t NL.IMRO.0263.BP1238-VG01
Tekst van het document
Pagina 29
SPA WNP ingenieurs
22000272
Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. 4.7.3
Buisleidingen Uit de signaleringskaart externe veiligheid blijkt ten slotte, dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloed gebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor vormt het plaatsgebonden risico van buisleidingen geen belemmering voor de planontwikkeling en is geen verantwoording van het groepsrisico nodig.
4.7.4
Conclusie Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen, zijn er in het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld, in het kader van het aspect externe veiligheid. De adviezen van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid zijn onderdeel van de planvorming.
4.8
Wet natuurbescherming De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan, dient onderzocht te worden of de Wnb, ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden, de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.
4.8.1
Soortbescherming Ten behoeve van het plan is een quickscan Flora en Fauna en een vervolgonderzoek uitgevoerd. Deze is als bijlage 7 toegevoegd aan deze toelichting. Uit de uitgevoerde quickscan blijkt, dat er ten aanzien van vaste verblijfplaatsen van Wezel, Hermelijn en Bunzing alsmede ten aanzien van de Steenuil, nader onderzoek dient te worden uitgevoerd. De aanwezigheid van overige beschermde soorten is uitgesloten.
Pagina 30
SPA WNP ingenieurs
22000272
In het plangebied kunnen algemene broedvogels gaan broeden. Indien broedgevallen door de werkzaamheden vernietigd worden, betekent dat een overtreding van de Wet natuurbescherming. Hier is eenvoudig rekening mee te houden door niet in het broedseizoen te werken (loopt globaal van 15 maart tot 15 juli) of een broedvogelcontrole uit te laten voeren vlak voor aanvang van de werkzaamheden. Verder dient met betrekking tot algemeen voorkomende soorten altijd rekening te worden gehouden met de Algemene Zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). In het plangebied zijn egels en muizen gevonden en hiervoor geldt de Algemene Zorgplicht. Een mogelijkheid om hieraan te voldoen is bijvoorbeeld alert te zijn op aanwezige soorten (denk aan padden, kikkers, muizen en egels) en deze bij aantreffen te verplaatsen naar een geschikte plaats buiten het plangebied. 4.8.2
Ecologisch vervolgonderzoek Om te kunnen uitsluiten dat zich steenuil of marterachtigen hebben gevestigd in het onderzoeksgebied, is een ecologisch vervolgonderzoek uitgevoerd. De eerste ronde van het veldonderzoek is uitgevoerd op 20 april 2021, de overige twee bezoeken zijn buiten de door de in de protocollen aangegeven optimale onderzoeksperiode uitgevoerd, namelijk op 4 mei 2021 en op 21 mei 2021. Daarop zijn in 2022 twee veldbezoeken uitgevoerd in de onderzoeksperiode voor de steenuil. De resultaten zijn als bijlage 11 aan het bestemmingsplan toegevoegd.
4.8.3
Gebiedsbescherming Het Gelders Natuurnetwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, maar er worden ook nieuwe natuurgebieden ontwikkeld. Dit netwerk is beschermd en de regels voor bescherming en ontwikkelingsmogelijkheden zijn vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Een deel heeft Europese bescherming: de Natura 2000-gebieden. Er zijn 15 Natura 2000-gebieden in Gelderland. In die gebieden worden maatregelen genomen om de kwaliteit en de soortenrijkdom van de natuur te verbeteren. De planlocatie is gelegen op ca. 0,5 km van Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones. In afbeelding 9 is de ligging van deze gebieden ten opzichte van de planlocatie weergegeven.
Pagina 31
SPA WNP ingenieurs
22000272
Afbeelding 9 Gelders Natuurnetwerk en Groene onwikkelingszones nabij het plangebied.
4.8.4
Conclusie Bij geen van de bezoeken zijn steenuilen of sporen van nesten aangetroffen in het plangebied. Wel zijn bij álle drie de bezoeken steenuilen gehoord, maar op grote afstand van het plangebied. De dieren reageerden met name op sociale roepen van volwassen dieren die getaped werden. De dieren waren elke keer te horen ten noorden van het plangebied, ver ten noorden van de H.C. de Jonghweg en mogelijk zelfs nog ten noorden van de Molenweg. Door windstille omstandigheden konden de geluiden vanaf deze afstand gehoord worden. Bij het onderzoek is de Maarten van Rossumstraat, ten noorden van het plangebied, ingelopen. Vanaf daar werden roepende dieren vanuit het noordwesten gehoord. Nesten zijn niet aangetroffen en kunnen met dit onderzoek worden uitgesloten. Ook vast leefgebied of essentieel foerageergebied kan worden uitgesloten. De omstandigheden tijdens de bezoeken waren goed om uilenactiviteit waar te nemen. Steenuilen zijn ook alle drie de bezoeken gehoord, ver ten noorden van het plangebied. Dit valt buiten de beïnvloedingsfeer van de werkzaamheden. In totaal zijn ruim 150.000 foto’s gemaakt door de losse cameravallen en cameravallen in marterboxen. Op veruit de meeste foto’s stonden woelmuizen, ware muizen en in mindere mate spitsmuizen. De meest waargenomen soort is veldmuis, gevolgd door bosmuis.
Verder waren soorten als rossen woelmuis, bruine rat, bosspitsmuis en huisspitsmuis te zien. Soorten, anders dan muizen die werden waargenomen, zijn egel, vos en diverse vogels. Hoewel voedsel voor de kleine marters ruim voorhanden is in het plangebied, zijn de soorten niet vastgelegd. Ook sporen zijn niet gevonden. De aanwezigheid van wezel, hermelijn en bunzing kan daarmee worden uitgesloten. Alle drie soorten kleine marters zijn niet vastgesteld en er zijn ook geen sporen aangetroffen. Aanwezigheid van vast leefgebied kan daarmee worden uitgesloten. Pagina 32
SPA WNP ingenieurs
22000272
Tijdens de veldbezoeken voor het onderzoek naar de steenuil zijn geen verblijfplaatsen of vast leefgebied/foerageergebied voor steenuilen aangetroffen. Het is daarom niet noodzakelijk om een ontheffing Wet natuurbescherming voor de steenuil aan te vragen. Er dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen door niet in het broedseizoen te werken (loopt globaal van 15 maart tot 15 juli) of een broedvogelcontrole uit te laten voeren vlak voor aanvang van de werkzaamheden. Verder dient met betrekking tot algemeen voorkomende soorten altijd rekening te worden gehouden met de Algemene Zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). 4.8.5
Gebiedsbescherming In het kader van het bestemmingsplan voor het plan Appelgaerde in Rossum is een onderzoek uitgevoerd naar de depositie van stikstof, als gevolg van stikstofemissies die ontstaan door het plan. In het onderzoek wordt rekening gehouden met de maximale planologische mogelijkheden. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 7. Op basis van de berekende stikstofemissies gedurende de gebruiksfase blijkt, dat significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in beginsel niet kunnen worden uitgesloten. Om die reden zijn de bestaande emissies in de referentiesituatie vergeleken met de emissies van de beoogde situatie. Hieruit volgt, dat er geen hexagonen in Natura 2000-gebieden zijn met een berekend verschil hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee kunnen significante gevolgen op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn geen andere milieuverstoringen te verwachten, zoals verstoring door trillingen, geluid en/of licht of aan bodem en grondwater. Op basis daarvan geldt geen verplichting om een passende beoordeling te maken en hoeft er in het kader van het bestemmingsplan geen plan-MER te worden opgesteld. Als gevolg van beroepen aan huis is het mogelijk dat de deposistie van stikstof toeneemt.
