CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

P02364 Bijlagenboek BG herziening 2023, Schiemerik 1-gecomprimeerd

Gemeenteraad 9 november 2023, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Bestemmingsplan buitengebied herziening 2023, Schiemerik 122.146 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw

schermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of zich

geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogel-

bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de

onder de daken van de gebouwen nesten van de huismus bevinden. Op

soort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale popula-

functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een cate-

basis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij uitvoering van de

ties is dan ook uitgesloten.

gorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de

sloop sprake is van overtreding, en of het treffen van maatregelen en een

plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over vol-

ontheffingsprocedure aan de orde is alvorens er mag worden gesloopt.

5.2

Toetsing

doende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’).

Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het

Zowel het bedrijfsgebouw als de stal bieden geen geschikte invliegopenin-

eventueel verwijderen van het opgaand groen en de stal buiten het broed-

gen naar ruimtes onder het dak, noch in de gevels. Hierdoor kunnen

seizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zul-

broedlocaties van soorten als kerkuil, huismus en gierzwaluw binnen deze

len vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming

Quickscan Flora en Fauna Big Machinery te Velddriel

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis.

10

De te slopen woning en stal bevat geen geschikte rust- en verblijfplaatsen

gebied, betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageerge-

Binnen het plangebied zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn

voor een vleermuizensoort. Bij beide gebouwen ontbreken potentiele ver-

bied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale

aangetroffen. Daarnaast ontbreekt het aan bosschages binnen het plange-

blijfplaatsen zoals open stootvoegen, kierende dakranden en andere ope-

vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het

bied, essentieel als leefgebied voor deze soort. Het plangebied biedt geen

ningen naar ruimtes onder het dak of in de spouw. De westelijke kant van

echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te

geschikt habitat voor soorten als bever en otter, waardoor deze op voor-

het bedrijfsgebouw bevat echter wel geschikte rust- en verblijfplaatsen

dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief

hand uitgesloten kunnen worden. De aanwezigheid van andere strenger

voor een vleermuizensoort, in de vorm van open stootvoegen welke toe-

trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten.

beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de ver-

gang geven tot ruimten in de spouw (zie figuur 10). De aanwezigheid van

Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om

spreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens re-

een rust- of verblijfplaats van een vleermuissoort is niet uit te sluiten. Er is

het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid

delijkerwijs uitgesloten.

geen sprake van potentieel (essentieel) foerageergebied en/of vliegroutes,

krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien

gezien het ontbreken van aspecten als grote hoeveelheden opgaand

noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten

5.3.1

groen, oppervlaktewater en lijnvormige landschapselementen.

het werkgebied.

Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van

Toetsing

niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefge5.2.1

Toetsing

Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plan-

bied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gun-

De woning en stal bevatten geen geschikte doorgangen naar potentiele

gebied ook de niet vrijgestelde soorten wezel, hermelijn, bunzing, steen-

stige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en over-

verblijfplaatsen als open stootvoegen of randen onder de gevelbeplating.

marter, eekhoorn, bever en otter voor. Ondanks de aanwezigheid van

treding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is

Bij de sloop hiervan zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding

groen rondom de tuin en de mogelijke aanwezigheid van muizenholen, be-

het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (inciden-

met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen voor vleermuizen.

treft het hier geen essentieel habitat voor de betreffende kleine marterach-

teel) aanwezige individuen.

Indien de beoogde uitbreiding aan de westelijke kant van het bestaande

tigen. Het plangebied bestaat voornamelijk uit een open grasland zonder

bedrijfsgebouw plaatsvindt bestaat de kans dat er één of meerdere ver-

dekking en twee verharde gedeeltes rondom het bedrijf en de woning.

blijfplaatsen van een vleermuissoort verloren gaan. Verblijfplaatsen van

Geen van de bebouwing bevat geschikte openingen welke kleine marter-

vleermuizen zijn jaarrond beschermd. In dat geval dient middels een ver-

achtigen of steenmarter toegang verschaft tot achterliggende, krappe

volgonderzoek duidelijk te worden of zich in de westelijke muur van het

ruimtes die als nestplaats kunnen dienen. Enkel een gedeelte van de ve-

bedrijfsgebouw verblijfplaatsen van een vleermuissoort bevinden. Op ba-

getatie in de tuin komt tot de grond maar de hoeveelheid is zeer beperkt.

sis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij uitvoering van de uit-

Andere onderdelen binnen het plangebied, zoals lanen, kale bomensin-

bouw sprake is van overtreding, en of het treffen van maatregelen en een

gels of opgesnoeide hagen, zijn tevens niet geschikt. Deze elementen zijn

ontheffingsprocedure aan de orde is alvorens er mag worden gebouwd.

enkel geschikt als leefgebied wanneer ze voldoende omvang hebben, de vegetatie dicht genoeg is en een verbinding vormen met andere gebieden.

5.3

Grondgebonden zoogdieren

Het plangebied vormt matig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als konijn, egel en huisspitsmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen. Door de aanwezigheid van voldoende en kwalitatief hoogwaardiger foerageergebied in de directe omgeving van het plan-

Geen van deze elementen zijn binnen het plangebied aanwezig of van vol-

5.4

Reptielen

Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend van de beschermde soorten. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten. 5.4.1

Toetsing

Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten.

doende omvang om als geschikt beschouwd te worden. Geschikte land-

5.5

schapselementen welke essentieel zijn binnen het leefgebied van kleine

In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als

marterachtigen, zoals groene oevers, takkenrillen en hoge graslandvege-

bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander.

tatie, ontbreken. De sloten rond het plangebied zijn geheel kaal, wat wijst

Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plange-

op periodiek leegscheppen.

bied ook waarnemingen van de niet vrijgestelde poelkikker, heikikker en

Quickscan Flora en Fauna Big Machinery te Velddriel

Amfibieën

11

kamsalamander bekend. Langs de rand van het plangebied zijn enkele

zig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een be-

sloten aanwezig welke ten tijde van het veldbezoek waterhoudend waren.

schermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De

De staat van de sloot was door vervuiling echter vrij slecht, en door de lig-

aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals

ging en directe omgeving zijn zwaarder beschermde soorten hier niet te

vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uit-

verwachten. Daarnaast blijven de sloten in de huidige staat behouden,

gesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen ge-

waardoor een negatief effect op voortplantings-habitat is uitgesloten.

schikt habitat aanwezig.

Landhabitat voor deze soorten is eveneens vrijwel niet aanwezig, omdat het plangebied nagenoeg alleen uit verharding en grasland bestaat, zon-

5.7.1

der elementen als stapels hout of stenen, waardoor de aanwezigheid van

Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde onge-

deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten. Met be-

wervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten

trekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing.

5.8

Toetsing

Vaatplanten

In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van 5.5.1

kluwenklokje. Deze soort stelt echter zeer specifieke eisen aan zijn stand-

Toetsing

De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel ha-

plaats. Gezien het aanwezige biotoop van het plangebied is de aanwezig-

bitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat

heid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten.

van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen.

