CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Kerkdriel Noord, Paddenstoelenbuurt Bijlagen bij toelichting Bijlage 12 Quickscan flora en fauna

Gemeenteraad 14 oktober 2021, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Bestemmingsplan Paddenstoelenbuurt5.323 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

DE ROEVER OMGEVINGSADVIES T.a.v. dhr. C. den Hertog Heidebloemstraat 15 5482 ZA Schijndel

Datum

12 april 2019 (revisie op 13 september 2019)

Kenmerk

BE/2019/003/r

Uw kenmerk

Email d.d. 3 januari 2019

Auteur(s)

S. Schuuring

Collegiale toets

T.W.D. Schrader

Revisie

T.W.D. Schrader

Update quickscan flora en fauna Kerkdriel-Noord In Kerkdriel is men voornemens om woningen te ontwikkelen ter hoogte van de Veersteeg, Kloosterstraat en Hoorzik, planologisch bekend als Kerkdriel‑Noord. In 2009 is een ecologische quickscan uitgevoerd naar de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna (Oskamp, 2009). Deze is in 2015 geactualiseerd door Blom B.V. (Blom, 2015). De juridische geldigheid van deze onderzoeken is 3 jaar. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting (opnieuw) onderzoek te verrichting naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ingrepen hierop. Sinds het meest recente onderzoek is per 1 januari 2017 de flora- en faunawet vervangen door de Wet natuurbescherming. Tevens is het plangebied aangepast. In het westelijke deel van het oorspronkelijke plangebied zijn reeds woningen gerealiseerd. In het oostelijke deel is de initiatiefnemer voornemens om ook hier woningen te realiseren. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht volgens de Wet natuurbescherming. De Roever Omgevingsadvies begeleidt de ruimtelijke ontwikkeling en heeft Blom Ecologie B.V.

verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden. Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?

Planlocatie De planlocatie staat planologisch bekend als Kerkdriel-Noord en is gelegen tussen de Veersteeg (noordgrens), Kloosterstraat (oostgrens), Hoorzik (zuidgrens) en Reginastraat (westgrens). Het plangebied bestaat uit boomgaarden, akkers, weiden en een kas. In de nieuwbouwwijk zijn werkzaamheden gaande om verdere woningen te realiseren. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie bestaat uit (agrarische) bedrijven, glastuinbouw, akker- en weidepercelen. De bebouwde kom van Kerkdriel is ten zuidoosten van de planlocatie gesitueerd. De planlocatie ligt circa 2,3 km ten westen van de rivier de Maas en ca. 2,8 km ten noordoosten van de snelweg A2.

Figuur 1

De rode omlijning weergeeft de ligging van de planlocatie Kerkdriel-Noord. Het gearceerde gedeelte (perceel Hoorzik 14 te Kerkdriel) is vanaf de openbare weg geïnspecteerd (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter en betreft de realisatie van woningen binnen het plangebied. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •

verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straaten hoveniers)werkzaamheden.

Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen.

2

Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Er zijn twee veldbezoeken uitgevoerd; deze hebben plaatsgevonden op 1 april en op 10 september 2019. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek op 1 april waren; droog, 0/8 bewolkt, 13 Celsius en windkracht 2-3 (Bft). De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek op 10 september waren; droog, 4/8 bewolkt, 19 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming (Wnb) drie voormalige wetten; de Floraen faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Bevoegdheden zijn met deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming verdienen. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe.

In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en lichtuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en bij negatieve effecten op alle soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10 eerste lid kan door bepaalde provincies vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen:

3

Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis

Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedssfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt per definitie vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie komen voor zover bekend geen beschermde planten voor (NDFF, 2009-2019). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: braam, grote, brandnetel, zwarte els, esdoorn, kleefkruid, liesgras, madelief, paardenbloem, ridderzuring, rode klaver, riet, smalle weegbree en zomereik. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden.

