CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Memo 29-05-2024 over Mono+

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Principeverzoek co-mestvergister Zeedijk 4 Hedel1.377 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

MEMO Aan

Gemeenteraad Maasdriel

Van

Locis Adviseurs/Biovalue

Betreft

Aanvulling naar aanleiding van vragen vanuit commissievergadering op principeverzoek Mono+ Zeedijk 4 Hedel

Datum

29 mei 2024

Inleiding Voor de melkrundveehouderij op de locatie Zeedijk 4 te Hedel is op 18 december 2023 een aan uw raad gericht principeverzoek ingediend voor de realisatie van mestvergistingsinstallatie van het type Mono+ (vergisting mest met toevoeging van maximaal 20% aan co-producten). Dit verkleint de ruimtelijke impact. Het principeverzoek is op 14 mei 2024 besproken in de Commissie Ruimte. De hierbij naar voren gekomen vragen en opmerkingen zijn voor ons aanleiding geweest om te komen met een aanvullend memo voor de besluitvorming in de raadsvergadering van 30 mei 2024. Aanvullingen Hieronder wordt puntsgewijs ingegaan op de onderwerpen die aan de orde zijn gekomen tijdens de commissievergadering: •

Het principeverzoek is gericht aan de raad op aangeven van de destijds behandelend ambtenaar, omdat het een raadsbevoegdheid is om af te wijken van het vastgestelde beleid rondom covergisting zoals dat is vertaald in het bestemmingsplan (thans omgevingsplan). De legesverordeningen 2022 en 2023 benoemden dit ook als concrete mogelijkheid.

•

Bij Mono+ is sprake van co-vergisting in plaats van mono-vergisting. In tegenstelling tot traditionele covergisting, waarbij maximaal 50% co-producten aan de mest worden toegevoegd, wordt bij Mono+ slechts 20% co-producten van eigen bedrijf of derden toegevoegd. Hierdoor neemt het biogaspotentieel aanzienlijk toe ten opzichte van monovergisting. Dit leidt tot een stabieler en zekerder businessmodel. Bovendien kan een dergelijke installatie, met een kostprijs van ongeveer 1,5 à 2 miljoen euro, in eigen beheer worden gebouwd en geëxploiteerd zonder behoefte aan lokale of regionale subsidies (zie pagina 6 en 7 van het principeverzoek).

•

De 11.000 m³ (eigenlijk ton) mest die in de vergistingsinstallatie wordt ingevoerd, hoeft niet te worden aangevoerd. Deze hoeveelheid mest is gebaseerd op de vergunde hoeveelheden vee en wordt verpompt naar de vergister, zodat hiervoor geen transportbewegingen plaatsvinden. Als deze mest zou moeten worden afgevoerd naar een externe mestverwerker, zou dit, uitgaande van een tankwagen met een capaciteit van 36 m3, jaarlijks om 306 aan-/afrijdende transporten gaan, oftewel om 712 voertuigbewegingen. Deze worden met dit initiatief dus juist voorkomen. Zoals beschreven in het principeverzoek, leidt het initiatief tot maximaal 2 extra vrachtwagens per week door de aanvoer van organische restproducten.

•

Tijdens de commissievergadering is geopperd dat sprake zou zijn van een minder grote mestproductie op het bedrijf dan waarvan is uitgegaan in het principeverzoek. Daarbij is dit commissielid uitgegaan van een mestproductie behorende bij 250 GVE. Er is echter sprake van een vergund veebestand van 352 melken kalfkoeien en 143 stuks jongvee, waarmee wel degelijk wordt uitgekomen op die 11.000 ton mest.

Aanvullend memo bij principeverzoek Mono+ Zeedijk 4 Hedel

1

•

In een in- en extern onderzoek van o.a. Rabo Research wordt geadviseerd dat voor een rendabele businesscase een ondergrens van minimaal 15.000 kuub mest nodig is in het geval van monovergisting. Hierbij gaat men ervan uit dat dit dagverse mest is, waardoor de biogaspotentie hoger is. Dagverse mest kan niet verkregen worden uit traditionele stalsystemen met mestkelders. Hiervoor moet worden geïnvesteerd in stalaanpassingen en voor de ammoniakemissie goedgekeurde stalsystemen. Op dit moment zijn er geen goedgekeurde systemen beschikbaar vanwege de landelijke discussie over dit type emissiearme vloeren in relatie tot ammoniak/stikstof. Eén van de gevolgen hiervan is dat veehouders geen financiering krijgen voor deze systemen en zelf het risico niet kunnen nemen of simpelweg de financiële ruimte niet hebben voor een dergelijke investering. Gezien de complexiteit van deze discussie en de bredere discussie omtrent toekomstig landbouwbeleid is het niet realistisch om te verwachten dat hier binnen de komende jaren een oplossing voor zal zijn. Mono+ biedt in dat verband dus een uitkomst.

•

Het geproduceerde biogas kan niet rechtstreeks worden ingevoerd in het aardgasnet. Hiervoor is een opwaardeerproces nodig, dat onderdeel uitmaakt van de Mono+ installatie, zoals beschreven in bijlage 2 en weergegeven op de tekening in bijlage 3 bij het principeverzoek. Het geproduceerde biogas wordt via een groengasinstallatie opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit. In deze installatie wordt het ruwe biogas ontvochtigd, ontdaan van H2S en VOC's, en wordt het CO2 en methaan gescheiden. Vervolgens wordt het voorzien van THT, wat voor de specifieke gasgeur zorgt, waarna het gecontroleerd in het lokale gasnet van de netbeheerder wordt geïnjecteerd.