Indien wordt afgeweken van het gebruik zoals beroepen aan huis tot gevolg heeft dat er meer verkeersbewegingen met motorvoertuigen ontstaan dan weergeven in Bijlage 12 van de Toelichting “verkeersgeneratie CROW”, dient middels een stikstofdepositie onderzoek te worden aangetoond dat de uitoefening van bedoelde gebruik geen toename van stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden tot gevolg heeft. Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend als een onderzoek naar stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden is overlegd en als akkoord beoordeeld door het bevoegd gezag.
4.8.6
Conclusie In het kader van het bestemmingsplan voor het plan Appelgaerde in Rossum, is een onderzoek uitgevoerd naar de depositie van stikstof, als gevolg van stikstofemissies, die ontstaan door het plan. In de berekening van de beoogde situatie is uitgegaan van de emissies die ontstaan tijdens de gebruiksfase. Op basis van de berekende stikstofemissies gedurende de gebruiksfase blijkt dat significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in beginsel kunnen worden uitgesloten.
Pagina 33
SPA WNP ingenieurs
4.9
22000272
Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald, dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald, dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. Ten behoeve van het plan zijn twee bodemonderzoeken uitgevoerd. Die zijn als bijlage 8 toegevoegd aan deze toelichting. Hieronder wordt daarop ingegaan.
4.9.1
Onderzoek Op het maaiveld van de percelen 1896 en 1897 is zintuigelijk een zwakke bijmenging met puin aangetroffen. In de opgeboorde grond ter plaatse van de gehele onderzoek locatie, zijn geen bodemvreemde en/of op verontreiniging duidende kenmerken waargenomen. Uit de analyseresultaten kan met betrekking tot de bovengrond geconcludeerd worden, dat in grondmengmonsters M01 t/m M05 (traject 0,0 – 0,5 m-mv) een lichte verontreiniging (overschrijding van de achtergrondwaarde) met één of een combinatie van koper, kwik, cadmium, nikkel, organochloorhoudende bestrijdingsmiddelen, DDE en DDD is aangetoond. Voor de overige geanalyseerde parameters van het NEN 5740 grondpakket zijn geen verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden en/of detectielimiet aangetoond. De hypothese "De onderzoek locatie is onverdacht" dient, op basis van de licht verhoogde gehalten aan koper, kwik, cadmium, nikkel, organochloorhoudende bestrijdingsmiddelen, DDE en DDD in de bovengrond, verworpen te worden. Het op het maaiveld van de percelen 1896 en 1897 aanwezige puin is zintuiglijk en analytisch niet asbesthoudend. De gemiddelde waterdoorlatendheid (Kgemiddeld) van de kleilaag boven de grondwaterstand (0 - 0,5 m-mv) is berekend op 10-5 - 10-6 m/dag. De gemiddelde waterdoorlatendheid is zeer slecht.
Op basis van de doorlatendheid wordt de grond als ongerijpte, samengeperste klei of slap/ongerijpte klei beoordeeld. Aanleiding voor het uitvoeren van het aanvullend bodemonderzoek betreft de beoordeling door de Omgevingsdienst Rivierenlanden op het door ABO-Milieuconsult BV uitgevoerd actualiserend milieukundig bodemonderzoek van de bovengrond en de nog op te volgen aanbevelingen van het door Verhoeven Milieutechniek B.V. in 2009 uitgevoerde verkennend bodemonderzoek. In 2009 zijn plaatselijk bestrijdingsmiddelen in de bovengrond aangetroffen. Ter plaatse van het aanwezige puinpad is een matige verontreiniging met PAK aangetroffen in de bovengrond. De onderzoek locatie betreft een akker met aan de (noord)westzijde een puinpad. Dit puinpad heeft een lengte van circa 290 m en een oppervlakte van circa 725 m2. Het puinpad betreft klei met matige bijmengingen van puin en resten grind. De laagdikte varieert van 30- 50 cm en is gemiddeld 35 cm. Dit puinpad betreft wel bodem, gezien de maximaal matige bijmengingen (5-15%) van puin.
Pagina 34
SPA WNP ingenieurs
22000272
Lokaal wordt verwacht dat de bovenste 3,0 meter bestaat uit klei, lokaal zandig met daaronder veen, lokaal kleiig tot 3,8 m-mv. Van 3,80 - 7,00 m-mv bevindt zich klei, lokaal zandig met daaronder tot 10,0 m-mv zand. De grondwaterstand varieert op basis van verkennend bodemonderzoek in de nabije omgeving van 0,82 tot 0,94 m-mv. Een eenduidige freatische grondwaterstromingsrichting is niet bekend en wordt veelal beïnvloed door ondergrondse obstakels, zoals de watergang bij de Hogeweg of de Waal. De stromingsrichting van het eerste watervoerende pakket is in oostelijke richting. In verband met de aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) is de omvang en verspreiding van de verontreiniging met PAK en OCB in de grond, op de onderzoek locatie bepaald. Voorafgaand aan het nader onderzoek is een conceptueel model (zie H2) opgesteld en de onderzoeksopzet is daarop afgestemd. Tijdens het nader onderzoek zijn ter afbakening van de matige grondverontreiniging met PAK, boringen in en naast het puinpad geplaatst. De bovengrond is, ter afbakening van de grondverontreiniging met OCB, aanvankelijk in drie monstervakken onderzocht. Na het aantreffen van verontreinigingen in één mengmonstervak, is één mengmonster van de ondergrond uitgesplitst. 4.9.2
Conclusie De licht verhoogde gehalten, aan koper, kwik, cadmium, nikkel, organochloorhoudende bestrijdingsmiddelen, DDE en DDD in de bovengrond, zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Uit het aanvullende bodemonderzoek (d.d. 9 december 2021) blijkt de bodem, ter plaatse van het kavelpad, niet sterk verontreinigd met PAK. Zeer lokaal is een matig verhoogd gehalte PAK vastgesteld. De bodem is over het geheel genomen niet- tot licht-verontreinigd met PAK, waarbij wordt voldaan aan de bodemkwaliteitsklasse Wonen. Uit het aanvullende onderzoek met betrekking tot persistente bestrijdingsmiddelen blijkt verder dat de bodem binnen het heterogeen ten hoogste licht verontreiniging is. De sterke verontreiniging met DDE en DDT, die is vastgesteld, is aanwezig ter plaatse van perceel 1896 (boring M3). Op basis van de verbeelding van 24 december 2021 kan worden gesteld dat deze verontreiniging gelegen is buiten het plangebied van het bestemmingsplan en niet relevant is in het kader van de bestemmingsplan wijziging. Aanbevolen wordt om de matige verontreiniging met PAK, ter plaatse van het puinpad, te ontgraven en af te voeren naar een erkende verwerker.