Het plangebied bestaat uit grasvelden, intensief beheerde akkers, boomgaarden en een braakliggend perceel. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: aardmuis, bosmuis, bruine rat, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF, 2009-2019). Voor de wezel geldt dat deze beschermd is en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn sporen aangetroffen van mol en vos. De mol is niet beschermd en voor de vos geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De wezel heeft een voorkeur voor een structuurrijk kleinschalig (cultuur-) landschap, waarbij natte gebieden worden vermeden, maar wordt ook wel nabij bebouwde omgeving aangetroffen. De wezel is sterk afhankelijk van voldoende dekking.

Door zijn kleine formaat is hij dan ook kwetsbaar voor grotere predatoren als huiskat en vos. In optimaal habitat met veel woelmuizen als prooidieren kan 1 hectare functioneel leefgebied voldoende, bij suboptimaal habitat dient het leefgebied tot wel 10 hectare groot te zijn (Zoogdiervereniging handleiding kleine marters, 2017). Op de planlocatie zijn groenstructuren aanwezig die voor kleine marterachtigen als de wezel mogelijk kunnen dienen als verblijfplaats, migratieroute of foerageergebied. Deze structuren betreffen onder andere de houtwallen, hagen, struwelen, boomgaarden en rommelhoekjes. Gezien hun grootte en grotendeels ondergrondse leefwijze laten ze geen goed zichtbare sporen van aanwezigheid achter, tenzij de voortplantings- of rustlocatie zich bovengronds bevindt. In dat

4

geval zijn er in de buurt van het nest kleine latrines met een stapel langwerpige en gevlochten bruine- tot loodgrijze keutels zichtbaar. Bij de inspecties gedurende de veldbezoeken zijn deze sporen niet aangetroffen. De houtwallen en boomgaarden vormen theoretisch leefgebied voor de wezel, maar gezien de aanwezigheid van vossen (sporen aangetroffen) en huiskatten (rond zien lopen gedurende de veldbezoeken) maakt het aannemelijk dat wezels in de boomgaarden te weinig dekking kunnen vinden voor foerageer- en migratieactiviteiten. Het maïsland is als foerageergebied van zeer beperkte kwaliteit, aangezien hier weinig tot geen woelmuizen in voorkomen. Wanneer de boomgaarden en het maïsland als suboptimaal leefgebied wordt aangewezen, blijft er te weinig leefgebied over om functioneel te kunnen zijn voor wezels. Daarnaast is de planlocatie omsloten door waterlopen en wegen, welke als barrière kunnen dienen voor de soort, waardoor er geen optimale migratieroutes aanwezig zijn. Samen met het gebrek aan waarnemingen op en rondom de planlocatie wordt hiermee het voorkomen van wezels niet verwacht. De planlocatie heeft mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat, konijn, mol, vos. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden.

Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren worden niet verwacht. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF, 2009-2019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd. Alle gevels en muren van de te slopen bebouwing zijn nauwkeurig geïnspecteerd op de aanwezigheid van potentiele invliegopeningen die toegang kunnen verlenen tot een verblijfplaats voor vleermuizen. Deze zijn in de te slopen schuren niet aangetroffen door het gebrek aan spouw en dakruimte. De aanwezigheid van vaste rust en/of verblijfplaatsen kunnen derhalve worden uitgesloten.

In de woning aan de Hoorzik 14 (figuur 2) kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen niet worden uitgesloten. Aannemelijk heeft deze woning een spouwmuur. Mogelijk kunnen vleermuizen via kierende kantpannen of openingen in de gevel als stootvoegen of ventilatieroosters toegang krijgen tot de luchtspouw. Indien deze woning gesloopt wordt dient hiervoor alvorens aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden.

Figuur 2

De woning aan de Hoorzik 14 biedt mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen.