5.8.1

Toetsing

Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.

5.6

Vissen

Vanwege het ontbreken geschikt van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.6.1

Toetsing

Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.

5.7

Ongewervelde diersoorten

In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van rivierrombout. Deze soort stelt echter zeer specifieke eisen aan zijn habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwe-

Quickscan Flora en Fauna Big Machinery te Velddriel

12

6

Conclusie

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: 

Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van nestlocaties van huismus op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven;

Indien de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing richting de westzijde plaatsvindt is een negatief effect op verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. In dit geval dient een vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven;

Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;

In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

6.1

Vervolgtraject en advies

6.1.1

Soortgericht onderzoek

De sloop van de woning binnen het plangebied kan negatieve gevolgen hebben voor huismus, wat een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming betreft. Daarom zal middels soortgericht vervolgonderzoek eerst inzichtelijk moeten worden of in de huidige situatie nestplaatsen aanwezig zijn van de betreffende soort(groep)en. Een onderzoek naar de huismus begint echter al eerder en loopt van april tot half mei. Bij de daadwerkelijke aanwezigheid van een of meerdere huismusnesten zal door het treffen van maatregelen; zoals het aanbieden van tijdelijke nestkasten, werken buiten de gevoelige periode en het geschikt maken van de nieuwe situatie, de functionaliteit van de nesten behouden moeten blijven en schade aan individuen moeten worden voorkomen. Voor het verwijderen van aanwezige nestplaatsen dient een ontheffing te worden aangevraagd bij de betreffende provincie of omgevingsdienst, in dit geval de provincie Gelderland. Een ontheffingsaanvraag dient te worden onderbouwd met een activiteitenplan waar juridische en ecologische aspecten als de specifieke maatregelen en werkzaamheden, de gunstige staat van instandhouding, het wettelijk belang, een alternatievenafweging en de planning in zijn opgenomen.

Na het verkrijgen van de ontheffing kunnen de werkzaamheden ter plaatse van de aangetroffen verblijfplaats worden uitgevoerd, mits aan alle voorwaarden uit de ontheffing wordt voldaan en de gevoelige periodes worden ontzien. De provincie Gelderland neemt normaliter binnen 13 weken een besluit over de aanvraag. Indien nodig kan dit termijn met 7 weken worden verlengd.

Quickscan Flora en Fauna Big Machinery te Velddriel

13

7

Samenvatting

In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en

Tabel 2: Overzicht effecten met betrekking tot gebiedsbescherming en te nemen vervolgstappen

Gebiedsbescherming

Afstand tot gebied

Sprake van aantasting

Vervolgtraject

Bijzonderheden / opmerkingen

Natura 2000

Ca. 4,9 km

Nee

-

Geen externe verstorende

wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor

factoren

bepaalde soortgroepen te voorkomen. Natuurnetwerk Nederland

Ca. 950 m

Nee

-

Ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk

Houtopstanden

-

Nee

-

Niet van toepassing

Tabel 3: Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen

Soortgroep Broedvogels

Algemeen

Jaarrond be-

Potentieel aanwezig

Sprake van overtreding

Vervolgtraject / maatregelen

Bijzonderheden / opmerkingen

Ja

Te voorkomen

Plangebied buiten broedseizoen bouwrijp

Globale broedseizoen loopt van maart tot

maken of controle vooraf

half augustus

Vervolgonderzoek naar huismus

Bij aanwezigheid is voor de sloop een ont-

Ja

Mogelijk

schermd Vleermuizen

Verblijfplaatsen

heffing nodig Ja

Mogelijk

Mogelijk vervolgonderzoek naar gebruik

Enkel indien richting de westzijde wordt uit-

van bedrijfspand door vleermuizen

gebreid

Foerageerhabitat

Nee

Nee

-

-

Vliegroutes

Nee

Nee

-

-

Grondgebonden zoogdieren

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Heeft betrekking op een soort als de egel

Reptielen

Nee

Nee

-

-

Amfibieën

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Heeft betrekking op een soort als de gewone pad

Vissen

Nee

Nee

-

-

Ongewervelden

Nee

Nee

-

-

Vaatplanten

Nee

Nee

-

-

Quickscan Flora en Fauna Big Machinery te Velddriel

14

8

Geraadpleegde bronnen

Algemene Literatuur  Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.  Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht.  Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.  Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.  SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. Algemene websites  Bij12.nl (kennisdocumenten van o.a.

huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten)  Eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden)  Floron.nl (soortgegevens planten)  Ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen)  Sovon.nl (soortgegevens vogels)  Synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden)  Verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten)  Vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen)  Wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-01-01 (wettekst Wet natuurbescherming)  Zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) Provinciale websites  Gelderland.nl/Kaartenencijfers (NNN en natuurbeheerplan Gelderland)

Quickscan Flora en Fauna Big Machinery te Velddriel

15

Amsterdam Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam +31 (0)20 506 19 99

Boxtel Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel +31 (0)411 850 400

Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen +31 (0)77 373 06 01 info@bro.nl www.bro.nl Quickscan Flora en Fauna Big Machinery te Velddriel

16

Bestemmingsplan Buitengebied herziening 2023, Schiemerik 1

Bijlage 6 Verkennend bodemonderzoek Schiemerik 1 te Velddriel

Status: vastgesteld

52

RAPPORT Verkennend bodemonderzoek Schiemerik 1 te Velddriel

Opdrachtgever BRO Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel Projectnummer Aeres Milieu projectnummer AM19446 Status rapport Definitief

Autorisatie Opsteller rapport:

datum 17 maart 2020

Kwaliteitscontrole:

datum 17 maart 2020

Contactgegevens Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl 2001 + 2002

INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING

2

2. VOORONDERZOEK 3 2.1 Inleiding............................................................................................................................................ 3 2.2 Topografische beschrijving .............................................................................................................. 4 2.3 Historisch overzicht en omgeving .................................................................................................... 4 2.4 Dossieronderzoek ............................................................................................................................ 5 2.5 Bodemopbouw en geo(hydro)logie .................................................................................................. 6 2.6 Beschrijving van de onderzoekslocatie ........................................................................................... 6 2.7 Asbest .............................................................................................................................................. 7 2.8 Bodemkwaliteitskaart gemeente Maasdriel ..................................................................................... 8 2.9 Onderzoekshypothese ..................................................................................................................... 8 3.

ONDERZOEKSSTRATEGIE 9 3.1 Inleiding............................................................................................................................................ 9 3.2 Onderzoeksstrategie locatie agrarisch bouwland ............................................................................ 9 3.3 Onderzoeksstrategie locatie voormalig agrarisch bedrijf ................................................................. 9 4. VELDWERKZAAMHEDEN 10 4.1 Algemeen ....................................................................................................................................... 10 4.2 Grondbemonstering ....................................................................................................................... 10 4.3 Grondwatermonstername .............................................................................................................. 11 5. LABORATORIUMONDERZOEK 12 5.1 Algemeen ....................................................................................................................................... 12 5.2 Grond(meng)monster(s) ................................................................................................................ 12 5.3 Grondwatermonster(s) ...................................................................................................................

