Evaluatie [Wmo/Jeugdwet]
Het gemeentebestuur evalueert zodra nodig het gevoerde beleid. Als de evaluatie daartoe aanleiding geeft leidt dit tot aanpassing van het beleid. Het college stuurt hiervoor aan de gemeenteraad periodiek een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het beleidskader en de verordening in de praktijk. Artikel 22. Hardheidsclausule [Wmo/Jeugdwet]
1. Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening als door toepassing ervan de cliënt duidelijk onevenredig benadeeld wordt. 2. In gevallen waarover in deze verordening voor de uitvoering niets is geregeld, beslist het college.
Artikel 23. Overgangsrecht [Wmo/Jeugdwet]
1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Maasgouw 2015 en de Verordening jeugdhulp gemeente Maasgouw 2018 worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2020. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Maasgouw 2015 of de Verordening jeugdhulp gemeente Maasgouw 2018, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken, dan wel de periode waarvoor deze voorziening is verstrekt is geëindigd. 3. Een cliënt die volgens lid 2 van dit artikel recht houdt op een voorziening in de vorm van pgb, behoudt ook het recht op de hoogte van het daarbij behorende pgb. Voor zover het daarbij gaat om een pgb op grond van artikel 9 lid 4 sub a, onderdelen 4 of 5 van deze verordening, wordt de hoogte van het pgb pas aangepast wanneer het wettelijk minimumloon gelijk is aan de hoogte van het betreffende pgb. 4. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Maasgouw 2015 of de Verordening jeugdhulp gemeente Maasgouw 2018 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Maasgouw 2020. 5.
Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Maasgouw 2015 of de Verordening jeugdhulp gemeente Maasgouw 2018, wordt beslist op grond van die verordening. 6. Voorzieningen verstrekt op grond van voorgaande verordeningen kunnen op grond van deze verordening worden beëindigd, herzien, ingetrokken en/of teruggevorderd. Artikel 24. Inwerkingtreding en citeertitel [Wmo/Jeugdwet]
1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Maasgouw 2020.
Bijlage 1 Beschikbare voorzieningen Jeugd Voorzieningen op grond van de Jeugdwet
1. De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn beschikbaar: a. Basisvoorzieningen; b. Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG): 1) Informatie en advies; 2) Lichte opvoed-ondersteuning; 3) Ambulante hulp; c. Veilig Thuis; d. Kindertelefoon; e. Vertrouwenspersoon; f. Onafhankelijke cliëntondersteuning.
2. De volgende vormen van maatwerkvoorzieningen zijn beschikbaar: a. Persoonlijke verzorging; b. Begeleiding individueel en groep, welke niet verleend wordt door de basisvoorzieningen; c. Behandeling individueel en groep; d. Behandeling dyslexie; e. Logeren; f. Verblijf met begeleiding dan wel behandeling; g. Forensische zorg; h. Spoedeisende zorg (crisis); i.
Gesloten jeugdzorg;
j.
Vervoer;
k. Jeugdbescherming; l.
Jeugdreclassering.
Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning en
jeugdhulp gemeente Maasgouw 2020 Toelichting
Bij ieder artikel van deze verordening staat aangegeven of het van toepassing is op Wmo[Wmo], Jeugdhulp [Jeugdwet], of beide [Wmo en Jeugdwet].
Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en de Jeugdwet. Deze wetgeving maakt onderdeel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisaties naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. De voor de gemeenten nieuwe Wmo gerelateerde taken zijn destijds toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning 2007. Een van de uitgangspunten hierbij was en is dat er telkens wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociale netwerk. Vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.
Een van de uitgangspunten van de overheveling van de taken op het gebied van jeugdhulp was dat een omslag gemaakt zou worden van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), zoals al eerder was gebeurd met de Wmo. Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente wordt bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig en bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.
Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 en artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen. In dat plan legt de gemeenteraad het te voeren beleid vast met betrekking tot de maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp aan ingezetenen van de gemeente. Binnen de gemeente Maasgouw wordt het integraal werken als belangrijk instrument gezien, om de inwoners van de meest
passende ondersteuning te kunnen voorzien. Vandaar dat de gemeente Maasgouw heeft gekozen voor een beleidsplan dat de drie domeinen (maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en participatie) met elkaar verbindt. In dit 3D beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot de taken op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en participatie.
In navolging van dit beleidsplan is deze verordening tot stand gekomen, waarbij voor de domeinen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp een eenduidig kader is gemaakt.
Algemene voorzieningen: vrij toegankelijke zorg In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij-toegankelijke) en maatwerk (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kan de cliënt gebruik van maken zonder dat hij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig heeft. De cliënt kan zich voor deze hulp en ondersteuning dus rechtstreeks tot de betreffende aanbieder wenden. In bijlage 1 bij deze verordening is voor wat betreft de diverse vormen van jeugdhulp aangegeven welke al dan niet vrij toegankelijk zijn. Uit artikel 2.9 sub a van de Jeugdwet in samenhang met de memorie van toelichting op de Jeugdwet blijkt dat op grond van de verordening voor de burger namelijk inzichtelijk moet zijn welke vormen van jeugdhulp door de gemeente worden geboden aan eenieder en welke vormen alleen na een besluit van de gemeente toegankelijk zijn.
Toegang via de gemeente Als de gemeente een hulpvraag ontvangt, moet de gemeente iedere keer een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen. Dit is nodig om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg of met hulp van zijn sociale netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren. Op deze manier kan de
gemeente bepalen of en welke ondersteuning nodig is. Deze verordening legt de toegangsprocedure daarom op hoofdlijnen vast. De toegangsprocedure vindt plaats door middel van een onderzoek dat het college in samenspraak met de cliënt uitvoert. Veelal zal op basis van één of meerdere gesprekken tussen een door het college ingezette deskundige en de cliënt gekeken worden wat de cliënt eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een algemene voorziening is of een maatwerkvoorziening. Is het laatste het geval dan neemt het college een besluit tot verstrekking van de maatwerkvoorziening en verwijst de cliënt door naar een aanbieder die passende ondersteuning kan bieden.
Als de cliënt het niet eens is met een besluit van het college, bijvoorbeeld omdat een aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt geweigerd, kan de cliënt daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter toetst dan of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van de cliënt op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
De Wmo 2015 en Jeugdwet en ook deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan legt het college (in mandaat) neer bij deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Zij voeren de taak dan uit namens het college. Waar in deze verordening, de Wmo 2015 en Jeugdwet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In deze verordening is deze wijze van toegang uitgewerkt in artikel 4 van deze verordening. Na een dergelijke verwijzing staat nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus
bijvoorbeeld welke therapie) een cliënt precies nodig heeft. Een cliënt kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn expertise na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling moet de jeugdhulpaanbieder zich houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het te leveren voorzieningenpakket. De gemeenten en verwijzers maken verder afspraken over hoe zij goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een jeugdige. Dit zorgt ervoor dat de integrale benadering rond de jeugdige en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, geborgd is en er geen nieuwe ‘verkokering’ plaatsvindt, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij een bepaald gezin betrokken zijn. Daarnaast moet de jeugdhulpaanbieder rekening houden met de regels die de gemeente bij deze verordening heeft gesteld. De verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is.
Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of deselectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. De gecertificeerde instellingen en de gemeente maken hier afspraken over. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft gecontracteerd.
Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de
gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze vorm van toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt daarom verder niet terug in deze verordening.
Als de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening heeft verstrekt of dat de toegekende maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan betrokkene daartegen bezwaar maken bij het college. Eventueel kan betrokkene daarna nog in beroep gaan bij de rechtbank en in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB). De rechter toetst dan of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1. Begrippen[Wmo/Jeugdwet] Dit artikel geeft een omschrijving van een aantal begrippen die van belang zijn voor deze verordening. Alleen begrippen die niet in de Wmo 2015 en/of in de Jeugdwet staan omschreven zijn in dit artikel opgenomen. De Wmo 2015 en de Jeugdwet zijn zogenaamde specifieke wetgeving, die binnen het bereik van de Awb vallen. Ook de Awb kent daarom een aantal (algemene) begrippen die voor deze verordening van belang zijn. Voorbeelden hiervan zijn: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, lid 3 Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 Awb).