5

Binnen het plangebied zijn enkele bomenlanen aanwezig bij de oostelijke akker die mogelijk geschikt kunnen zijn als vliegroute voor vleermuizen. Zoals eerder vermeld staan deze echter niet in verbinding met gebouwen die geschikt zijn als verblijfplaats (Oskamp, 2009; Blom, 2015). Derhalve kan de functionaliteit als essentiële vliegroute worden uitgesloten. De begroeide delen en boomgaarden van het plangebied zijn mogelijk geschikt als foerageergebied van vleermuizen. Doordat vleermuizen opportunistisch foerageren zijn zij flexibel in foerageergebied. Bij de revitalisatie zullen gebouwen, tuinen en waterwegen worden gebouwd en aangelegd, waardoor luwten en insectrijke gebieden ontstaan. Derhalve blijft de functionaliteit als foerageergebied behouden en wordt deze mogelijk zelfs verbeterd. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens de ontwikkeling dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n.

lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Binnen het plangebied zijn meerdere sloten en watergangen van verschillende omvang aanwezig. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF, 2009-2019). Voor de heikikker en poelkikker geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De heikikker is erg kritisch ten aanzien van zijn leefgebied. De drie habitattypen waar de soort gebruik van maakt (ondiep, relatief zuur, zonbeschenen en voedselarm voortplantingswater; vochtige plekken in schraal, ruig gebied zoals heide, hoogveen, laagveen en natuurlijk grasland voor in de actieve periode en vochtvrije plaatsen voor overwintering) dienen op zeer korte afstand tezamen voor te komen. Hierdoor wordt de heikikker vaak waargenomen in kleinschalige afwisselende landschappen welke worden gekenmerkt door schrale, ruige en vochtige omstandigheden (BIJ12 kennisdocument Heikikker, 2017). De sloten langs de akker zijn door het agrarische gebruik geëutrofieerd en de smalle sloot bij het braakliggende perceel ondervindt veel bladinval. Hierdoor zijn beide sloten ongeschikt voor de heikikker.

De sloten nabij de gerealiseerde nieuwbouwwijk zijn relatief schoner en ogenschijnlijk minder voedselrijk, maar de aanwezigheid van algen getuigt van een matige tot redelijke voedselrijkheid. De oevers van deze sloten zijn gemaaid en strak onderhouden, waardoor hier schuilgelegenheid en overwinteringsmogelijkheden ontbreken. Bovendien zijn de waarnemingen van de heikikker in de omgeving niet recent en op grote afstand (2013; ca. 1,9 km). De aanwezigheid van de heikikker kan derhalve worden uitgesloten. Poelkikkers komen voor in onbeschaduwde wateren met een begroeide oeverzone. Over het algemeen zijn dit redelijk voedselarme, schone en stilstaande wateren. De soort is vrij zeldzaam in grote vijvers, meren of stromende watergangen. Het voortplantingswater bestaat uit ondiep water dat snel opwarmt en de soort overwintert in holen in de grond, onder stronken, tussen puin en andere vorstvrije structuren (BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017). De sloten bij het braakliggende perceel zijn door de sterke begroeiing beschaduwd, waardoor deze ongeschikt zijn voor de poelkikker. Tevens is er in de grotere sloten bij de akker en in de nieuwbouwwijk een lichte stroming aanwezig en zijn er geen geschikte overwinteringsstructuren aanwezig. Derhalve kan de aanwezigheid van de poelkikker worden uitgesloten.

Er zijn geen waarnemingen bekend van reptielen in de omgeving van het plangebied (NDFF, 20092019). Deze worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen zijn derhalve uitgesloten.

6

Vissen In de directe omgeving van het plangebied komen voor zover bekend geen beschermde vissen voor (NDFF, 2009-2019). Beschermde vissoorten zoals de beekdonderpad, kwabaal, beekprik en gestippelde alver komen over het algemeen voor in schoon, (snel)stromend water. De sloten binnen het plangebied zijn matig tot sterk geëutrofieerd waardoor alle soorten met uitzondering van de grote modderkruiper op basis hiervan kunnen worden uitgesloten. De grote modderkruiper komt namelijk voor in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren, zoals sloten, vennen, plassen en oude afgesneden meanders (BIJ12 kennisdocument Grote modderkruiper, 2017). Echter vereist deze soort een hoge aanwezigheid van watervegetatie, waardoor ook de grote modderkruiper kan worden uitgesloten. Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek, naast koolwitje, dagpauwoog en zes stippelig lieveheersbeestje, geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van de platte schijfhoren.

Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: aalscholver, buizerd, ekster, holenduif, houtduif, huismus, kauw, koolmees, meerkoet, pimpelmees en witte kwikstaart. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. In het braakliggende perceel is een plukplaats van aannemelijk een havik aangetroffen. De gevonden veren waren van één prooi, waardoor kan worden uitgesloten dat het een vaste plukplaats betreft. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als sperwer, ransuil en torenvalk kan uitgesloten worden. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig.

Gedurende de veldbezoeken is de planlocatie geïnspecteerd op sporen die duiden op het gebruik door uilen. Op en rondom de planlocatie zijn geen sporen als braakballen en uitwerpselen aangetroffen op plaatsen die potentieel kunnen dienen als uitkijkposten als hekwerken, paaltjes en bomen. Ook nabij de kas zijn geen sporen aangetroffen. Er is geen reden om aan te nemen dat de planlocatie onderdeel is van het foerageergebied van een steen- of kerkuil. Dit wordt ondersteund door het gebrek aan waarnemingen van steenuilen en kerkuilen op de planlocatie. In 2010 is een rustende steenuil waargenomen circa 800 m ten westen van de planlocatie, sindsdien zijn er geen uilen in de nabije omgeving gezien of gehoord. Een gebrek aan waarnemingen kan ook duiden op een gebrek aan waarnemers, maar in de NDFF zijn ruime hoeveelheden van waarnemingen van overige vogelsoorten aanwezig, wat er op duidt dat er wel degelijk waarnemers in Kerkdriel aanwezig zijn. Gezien het gebrek aan sporen en waarnemingen kan het voorkomen van essentieel foerageergebied uitgesloten worden. De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing, en bouwt zijn nesten onder dakpannen tegen het isolerende dakbeschot of in kieren in de muur. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten.

Daarnaast moet er beschutting zijn nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene planten, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Binnen het plangebied komt enkel bebouwing voor in de vorm van stallen, met een zadeldak met golfplaten en een kas met glazen wanden en -dak. Onder de golfplaten en glazen daken ontbreekt dakbeschot waardoor er geen structuur is waar de huismus een nest tegenaan kan bouwen. Bovendien lopen de temperaturen onder dergelijke daken hoog

7

op, waardoor jonge mussen kunnen overlijden. De aanwezigheid van nestlocaties van de huismus in deze bebouwing is derhalve uitgesloten. De woning aan de Hoorzik 14 is geïnspecteerd vanaf de openbare weg op mogelijke invliegopeningen voor huismus. Aannemelijk heeft het zadeldak een dakbeschot, waardoor theoretisch nestlocaties mogelijk zijn onder de dakpannen. Onder de dakpannen lijkt een constructie met houten betimmering aanwezig te zijn waardoor huismussen geen toegang kunnen krijgen tot de dakruimte (figuur 3), maar wegens het slechte overzicht kan het voorkomen van nestlocaties in de woning aan de Hoorzik 14 niet uitgesloten worden. Indien de woning aan de Hoorzik 14 gesloopt wordt, dient alvorens een aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden.

Figuur 3

De woning aan de Hoorzik 14 lijkt geschikt voor nestlocaties van huismussen. Er lijkt een houten betimmering aanwezig te zijn onder de dakpannen, maar het is niet goed zichtbaar of deze betimmering de toegang voor huismussen geheel verspert.