14 5.4 Toetsing van de gestelde hypothese ............................................................................................. 15 6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

Bijlagen: 1 2 3 4 5 6 7 8

Topografische en kadastrale overzichtskaart Foto’s onderzoekslocaties Situatietekening onderzoekslocaties met boorpunten Boorprofielen en zintuiglijke waarnemingen Verklaring veldmedewerker Analyseresultaten grond(meng)monster(s) met achtergrond- en interventiewaarden Analyseresultaten grondwatermonster(s) met streef- en interventiewaarden Bodemrapportage Omgevingsdienst Rivierenland

16

Verkennend bodemonderzoek Schiemerik 1 te Velddriel / AM19446

1.

INLEIDING

In opdracht van BRO heeft Aeres Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie : Schiemerik 1 / Provincialeweg 138 te Velddriel Gemeente : Maasdriel Kadastrale registratie : agrarisch bouwland: Maasdriel, sectie M, nummer 2124 (ged.) : voormalig agrarisch bedrijf: Maasdriel sectie M, nummer 1328 en 2124 (ged.) Oppervlakte : agrarisch bouwland: circa 14.822 m2 : voormalig agrarisch bedrijf: circa 6.012 m2 Huidig gebruik van de locatie : grasland en voormalig agrarisch bedrijf Toekomstig gebruik : eigendomsoverdracht Dit bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de NEN5740. Het verkennend bodemonderzoek bestaat uit een vooronderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie en aanvullend hierop een bodemonderzoek op het perceel. Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de voorgenomen eigendomsoverdracht op beide locaties Doel Het doel van het verkennend onderzoek is, middels een steekproef, het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit ter plaatse. Het onderzoek is niet bedoeld om een exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven. Onderzoek Aeres Milieu B.V. heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau.

In hoofdstuk 2 is het vooronderzoek en de daaruit volgende onderzoekshypothese beschreven. Naar aanleiding van de opgestelde hypothese wordt in hoofdstuk 3 de onderzoeksstrategie opgesteld. In hoofdstuk 4 worden de veldwerkzaamheden (grond- en grondwateronderzoek) beschreven. Hoofdstuk 5 beschrijft de laboratoriumwerkzaamheden en de onderzoeksresultaten. Het rapport wordt afgesloten met hoofdstuk 6, waarin de conclusies en enkele aanbevelingen staan beschreven. Bemonstering en laboratoriumonderzoek vonden plaats in februari 2020. De chemische analyses zijn uitgevoerd door Synlab Analytics & Services BV te Rotterdam. Synlab is geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie gestelde criteria voor Testlaboratoria conform ISO/IEC 17025. Alle analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatie Schema 3000 (AS3000). Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform NEN5740 en interpretatie aan de hand van de Leidraad Bodembescherming). Opgemerkt wordt dat bij een verkennend bodemonderzoek sprake is van een steekproefsgewijze bemonstering en het nemen van een beperkt aantal monsters. De mogelijkheid blijft daarom bestaan dat puntverontreinigingen, welke niet voortkomen uit het historisch onderzoek, niet door het onderzoek worden aangetoond.

Daarnaast blijft het mogelijk dat lokale afwijkingen in de samenstelling van het bodemmateriaal voorkomen. Tot slot wordt erop gewezen dat het uitgevoerde bodemonderzoek een momentopname is. Het bovenstaande betekent dat Aeres Milieu op voorhand geen aansprakelijkheid accepteert voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde bodemonderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het historisch onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie. Pagina 2 van 16

Verkennend bodemonderzoek Schiemerik 1 te Velddriel / AM19446

2. VOORONDERZOEK 2.1

Inleiding

Conform het onderzoeksprotocol NEN5725 is ten behoeve van de bepaling van de onderzoeksstrategie op onderhavige locatie een vooronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit vooronderzoek zijn opgenomen in voorliggend hoofdstuk. De in paragraaf 2.1 t/m 2.6 opgenomen informatie is afkomstig van/uit: • Opdrachtgever; • PDOK-viewer; • Omgevingsdienst Rivierenland; • Provincie Gelderland; • Het kadaster; • gemeente Maasdriel; • Topotijdreis.nl; • Terreininspectie. In principe richt het vooronderzoek zich op alle percelen waarop het onderzoek betrekking heeft én de direct hieraan grenzende percelen. Indien een direct aangrenzend perceel smal (< 10 m breed) is, worden ook de percelen hier weer aan grenzend meegenomen. Indien de aangrenzende percelen groot zijn, wordt alleen het gedeelte van deze percelen binnen 25 meter vanaf de grens van de bodemonderzoekslocatie in beschouwing genomen, tenzij er aanleiding bestaat toch het gehele perceel te onderzoeken. Op onderstaande luchtfoto zijn globaal gehele planlocatie en de verdachte deellocatie van het bodemonderzoek weergegeven. Het gehele perceel is rood omlijnd en de verdachte deellocatie (het agrarisch bedrijf) is geel omlijnd.

Voormalig agrarisch bedrijf Agrarisch bouwland

Afbeelding 1: globale begrenzing onderzoekslocatie (bron luchtfoto: PDOK-viewer)

Pagina 3 van 16

Verkennend bodemonderzoek Schiemerik 1 te Velddriel / AM19446

2.2

Topografische beschrijving

De planlocatie ligt aan de Schiemerik 1 / Provincialeweg 138 te Velddriel direct ten oosten van afrit 19 van de A2. Het agrarisch bouwland is kadastraal bekend als gemeente Maasdriel, sectie M, nummer 2124 (ged.). Het voormalig agrarisch bedrijf is kadastraal bekend als gemeente Maasdriel, sectie M, nummer 1328 en 2124 (ged.). De coördinaten volgens het R.D. stelsel zijn X = 148.126 / Y = 418.928. Zie bijlage 1 voor een topografisch overzicht en kadastrale kaart.

2.3

Historisch overzicht en omgeving

Uit kaartmateriaal van de geraadpleegde historische kaarten is af te leiden dat het agrarisch bouwland altijd onbebouwd is geweest. Op de kaart van 1990 is voor het eerst bebouwing te zien ter plaatse van het agrarisch bedrijf (Provincialeweg nr. 138). Volgens het BAG register is deze bebouwing in het begin van de jaren 1980 gevestigd. In de jaren 1970 tot de periode 2000 waren in de omgeving van de onderzoekslocatie boomgaarden aanwezig. Op de verschillende kaarten is waarneembaar dat vanaf 1960 de bebouwing zuiden oostelijk van de onderzoekslocatie toeneemt. Omstreeks 1978 is de A2 zichtbaar en is de zandweg aangepast ten behoeve de toegang tot de boomgaard noordwestelijk van de onderzoekslocatie. Omstreeks 2009 is het afrittencomplex westelijk en de Provinciale weg heraangelegd. Omstreeks 2012 is noordelijk van de onderzoekslocatie een champignonkwekerij gerealiseerd en is de zandweg deels vervallen en deels opgenomen bij het industrieterrein. De genoemde wijzigingen zijn zichtbaar op onderstaande afbeelding 3.

