CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Kadernota 2026-2029 (Vastgesteld college 27-5)

Informatiebijeenkomst 10 juni 2025, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Vragenronde kadernota 2026-20299.287 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Kadernota 2026-2029

Inhoudsopgave Inleiding Algemene kaders begroting 2026 Financieel beleid Thema's

3 5 6 9

Organisatie

9

Omdenken

10

Woningbouw

10

Maatschappelijk vastgoed

14

Transformatie sociaal domein

16

Investeringen

17

Beheer openbare ruimte

21

Onderwijshuisvesting

22

Kostendekkendheid leges

22

Gemeenschappelijke regelingen

23

Noodzakelijke of onvermijdbare activiteiten Financieel beeld Kadernota 2026

24 26

Kadernota 2026-2029 - 2

Inleiding We bevinden ons in een periode van stevige maatschappelijke en financiële uitdagingen. Deze vragen veel van onze organisatie, die zich niet alleen inzet voor de uitvoering van dagelijkse taken, maar ook werkt aan toekomstbestendigheid. We bouwen aan een wendbare, doelgerichte en bestuurskrachtige gemeente, die in staat is haar taken goed uit te voeren en het vertrouwen van samenleving en bestuur te behouden. Voor u ligt de Kadernota 2026–2029. Deze nota vormt het inhoudelijke en financiële afwegingskader op weg naar de programmabegroting. We zijn het proces gestart op basis van het meerjarenperspectief uit de begroting 2025, met de wens om te komen tot een meerjarig sluitende begroting 2026. Dat is gelukt; met veel dank voor de inzet van de organisatie. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat in april de Voorjaarsnota van het Kabinet is verschenen. Hieruit blijkt dat het zogenoemde “ravijnjaar” is verschoven naar 2028; de financiële effecten daarvan worden duidelijk bij de meicirculaire, die eind mei of begin juni wordt verwacht. Daardoor is het op dit moment nog niet mogelijk om volledige financiële conclusies te trekken. Om tot een samenhangende en sluitende begroting 2026–2029 te komen, is het noodzakelijk dat ook de effecten van het gemeentefonds en autonome ontwikkelingen worden betrokken.

Denk hierbij aan de gevolgen van de meicirculaire, cao-ontwikkelingen, de bestuursrapportage 2025 en de kosten van de gemeenschappelijke regelingen. Deze informatie is bij het opstellen van deze kadernota nog niet volledig beschikbaar en volgt via een raadsinformatiebrief eind juni. We wijzen alvast op enkele relevante ontwikkelingen. We verwachten dat de bestuursrapportage 2025 stijgende kosten laat zien op meerdere terreinen, waaronder: • het sociaal domein (met name Jeugd en Wmo), • energiekosten, • onderhoud van openbaar groen, • en onderhoud van sportaccommodaties en -velden. Deze ontwikkelingen zijn niet verwerkt in deze kadernota, maar zullen nadrukkelijk onderdeel zijn van het vervolgproces richting begroting. De verwachting is dat de autonome loon- en prijsontwikkelingen (waaronder ook die van de gemeenschappelijke regelingen) grotendeels gecompenseerd worden via de meicirculaire. Daarom worden deze onderdelen separaat aan u voorgelegd via een raadsinformatiebrief eind juni. Vanwege de huidige financiële situatie, mede veroorzaakt door de verwachte ravijnjaren, hanteren we een beleidsarme insteek. Gelet op de financiële positie van de gemeente Maasdriel, kunnen alleen noodzakelijke of onvermijdelijke activiteiten worden opgenomen. Dit betreft bijvoorbeeld investeringen die de continuïteit van de bedrijfsvoering borgen.

Tegelijkertijd zetten we stappen naar een realistischer begroting, door ramingen aan te passen op basis van actuele inzichten. Deze technische bijstellingen beperken de financiële ruimte, maar hebben geen directe impact op de uitvoering van taken en activiteiten.

