CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

OVERZICHT WAS - WORDT (APV 2021-1)

Gemeenteraad 14 oktober 2021, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Actualisatie Algemene Plaatselijke Verordening Maasdriel8.458 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage I

Was-wordt-tabel APV Maasdriel 2021-1 Leeswijzer Blauwe tekst = toevoeging aangegeven in nieuwe tekst Rode tekst = verwijderde tekst in bestaande tekst Groene tekst = korte uitleg wijziging

Toelichting Tekstuele wijzigingen zijn in de tabel hieronder niet weergegeven, omdat deze geen invloed hebben op de inhoud van de APV. Het betreft.:  term Begripsbepalingen wordt Definities;  term indien wordt als of voor zover;  toevoeging tekst: op de aanvraag om een ontheffing, vergunning of vrijstelling. Dit zijn redactionele verbeteringen vanuit VNG modelverordening.

Toelichting i.v.m. de wijziging van de Drank- en Horecawet in Alcoholwet Op 1 juli 2021 is de nieuwe Alcoholwet in werking getreden. Wijzigen in de APV betreft de citeertitel in artikel 49 van de wet. Daar waar in de APV sprake is van de aanduiding Drank- en Horecawet is deze gewijzigd in Alcoholwet. (artikelen 2:24 lid d, 2:25 lid 9a+b, 2:29 lid 8, titel Afdeling 8a, 2:48 lid 2a+b, 3:5 lid 2c). Deze tekstuele wijzigingen zijn in de tabel hieronder niet weergegeven, omdat deze geen invloed hebben op de inhoud van de APV. Dit zijn redactionele verbeteringen vanuit VNG modelverordening. Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; c. bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening daaronder wordt verstaan; d. college: het college van burgemeester en wethouders; e. gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet daaronder wordt verstaan; f. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; g. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; h. openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; i. rechthebbende: degene die over een zaak

Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; c. bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening daaronder wordt verstaan; d. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; e. college: het college van burgemeester en wethouders; f. gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet daaronder wordt verstaan; g. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; h. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; i. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

Bijlage I

j.

zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan.

j.

openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties ; k. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; l. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; m. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; n. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994. Toevoegingen van enkele definities volgens de VNG Model APV. Hierdoor komen de begripsbepalingen in artikel 5:1 en artikel 5:31a te vervallen.

Artikel 1:7 Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE

Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Toevoeging extra lid komt uit de model APV en vloeit voort uit uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn.

Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2:11 (Omgevings-)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend: a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of

Artikel 2:11 (Omgevings-)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij

Bijlage I

3.

4.

5.

voorbereidingsbesluit; of b. door het college in de overige gevallen. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet, of de daarop gebaseerde telecommunicatieverordening of een algemene verordening ondergrondse infrastructuur. Op de vergunning als bedoeld in het tweede lid onder b is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, Omgevingsverordening Provincie Gelderland, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet, of de daarop gebaseerde telecommunicatieverordening of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Maasdriel (AVOI). 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Wijzigingen komen uit de model APV. Zijn aanscherpingen en correcties van de verwijzing naar de juiste wetgeving.

Artikel 2:12 Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Het college moet de vergunning weigeren als: a. door het gebruik van de uitweg het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; of b. door de aanleg van de uitweg een openbare parkeermogelijkheid wordt opgeheven dan wel onbruikbaar wordt gemaakt; of c. met de aanleg van de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. de aanleg van de uitweg schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; e. er sprake is van een perceel bij een woning dat al door een andere uitweg wordt ontsloten of een perceel bij een bedrijf dat al door twee uitwegen wordt ontsloten. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de provinciale wegenverordening.

Artikel 2:12 Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Het college moet de vergunning weigeren als: a. door het gebruik van de uitweg het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; of b. door de aanleg van de uitweg meer dan één openbare parkeermogelijkheid wordt opgeheven dan wel onbruikbaar wordt gemaakt; of c. met de aanleg van de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. de aanleg van de uitweg schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; e. er sprake is van een perceel bij een woning dat al door een andere uitweg wordt ontsloten of een perceel bij een bedrijf dat al door twee uitwegen wordt ontsloten. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de provinciale wegenverordening.