Topografische kaart 2000

Topografische kaart 1990

Topografische kaart 1980

Topografische kaart 1970

Pagina 4 van 16

Verkennend bodemonderzoek Schiemerik 1 te Velddriel / AM19446

Topografische kaart 1960 Topografische kaart 1950 Afbeelding 2: geraadpleegde historische kaarten (bron kaarten: topotijdreis.nl)

Afbeelding 3: Uitsneden luchtfoto’s 2009 en 2012 (Bron: Provincie Gelderland)

2.4

Dossieronderzoek

Op 4 december 2019 is een verzoek voor bodeminformatie ingediend bij de Omgevingsdienst Rivierenland. Op 30 januari 2020 heeft de Omgevingsdienst door middel van een adviesbrief de beschikbare bodeminformatie beschikbaar gesteld aan Aeres Milieu. De adviesbrief is bijgevoegd als bijlage 8. Op en nabij de locatie zijn geen bodemonderzoeken bekend binnen het Bodeminformatiesysteem van Omgevingsdienst Rivierenland. Het plangebied ligt niet binnen de nu bekende PFOA contour van Chemours. Voor zover bekend zijn er geen verdachte puntbronnen op of nabij de locatie aanwezig (geweest). Wel is het vermoeden dat binnen het Rivierengebied de bodem diffuus belast is met PFAS-verbindingen. De bodemkwaliteitskaart is hier nog niet op aangevuld. Er zijn geen meldingen over toepassingen van grond/baggerslib op het perceel. Op basis van topotijdreis lijkt er in het verleden een weg aanwezig te zijn geweest op de locatie. Deze zijn in het verleden verwijderd of aangevuld met grond van onbekende kwaliteit. Op basis van de geraadpleegde luchtfoto’s zijn geen bijzonderheden te vermelden. De locatie staat niet aangemerkt als voormalige boomgaard/kas.

Pagina 5 van 16

Verkennend bodemonderzoek Schiemerik 1 te Velddriel / AM19446

Op 5 maart 2020 is een bezoek gebracht aan het regionaal archief Rivierenland voor het inzien van historische informatie. Tijdens dit bezoek zijn de volgende dossiers geraadpleegd: Voor de onderzoekslocatie zijn de in onderstaande tabel weergegeven bouwvergunningen verleend. Dossiernummer 3207/10525 3207/10530

Datum 30-06-1980 25-10-1982

3207/10531

20-05-1986

Aard bouwvergunning Bouw 2e bedrijfswoning Bouw bedrijfsruimte

Uitbreiding pluimveestal en opslag mestopslag westelijk Tabel 2.1: Overzicht verleende bouwvergunningen

Opmerkingen Betreft woning Provincialeweg 138 nabij kippenschuur Bedrijfsruimte tussen stal en woning, asbesthoudende golfplatendakbedekking asbesthoudende golfplatendakbedekking

Voor de locatie is de in onderstaande tabel weergegeven milieuvergunning verleend. Dossiernummer 13541

Datum 25-10-1986

Vergunning Oprichten pluimveehouderij (legbatterij) Provincialeweg 138 Tabel 2.2: Overzicht verleende milieuvergunningen

Opmerkingen Geen bijzonderheden

In de directe omgeving is het in onderstaande tabel weergegeven bodemonderzoek uitgevoerd. Rapport 3207/15041

Samenvatting resultaten Bodemonderzoek door Verhoeven Milieutechniek d.d. 14 maart 1995 ten behoeve uitbreiding opslagloods fruitteelt van Kessel oostelijk van de onderzoekslocatie (Provincialeweg 143). Hierbij zijn in de bodem geen verhoogde gehaltes in de bodem of het grondwater aangetoond. Tabel 2.3: Overzicht uitgevoerde bodemonderzoeken

Op de Provincialeweg 138 heeft in het verleden een ondergrondse opslag van oliehoudende producten plaatsgevonden. Deze ondergrondse 3.000 liter HBO-tank is omstreeks 16 november 1998 gesaneerd door Isotank (gereinigd en afgevuld). Bij het zintuiglijk bodemonderzoek is geen verontreiniging geconstateerd. De precieze ligging van deze tank is niet nader bekend. Op de locatie zijn niet eerder bodemonderzoeken uitgevoerd. Voor zover bekend hebben er op de locatie geen ophogingen, opvullingen of dempingen plaatsgevonden. 2.5

Bodemopbouw en geo(hydro)logie

De bodem bestaat ter plaatse uit een kalkhoudende poldervaaggrond met een bovengrond van zware zavel en lichte klei. De bodemopbouw van de onderzoekslocatie wordt schematisch weergegeven in tabel 2.4. Diepte [m-mv] 0-4

Lithostratigrafie Holecene afzettingen

Lithologie Complexe eenheid, bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand 4 – 18,5 Formatie van Kreftenheye Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen 18,5 – 28,5 Formatie van Beegden Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken Tabel 2.4: Geo(hydro)logische indeling (bron: Dinoloket, identificatie: B45A0072)

De stroming van het freatisch grondwater is globaal westelijk gericht en bevindt zich op een hoogte van circa 1-2 m+ NAP wat overeenkomt met circa 0,5-1,5 m-mv. De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied.

2.6

Beschrijving van de onderzoekslocatie

Op 5 februari 2020 is een veldinspectie uitgevoerd. Hierbij is gelet op het terreingebruik en de aanwezigheid van ondergrondse tanks, stookplaatsen, (half)verhardingslagen, ophogingen, storthopen, dempingen, afgravingen en asbestverdacht materiaal op het terrein.

Pagina 6 van 16

Verkennend bodemonderzoek Schiemerik 1 te Velddriel / AM19446

Agrarisch bouwland De onderzoekslocatie bestaat uit agrarisch bouwland welke ingezaaid is met gras. Oostelijk nabij de Provinciale weg is recent groen verwijderd en zijn enkele baksteen- en puinresten op het maaiveld waargenomen. De onderzoekslocatie wordt aan de noordzijde begrensd door bedrijfsperceel van Hooymans Mushrooms en het voormalig agrarisch bedrijf (Provincialeweg 138), aan de oostzijde door de Provinciale weg, aan de zuidzijde door het bedrijfsperceel van BIG Machinery B.V. en aan de oostzijde door een watergang en de op- en afrit 19 aan de A2. Tijdens de veldinspectie is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Voormalig agrarisch bedrijf Op de onderzoekslocatie staat centraal een pluimveestal met asbestverdachte dakbedekking. Oostelijk voor de loods is het terrein verhard met asfalt. Zuidelijk van de pluimveestal staat een woning met tussenin een klinkerverharding. Noord- en westelijk van de stal is een verhardingslaag van ca. 50 cm dik met tegels, puin, volledige bakstenen en gebroken asfalt aangetroffen. Westelijk van de woning staat een garage met asbestverdachte dakbedekking en een achtergelegen tuinhuisje. Westelijk op de onderzoekslocatie staan vrachtwagens opgesteld.