Tevens wordt aanbevolen om in ieder geval de werkzaamheden met betrekking tot de verontreiniging met DDE/DDT, onder milieukundig toezicht conform SIKB BRL 6000 protocol 6001 uit, te voeren. Hierbij dient opgemerkt te worden, dat grondroerende werkzaamheden in- en nabij een verontreinigingsspot niet zonder toestemming van het bevoegd gezag mogen worden uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt, dat het plangebied voldoende is onderzocht en dat de locatie geschikt is voor de toekomstige bestemming. Eventueel grondverzet dient plaats te vinden conform het Besluit Bodemkwaliteit, de Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart van de gemeente. Asbestonderzoek conform de NEN 5707 wordt niet noodzakelijk geacht.
Pagina 35
SPA WNP ingenieurs
4.10
22000272
Water Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding, die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland en de gemeente Maasdriel. De gemeente Maasdriel heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Water- en Rioleringsplan Bommelerwaard 2017-2021 (GRP). Met het Water- en Rioleringsplan geeft de gemeente aan wat zij doet om te zorgen voor goede afvoer van afval- en regenwater en het voorkomen van overlast door grondwater. Ten behoeve van het plan is een Watertoets uitgevoerd. Dit is als bijlage 9 toegevoegd aan deze toelichting. Hieronder wordt daarop ingegaan. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit bouwland en enkele percelen. Hierop zijn onder andere een kwekerij gevestigd en enkele woningen. Het grootste gedeelte van het plangebied is onverhard. Er is alleen bij de bestaande bebouwing riolering aanwezig, voor het overige is er geen riolering aanwezig. Door de slecht doorlatende bodem is infiltratie in de bodem maar zeer beperkt mogelijk. Daarom is met name gekozen voor het aanleggen van waterberging in de vorm van watergangen, plas/dras gebiedjes en droogvallende waterberging, die ook als speelvoorziening gebruikt kunnen worden.
Door de koppeling van groen en watergangen ontstaat een aantrekkelijk gebied met ecologische kwaliteit. Hemelwater wordt zoveel mogelijk bovengronds naar de betreffende watergangen gebracht. Omdat het hemelwater vanuit sommige locaties een weg/voetpad moet passeren, is op die plaatsen bovengronds afvoeren niet aan de orde. Daar zal met hemelwatergoten of ondergrondse rioleringen gewerkt moeten worden. Ter compensatie van de verharding worden binnen het plan B-watergangen en waterpartijen gerealiseerd. Op basis van de vuistregels vanuit Waterschap Rivierenland dient, bij een T=10+10% watercompensatie van 436 m3 per hectare, toename van verharding gerealiseerd te worden. Bij een bui T=100+10% dient op basis van deze vuistregels 664 m3 berging per hectare toename van verharding gerealiseerd te worden. Tabel 3: Te realiseren waterberging per peilgebied. Verharding huidige situatie
Te compenseren
(m2)
(m2)
Totaal
0
Peilgebied 2,6m
0
Peilgebied 2,75m
0
Eisen voor waterberging
Te bergen/ infiltreren
Nieuw water in plan
(m3)
37.205
m3/ha T 10 + 10% 436
m3/ha T 100 + 10% 664
(m3) T 10 + 10% 1.622
1.787
19.130
436
664
834
854
18.075
436
664
788
933
In afbeelding 10 is aangegeven waar het beoogde water zich bevindt in het plangebied.
Pagina 36
SPA WNP ingenieurs
22000272
Afbeelding 10: Water en overloopgebieden in het stedenbouwkundigplan (bron: Lodewijk Baljon landschapsarchitecten)
4.10.1 Beheer Voor de bestaande en de nieuwe watergangen in en naast het plangebied kan worden voldaan aan de benodigde beschermingszone-vereisten. De watergangen zijn voldoend toegankelijk voor onderhoud. De bewoners zijn zelf verantwoordelijk voor het onderhoud van de B-watergangen. De afspraken met betrekking tot het onderhoud van de watergangen wordt privaatrechtelijk vastgelegd. Daarnaast zijn er enkele nieuwe B-watergangen die grenzen aan percelen van derden. Het onderhoud van deze watergangen zal vanuit het plangebied plaatsvinden. De nieuwe B-watergangen in het plangebied, die grenzen aan percelen van derden, zijn zodanig ingericht dat ze vanaf een zijde (binnen het plangebied) onderhouden kunnen worden. Voor de overige watergangen geldt dat deze aan beide zijden onderhouden kunnen worden vanaf de rijbaan/groenstrook. 4.10.2 Drooglegging Het plangebied wordt gekenmerkt door een bepaalde grondwaterstand. De drooglegging van het gebied is hiervoor medebepalend. Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het zomerpeil van het oppervlaktewater ligt. De gemeente adviseert om grondwateroverlast te voorkomen door ontwateringseisen van het waterschap te hanteren. Zij hanteren de volgende ontwateringseisen: • 1,00 meter boven GHG/RHG van het zomerpeil voor het straatniveau • 0,30 meter boven straatniveau voor bebouwing
Pagina 37
SPA WNP ingenieurs
22000272
De voorkeur gaat daarbij uit naar het realiseren door ophoging. Daar waar het niet haalbaar is om 1,00 meter voor het straatniveau te halen, kan onderzocht worden of door middel van het aanleggen van drainage met een drooglegging van 0,70 meter kan worden volstaan. Aan de vereisten wordt in het grootste deel van het plan voldaan aan de standaard ontwateringseis. Alleen voor de straat, die aangelegd wordt vanaf de Hogeweg het plangebied in, is dit niet haalbaar. Hier kan wel worden voldaan aan de drooglegging door het aanleggen van drainage en zal het straatniveau boven de 0,70 meter boven het zomerpeil in het plangebied blijven. 4.10.3 Conclusie Er worden vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. 4.11
Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die in 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta, worden meer archeologische resten in situ behouden. Gemeenten moeten rekening houden met archeologie bij nieuwe bestemmingsplannen. In dat kader is door de gemeente Maasdriel een archeologische beleidskaart opgesteld. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Maasdriel ligt het plangebied grotendeels in beleidszone Waarde – archeologie 6. Dit betekent dat archeologisch onderzoek plaats dient te vinden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken.