De beoogde ontwikkelingen leiden tot verwijdering van grote oppervlaktes groene delen. Echter liggen deze ver weg van woningen (> 50 m), waardoor het geen essentieel leefgebied van de huismus is. Gedurende de meest kwetsbare periode voor huismussen (broedperiode) dienen de essentiële foerageergebieden binnen 50 m van de nestlocatie aanwezig te zijn. De waargenomen huismussen betreffen foeragerende huismussen in tuinen aan de zuidkant van het plangebied (woningen aan de Hoorzik) en vallen buiten het plangebied. Van aantasting van functioneel leefgebied en nestlocaties van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken. Een vereiste voor broedmogelijkheid is dat het hoger ligt dan 3 m. Gierzwaluwen kunnen namelijk niet op eigen kracht opstijgen en moeten zich voor het eerste deel van hun vlucht laten vallen om snelheid te vergaren (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is een koloniebroeder en is derhalve vaak te vinden in woonwijken waar broedgelegenheid is in meerdere gebouwen. In landelijk gebied zijn gierzwaluwen vrij zeldzaam. Voor de gierzwaluw ontbreken invliegopeningen in de stallen en kas. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden.

Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en

8

de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of het Natuurnetwerk Nederland. De planlocatie ligt op een afstand van circa 460 m ten zuidwesten van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3). Ten aanzien van Natura 2000-gebieden wordt separaat een beoordeling gemaakt.

Figuur 3

De planlocatie ligt op een afstand van circa 460 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: gelderland.maps.arcgis.com).

Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

9

Binnen de beoogde werkzaamheden worden enkele bomen gekapt en boomgaarden verwijderd. Deze werkzaamheden vallen onder type a en c. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming. Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

10

Conclusies Samenvatting In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Het plangebied heeft, behoudens de woning aan de Hoorzik 14, geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De woning aan de Hoorzik 14 biedt mogelijke nestlocaties voor huismussen en/of verblijfplaatsen voor vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort +/-

-

+

-

-

n

n

n

-

n

j1

-

-

Geschikt habitat andere soort

-

+

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natuurnetwerk Nederland

460 m

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding / vergunning

Struiken

ja

ja

nee

Bomen

ja

ja

nee

j

-

+

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

1

-

broedvogels (j)

vissen

reptielen

amfibieën

vleermuizen

zoogdieren

- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)

vaatplanten

Legenda

broedvogels (a)

Tabel 2 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.

1. Indien de woning aan de Hoorzik 14 gesaneerd wordt dient er aanvullend onderzoek naar vleermuizen en huismussen uitgevoerd te worden. Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden, behoudens de woning aan de Hoorzik 14, niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Conclusie De beoogde realisatie van woningen in Kerkdriel-Noord leidt, behoudens de woning aan de Hoorzik 14 en mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming.

11

Vervolgstappen • Voor de sloop van de woning aan de Hoorzik 14 dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni. Een technische inspectie wordt uitgevoerd middels het lichten van dakpannen en inventariseren van nestlocaties buiten het broedseizoen, tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat oude nesten ook meegenomen worden. • Voor de sloop van de woning aan de Hoorzik 14 dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. De planlocatie heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.

Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

12

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.nationaalgeoregister.nl www.ndff-ecogrid.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.

Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. S. Schuuring

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

13

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

Voormalige kas gelegen op een akker binnen het plangebied.

Figuur 2

Binnen de planlocatie zijn twee te slopen opstallen aanwezig. Deze opstallen zijn ongeschikt voor beschermde soorten.

14

Figuur 3

Een van de boomgaarden binnen de planlocatie. Er zijn hier geen sporen aangetroffen van beschermde roofvogels of uilen.

Figuur 4

In het plangebied is een braakliggend perceel gelegen met bomen, struiken en hoge grassen.

15

Figuur 5

Plukplaats van aannemelijk een havik in het braakliggende perceel. Gezien de veren van één prooi afkomstig zijn, betreft het geen vaste plukplaats.

Figuur 6

16

Een van de graspercelen binnen het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10507917/1