De onderzoekslocatie wordt aan de noordzijde begrensd door Hooymans Muschrooms BV, aan de oostzijde door de Provinciale weg, aan de zuid en westzijde door het agrarisch bouwland. Zuidelijk van de stal is recent het groen verwijdert. Ter plaatse zijn tussen de baksteen- en puinresten op het maaiveld visueel diverse stukken asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen.

Afbeelding 3: Foto’s veldinspectie achterzijde stal en detail ophoogmateriaal noordelijk nabij de perceelsgrens (zie locatietekening in bijlage 3)

Verder zijn er geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of bronnen van verontreinigingen. Een fotoreportage van de onderzoekslocatie is opgenomen in bijlage 2.

2.7

Asbest

Uit het dossieronderzoek en de uitgevoerde terreininspectie is voor het agrarisch bouwland geen informatie naar voren gekomen dat ter plaatse asbestverdachte activiteiten hebben plaatsgevonden. Ter plaatse van het voormalig agrarisch bedrijf is er volgens de asbestkansenkaart van de provincie Gelderland een grote kans op de aanwezigheid van asbest op of in de bodem. Uit het dossieronderzoek en de veldinspectie blijkt dat de pluimveestal en garage uit een asbesthoudende golfplatendakbedekking bestaat. Tevens zijn er aan de zuidzijde van de stal op het maaiveld visueel enkele stukken asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen.

Pagina 7 van 16

Verkennend bodemonderzoek Schiemerik 1 te Velddriel / AM19446

Afbeelding 4: Uitsnede asbestkansenkaart (bron: provincie Gelderland)

2.8

Bodemkwaliteitskaart gemeente Maasdriel

Uit de bodemkwaliteitskaart van de regio Rivierenland (Lievense CSO; 16M1223.RAP001 d.d. juli 2019) is af te leiden dat de onderzoekslocatie in de zone ‘Overig ligt. Zuidelijk is ingedeeld als ‘Industrie’. Noordwestelijk is in het verleden een boomgaard aanwezig geweest. Voor het plangebied geldt voor de bovengrond en ondergrond de ontgravingsklasse ‘AW’. Zuidelijk is door het akkerland een klasse ‘Industrie’ opgenomen. Uit de historische informatie blijkt dat ter plaatse in de periode 1978-2010 een zandweg aanwezig is geweest als toegang tot de voormalige noordwestelijk gelegen boomgaard. Oude wegbermen zijn afhankelijk van het gebruik verdacht op het voorkomen van verontreiniging in de bovengrond.

Afbeelding 5: Uitsnede bodemkwaliteitskaart met aanduiding plangebied (bron: omgevingsdienst Rivierenland)

2.9

Onderzoekshypothese

Agrarisch bouwland Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is het agrarisch bouwland als “onverdacht” beschouwd. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht (onverdacht). Voormalig agrarisch bedrijf Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is het voormalig agrarisch bedrijf als “verdacht” beschouwd. Ter plaatse van de onderzoekslocatie worden verhoogde gehalten met o.a. zware metalen in de bodem verwacht (erfverharding). Volgens het vooronderzoek en de veldinspectie is er een grote kans op het aantreffen van asbest op of in de bodem. De locatie wordt als verdacht beschouwd op het voorkomen van asbest in de bodem. Op verzoek van de opdrachtgever is vooralsnog geen verkennend asbest in bodem onderzoek uitgevoerd.

Pagina 8 van 16

Verkennend bodemonderzoek Schiemerik 1 te Velddriel / AM19446

3. ONDERZOEKSSTRATEGIE 3.1

Inleiding

Op basis van de verzamelde informatie uit het vooronderzoek (NEN5725) en de gestelde onderzoekshypothese(n) voor de onderzoekslocatie, is een onderzoeksstrategie opgesteld conform de richtlijnen van de onderzoeksnorm NEN5740 (Bodem-Landbodem; Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond) van het Nederlands Normalisatie-Instituut. 3.2

Onderzoeksstrategie locatie agrarisch bouwland

In principe worden boringen willekeurig verspreid over de gehele onderzoekslocatie. Voor het vaststellen van de milieuhygiënische conditie van de bodem (grond en grondwater) van de onderzoekslocatie zal volgens onderstaande strategie veldwerk en monstername voor laboratoriumanalyse plaatsvinden. ONDERZOEKSNORM NEN 5740 'onverdacht' Aantal boringen

Aantal te onderzoeken (meng)monsters

Aantal te nemen monsters

oppervlakte (m²)

tot 0,5 m

èn tot 2m

èn met peilbuis

14.822

17

4

3

grondwater

grond 0-0,5 m

0,5-2,0 m

24

21

1

3

Analysepakket

bovengrond

ondergrond

grondwater

2 NEN-grond incl. lutos

2 NEN-grond incl. lutos

3 NENgrondwater

Tabel 3.1: Veldwerk, monstername en analysestrategie volgens NEN 5740 “onverdacht” 1) Uit elke boring van 0,5 tot 2,0 diepte worden drie monsters in trajecten van ten hoogste 0,5 m genomen.

3.3

Onderzoeksstrategie locatie voormalig agrarisch bedrijf

In principe worden boringen willekeurig verspreid over de gehele onderzoekslocatie. Voor het vaststellen van de milieu hygiënische conditie van de bodem (grond en grondwater) van de onderzoekslocatie zal volgens onderstaande strategie veldwerk en monstername voor laboratoriumanalyse plaatsvinden. ONDERZOEKSNORM NEN 5740 ‘VED-HE’ Aantal te analyseren (meng)monsters

Aantal boringen Oppervlakte locatie (m2) 6.012

boring tot 0,5 m in de verdachte laag 15

boring tot de onderzijde van de verdachte laag met een maximum van 2 m 3

èn boring met peilbuis1, 2)

grond (verdachte laag)

grondwater

1

2 + 2 ondergrond

1

Tabel 3.2: Veldwerk, monstername en analysestrategie volgens NEN 5740 “onverdacht, VED-HE” 1) Uit elke boring van 0,5 tot 2,0 diepte worden drie monsters in trajecten van ten hoogste 0,5 m genomen.