Ten behoeve van het plan is een Archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit is als bijlage 10 toegevoegd aan deze toelichting. Hieronder wordt daarop ingegaan. Uit de Archeologische beleidskaart van de gemeente Maasdriel blijkt dat er in het gehele plangebied een verwachtingswaarde 6 geldt. In Afbeelding 11 is een uitsnede van de Archeologische beleidskaart opgenomen.
Pagina 38
SPA WNP ingenieurs
22000272
Afbeelding 11 uitsnede Archeologische beleidskaart
Het overgrote deel van de ondergrond binnen het plangebied bestaat uit matig tot sterk siltige tot zwak zandige klei. De klei is geïnterpreteerd als komklei en wordt tot de Formatie van Echteld gerekend. Binnen het pakket komafzettingen komen veeninschakelingen voor. Het veen wordt gerekend tot de Formatie van Nieuwkoop. In boring 0, 16 en 18 is onder de komafzetting een laag matig grof zand aangetroffen, dat is geïnterpreteerd als rivierduinzand. Het wordt gerekend tot het Laagpakket van Delwijnen, dat onderdeel is van de Formatie van Boxtel. Binnen het pakket komafzettingen zijn op wisselende dieptes zandige crevasse- afzettingen aangetroffen, die bestaan uit zeer fijn tot grindhoudend zeer grof zand. De crevasse-afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Echteld. Het bodemprofiel is in vrijwel het hele plangebied intact. De bodem is geclassificeerd als een poldervaaggrond. Alleen in boring 36, 37 en 38 is verstoring van het bodemprofiel vastgesteld die dieper reikt dan de huidige bouwvoor. De diepte van de verstoring varieert van 70 tot 80 cm beneden maaiveld. In geen van de boringen zijn indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. De kans dat binnen het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is, wordt daarom klein geacht. 4.11.1 Conclusie Het bodemprofiel is in vrijwel het hele plangebied intact.
De bodem is geclassificeerd als een poldervaaggrond.
Pagina 39
SPA WNP ingenieurs
22000272
Tijdens het veldonderzoek zijn in geen van de boringen indicatoren aangetroffen, die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. De middelhoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek voor vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum en de hoge verwachting voor nederzettingssporen uit de ijzertijd tot en met de Romeinse tijd, kan op grond van de resultaten van het veldonderzoek naar laag worden bijgesteld. De kans dat binnen het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is, wordt gezien de resultaten uit het veldonderzoek klein geacht. Vanuit het aspect archeologie zijn geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling. 4.12
Cultuurhistorie
4.12.1 Toetsingskader Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten, naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in de ontwikkelingslocatie en moeten aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Het plangebied ligt in een gebied dat in de omgevingsvisie Bommelerwaard is benoemd vanwege een van kenmerkende verkaveling. Deze gebieden zijn in de waardenkaart aangegeven. In afbeelding 12 is een uitsnede met het plangebied opgenomen. Afbeelding 12 waardenkaart omgevingsvisie Bommelerwaard
Pagina 40
SPA WNP ingenieurs
22000272
De kenmerkende lange in noord-zuid richting liggende percelen worden in het plan vertaald door de gehele noord-zuid ligging van het plan. 4.12.2 Conclusie Het plangebied herbergt behalve de kenmerkende percelering geen cultuurhistorische waarden die van invloed kunnen zijn op de planontwikkeling en de realisatie van de voorgestane ontwikkeling. Door de noord-zuid oriëntatie van het plan blijft de kenmerkende percelering zichtbaar gemaakt in het landschap. Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling. 4.13
Besluit milieueffectrapportage De voorgenomen activiteiten binnen het plangebied vallen onder de volgende categorie van het Besluit m.e.r. (zie tabel 4). Tabel 4: Categorie m.e.r. Categorie
Activiteiten
Drempelwaarde
D.11.2
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject
2.000 woningen
De genoemde drempelwaarde bij deze activiteit bedraagt 2.000 of meer. De toename in woningen van de voorgenomen activiteit blijft met een aantal van maximaal 120, ruim onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D. Echter, voor de activiteiten die aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, dient alsnog nagegaan te worden of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Behandeld dienen te worden de ‘kenmerken van het project’, ‘locatie van het project’ en ‘soort en kenmerken van het potentiële effect’. Er is een aanmeldnotitie opgesteld waarin voornoemde effecten zijn beoordeeld. Op basis van deze aanmeldnotitie heeft de gemeente Maasdriel besloten dat geen m.e.r. noodzakelijk is. 4.14
Klimaat en duurzaamheid In de deelvisie ‘Groen en Bomen’ van augustus 2019 (onderdeel van de omgevingsvisie Maasdriel) worden enkele doelen gesteld ten behoeve van duurzaamheid en klimaat. •
• •
Vergroten van de biodiversiteit. Door het vergroten van de soortenrijkdom wordt een aantrekkelijke leefomgeving gecreëerd voor meer soorten dieren en insecten. Hierbij is het echter wel van belang om (inheemse) gebiedseigen soorten of cultivars toe te passen, die bestand zijn tegen de gebiedskenmerken. Het vergroten van de diversiteit vermindert de impact van ziekten en plagen. Ecologisch beheer. Door ecologisch beheer worden inheemse flora en fauna beschermd. Dit kan door ecologisch bermbeheer, begrazingsbeheer, het beheer van natuurvriendelijke oevers en ecologisch waterbeheer. Ruimtelijke inrichting met aandacht voor klimaatadaptatie. Waterberging en vermindering van hittestress zijn uitdagingen waarop we steeds vaker moeten inspelen. De beste aanpak om wateroverlast te voorkomen bestaat daarom uit drie stappen: vasthouden, bergen en afvoeren. Groen zorgt ervoor dat niet alle neerslag hoeft te worden afgevoerd. Bomen, struiken en ander groen kunnen de temperatuur in een bebouwde omgeving helPagina 41
SPA WNP ingenieurs
22000272
pen verlagen door water te verdampen. Bij nieuwe aanplant en herinrichting is nadrukkelijk aandacht voor verbetering van de waterberging en vermindering van de hittestress. Buiten de dragende groenstructuren wordt ruimte gegeven voor initiatieven in het kader van de energietransitie (zonnepanelen en dergelijke). Plan Appelgaerde geeft invulling aan de gestelde doelen, doordat de woningen standaard uitgevoerd worden met warmtepompen en balansventilatie met warmteterugwinning. Daarnaast wordt er hoogwaardige isolatie toegepast welke, samen met een doordachte detaillering en veel aandacht voor luchtdichtbouwen, zorgt voor een goede thermische schil. In het kader van de energietransitie moet lokaal duurzame energie worden opgewekt. Dit bij voorkeur door “zon op dak” (Zie Visie zon en wind Maasdriel, vastgesteld op 10 juni 2021). Het is daarom wenselijk dat het dakoppervlak geschikt is voor plaatsing van zonnepanelen (behoudens dakoppervlak dat wordt ingezet voor groendak). Bij nieuw in te richten gebieden wordt de beplanting afgestemd op de bebouwing, zodat niet onnodig hoge bomen worden geplaatst waarvan op voorhand duidelijk is dat deze de productie van zonnepanelen op de daken van de nieuwbouw belemmeren. In het stedebouwkundigplan zijn meer bomen opgenomen dan vereist.