Bijlage I

Afdeling 7. Evenementen Artikel 2:24 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg of op aan het water;

Op verzoek van de verkeerskundige wordt hiermee de APV in overeenstemming gebracht met het huidige ‘Beleid Uitwegen 2019’, waarin al bepaald is dat er maximaal één openbare parkeerplaats mag komen te vervallen.

Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg of op aan het water; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. vechtsportwedstrijden of –gala’s. Wijzigingen komen uit de model APV. Zijn correcties van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet en benoeming nieuwe Alcoholwet. Toevoegingen van voorbeelden wat wel of geen evenement is.

Artikel 2:25 Evenement 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. (wordt 3) Onverminderd het gestelde in artikel 1:4 van de APV kan de burgemeester in het kader van de openbare orde of woonen leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van het houden van evenementen. Deze kunnen onder meer betrekking hebben op:

Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningsaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding

Bijlage I

3.

4. 5.

6. 7.

a. de plaats en het tijdstip van het evenement; b. de benodigde technische voorzieningen; c. de inrichting van het evenemententerrein; d. het activiteitenprogramma; e. een veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers en verkeersregelaars; f. het verkeersplan. (wordt 4 etc.) In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan worden volstaan met een melding, indien: a. het aantal bezoekers, inclusief deelnemers, niet meer bedraagt dan 350 personen tegelijkertijd; b. het evenement plaats vindt tussen 08.00 uur en 24.00 uur; c. geen live en/of versterkte muziek ten gehore wordt gebracht na 23.00 uur; d. geen verkeersmaatregelen zijn vereist anders dan het onttrekken van parkeerplaatsen en afsluiten van wegen, geen gebiedsontsluitingswegen zijnde; e. slechts kleine objecten geplaatst worden met een oppervlakte van minder dan 80 m2 per object; f. er niet meer dan 150 personen per tent aanwezig zijn; g. op de locatie geen ander evenement plaatsvindt; h. er geen inzet van hulpdiensten nodig is; en i. het evenement geen carnavalsoptocht, vechtsportgala, monstertruckshow, autosportevenement, motorsportevenement of watersportevenement betreft. De melding als bedoeld in het tweede lid moet tenminste vier weken voorafgaand aan het evenement zijn ingediend.

De burgemeester kan binnen twee weken na ontvangst van de melding besluiten dat het organiseren van het evenement als bedoeld in het tweede lid wordt verboden, indien daardoor de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De melding wordt ingediend middels een door de burgemeester vastgesteld formulier. In afwijking van het gestelde in lid 1 en 2 is geen melding of vergunning noodzakelijk indien: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen; b. het evenement op maandag tot en met zaterdag niet vóór 09.00 uur en op zondag niet vóór 13.00 uur begint en uiterlijk om 21.00 uur eindigt; c. er geen muziek te gehore wordt gebracht vóór 09.00 uur of na 21.00 uur;

3.

4.

5. 6.

7.

zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. (was 2) Onverminderd het gestelde in artikel 1:4 van de APV kan de burgemeester in het kader van de openbare orde of woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van het houden van evenementen. Deze kunnen onder meer betrekking hebben op: a. de plaats en het tijdstip van het evenement; b. de benodigde technische voorzieningen; c. de inrichting van het evenemententerrein; d. het activiteitenprogramma; e. een veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers en verkeersregelaars; f. het verkeersplan. (was 3 etc.) In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan worden volstaan met een melding, als: a. het aantal bezoekers, inclusief deelnemers, niet meer bedraagt dan 350 personen tegelijkertijd; b. het evenement plaats vindt tussen 08.00 uur en 24.00 uur; c. geen live en/of versterkte muziek ten gehore wordt gebracht na 23.00 uur; d. geen verkeersmaatregelen zijn vereist anders dan het onttrekken van parkeerplaatsen en afsluiten van wegen, geen gebiedsontsluitingswegen zijnde; e. slechts kleine objecten geplaatst worden met een oppervlakte van minder dan 80 m2 per object; f. er niet meer dan 150 personen per tent aanwezig zijn; g. op de locatie geen ander evenement plaatsvindt; h. er geen inzet van hulpdiensten nodig is; en i.

