CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Nagekomen brief inzake BP Rossum en Hurwenen herziening 2023 Hogeweg nabij 26 N20230140-4 Zwartgemaakt

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Rossum en Hurwenen herziening 2023 Hogeweg nabij 261.353 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Brouwer Fout! De 1documentvariabele ontbreekt. 5521 DK Eersel

Notitie 20230140-4: Hogeweg te Rossum, Reactie brief Boskamp Willems Advocaten

T +31 (0) 618245726 E e.philippens@tecmap.nl www.tecmap.nl K.v.K 70589895 IBAN NL86 RABO 326 7949 99

Datum

Onze referentie

Uw referentie

Bijlagen

28 mei 2024

20230140-4

-

-

1

Inleiding

Boskamp Willems Advocaten heeft op 27 een brief gestuurd naar het collegae van Burgemeester en Wethouders en de leden van de raad namens over het bestemmingsplan om haar bedenkingen te uiten. Deze brief dient formeel niet als een zienswijze aangemerkt te worden omdat de brief is ingediend ruim na afloop van de zienswijzentermijn. Dit betekent dat de brief formeel gezien geen onderdeel uitmaakt van de bestemmingsplanprocedure. De schriftelijke reactie heeft met name betrekking op het aspect “spuitzone”. Op verzoek van adviesbureau Kubiek is de brief inhoudelijk beoordeeld. Bijgaand ontvangt u onze inhoudelijke reactie op deze brief.

2

Zienswijzen en reactie

In de brief wordt verwezen naar een recente uitspraak van de Raad van State. Uit de uitspraak van de Raad van State met kenmerk 202204070/1/R2 van 8 mei 2024 waarnaar in de zienswijze wordt verwezen, blijkt dat in opdracht van de gemeente Zundert voor het bestemmingsplan “Hoek Luitertweg-Heischoorstraat” een locatiespecifiek onderzoek naar spuitzones is uitgevoerd. Echter dit onderzoek is pas in beroep voorgelegd na het nemen van het besluit van 10 mei 2022 waardoor het besluit onzorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd. Dit betekent dat binnen deze zaak geen inhoudelijke beoordeling van het locatiespecifieke onderzoek heeft plaatsgevonden. Deze uitspraak benadrukt alleen opnieuw de noodzaak tot het uitvoeren van een locatiespecifiek onderzoek naar spuitzones hetgeen in lijn is met eerdere uitspraken en voegt daarmee niets nieuws toe. In de brief wordt gesuggereerd dat het door ons uitgevoerde onderzoek niet mag worden gezien als een locatiespecifiek onderzoek. In de locatiespecifieke onderzoeken naar spuitzones in de nabijheid van agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, werden tot nu toe rekenmethodes toegepast die naar oordeel van de Raad van State academisch niet bewezen zijn.

In het door ons uitgevoerde onderzoek is de specifieke locatie en de wijze van gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beschreven en zijn conclusies gebaseerd op diverse metingen van drift nabij verschillende gewassen waaronder de fruitteelt in deze situatie. De opzet van het onderzoek is hiermee duidelijk anders. Binnen het plan zijn maatregelen voorzien om de drift richting nieuw te bouwen gevoelige objecten te voorkomen. Ook

Notitie 20230140-4

28 mei 2024 Pagina 1

het effect van de omschreven maatregelen in de vorm van een driftreducerende voorziening is middels driftmetingen door derden vastgesteld onder worst-case omstandigheden (windmeecondities). Uitgaande van het locatiespecifieke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de agrarische percelen in combinatie met de voorziene driftreducerende voorzieningen wordt geconcludeerd dat onder alle omstandigheden ter hoogte van en in de directe nabijheid van de nieuw te bouwen objecten geen sprake meer zal zijn van drift. Een locatiespecifiek onderzoek dat verdergaat dan het door ons uitgevoerde onderzoek is alleen mogelijk door het uitvoeren van driftmetingen ter plaatse bij een meewindconditie vanuit de boomgaard richting bouwplan na het realiseren van de driftreducerende voorzieningen. Uit deze metingen zou dan blijken dat op 7.5 meter afstand van de fruitbomen in het verticale vlak geen drift meer wordt gemeten waarmee de stellinginname gebaseerd op een groot aantal metingen bij vergelijkbare situaties opnieuw wordt benadrukt. Een dergelijk uitgebreid locatiespecifiek onderzoek wordt in de onderhavige situatie niet zinvol geacht omdat de er reeds diverse meetgegevens van vergelijkbare situaties voorhanden zijn en omdat binnen het plan nog veiligheidsmarges zijn gehanteerd (gebouwen bevinden zich op grotere afstand dan 7.5 meter van boomgaard).