Legenda bij tabel 3.1 en 3.2 m: meter beneden maaiveld lutos: lutum en organische stofgehalte De grond(meng)monsters worden onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: • drogestof-bepaling • 9 zware metalen • 10 polycyclische aromatische koolwaterstoffen • 7 Polychloorbifenylen (PCB) • minerale olie Tevens bepaalt het laboratorium het gehalte aan organische stof en lutumgehalte voor het vaststellen van een toetsingskader voor de lokale bodemkwaliteit. Het grondwater wordt onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: • 9 zware metalen • 8 vluchtige aromatische koolwaterstoffen (incl. naftaleen) • 21 vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen • minerale olie

Pagina 9 van 16

Verkennend bodemonderzoek Schiemerik 1 te Velddriel / AM19446

4. VELDWERKZAAMHEDEN 4.1

Algemeen

Conform de onderzoeksstrategie, zoals beschreven in hoofdstuk 3, is op de onderzoekslocatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Voor het traceren van de kabels en leidingen is voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden een KLIC melding verricht.

4.2

Grondbemonstering

Op 5 en 6 februari 2020 zijn de boringen geplaatst door de heer H. van den Tillaar, erkend monsternemer in het kader van de BRL SIKB 2000 voor de protocollen 2001, 2002 en 2018. De boringen zijn verricht met behulp van de Edelmanboor ( 7 of 10 cm). Voor het uitvoeren van een (freatisch) grondwater onderzoek zijn op beide locaties boringen afgewerkt met een peilbuis. De boorlocaties zijn opgenomen in de situatietekening in bijlage 3. Deze peilbuizen zijn ter plaatse van boorpunten 1, 2, 3 en 25 geplaatst. De bovenkant van het peilbuisfilters is onder de aangetroffen grondwaterstand geplaatst. Tijdens de installatie van de peilbuizen is geen werkwater gebruikt. Het opgeboorde bodemmateriaal is volgens de classificatienorm voor onverharde bodems (NEN5104) beoordeeld. Daarnaast is vastgesteld in hoeverre het opgeboorde materiaal mogelijke aanwijzingen biedt voor de aanwezigheid van visueel zichtbare verontreiniging. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de bodemopbouw heeft laagsgewijze bemonstering plaatsgevonden. De uitkomende grond en alle zintuiglijk waargenomen bijzonderheden zijn per boring beschreven in de profielbeschrijvingen (zie bijlage 4). Op het agrarisch bouwland zijn zintuiglijk geen bijzonderheden geconstateerd. In onderstaande tabel zijn de boringen beschreven waarin zintuiglijk afwijkingen zijn geconstateerd op het voormalig agrarisch bedrijf.

Boring Dieptetraject [m-mv.] Locatie voormalig agrarisch bedrijf 26 0 – 0,2 0,2 – 0,5 27 0 – 0,4 0,25 – 0,75 0 – 0,6 0 – 0,25 0,25 – 0,40 31 0 – 0,5 32 0 – 0,3 33 0 – 0,3 0,3 – 0,5 34 0 – 0,10 0,1 – 0,3 35 0,14 – 0,30 0,3 – 0,8 Tabel 4.1: Overzicht zintuiglijke afwijkingen 28 28a 29

Zintuiglijke waarneming Puinlaag; sterk baksteen, beton en puinbrokken, matig zandhoudend sporen baksteen Puinlaag; matig baksteenhoudend, sterk betonhoudend en uiterst asfalthoudend, boring gestaakt op verharding Baksteen- en betongranulaat onder asfaltverharding, boring gestaakt sporen baksteen en sporen beton Puinlaag, matig baksteenhoudend zwak baksteenhoudend sporen baksteen en sporen puin Puinlaag, sterk asfalthoudend, zwak baksteenhoudend en matig betonhoudend Ophooglaag; gemalen asfalt en zwak baksteenhoudend zwak baksteenhoudend en sporen puin zwak asfalthoudend, sporen puin sporen puin Puinlaag; sterk puinhoudend, sterk baksteenhoudend en matig zandhoudend Ophooglaag; sterk baksteenhoudend, matig betonhoudend en matig zandhoudend

In het kader van dit onderzoek is geen asbest in bodem onderzoek conform de NEN5707 verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden. Hierbij zijn op het maaiveld zuidelijk van de stal enkele asbestverdachte materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie.

Pagina 10 van 16

Verkennend bodemonderzoek Schiemerik 1 te Velddriel / AM19446

4.3

Grondwatermonstername

De peilbuizen zijn een week na plaatsing op 14 februari 2020 bemonsterd conform protocol 2002 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. De bemonstering is uitgevoerd door erkend veldwerker van Aeres Milieu, de heer L. Koomen. Voorafgaand aan de bemonstering is de grondwaterstand opgenomen en zijn de zuurgraad (pH) en het elektrische-geleidingsvermogen (Ec) van het grondwater bepaald. Deze waarden waren constant bij monstername. De geleidbaarheid is gecorrigeerd voor de grondwatertemperatuur. De geleiding is een maat voor de concentratie aan opgeloste stoffen in het water, terwijl de pH de zuurgraad van het water aangeeft (pH<7: zuur, pH = 7: neutraal, pH>7: basisch). De grondwatermonsters zijn in het veld, voor zover noodzakelijk gefiltreerd en geconserveerd. De in het veld gemeten parameters zijn in onderstaande tabel samengevat. Peilbuisnummer Pb 1 Pb 2 filterstelling [m-mv] 2,25 – 3,25 2,30 – 3,30 grondwaterpeil [m-mv] 0,80 0,80 toestroming slecht slecht zuurgraad [pH] 7,61 7,46 elektrisch geleidingsvermogen 556 551 [µS/cm] troebelheid [NTU] 644 (troebel) 82,3 (helder) drijflaag geen geen geur geen geen waargenomen afwijkingen geen geen Tabel 4.2: Resultaten veldmetingen tijdens grondwatermonstername

Pb 3 2,20 – 3,20 0,85 slecht 7,30 531

Pb 25 2,60 – 3,60 1,20 slecht 7,12 455

169 (matig troebel) geen geen geen

135 (matig troebel) geen geen geen

De meetresultaten wijken niet af van natuurlijk of regionaal voorkomende waarden. In het grondwater uit alle peilbuizen is sprake van een verhoogde troebelheid (>10 NTU). Een verhoogde troebelheid kan in sommige gevallen leiden tot een overschatting van de gehalten aan organische parameters in het grondwater. Bij het voorliggende onderzoek is de index van geen enkele organische parameter groter dan 0,5. De eventuele overschatting van de gehalten als gevolg van een verhoogde troebelheid heeft geen gevolgen voor de interpretatie van de onderzoeksgegevens en de conclusies van dit rapport. Aanvullend onderzoek naar de verhoogde troebelheid is daarom niet uitgevoerd. De overige waarden geven geen aanleiding tot opmerkingen.