het evenement geen carnavalsoptocht, vechtsportgala, monstertruckshow, autosportevenement, motorsportevenement of watersportevenement betreft. De melding als bedoeld in het vierde lid moet tenminste vier weken voorafgaand aan het evenement zijn ingediend. De burgemeester kan binnen twee weken na ontvangst van de melding besluiten dat het organiseren van het evenement als bedoeld in het vierde lid wordt verboden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De melding wordt ingediend middels een

Bijlage I en d. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten. 8. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 9. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor: a. een (toneel)voorstelling, musical, theaterproductie of lezing in een lokaliteit waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend in de zin van de Drank- en Horecawet; b. een optreden van muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen in een lokaliteit waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend in de zin van de Drank- en Horecawet; c. een inpandige tentoonstelling zoals kleindieren- of kunsttentoonstelling in een lokaliteit waar de brandveiligheidsvoorzieningen zijn afgestemd op het betreffende evenement; d. een herdenkingsplechtigheid; e. een landelijk georganiseerde straatspeeldag; f. een landelijk georganiseerde autoloze zondag; g. een recreatieve fietstocht. 10. Het verbod van het eerste lid geldt ook niet voor lampionnenoptochten en wandeltochten, voor zover: a. de optocht niet breder is dan één rijstrook; b.

er bij een groepsomvang van 20 personen of meer voor én achter de optocht auto's rijden met in werking zijnde knipperlichten dan wel voor en achter de optocht begeleiders in reflecterende vesten lopen of fietsen. 11. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning voor een vechtsportgala indien: a. de organisator van slecht levensgedrag is; b. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 12. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

door de burgemeester vastgesteld formulier. 8. In afwijking van het gestelde in lid 1 en 4 is geen melding of vergunning noodzakelijk als: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen; b. het evenement op maandag tot en met zaterdag niet vóór 09.00 uur en op zondag niet vóór 13.00 uur begint en uiterlijk om 21.00 uur eindigt; c. er geen muziek te gehore wordt gebracht vóór 09.00 uur of na 21.00 uur; en d. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten. 9. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 10. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor: a. een (toneel)voorstelling, musical, theaterproductie of lezing in een lokaliteit waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend in de zin van de Drank- en Horecawet; b. een optreden van muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen in een lokaliteit waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend in de zin van de Drank- en Horecawet; c. een inpandige tentoonstelling zoals kleindieren- of kunsttentoonstelling in een lokaliteit waar de brandveiligheidsvoorzieningen zijn afgestemd op het betreffende evenement; d. een herdenkingsplechtigheid; e.

een landelijk georganiseerde straatspeeldag; f. een landelijk georganiseerde autoloze zondag; g. een recreatieve fietstocht. 11. Het verbod van het eerste lid geldt ook niet voor lampionnenoptochten en wandeltochten, voor zover: a. de optocht niet breder is dan één rijstrook; b. er bij een groepsomvang van 20 personen of meer voor én achter de optocht auto's rijden met in werking zijnde knipperlichten dan wel voor en achter de optocht begeleiders in reflecterende vesten lopen of fietsen. 12. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning voor een vechtsportgala als:

Bijlage I a. de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 13. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toevoegingen tekstuele aanscherpingen en een extra lid i.v.m. het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (BBGBOP) volgens model APV

Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Toevoegingen volgens de model APV. Voor meer uitleg zie Bijlage II.

Afdeling 8. Toezicht op horecabedrijven Artikel 2:27 Begripsbepalingen 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. horecabedrijf: elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid. Onder een horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek. Onder een horecabedrijf wordt niet verstaan een tijdelijke inrichting (waaronder tenten). b. terras: een buiten de besloten ruimte van de horecabedrijf liggend deel

Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:27 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval

Bijlage I daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. Verbetering omschrijving volgens de model APV

Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:37 Nachtregister 1. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model. 2. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht, het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester of aan een door hem aangewezen ambtenaar over te leggen op een door de burgemeester te bepalen wijze.