De bewering dat de aangehaalde documenten geen betrekking hebben op de onderhavige locatie en derhalve niet gebruikt mogen worden delen we niet. De algemene richtafstand van 50 meter geldt voor alle percelen waar bestrijdingsmiddelen worden toegepast ongeacht de soort teelt (laagstam, hoogstam, groenten etc.) en de wijze hoe de bestrijdingsmiddelen worden toegepast (omlaag of omhoog spuiten). Dit betekent dat locatiespecifiek verschillen kunnen ontstaan waarbij in de meeste gevallen sprake is van drift en/of depositie tot een kleinere afstand dan 50 meter. Een gedegen onderzoek op meetresultaten elders en afgestemd op de lokale situatie mag als locatiespecifiek onderzoek worden beschouwd. Enerzijds bestaat een locatiespecifiek onderzoek dan ook uit een inventarisatie van het lokale gebruik (soort teelt en wijze van toebrengen van bestrijdingsmiddelen). Welke afstand bij deze locatiespecifieke parameters hoort, kan dan worden afgeleid uit metingen van drift bij vergelijkbare situaties met gelijkwaardige teelt. Uit een groot aantal metingen uitgevoerd door verschillende erkende instanties blijkt op welke afstand van een locatie waar gewasbeschermingsmiddelen met en zonder driftreducerende voorzieningen worden toegepast nog sprake is van drift.

Deze metingen tonen ook aan dat de tot nu toe gehanteerde veilige afstand van 50 meter alleen van toepassing is voor die situaties met omhoog spuiten (hoogstam) en zonder voorzieningen aan de spuitmond (conform voorwaarden Activiteitenbesluit) en in de overdracht. In de zienswijze wordt gesteld dat geen rekening is gehouden met het bijzondere kenmerk van de locatie zijnde dat sprake is van woningen voor zorgbehoevenden. In het onderzoek zijn wel degelijk kwetsbare groepen in de samenleving betrokken (zie paragraaf 4.3.7). Voor deze groepen zijn juist de (aanvullende) driftreducerende voorzieningen voorgesteld die, wanneer alleen sprake is van minder kwetsbare groepen, niet nodig zouden zijn. Uit de metingen van drift blijkt dat geen drift of depositie binnen het plangebied is te verwachten waardoor er ook geen gezondheidsrisico’s zijn te verwachten. In de zienswijze wordt gesuggereerd dat een haag 10 jaar nodig zou hebben om de gewenste hoogte en dichtheid te bereiken. Deze aanname is onjuist: het is goed mogelijk om een groenvoorziening met de gewenste hoogte en dichtheid op korte termijn te realiseren.

Notitie 20230140-4

28 mei 2024 Pagina 2

Tenslotte wordt in de zienswijze gesuggereerd dat de haag op zeer korte afstand van geprojecteerde gevoelige objecten wordt geplaatst. Dit is niet correct de haag dient op korte afstand van de boomgaard worden geplaatst om in een effectieve driftreductie te resulteren. Uiteraard wordt hier ruimte gecreëerd voor het plegen van onderhoud. Resumerend wordt gesteld dat er geen grond bestaat voor een verhoogde kans op klachten en handhavingsverzoeken jegens en dat - anders dan wordt gesteld - gezien de verrichte onderzoeken ook geen reden bestaat om aan te nemen dat sprake is van een verhoogd risico op gezondheidsklachten bij het gebruik van de binnenruimte. Na vaststelling van het plan gelden voor de teler de rechten en plichten vanuit het milieuspoor. Tot 1 januari 2024 waren de bepalingen en regels uit het Activiteitenbesluit van toepassing en vanaf 1 januari zijn de regels uit het (tijdelijk) Omgevingsplan van de gemeente van toepassing. In feite komt dit erop neer dat er een verplichting bestaat voor het reduceren van drift met tenminste 75% ten opzichte van een vastgestelde referentietechniek. Het betreft hier een beperking aan de emissiezijde en heeft dus niets te maken met de afstand tussen woningen en het perceel waar de gewassenbeschermingsmiddelen worden toegepast.

De toepasser van gewasbeschermingsmiddelen moet als de toezichthouder daar om vraagt kunnen aantonen dat met de gebruikte spuittechniek aan de driftreductie-eis wordt voldaan. Het aantonen van de driftreductie van een spuittechniek of spuitdop gebeurt met onderzoek. Hiervoor zijn 2 meetprotocollen opgesteld. In de praktijk is het meestal de fabrikant van een spuittechniek die de driftreductie van een spuittechniek laat onderzoeken. Als is aangetoond dat een spuittechniek of spuitdop aan de driftreductie-eisen voldoet, dan worden deze op de lijst met driftreducerende doppen (DRD-lijst) en driftreducerende technieken (DRT-lijst) gezet. De lijsten bieden de ondernemer duidelijkheid welke techniek in zijn/haar situatie geschikt is om aan de driftreductie-eis te voldoen. De toezichthouder kan met de lijsten makkelijk nagaan of met een gebruikte spuittechniek aan de vereiste driftreductie kan worden voldaan. Aan de zijde van de omwonenden geldt dat wanneer sprake is van een vanggewas, deze altijd moet voldoen aan de voorwaarden zoals genoemd in het (voormalige) Activiteitenbesluit (zie ook artikel 3.82, lid 1a jo. artikel 3.79 lid 5 en 3.80, lid 2 van de Regeling omgevingsrecht). Op deze wijze is geborgd dat er geen verhoogd risico zal zijn op gezondheidsklachten.

Notitie 20230140-4

28 mei 2024 Pagina 3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14217007/1