Pagina 11 van 16

Verkennend bodemonderzoek Schiemerik 1 te Velddriel / AM19446

5. LABORATORIUMONDERZOEK 5.1

Algemeen

De analyses zijn uitgevoerd door het onderzoekslaboratorium van Synlab Analytics en Services te Rotterdam. Synlab is geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie gestelde criteria voor Testlaboratoria conform ISO/IEC 17025, waar verdere conservering en (voor)behandeling van de monsters plaats heeft gevonden.

5.2

Grond(meng)monster(s)

In het laboratorium zijn voor het chemisch onderzoek van de grondmonsters uit de boven- en ondergrond al dan niet mengmonsters samengesteld volgens onderstaande tabel. Omdat de aangebrachte puinlaag als erfverharding op het voormalig agrarisch bedrijf niet als grond beschouwd is, is deze laag niet meegenomen bij de uitgevoerde analyses. De keuze voor het samenstellen van deelmonsters tot een mengmonster of het analyseren van individuele grondmonsters is gebaseerd op de zintuiglijke waarnemingen in het veld en op de onderzoeksstrategie. (Meng)monsternummer

Grondmonster(s) 1)

Bodemlaag [m-mv]

Zintuiglijke waarnemingen

0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 1,5 – 2,0 1,0 – 1,5 1,5 – 2,0 0,5 – 1,0 0,5 – 1,0 1,0 – 1,5 1,0 – 1,5 1,5 – 2,0 1,5 – 2,0 1,0 – 1,5 1,5 – 2,0

geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen

0,2 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0,3 – 0,6 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5

sporen baksteen sporen baksteen en sporen puin sporen baksteen en sporen beton zwak baksteenhoudend en sporen puin geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen

Agrarisch bouwland – onverdachte strategie MM1

MM2

MM3

MM4

04-1 05-1 06-1 08-1 09-1 10-1 11-1 12-1 13-1 14-1 02-1 07-1 16-1 17-1 18-1 20-1 21-1 22-1 23-1 24-1 01-4 04-3 04-4 05-2 06-2 06-3 02-3 02-4 03-4 07-3 07-4

Voormalig agrarisch bedrijf – verdachte strategie MM5 MM6 MM7

26-1 31-1 28A-1 33-1 25-1 39-1 40-1 42-1

Pagina 12 van 16

Verkennend bodemonderzoek Schiemerik 1 te Velddriel / AM19446

(Meng)monsternummer

Grondmonster(s) 1)

MM8

26-2 26-4 31-2 33-2 MM9 25-2 25-4 35-2 42-2 Tabel 5.1: schema grond(meng)monsters

Bodemlaag [m-mv] 0,5 – 1,0 1,5 – 2,0 0,5 – 1,0 0,6 – 1,0 0,6 – 1,1 1,5 – 2,0 1,0 – 1,5 0,5 – 1,0

Zintuiglijke waarnemingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen geen bijzonderheden / bijmengingen

1) Het eerste cijfer geeft het boorpunt aan, het tweede cijfer het monsternametraject (zie bijlage 3).

De analyseresultaten van de grond(meng)monsters worden in de volgende tabel samengevat, waarbij door middel van onderstaande sterrencodering de mate van verontreiniging is aangegeven. * ** ***

Het gehalte is groter dan de achtergrondwaarde en kleiner dan of gelijk aan de het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde; het gehalte is groter dan het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde; het gehalte is groter dan de interventiewaarde.

In de Regeling bodemkwaliteit (RBK) is vastgelegd dat de toetsing moet plaatsvinden door het gevonden gehalte in een monster eerst te corrigeren met het lutum en organisch stof gehalte (=berekende concentratie) en vervolgens te vergelijken met de grenswaarden van de Regeling Bodemkwaliteit. In de kolommen zijn alleen die stoffen vermeld waarvan de analyseresultaten na toetsing hoger zijn dan de bijbehorende achtergrondwaarde voor duurzame bodemkwaliteit. Zie bijlage 6 voor het analyserapport en de toetsing. (Meng)monsternummer

Bodemlaag [m-mv]

Agrarisch bouwland – onverdachte strategie MM1 0 – 0,5 MM2 0 – 0,5

Zintuiglijke waarnemingen

Verhoogde component

Berekende concentratie [mg/kg d.s.] en toetsing

geen bijmengingen geen bijmengingen

-kobalt nikkel zink kobalt nikkel --

-21,7 57,5 142 15,4 44,3 --

-* * * * * --

molybdeen nikkel cadmium molybdeen nikkel zink minerale olie -kobalt nikkel PAK (10 VROM)

2,5 47,5 0,652 2,6 48,8 154 222 -16,6 46,7 1,76

* * * * * * * -* * *

MM3

0,5 – 2,0

geen bijmengingen

MM4

1,0 – 2,0

geen bijmengingen

Voormalig agrarisch bedrijf – verdachte strategie MM5

0 – 0,5

bijmengingen met baksteen en puin

MM6

0 – 0,6

bijmengingen met baksteen en puin en beton

MM7 MM8

0 – 0,5 0,5 – 2,0

geen bijmengingen geen bijmengingen

MM9 0,5 – 2,0 geen bijmengingen Tabel 5.2: Toetsingsresultaten van de grond(meng)monsters

Agrarisch bouwland Uit de analyseresultaten blijkt dat grondmengmonster MM2 (traject 0 – 0,5 m-mv.) licht verhoogd is met kobalt, nikkel en zink. Grondmengmonster MM3 (traject 0,5 – 2,0 m-mv.) is licht verhoogd met kobalt en nikkel. In grondmengmonster MM1 (0-0,5 m-mv.) en MM4 (1,0-2,0 m-mv.) zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten. Voormalig agrarisch bedrijf Uit de analyseresultaten blijkt dat grondmengmonster MM5 (traject 0 – 0,5 m -mv.) licht verhoogd is met molybdeen en nikkel. Grondmengmonster MM6 (traject 0 – 0,6 m -mv.) is licht verhoogd met cadmium, nikkel, molybdeen, zink en minerale olie.

Pagina 13 van 16

Verkennend bodemonderzoek Schiemerik 1 te Velddriel / AM19446

Grondmengmonster MM8 (traject 0,5 – 2,0 m -mv.) is licht verhoogd met kobalt en nikkel. Grondmengmonster MM9 (traject 0,5 -2,0 m-mv.) is licht verhoogd met PAK. In bovengrondmengmonster MM7 (traject 0 – 0,5 mmv.) zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten. Algemeen Zware metalen, bezitten een geringe mobiliteit in de bodem en hechten zich met name aan slib- en kleideeltjes. Zware metalen komen van nature in bepaalde concentraties in de bodem voor. Deze concentraties kunnen verhoogd voorkomen in het stedelijk milieu. De afgifte vindt onder andere plaats door dakpannen, dakgoten, kabels en leidingen, verkeer en afval. Ook depositie van zware metalen op de bodem door industriële activiteiten is een mogelijke oorzaak van verhoogde concentraties. Tot de bedrijfsactiviteiten die verontreiniging van de bodem met zware metalen kunnen veroorzaken worden onder andere gerekend galvanische bedrijven, grafische industrie, sloperijen en metaalbewerkende industrie. De afkorting PAK staat voor Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen. Het gaat hierbij om een verbindingsklasse van meer dan 200 stoffen, die bestaan uit twee of meer aan elkaar verbonden benzeenringen. Ze ontstaan met name bij verbrandingsprocessen, en kunnen dus zowel een synthetische als een natuurlijke oorsprong hebben. PAK’s ontstaan o.a.