Artikel 2:37 Nachtregister 1. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model. 2. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht, het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester of aan een door hem aangewezen ambtenaar te overleggen op een door de burgemeester te bepalen wijze. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verplichte gebruik van het door de burgemeester vastgestelde model, wanneer wordt voldaan aan alle voorwaarden uit het gemeentelijk beleid “Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Maasdriel houdende regels omtrent handhaving van het digitaal nachtregister” of elke opvolger daarvan. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij het niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toevoegingen artikel 3 en 4. Voor meer uitleg zie Bijlage II.

Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, geboortedatum, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. Op basis van de Wet bescherming persoonsgegevens mag er niet meer gevraagd worden dan er in Artikel 435 Wet strafrecht staat opgenomen.

Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:39 Definities

Bijlage I

Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

Artikel 2:39 Speelgelegenheden 2. (wordt artikel 2:39a lid 1) Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; b. speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als in artikel l, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. 3. De burgemeester weigert de vergunning: a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:40 Speelautomaten 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a.

Wet: de Wet op de kansspelen; b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet; c. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c. van de Wet; d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als

1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 2:39a Speelgelegenheden 1. (was artikel 2:39 lid 2) Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Wijzigingen komen uit de model APV

Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Wijzigingen komen uit de model APV

Bijlage I

2. 3.

bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.

Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Toevoeging extra artikel

Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Toevoeging artikel i.v.m. Outlaw Motorcycle Gangs (OMG). Voor meer uitleg zie Bijlage II

Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b. binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is aangelijnd; of c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats indien de hond niet is aangelijnd, of d. op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod in het eerste lid aanhef en onder b niet geldt. 3. De verboden in het eerste lid aanhef en

Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; of c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd, of d. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen

Bijlage I onder a, b en c zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Wijzigingen overgenomen uit de model APV. Voor meer uitleg zie Bijlage II

Afdeling 13. Vuurwerk Artikel 2:73a Carbid schieten 1. Onder carbid schieten wordt verstaan: het in een (melk)bus op explosieve wijze verbranden van acethyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gas(mengsels) met vergelijkbare eigenschappen. 2. Het is verboden in de open lucht met carbid te schieten. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet indien het carbid schieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 uur en 18.00 uur en alleen plaatsvindt op een van de volgende buiten de bebouwde kom gelegen locaties: - in Hedel bij de Soepkom (recreatiegebied ’t Gelre’s End) en - in Rossum op het trapveldje (grasveld aan de Maasdijk) mits: a. (wordt b, etc.) hiervan tenminste 7 dagen voorafgaand aan de datum van gebruik melding is gedaan aan het college; b. de melding tevens is voorzien van een kaart waarop precies is ingetekend waar het afschieten plaatsvindt en de schietrichting is aangegeven; c. degene die carbid schiet of daarbij behulpzaam is 18 jaar of ouder is; d. degene die carbid schiet of daarbij behulpzaam is niet onder invloed van alcohol of drugs is; e. gebruik wordt gemaakt van (melk) bussen of vergelijkbare voorwerpen met een maximale inhoud van 50 liter die worden afgesloten met een zacht materiaal (plastic voetbal of plastic zak); f.

het zogenaamde vrijschootsveld tenminste 75 meter bedraagt en binnen deze ruimte geen openbare paden, wegen en –wateren en spoorwegen zijn gelegen; g. het carbid schieten alleen in tegengestelde richting van de dichtst