Sommige bomen zullen bij uitwerking niet geplaatst worden omdat dit in verband met voorgaande niet wenselijk of in verband met het beheer van watergangen niet mogelijk is. Het ontwerp van het plangebied is opgesteld conform ‘Kaders ruimtelijke ontwikkelingen’ van de gemeente Maasdriel. Het water wordt, conform de vereisten, geborgen in het plangebied en vertraagd afgevoerd. In het plan is veel ruimte voor groen en blauw. In het ontwerp is rekening gehouden met het beperken van versnippering van het groen. Dit draagt bij aan het creëren van een aantrekkelijke leefomgeving voor dieren en insecten. In het plan uit zich dit door de aanleg van een centrale groenstrook. Aan de randen van het plan wordt aansluiting gezocht met de omliggende landbouwgronden door middel van water en groenstroken, waar omwonenden de mogelijkheid hebben om te recreëren. 4.15
Niet gesprongen explosieven Door de gemeente Maasdriel is aangegeven dat deze locatie gelegen is in Ontplofbare Oorlogsresten (OO) verdacht gebied. Daarom dient voorafgaand aan de grondroerende werkzaamheden het terrein onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van OO. Dit om te voorkomen dat tijdens grondroerende werkzaamheden een OO wordt aangetroffen wat een gevaar voor de werknemers en openbare orde en veiligheid kan vormen. In opdracht van de gemeente Maasdriel is in 2016 een onderzoek uitgevoerd naar mogelijke explosieven in de Bommelerwaard. Door het opstellen van een Explosievenkansenkaart is in beeld gebracht waar een verhoogde kans is op OO en waar geen verhoogde kans is, zodat deze historische vooronderzoeken niet meer in alle gevallen nodig zijn. Daarbij ondersteunen de gemeente burgers en bedrijven bij het voorbereiden en veilig uitvoeren van grond- en graafwerkzaamheden. Uit het onderzoeksrapport is gebleken dat er op de projectlocatie van Appelgaerde risico’s bestaan en de locatie is aangewezen als “verdacht”. Er heeft een detectie onderzoek naar onontplofte explosieven plaatsgevonden op de planlocatie. Uit het onderzoek blijkt dat een klein deel van het gebied niet toegankelijk was voor de detectie apparatuur (circa 14 %)en een ander deel teveel verstoord was om een interpretatie van de meetgegevens uit te voeren (circa15 %).
Het overgrote deel van het plangebied (ruim 60 %) is onderzocht.
Pagina 42
SPA WNP ingenieurs
22000272
De gebieden, die nog niet onderzocht konden worden, worden alsnog middels actieve- en passieve realtime oppervlaktedetectie onderzocht op de locaties waar daadwerkelijk grond geroerd gaat worden. Zoals uit de bij het rapport gevoegde tekening blijkt, zijn er significante objecten waargenomen en dient er daar waar daadwerkelijk grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden, nadere identificatie en veiligstelling/ verwijdering plaats te vinden, alvorens de werkzaamheden aanvangen. Het onderzoeksrapport is als bijlage 14 toegevoegd bij de toelichting. 4.16
Volksgezondheid Gezondheid is in de ruimtelijke ordening steeds meer een thema. Er is echter geen specifieke wet- en regelgeving dan wel beleidskader voor het meenemen van het aspect gezondheid in bestemmingsplannen of andere ruimtelijke besluiten. Van belang is dat een ruimtelijk besluit voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Hiervoor is het belangrijk dat ter plaatse van de ruimtelijke ontwikkeling sprake is van een goed woon- en leefklimaat en bedrijven en dergelijke door een ruimtelijke ontwikkeling niet in hun belangen/bedrijfsvoering geschaad worden. In dit bestemmingsplan zijn diverse thema’s die van invloed zijn hierop, en daarmee mogelijk ook op de gezondheid, aan de orde gekomen. Aspecten die nog niet aan bod zijn gekomen, maar mogelijk wel van invloed zijn op de gezondheid van mens, dier en natuur komen in deze paragraaf aan de orde. Geitenhouderijen Binnen een straal van 2 km rondom het plangebied zijn stallen van geitenhouderijen aanwezig (op afstanden van circa 380 en 600 meter van het plangebied). Respectievelijk H.C. de Jonghweg 12 en Molenstraat 37/H.C. de Jonghweg ong.). Pluimvee- en varkenshouderijen Binnen 1 km van het plangebied zijn geen pluimveehouderijen gelegen. Het plangebied is niet binnen 250 meter van overige veehouderijen gelegen.
Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Het stappenplan kan worden gebruikt bij het afgeven van milieuvergunningen. Het stappenplan kan ook gebruikt worden voor bestemmingsplannen. Als er meerdere ‘ja’s’ uit volgen is het een overweging om bij de GGD een advies aan te vragen om de cumulatie te bespreken. Stap 1 In deze stap moet beoordeeld worden of de ontwikkeling voldoet aan de endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. Het gaat daarbij om varkens- en pluimveehouderijen, waarvoor respectievelijk een afstand van circa 200 en 500 meter geldt. Binnen deze afstanden laten de metingen en berekeningen zien dat overschrijding van de door de Gezondheidsraad gegeven advieswaarde van 30 EU/m3 mogelijk is, als een ontwikkeling buiten deze afstanden zijn gelegen is het aannemelijk dat de waarde van 30 EU/m3 niet wordt overschreden. Er zijn binnen genoemde afstanden geen varkens- en pluimveehouderijen aanwezig. Uit bovenstaande blijkt dat de ontwikkeling voldoet aan de endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 2.
Stap 2 De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3a.