Sub c
Onder het begrip ‘andere voorziening’ vallen ook voorzieningen op grond van een andere wettelijke bepaling dan de Wmo 2015 of de Jeugdwet.
Sub f Onder budgetplan wordt mede verstaan een offerte.
Sub g Sub g omschrijft het begrip cliënt. In het kader van de Jeugdwet gaat het hierbij om een jeugdige en/of een ouder als omschreven in artikel 1.1 van die wet.
Sub r In de definitie van naaste familie worden naast de partner ook de eerste- en tweedegraads aan- en bloedverwanten genoemd. Dit zijn wettelijke termen die volgen uit het Burgerlijk Wetboek (art. 1:3 BW). Van een bloedverwant in de eerste graad is sprake bij: (adoptie)ouders, (adoptie)kinderen. Tweedegraads bloedverwanten zijn: broers, zussen, kleinkinderen en grootouders. Zie hierover verder ook: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/curatele-bewind-enmentorschap/vraag-en-antwoord/bloedverwantschap en https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/curatele-bewind-enmentorschap/vraag-en-antwoord/wat-isaanverwantschap.
Sub y Onder deze definitie valt ook een eenmanszaak, ongeacht het aantal werknemers in loondienst.
Artikel 2. Uitgangspunten van de ondersteuning[Wmo/Jeugdwet] Dit artikel is de inhoudelijke link tussen de verordening en het beleidskader Sociaal Domein Midden-Limburg Oost 2020-2028. In het beleidskader staan de uitgangspunten die de gemeente binnen het sociaal domein belangrijk vindt. Door deze uitgangspunten binnen de verordening te verankeren, legt de gemeente de
intentie vast om bij al haar handelen op grond van deze verordening zoveel mogelijk binnen de geest van deze uitganspunten te werken.
Artikel 3. Hulpvraag en onderzoek[Wmo/Jeugdwet] In dit artikel beschrijft op hoofdlijnen de procedure die het college moet doorlopen nadat er een hulpvraag is ontvangen.
Eerste lid De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. De melding kan bovendien ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld zijn vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen.
Derde lid Het college moet ervoor zorgen dat er voor alle ingezetenen cliëntondersteuning beschikbaar is. Bovendien moet de cliënt (en als van toepassing zijn mantelzorger) voor het onderzoek gewezen worden op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
Vijfde lid Van spoedeisende gevallen en crisissituaties als bedoeld in dit lid is onder meer sprake in gevallen waarin direct opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. In het kader van de Jeugdwet gaat het om situaties met acute bedreiging van de lichamelijke en/of geestelijke gezondheid van een jeugdige (of acute bedreiging van de omgeving, door toedoen van een jeugdige). De crisishulp wordt ingezet zolang de crisis aanhoudt dan wel het onderzoek op grond van het eerste lid is afgerond en hulp via de reguliere weg kan worden ingezet.
Artikel 4. Toegang jeugdhulp bij directe verwijzing[Jeugdwet]
Eerste lid Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, bestaat ook nog steeds de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts (artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet). Dit geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (algemene) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (maatwerk) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de cliënt rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de cliënt of zijn vertegenwoordiger(s) daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp en legt dit vast in een ondersteuningsplan. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen. Uiteraard is de aanbieder hierbij gehouden aan de afspraken die hij heeft gemaakt met de gemeente en de verplichtingen die uit deze verordening voortvloeien.