Artikel 2:73a Carbid schieten 1. Onder carbid schieten wordt verstaan: het in een (melk)bus op explosieve wijze verbranden van acethyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gas(mengsels) met vergelijkbare eigenschappen. 2. Het is verboden in de open lucht met carbid te schieten. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet als het carbid schieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 uur en 18.00 uur mits: a. het carbid schieten buiten de bebouwde kom plaatsvindt; b. (was a) hiervan tenminste 7 dagen voorafgaand aan de datum van gebruik melding is gedaan aan het college; c. de melding tevens is voorzien van een kaart waarop de betreffende locatie is ingetekend; d. degene die carbid schiet of daarbij behulpzaam is 18 jaar of ouder is; e. degene die carbid schiet of daarbij behulpzaam is niet onder invloed van alcohol of drugs is; f. gebruik wordt gemaakt van (melk) bussen of vergelijkbare voorwerpen met een maximale inhoud van 50 liter die worden afgesloten met een zacht materiaal (plastic voetbal of plastic zak); g. het zogenaamde vrijschootsveld tenminste 75 meter bedraagt en binnen deze ruimte geen openbare paden, wegen en –wateren en spoorwegen zijn gelegen; h. het carbid schieten alleen in tegengestelde richting van de dichtst bijgelegen woonbebouwing wordt gehouden; i.

de locatie waar het carbid schieten plaatsvindt op ten minste 75 meter van de woonbebouwing, 300 meter van medische en zorginstellingen en 300

Bijlage I

4. 5.

bijgelegen woonbebouwing wordt gehouden; h. de locatie waar het carbid schieten plaatsvindt op ten minste 75 meter van de woonbebouwing, 300 meter van medische en zorginstellingen en 300 meter van inrichtingen waar dieren worden gehouden; i. de locatie waar het carbid schieten plaatsvindt wordt afgesloten met linten of ander vergelijkbaar materiaal zodat andere groepen niet in de nabijheid van de melkbussen en niet in de schietrichting kunnen komen staan; j. er geen handelingen worden verricht of nagelaten, waarvan degene die het carbid schieten verricht, weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaar, schade en/of hinder kan optreden voor mens, dier en milieu; k. schriftelijke toestemming is verkregen van de eigenaar of eigenaren van het perceel of de percelen waarop het carbid schieten plaatsvindt en dat deze op eerste vordering onmiddellijk ter inzage wordt afgegeven; l. alle door bevoegde ambtenaren van de politie, brandweer en gemeente te geven aanwijzingen strikt en onverwijld worden opgevolgd. Het college kan nadere regels vaststellen ter bescherming van de openbare orde, volksgezondheid en veiligheid. Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.

meter van inrichtingen waar dieren worden gehouden; j. de locatie waar het carbid schieten plaatsvindt wordt afgesloten met linten of ander vergelijkbaar materiaal zodat andere groepen niet in de nabijheid van de melkbussen en niet in de schietrichting kunnen komen staan; k. er geen handelingen worden verricht of nagelaten, waarvan degene die het carbid schieten verricht, weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaar, schade en/of hinder kan optreden voor mens, dier en milieu; l. schriftelijke toestemming is verkregen van de eigenaar of eigenaren van het perceel of de percelen waarop het carbid schieten plaatsvindt en dat deze op eerste vordering onmiddellijk ter inzage wordt afgegeven; m. alle door bevoegde ambtenaren van de politie, brandweer en gemeente te geven aanwijzingen strikt en onverwijld worden opgevolgd. 4. Het college kan nadere regels vaststellen ter bescherming van de openbare orde, volksgezondheid en veiligheid. 5. Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht. Lid 3 is gedeeltelijk gewijzigd. Voor meer uitleg zie Bijlage II

HOOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting

Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting

Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer; b. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

Artikel 4:1 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; b. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; c. gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

Bijlage I e. f.

g.

h.

incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

d. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; f. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; g. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Wijzigingen volgens model APV

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden Artikel 4:18 Herplant-/instandhoudingsplicht Lid 4. Indien in de nabijheid van de in artikel 4:13 lid 1 aangegeven houtopstanden werkzaamheden gaan plaatsvinden die de leefbaarheid van de houtopstand nadelig kunnen beïnvloeden is de uitvoerder verplicht van de werkzaamheden een BEA (Boom Effect Analyse) op te stellen voorafgaand aan de werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende maatregelen met betrekking tot bescherming van de houtopstand op te volgen.