Pagina 43
SPA WNP ingenieurs
22000272
Stap 3a In deze stap moet getoetst worden of in het plangebied voldaan wordt aan het wettelijke kader voor geurhinder. Dat betekent in onderhavige situatie in een woonkern dat de voorgrondbelasting moet voldoen aan 5 OU/m3 en de achtergrondbelasting aan 10 OU/m3. In paragraaf 4.6 en in bijlage 5 is het aspect geurhinder afkomstig van veehouderijen getoetst. Gemotiveerd wordt dat wordt voldaan aan een voorgrondnorm van 3 OU/m3 en dat de achtergrondbelasting niet meer dan 2,035 OU/m3 bedraagt. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de hand van het wettelijk kader voor geur. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3b. Stap 3b In deze stap moet getoetst worden of in het plangebied voldaan wordt aan de gezondheidskundige advieswaarde voor geurhinder. Het gaat in onderhavige situatie dan om een voorgrondbelasting van 3 OU/m3 en een achtergrondbelasting van ruim 2 OU/m3. Uit paragraaf 4.6 blijkt dat aan de voor- en achtergrondbelasting wordt voldaan. Verder zijn tussen het plangebied en veehouderij in de wijde omgeving andere geurgevoelige objecten aanwezig die voor die veehouderij maatgevend zijn, de nieuwe geurgevoelige objecten in het plangebied belemmeren die veehouderijen dus niet in hun bedrijfsvoering. Ten aanzien van het plan is een GGD-advies gevraagd. Ga verder naar stap 4.
Stap 4a+b Er zijn geen veehouderijen in relevante omgeving waar meer dan één diersoort wordt gehouden. Er zijn geen varkens- en/ of pluimveebedrijven in de buurt waarvan de afstand tussen de inrichtingsgrenzen minder dan 100 meter bedraagt. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 5. Stap 5a Binnen een afstand van 2 km van nieuwe woon- en verblijfsruimten is een geitenhouderij gelegen, namelijk aan de H.C. de Jonghweg 12 en Molenstraat 37/H.C. de Jonghweg ongenummerd. Dit leidt tot GGD-advies. Check of stap 6 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 6 Er is geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Dit leidt niet tot GGD-advies.Check of stap 7 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 7 Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Dit leidt niet tot GGD-advies. Uit het doorlopen van het stappenplan blijkt als aanleiding voor het aanvragen van een advies bij de GGD, stap 5a. Het plangebied is gelegen binnen twee kilometer van een geitenhouderij. De stal van de dichtstbijzijnde geitenhouderij ligt op 380 meter. GGD Advies Op basis van stap 5a is GGD advies gevraagd. Op 27 november 2023 is een uitgebreid advies van de GGD ontvangen, dat op meer aspecten ingaat dan alleen de nabijgelegen geitenhouderijen.
Pagina 44
SPA WNP ingenieurs
22000272
Kort samengevat wordt door de GGD het volgende geadviseerd: Geluid: • • • •
Voor de gezondheid is een maximale geluidbelasting van 50 dB Lden gewenst, geadviseerd om hier door maatregelen zo dicht mogelijk bij te komen. Als bron en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn, dienen isolerende maatregelen genomen te worden om aan een binnen niveau van 30 dB(A) of lager te voldoen. De woningen moeten een geluidsluwe gevel hebben en slaapkamers moeten zoveel mogelijk aan een geluidsluwe zijde worden gesitueerd. Extra aandacht voor mogelijkheden om de geluidsbelasting te verlagen bij de woningen met een relatief hoge geluidsbelasting door wegen, geluid van spelende kinderen bij de school en van ventilatieroosters bij de sporthal is gewenst.
Zoals uit het akoestisch onderzoek blijkt, is de geluidsbelasting vanwege het verkeer bij vrijwel alle woningen lager dan de voorkeurswaarde. Slechts bij één woning is dit hoger, maar ruim onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Tevens blijkt dat er binnen het bouwplan geen reële verdergaande maatregelen mogelijk zijn. Aan het vereiste binnen niveau wordt in alle gevallen voldaan, verder wordt opgemerkt dat alle nieuwe woningen meerdere geluidsluwe gevels hebben. Bij de verdere planuitwerking kan er voor gezorgd worden dat slaapkamers zoveel mogelijk aan een geluidsluwe zijde worden gesitueerd. Lucht: •
Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt dat de verkeersintensiteiten op de omringende wegen, met name de HC de Jonghweg en de Hogeweg, ruim onder de verkeersintensiteit van 10.000 motorvoertuigen per etmaal ligt. Het is daarom niet nodig een minimale afstand van de woningen tot de weg te hanteren.
Veehouderij: •
•
Er is vastgesteld dat de voorgrondbelasting, als gevolg van de veehouderij aan H.C. de Jonghweg 18, maatgevend is voor de nieuwbouw in het plangebied. De berekende voorgrondbelasting door deze veehouderij op de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming is maximaal 1 OU/m3. Ook is de (gecumuleerde) achtergrondbelasting bepaald. Uit de resultaten van de berekening blijkt dat er in het plangebied een maximale achtergrondbelasting is van 2 OU/m3. Dit betekent dat zowel de voor- als achtergrond geurbelasting lager zijn dan de maximale geurbelasting die de GGD adviseert (respectievelijk 2 OU/m3 voor de voorgrondbelasting en 5 OU/m3 voor de achtergrondbelasting). Dit betekent dat er sprake is van een voldoende kwaliteit van de leefomgeving wat betreft de geurbelasting door veehouderijen. Er ligt een paardenfokkerij op 50 meter afstand van de gevel van woningen. Voor een paardenfokkerij geldt wat betreft de geurbelasting een afstand van 100 meter tot een geurgevoelige bestemming binnen de bebouwde kom. Er is weinig bekend over de fijnstof emissie van paarden maar er wordt verondersteld dat deze niet groot is. Daarom hanteert de GGD hiervoor een andere afstandsadvies dan de 250 meter. Zowel wat betreft de geurbelasting, als de fijnstof emissie adviseert de GGD een minimale afstand van 100 meter tussen paardenfokkerij en de nieuwe woningen te hanteren.