Het college maakt verder afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing plaatsvindt (artikel 2.7, vierde lid, van de Jeugdwet). Deze afspraken zorgen ervoor dat de gemeente haar regierol kan waarmaken en de omvang van het voorzieningenpakket beheersbaar kan houden. De afspraken zullen ook ingaan op hoe de verwijzende artsen en degenen die namens de gemeente betrokken zijn bij de gemeentelijke toegang (zie artikel 3 van deze verordening) op passende wijze van elkaar op de hoogte blijven met betrekking tot verwijzingen en behandelingen, zodat het streven van een integrale benadering en het uitgangspunt van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, in het bijzonder bij multiproblematiek, zo goed mogelijk verwezenlijkt kan worden.
Tweede lid Als de cliënt of zijn vertegenwoordiger(s) dit wensen òf in het uitzonderlijke geval dat het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder, legt het college de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking aan de cliënt of zijn
vertegenwoordiger(s). Op die manier wordt de cliënt en zijn vertegenwoordiger(s) de benodigde rechtsbescherming geboden.
Derde lid In dit lid is bepaald dat een aanbieder, die na verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en/of de medische specialist de voorzieningen behandeling individueel zwaar (meer dan 50 uur) en/of verblijf met begeleiding dan wel behandeling wil inzetten, het college hiervan in kennis stelt. Omdat deze voorzieningen een grote impact hebben op het gezin, wil de gemeente actief regie kunnen voeren in afstemming met het gezin en de aanbieder. Het doel hiervan is de voorziening effectief en efficiënt voor de cliënt en het gezin in te zetten. Daarnaast wil de gemeente graag inzicht verkrijgen in het behandelgedrag van de door haar gecontracteerde aanbieders. Afhankelijk of de cliënt wel of geen toestemming verleent, stuurt de aanbieder het ondersteuningsplan al dan niet geanonimiseerd toe aan het college.
Artikel 5. Aanvraag[Wmo/Jeugdwet] In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een hulpvraag kan indienen (zie toelichting artikel 3 van de verordening). Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking volgens de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.
Artikel 6. Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening [Wmo/Jeugdwet] In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de Wmo 2015 en artikel 2.9 onder sub a van de Jeugdwet, is bepaald de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Daar is in dit artikel uitvoering aan gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening altijd op maatwerk aankomt.
Een cliënt met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw), de Wet werk en bijstand en de Leerplichtwet. Deze voorzieningen vallen onder het begrip ‘andere voorziening’, zoals omschreven in artikel 1 van deze verordening.
Tweede lid Sub e Bij de afweging of de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, is ook van belang of de cliënt gebruik kan maken van een algemeen gebruikelijke voorziening. Een voorziening is, onverminderd de definitie in artikel 1 van de verordening, in dit geval aan te merken als algemeen gebruikelijk als deze daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en door de cliënt financieel kan worden gedragen (CRvB 10 oktober 2018, ECLI:NL:CRvB:2018:3093).
Derde lid Maatwerkvoorzieningen die het college op grond van deze verordening verstrekt, moeten zowel de meest passend als de goedkoopste voorziening zijn. Met het begrip passend wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat ze de voorziening meer passend maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. De bruikbaarheid van een voorziening wordt niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald, maar is ook afhankelijk van de cliënt. Ook is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau wordt aangesloten bij een verantwoord niveau, maar ook niet meer dan dat.
Vierde lid Onder een collectieve voorziening worden bijvoorbeeld het collectief vervoer, begeleiding in groepsverband en collectieve woonvoorzieningen verstaan. Het primaat van de collectieve voorziening geldt als de beoogde resultaten naar het oordeel van het college met de collectieve voorziening kunnen worden behaald.
Tevens dienen er naar oordeel van het college geen medische, psychische dan wel psycho-sociale contra-indicaties te zijn voor het toekennen in de vorm van een collectieve voorziening.
Artikel 7. Voorwaarden en weigeringsgronden [Wmo]
Eerste lid Het college verstrekt geen voorzieningen die niet veilig zijn of nadelige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de cliënt. Daarnaast moet de voorziening langdurig noodzakelijk zijn.
Tweede lid In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p. 148) opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is:
“Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.”