Artikel 4:18 Herplant-/instandhoudingsplicht Lid 4. Als in de nabijheid van de in artikel 4:17 lid 1 aangegeven houtopstanden werkzaamheden gaan plaatsvinden die de leefbaarheid van de houtopstand nadelig kunnen beïnvloeden is de uitvoerder verplicht van de werkzaamheden een BEA (Boom Effect Analyse) op te stellen voorafgaand aan de werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende maatregelen met betrekking tot bescherming van de houtopstand op te volgen. Wijziging betreft artikelnummer

correctie

juiste

HOOFDSTUK 5. ANDERE VOORWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE Afdeling 1. Parkeerexcessen Artikel 5:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; b. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). Afdeling 2. Collecteren Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen

Artikel 5:1 (Vervallen) De definities zijn opgenomen in Artikel 1:1

Bijlage I 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. 2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt ook niet voor collecten die gehouden worden door verenigingen of stichtingen, indien: a. de collecte plaatsvindt in de vrije perioden van het landelijke collecteplan opgesteld door de Stichting Centraal Bureau Fondsenwerving; b. een financiële verantwoording van de inzameling binnen twee weken na de gevoerde actie overlegd wordt; c. de collectanten zich kunnen identificeren met een geldig identiteitsbewijs; d. de collectanten tenminste de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt; e. de collectanten kunnen aantonen voor welke instantie zij collecteren; f. de collecte gehouden wordt met gesloten bussen en derhalve niet door middel van lijstcollecten. 5.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt ook niet voor collecten die gehouden worden door verenigingen of stichtingen, als: a. de collecte plaatsvindt in de vrije perioden van het landelijke collecteplan opgesteld door de Stichting Centraal Bureau Fondsenwerving; b. een financiële verantwoording van de inzameling binnen twee weken na de gevoerde actie overlegd wordt; c. de collectanten zich kunnen identificeren met een geldig identiteitsbewijs; d. de collectanten tenminste de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt; e.

de collectanten kunnen aantonen voor welke instantie zij collecteren; f. de collecte gehouden wordt met gesloten bussen en derhalve niet door middel van lijstcollecten. 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Wijzigingen betreffen aanscherping van het artikel en komen vanuit de model APV. Zie voor meer uitleg zie Bijlage II

Afdeling 3 Venten Artikel 5:14 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel

Artikel 5:14 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de

Bijlage I diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. 2. Onder venten wordt niet verstaan: a. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel 5:22; c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Afdeling 4. Standplaatsen Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college kan de vergunning weigeren wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. 2. Onder venten wordt niet verstaan: a. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5:22; c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17. Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet

Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college kan de vergunning weigeren wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Lid 3 is aangepast conform model APV. Voor meer uitleg zie Bijlage II.

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer

Bijlage I rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Provincie Gelderland. Afdeling 5. Snuffelmarkten Artikel 5:22 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. 2. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5:31a Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; b. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5:32 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarop het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. in het belang van de bescherming van flora en fauna; d. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid

Aanpassing correcte titel betreffende verordening

Artikel 5:22 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder snuffelmarkt verstaan een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen. 2. Onder snuffelmarkt wordt niet verstaan: a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24. Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet

Artikel 5:31a (Vervallen) De definities zijn opgenomen in Artikel 1:1

Artikel 5:32 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverbod, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarop het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de bescherming van flora en fauna; d. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden

Bijlage I

3.

bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Wijzigingen volgens model APV. Voor meer uitleg zie Bijlage II

HOOFDSTUK 6. STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 6:4 Intrekking oude verordening De Algemene Plaatselijke Verordening 2020 wordt ingetrokken. Artikel 6:6 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking daarvan. Artikel 6:7 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening Maasdriel 2021

Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 8 juli 2021

Artikel 6:4 Intrekking oude verordening De Algemene Plaatselijke Verordening 2021 wordt ingetrokken. Artikel 6:6 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking daarvan. Artikel 6:7 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening Maasdriel 2021-1 Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 14 oktober 2021

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10514731/2