Kadernota 2026-2029 - 3

Wij nodigen de raad uit om met deze kadernota richting te geven aan de opstelling van de begroting en kijken uit naar een open en constructieve bespreking.

Kadernota 2026-2029 - 4

Algemene kaders begroting 2026 Jaarlijks stelt de raad in de kadernota de financiële kaders en spelregels vast. Ze zijn het kader waarbinnen we het streven naar financiële rust en stabiliteit verder vormgeven. Bij het opstellen van de programmabegroting 2026 hanteren wij de volgende uitgangspunten: • We streven naar een begroting die meerjarig sluitend is, waarbij minimaal 2026 en 2027 sluitend zijn. Op basis van de voorjaarsnota van het Kabinet is dit ook wat de VNG adviseert in hun begrotingsadvies. • Uitgangspunt is de programmabegroting 2025 met de daarop vastgestelde wijzigingen. • We gaan voor het gemeentefonds uit van de meicirculaire 2025. • We stellen de begroting op in constante prijzen. Dit betekent dat elke jaarschijf zowel aan de kosten- als de opbrengstenkant op prijspeil 2026 is begroot (het eerste jaar van onze meerjarenbegroting). • In afwijking van de begroting 2025 hanteren we voor de bepaling van de hoogte van de uitkering uit het gemeentefonds geen constante maatstaven, maar nemen we verwachte ontwikkelingen mee in deze maatstaven. Bijvoorbeeld de groei van het aantal inwoners als gevolg van een toename van het aantal woningen.

• Indexering vindt plaats op de jaarschijf 2025: • Voor contracten waarbinnen we specifieke afspraken maakten over indexering volgen we die afspraken • Voor de overige materiële budgetten bepalen we een stelpost op basis van de CPI-index uit de meicirculaire 2025. • Voor salarissen gaan we uit van het principeakkoord CAO 2025-2026 • Voor verbonden partijen gaan we uit van de begrotingen 2026 van die partijen • De rekenrente investeringen en grondexploitaties stellen we voorlopig vast op 1,50%. • In afwijking van de financiële verordening is het bedrag voor onvoorziene uitgaven in de begroting 2026 en volgende jaren € 25.000 per jaar. Bij de eerstvolgende wijziging wordt de verordening hierop aangepast. • Voor belastingen, heffingen en leges geldt het volgende: • Voor de onroerendezaakbelasting (OZB) en hondenbelasting hanteren we een indexering CPI-index uit de meicirculaire 2025. Indien nodig voor een sluitende begroting wordt in de begroting een verdere verhoging van de OZB voorgesteld. • Voor de verblijfsbelasting gaan we uit van een tarief van € 2,00 per persoon per nacht (2025: € 1,83). • Voor de rioolheffing gaan we uit van een kostendekkend tarief. • Voor de leges gaan we uit van kostendekkend tarief of maximum rijkstarief.

Het college behoudt de ruimte om gemotiveerd af te wijken van genoemde uitgangspunten als de doorrekeningen, in aanloop naar de begroting, hiertoe aanleiding geven. Dit wordt toegelicht in de begroting 2026.

Kadernota 2026-2029 - 5

Financieel beleid Voor de Kadernota 2026 en de komende begrotingen hebben we een financieel kader gedefinieerd: • We hanteren als uitgangspunt dat alle begrotingen en doorrekeningen zowel realistisch als verantwoord moeten zijn. Dit betekent dat wij streven naar een reële begroting, gebaseerd op actuele inzichten, betrouwbare aannames en een transparante onderbouwing van kosten en opbrengsten. • Daarnaast is het van belang dat de financiering van activiteiten en diensten kostendekkend is, tenzij bewust wordt gekozen voor een maatschappelijke investering of beleidsmatige subsidiering. Kostendekkendheid zorgt voor een gezonde financiële basis, voorkomt structurele tekorten en draagt bij aan een evenwichtige verdeling van middelen. • Tot slot houden wij bij de bepaling van tarieven, vergoedingen en uitgaven rekening met marktconformiteit. Dit houdt in dat we prijzen en kosten spiegelen aan gangbare normen binnen de sector of regio, zodat onze financiële keuzes aansluiten bij externe ontwikkelingen en marktverwachtingen. Door deze drie principes te combineren, borgen we een duurzaam financieel beleid dat ruimte biedt voor beleidsontwikkeling, maar tegelijkertijd de financiële houdbaarheid en maatschappelijke legitimiteit van onze keuzes waarborgt.