door onvolledige verbranding van minerale olie zoals die ook in het verkeer plaatsvindt. Ze worden tevens gevormd bij het proces van droge destillatie van steenkool, zoals die bij gas- en cokesfabrieken werd toegepast. Daarnaast kunnen ze worden aangetroffen bij de vervaardiging en verwerking van rubber, kunststoffen, verf, lakken, minerale olie en teerproducten. In de chemische grondstoffenindustrie dienen ze als tussenproducten bij verschillende syntheses, bijvoorbeeld van verfstoffen en farmaceutica. De belangrijkste PAK-verbindingen in steenkoolteer zijn naftaleen, chryseen, fenanthreen en fluorantheen. Alle zijn praktisch onoplosbaar in water, niet vluchtig en persistent (niet afbreekbaar).

5.3

Grondwatermonster(s)

De analyseresultaten van de grondwatermonsters worden in de volgende tabel samengevat, waarbij door middel van onderstaande sterrencodering de mate van verontreiniging is aangegeven. * ** ***

Het gehalte is groter dan of gelijk aan de streefwaarde (of de detectiegrens, indien deze hoger is) en kleiner dan of gelijk aan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde; het gehalte is groter dan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde; het gehalte is groter dan de interventiewaarde.

In de kolommen zijn alleen die stoffen vermeld waarvan de analyseresultaten na toetsing hoger zijn dan de bijbehorende streefwaarde voor duurzame bodemkwaliteit. Zie bijlage 7 voor het analyserapport. Peilbuis

Filtertraject [m-mv]

Grondwaterstand [m-mv]

Verhoogde component

Gemeten concentratie [µg/l] en toetsing

barium

130

*

xylenen naftaleen

0,29 0,03

* *

barium

150

*

kwik

0,07

*

barium

120

*

xylenen

0,31

*

naftaleen

0,02

*

barium

280

*

naftaleen

0,02

*

Agrarisch bouwland – onverdachte strategie 1

2 3

2,25 – 3,25

2,30 – 3,30 2,20 – 3,20

0,80

0,80 0,85

Voormalig agrarisch bedrijf – verdachte strategie 25

2,60 – 3,60

1,20

Tabel 5.3: Toetsingsresultaten van de grondwatermonsters

Pagina 14 van 16

Verkennend bodemonderzoek Schiemerik 1 te Velddriel / AM19446

Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater afkomstig uit peilbuizen 1 en 3 licht verhoogd is met barium, xylenen en naftaleen. Het grondwater uit peilbuis 2 is licht verhoogd met barium en kwik. Het grondwater afkomstig uit peilbuis 25 is licht verhoogd met barium en naftaleen. Algemeen De licht verhoogde gehaltes aan barium en kwik worden waarschijnlijk van buiten de locatie aangevoerd, aangezien in de ondergrond geen verhoogde gehalten zijn aangetoond. Verhoogde gehalten aan barium zijn vaak van natuurlijke oorsprong. De licht verhoogden gehalten aan naftaleen en xylenen zijn op basis van de resultaten van het vooronderzoek en de veldwerkzaamheden niet te verklaren. Op de locatie zijn geen verontreinigingsbronnen aan te wijzen die in relatie zouden kunnen staan met de licht verhoogd aangetroffen gehalten.

5.4

Toetsing van de gestelde hypothese

Geconcludeerd kan worden dat de berekende concentraties in de grond ter plaatse van het agrarisch bouwland in tegenspraak zijn met de vooraf geformuleerde hypothese dat de locatie als onverdacht beschouwd kan worden. De berekende concentraties in de grond ter plaatse van het voormalig agrarisch bedrijf zijn in overeenstemming met de vooraf geformuleerde hypothese dat de locatie als heterogeen verdacht beschouwd kan worden. De gemeten concentraties liggen ruim beneden de tussenwaarde (= het gemiddelde van de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden voor grond). Geconcludeerd kan worden dat de gemeten concentraties in het grondwater ter plaatse van het agrarisch bouwland in tegenspraak zijn met de vooraf opgestelde hypothese dat de locatie onverdacht is. Ter plaatse van de verdachte deellocatie zijn vergelijkbare lichte verhogingen aangetoond. Het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek is gelet op de aangetroffen componenten en gemeten concentraties niet noodzakelijk geacht.

Pagina 15 van 16

Verkennend bodemonderzoek Schiemerik 1 te Velddriel / AM19446

6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Bij de veldwerkzaamheden zijn ter plaatse van het voormalig agrarisch bedrijf visueel diverse bijzonderheden waargenomen. Het maaiveld is rondom de opstallen in het verleden ca. 0,5 meter opgehoogd met een puinen/of asfaltgranulaat. Het voorterrein oostelijk nabij de Provincialeweg is verhard met asfalt. Zuidelijk van de stal zijn enkele stukken asbestverdacht plaatmateriaal op het maaiveld aangetroffen. Ter plaatse van het bouwland zijn geen bijzonderheden waargenomen. Agrarisch bouwland Uit de analyseresultaten blijkt dat het oostelijke bovengrondmengmonster licht verhoogd is met kobalt, nikkel en zink. In het westelijke ondergrondmengmonster is een lichte verhoging met kobalt en nikkel aangetoond. In de andere boven- en ondergrondmonsters zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium en plaatselijk licht verhoogd met xylenen, naftaleen of kwik. Voormalig agrarisch bedrijf De ophooglaag is niet onderzocht. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrondmengmonsters met een visuele baksteen- en puinbijmenging licht verhoogd zijn met molybdeen, nikkel en plaatselijk met cadmium, zink en minerale olie. In het visuele schone bovengrondmengmonster rondom de woning zijn geen verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten.

In de ondergrond is plaatselijk een lichte verhoging met kobalt en nikkel of PAK aangetoond. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium en naftaleen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen aankoop en bestemmingswijziging tot industrieterrein. De aangetroffen lichte verontreinigingen in de grond kunnen wel bij grondafvoer beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond omdat dan veelal andere normen gelden. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Ter plaatse is geen asbest in bodem onderzoek conform de NEN5707 verricht. Wel heeft een visuele inspectie van het terrein plaatsgevonden. Hierbij zijn op het maaiveld zuidelijk van de stal enkele stukken asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie.

Geadviseerd wordt om eerst de bestaande asbesthoudende dakbedekking conform de geldende regelgeving te saneren alvorens een verkennend asbest in bodem onderzoek uit te voeren.

Pagina 16 van 16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13228079/1