•

De Mono+ is ondergeschikt aan de melkrundveehouderij en kan in dat verband als nevenactiviteit worden beschouwd. Het blijft dus een agrarisch bedrijf, net zoals boerencampings, ijsboerderijen en veehouders met zonnepanelen en eventueel windmolens beschouwd.

•

In vergelijking met zonnevelden en windmolens is de ruimtelijke impact van Mono+ gering te noemen terwijl de energie impact groot is. Deze initiatieven zijn goed inpasbaar op bestaande agrarische erven.

•

Mono+ levert een bijdrage aan het lokale energievraagstuk. Anders dan bij zonne- en windenergie is sprake van een continue energielevering in de vorm van gas. Het omzetten van biogas naar elektriciteit is niet efficiënt, vanwege aanzienlijk warmteverlies. Ook is de afzet van elektriciteit niet gegarandeerd vanwege netcongestie op het elektriciteitsnet.

•

Door covergisting met Mono+ neemt de hoeveelheid meststoffen weliswaar iets toe, maar de kwaliteit van de geproduceerde meststof (digestaat) is zodanig dat deze sneller werkt dan de ruwe mest, zodat deze in dat opzicht kan worden gezien als kunstmestvervanger. Kunstmest (dat een hoge CO2-impact heeft) is sneller uitgewerkt dan digestaat en spoelt bovendien meer uit naar het grondwater. Overigens is de aanpak van de mestproblematiek vooral een landelijk probleem, dat naar ons idee geen onderdeel mag zijn van de afweging omtrent een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (voorheen goede ruimtelijke ordening) op lokaal niveau.

•

De ontwikkeling van lokale biogas-hubs ondervindt in de praktijk vaak diverse belemmeringen, waaronder de kosten voor deelnemers. Deze projecten worden vaak opgezet met een te ambitieuze verwachting van de biogasproductie uit mest, wat noodzakelijke aanpassingen aan de stallen vereist. Echter, de reële risico's op het gebied van beheer, service, en onderhoud, evenals het risico van uitvallende deelnemers, worden vaak niet meegenomen en worden gezien als ondernemersrisico. (zie RaboResearch kader 'Aanbevelingen voor de overheid'). Om deze hubs succesvol te exploiteren, is doorgaans lokale of regionale financiële ondersteuning nodig voor de aanleg, het beheer van de biogashub en de benodigde aanpassingen aan de stallen.

Aanvullend memo bij principeverzoek Mono+ Zeedijk 4 Hedel

2

•

Borging middels periodieke controle en handhaving wordt uitgevoerd door de bevoegde instantie, meestal gefaciliteerd door de omgevingsdienst. Voor vergisters en de technische installaties gelden landelijk vastgestelde normen en protocollen waaraan voldaan moet worden, eventueel aangevuld met lokale voorschriften.

•

Elke eventuele aanvoer van mest en afvoer van digestaat wordt door middel van vrachtwagens, die zijn uitgerust met GPS, gewogen en bemonsterd. De handhaving van deze processen valt onder de NVWA) en wordt op kentekenniveau geregistreerd binnen de inrichting en bij de RVO). De aanvoer en de samenstelling van de 20% restproducten wordt gecontroleerd door ISCC, dat waarborgt dat grondstoffen en producten op een milieuvriendelijke, sociale en economisch duurzame manier worden geproduceerd en voldoen aan de REDII/III. Binnen dit systeem wordt ook de CO2-impact (o.a. productie en transport) bepaald en geregistreerd en op basis hiervan wordt de waarde van de certificaten vastgesteld. Voor een hoge certificaatopbrengst is het noodzakelijk om producten met een zo laag mogelijke CO2-impact te vergisten. Deze registraties zijn beschikbaar voor het bevoegd gezag tijdens reguliere controles of bij handhavingsverzoeken.

•

Aangezien de organische reststromen, mest en snelgroeiende gewassen (dus geen hout), die gebruikt worden voor groengasproductie tijdens de groeifase CO2 hebben opgenomen, maken zij deel uit van een kort-cyclische koolstofkringloop. Dit betekent dat er geen netto toename van CO2-concentraties in de atmosfeer plaatsvindt. Door verbranding van fossiele grondstoffen zoals olie, maar ook hout, komt er koolstof vrij die honderden jaren of langer was opgeslagen, waardoor de CO2-concentratie in de atmosfeer juist toeneemt.

•

Subsidies: Voor de oprichting en exploitatie van een Mono+ installatie is geen lokale of regionale investeringssubsidie nodig. Alleen ter ondersteuning van de financiering zal een landelijke SDE++ subsidie worden aangevraagd. De SDE++ subsidie is een exploitatiesubsidie, die garandeert dat er een minimale basisopbrengst is voor het geproduceerde gas, mochten de marktprijzen dalen. Bij hoge marktprijzen zal de SDE++ dus niet uitkeren. Het aanvragen van de exploitatiesubsidie kan dit jaar eenmalig in september. Een voorwaarde voor het indienen is dat er een bouwvergunning kan worden overlegd.

Aanvullend memo bij principeverzoek Mono+ Zeedijk 4 Hedel

3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14211842/1