De wet biedt ruimte voor een halvering van de te hanteren afstand. De gemeente Maasdriel heeft besloten hier gebruik van te maken. De voorgestelde te hanteren afstand van 50 meter tot de paardenfokkerij wordt door de gemeente aanvaardbaar gevonden. •
Er liggen twee geitenhouderijen in de omgeving van het plangebied. De afstanden tussen de geitenhouderijen en de dichtstbijzijnde woningen zijn respectievelijk 380 meter Pagina 45
SPA WNP ingenieurs
22000272
(HC de Jonghweg 12), en 600 meter (Molenstraat 37/H.C. de Jonghweg ong.). Dat betekent dat de geitenhouderij aan de HC de Jonghweg binnen 500 meter van de woningen ligt. Gezien het verhoogde risico op longontsteking bij omwonenden van een geitenhouderij adviseert de GGD een minimale afstand van 500 meter tussen de geitenhouderij en de nieuwe woningen te hanteren. De provincie volgt de lijn uit het VGO (veehouderij en gezondheid van omwonenden) en geeft aan dat de dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen een afweging moeten maken over het toevoegen van gevoelige functies binnen de 2-kilometerstraal rondom geitenhouderijen. Deze motivatie is als volgt: • • • •
de ontwikkeling is niet actief gericht op een kwetsbare doelgroep; er is de mogelijkheid, voorafgaand, nieuwe bewoners te informeren om ze een bewuste keuze te laten maken; het plan biedt uitkomst aan de grote maatschappelijke behoefte aan de beoogde woningen. Het belang van de ontwikkeling is dermate hoog dat dit zwaar weegt in de afweging. Daarnaast is er sprake van een versnelde transitie in de veehouderij. De effecten zijn velerlei, maar betekenen in ieder geval dat behalve minder veehouderijen de impact van de resterende bedrijven op de omgeving drastisch zal verbeteren. Er is sprake van allerlei innovatieve ontwikkelingen die de emissie en immissie van aan gezondheid te relateren stoffen, zo niet geheel, dan toch in beduidende mate, zullen beperken. Als tijdelijke voorzorgsmaatregel heeft de provincie Gelderland in 2018 in de omgevingsverordening een zogenaamd “geitenverbod” opgenomen. Daardoor is nieuwe vestiging van geitenhouderij, het wijzigen van de veestapel naar geiten, dan wel een toename van het aantal te houden geiten verboden.
Bodem: •
•
Voor het gezondheidsrisico is alleen verontreiniging van de bovengrond van belang omdat je hiermee in contact kan komen. Uit de resultaten van de onderzoeken blijkt dat de aangetroffen concentraties verontreinigde stoffen allemaal zo laag zijn dat ze geen risico vormen voor de gezondheid. Ook de aangetroffen loodconcentraties zijn ruim onder de advieswaarden van de GGD.
Bestrijdingsmiddelen: •
De GGD adviseert om uit voorzorg in nieuwe situaties zoveel mogelijk afstand te houden tussen landbouwgrond, waarop bestrijdingsmiddelen worden toegepast en kwetsbare bestemmingen, zoals woningen en scholen. Bij fruitteelt is het gebruikelijk om 50 meter afstand te hanteren tussen teelt en woningen. Er is geen gezondheidskundige onderbouwing voor deze afstand. Deze afstand is er op basis van jurisprudentie. Gezondheidskundig is het vooralsnog niet mogelijk aan te geven wat een veilige afstand is.
Er wordt een afstand van 50 meter tussen de percelen, waar fruit/boomteelt mogelijk is, en de beoogde woningen gehanteerd. Klimaatadaptatie en hittebestendigheid: •
De te ontwikkelen woningen moeten voldoen aan de BENG eisen in het in 2021 aangescherpte bouwbesluit, en dus ook aan de TOjuli eis. Belangrijke factor daarin is de zontoetreding en de eventueel aanwezige bomen of aangebrachte zonwering.
Wij adviseren om in uw bestemmingsplan maatregelen, zoals adequate zonwering, als regel te benoemen om overmatige opwarming van de nieuwe woningen te voorkomen en om bij de realisatie van de woningen aandacht te houden voor voldoende ventilatiemogelijkheden. Pagina 46
SPA WNP ingenieurs
22000272
De te ontwikkelen woningen zullen voldoen aan de geldende BENG eisen met betrekking tot o.a. zontoetreding en ventilatie. Beweegvriendelijkheid/groen: •
Om de directe leefomgeving van Appelgaerde voor de toekomstige bewoners beweegvriendelijk en aantrekkelijk te houden, adviseren wij om de te realiseren groene structuur en voorzieningen waar mogelijk nog aantrekkelijker te maken.
Binnen het plan worden aantrekkelijke wandel- en fietspaden gerealiseerd, die aansluiten op bestaande wandel- en fietspaden. Daarnaast worden er (informele) speel- en ontmoetingsplekken gerealiseerd op deze wijze worden activiteiten gestimuleerd.
Pagina 47
SPA WNP ingenieurs
5
JURIDISCHE TOELICHTING
5.1
Algemeen
22000272
Het onderhavige bestemmingsplan Appelgaerde bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch planologisch vertaald in een bestemmingsregeling (regels en verbeelding), die bindend is voor overheid en burgers. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen, betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Als plangrens is gekozen voor een zo goed mogelijke en logische aansluiting op de grenzen van de naastgelegen bestemmingsplannen. Dit betekent dat er ook gronden binnen het plangebied liggen die (nog) eigendom zijn van anderen dan de ontwikkelaar, zoals de gemeente en het waterschap. 5.2
Systematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op het vastgestelde bestemmingsplan ‘Hedel herziening 2018, woningbouw Uithovensestraat’. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht.
5.2.1
Inleidende regels Begrippen In artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken en geen gebouwen zijnde te bepalen, wordt in de wijze van meten (artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
5.2.2
Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde. Het onderhavige bestemmingsplan bevat vier enkelbestemmingen (‘Groen’, ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ en ‘Wonen’) en een dubbelbestemming (‘Waterstaat – Waterlopen’). Bestemmingen zijn in beginsel opgebouwd zoals hieronder uiteengezet.
Pagina 48
SPA WNP ingenieurs
22000272
Bestemmingsomschrijving Deze bevat de omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk, wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling wordt een opsomming gegeven van de bouwregels, waarvan het bevoegd gezag, door het verlenen van een omgevingsvergunning, kan afwijken. Een afwijkingsbevoegdheid wordt alleen opgenomen als dit noodzakelijk wordt geacht in verband met het gewenste ruimtelijke beleid. Dat wil zeggen dat een afwijkingsbevoegdheid alleen in een bestemmingsplan wordt geregeld als de gemeente van beleidsmatige overwegingen een zekere flexibiliteit in het plan wil houden. De bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning dient objectief begrensd te zijn en duidelijke criteria te bevatten. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming.
Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden. Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bouwregels opgenomen over bestaande bouwwerken en ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels In dit artikel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met het plan. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Algemene afwijkingsregels In dit artikel is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te kunnen wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Dit artikel bevat onder andere bevoegdheden af te wijken van het realiseren van mantelzorg, bed & breakfast, een kinderdagverblijf en openbare nutsvoorzieningen. Ook is een algemene afwijkingsbevoegdheid voor kleine afwijkingen (maximaal 10%) opgenomen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheden in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Pagina 49
SPA WNP ingenieurs
22000272
Algemene wijzigingsregels In deze bepaling is allereerst aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen ten behoeve van een beperkte wijziging van de bestemmingsgrenzen. Overige regels In dit artikel zijn parkeernormen opgenomen. Zowel als het gaat om bouwen, als om gebruik, dient voldoende parkeergelegenheid te worden aangelegd en in stand gehouden te worden. Overgangsrecht Dit artikel bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht. Bouwwerken, welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd), mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het bevoegd gezag kan in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Slotregel De slotregel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.3
Toelichting per bestemming Dit bestemmingsplan omvat vier enkelbestemmingen (‘Groen’, ‘Water’, Verkeer – Verblijfsgebied’ en ‘Wonen’) en algemene aanduiding regel vrijwaringszone - watergang. Deze bestemmingen worden hieronder kort toegelicht. Bestemming ‘Groen’ De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bedoeld voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden, kunstwerken, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals voorzieningen voor waterretentie en -infiltratie. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd worden die ten dienste staan van deze bestemming. Het westen van het plangebied krijgt een forse waterbergende functie. Deze is door middel van een specifieke aanduiding ‘waterberging’ op de verbeelding weergegeven. Bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ De toekomstige wegen binnen het plangebied hebben de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ gekregen. Deze gronden zijn onder andere bedoeld voor wegen, fiets- en voetpaden, groen, parkeren, nutsvoorzieningen et cetera. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd worden die ten dienste staan van deze bestemming. Bestemming ‘Water’ Voor het bestaande en het nieuwe water is de bestemming water toegevoegd.
De voor water aangewezen gronden zijn bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen, kunstwerken, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, waaronder begrepen leidingen en bijbehorende voorzieningen, wandel- en onderhoudspaden. Een en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals bermen, paden, beschoeiingen. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd worden die ten dienste staan van deze bestemming.
Pagina 50
SPA WNP ingenieurs
22000272
Bestemming ‘Wonen’ Het artikel 'Wonen' maakt primair het wonen in maximaal 120 woningen mogelijk. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen, parkeervoorzieningen en bij de bestemming horende voorzieningen zoals erven, tuinen, nutsvoorzieningen en overige verhardingen. Er is onderscheid gemaakt tussen wonen-1, wonen-2 en wonen-3, omdat aan wonen-2 een voorwaardelijke verplichting is gekoppeld en bij wonen-3 de goothoogte aan de achterzijde afwijkt. Met betrekking tot het bouwen zijn enkele bouwregels geformuleerd. Hoofdgebouwen mogen enkel gerealiseerd worden binnen de aanduiding bouwvlak. De maximum goothoogte en maximum bouwhoogte van hoofdgebouwen is opgenomen in de verbeelding. Voorts zijn er regels opgenomen ten behoeve van bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Voor de achtergevels van de woningen in de bestemming ‘wonen – 3’ zijn specifieke regels opgenomen wat betreft de maximale goothoogte. Deze zijn middels een bouwaanduiding opgenomen op de verbeelding. Daar waar parkeren op eigen- of mandelig terrein is gesitueerd, is dit toegevoegd aan de woonbestemming.
Pagina 51
SPA WNP ingenieurs
6
22000272
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting, waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1
Economische uitvoerbaarheid
6.1.1
Kostenverhaal Tussen de gemeente Maasdriel en de initiatiefnemer Rubens Ontwikkeling B.V. is een anterieure overeenkomst gesloten. Door het sluiten van deze overeenkomst is het verhaal van kosten op basis van de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening anderszins verzekerd en is het niet noodzakelijk dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt.
6.1.2
Financiële haalbaarheid De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de functiewijziging te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. De haalbaarheid van de gehele grondexploitatie is kostendekkend.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Omgevingsdialoog In de voorbereiding van het plan heeft een bespreking plaatsgevonden met de dorpsraad Rossum. Met de bedrijven rondom het plangebied zijn individuele gesprekken gevoerd. Verder is er een omgevingsdialoog gevoerd, waarvoor alle direct omwonenden zijn uitgenodigd. Aanvullend hierop zijn – indien omwonenden daaraan behoefte hadden - keukentafelgesprekken gevoerd. Rondom de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan wordt een openbare inloopbijeenkomst voor iedereen georganiseerd.
6.2.2
Vooroverleg Waterschap Op 26 september 2022 heeft het Waterschap Rivierenland per e-mail een reactie gestuurd op het voorontwerp bestemmingsplan. Het Waterschap geeft aan nog een aantal opmerkingen te hebben op de watertoets/het bestemmingsplan: • • • • •
De locatie van de peilscheiding tussen de te hanteren peilen is niet duidelijk; Het waterschap wijst op de beschermingszone van 1 meter bij B-watergangen; Een van de nieuwe watergangen grenst aan een zijde van de buren, er wordt gesteld dat het onderhoud privaatrechtelijk wordt geregeld. Dit moet eerst geregeld, anders moet de watergang opgeschoven worden. Uit de afbeelding (8) in de watertoets is niet voldoende duidelijk waar de berekende waterberging wordt gerealiseerd. Er moet aandacht besteed worden aan de vereisten uit de nota “samen door een buis”.
De Watertoets is naar aanleiding van deze opmerkingen aangepast/verduidelijkt en met Waterschap en gemeente besproken. De als bijlage bij het ontwerpbestemmingsplan gevoegde watertoets en de waterparagraaf zijn akkoord bevonden door het Waterschap. Pagina 52
SPA WNP ingenieurs
22000272
De watertoets is naar aanleiding van deze opmerkingen aangepast/verduidelijkt en met Waterschap en gemeente besproken. De als bijlage bij het ontwerpbestemmingsplan gevoegde watertoets en de waterparagraaf zijn akkoord bevonden door het Waterschap, ze hebben op 31 oktober 2023 nog wel een kanttekening geplaatst over het onderhoud van de watergangen in het plangebied. Dit zal in de verdere uitwerking van het planvoornemen meegenomen worden. Ten aanzien van de riolering is in de watertoets de bestaande toestand verduidelijkt, naar aanleiding van de opmerking van het Waterschap dat meer aandacht besteedt moet worden aan “samen door een buis”. De capaciteit en dimensionering van de aan te leggen riolering zal eveneens tijdens de verdere uitwerking van het planvoornemen worden uitgewerkt. Provincie Op 7 oktober 2022 heeft de provincie Gelderland een vooroverleg-reactie gegeven op het voorontwerp bestemmingsplan. De provincie geeft aan dat de provinciale belangen qua wonen op de juiste wijze zijn verwerkt in het plan, maar dat er nog extra aandacht nodig is voor de vereisten ten aanzien van klimaatadaptatie, zoals opgenomen in artikel 2.65b. van de provinciale verordening. Naar aanleiding van deze reactie is de toelichting en de uitgevoerde watertoets aangevuld in paragraaf 4.10 Water en paragraaf 4.14 Klimaat en duurzaamheid.