Bij het opstellen van deze kadernota hebben we met deze principes in het achterhoofd alle gemeentelijke budgetten zorgvuldig doorgelicht. Dit heeft drie belangrijke inzichten opgeleverd die de basis vormen voor de tien thema’s die we in deze nota presenteren. • Ten eerste bevestigt deze analyse het beeld dat eerder, in 2024, is geschetst door JE Consultancy in de begrotingsscan: in onze basisbegroting is weinig ruimte voor structurele bezuinigingen. Dat betekent dat we in de afgelopen jaren al veel keuzes hebben gemaakt en efficiënt met onze middelen omgaan. • Ten tweede merken we dat op een aantal beleidsterreinen nog actuele afspraken of kaders ontbreken. Dit speelt bijvoorbeeld bij het verhalen van kosten in gebiedsontwikkeling, het beleid rond maatschappelijk vastgoed en het beheer van de openbare ruimte. Hier liggen kansen om het beleid aan te scherpen en tegelijkertijd de financiële onderbouwing te verbeteren. • Ten derde zien we mogelijkheden om de begroting te verbeteren door deze beter aan te laten sluiten op de praktijk. Door ramingen bij te stellen op basis van recente cijfers en op onderdelen de financiële techniek te verbeteren, ontstaat een realistischer begroting. Dit noemen we realistisch begroten. Het zorgt niet voor directe besparingen op taken of activiteiten, maar maakt onze begroting wel strakker en minder ruim begroot.

Op basis van deze inzichten hebben we onderwerpen geselecteerd die bijdragen aan een sterke organisatie én een houdbare begroting. Deze onderwerpen hebben we gebundeld in tien thema’s. Daarbij hebben we niet alleen gekeken naar mogelijke ombuigingen, maar ook naar het versterken van beleid en het verbeteren van onze sturingsmogelijkheden. Deze tien thema’s vormen samen de inhoudelijke kern van deze kadernota. Overkoepelend zien we ook mogelijkheden om de begroting te verbeteren op basis van actuele inzichten, een andere benadering te kiezen voor ramingen of leges en tarieven kostendekkend te maken:

Kadernota 2026-2029 - 6

Bijstelling op basis van

2026

2027

2028

2029

520.000

520.000

470.000

470.000

Andere benadering

530.000

700.000

980.000

1.300.000

Verhogen kostendekkendheid

350.000

350.000

350.000

350.000

Doorberekening overhead

500.000

500.000

500.000

500.000

Financieringsbehoefte

120.000

300.000

350.000

400.000

2.020.000

2.370.000

2.650.000

3.020.000

Actueel inzicht

Totaal

Actueel inzicht We stellen een aantal budgetten bij op basis van feitelijke ontwikkelingen. Het gaat daarbij om situaties waarin structureel minder wordt uitgegeven dan begroot (onderuitputting) of waarin de werkelijke inkomsten hoger zijn dan geraamd. Het bijstellen van deze budgetten heeft geen gevolgen voor de uitvoering van de bijbehorende taken en activiteiten. Deze technische aanpassing draagt bij aan een realistischer begrotingsbeeld.

Andere benadering In de begroting 2026 hanteren we voor een aantal onderdelen een andere benadering dan in voorgaande jaren. Daarmee sluiten we beter aan bij de actualiteit, het tijdelijke karakter van sommige uitgaven en het streven naar een houdbare begroting: • Gemeentefonds: we verwerken de ontwikkeling van maatstaven, zoals het aantal inwoners en woningen, structureel in de raming. Een groei van het inwonertal leidt bijvoorbeeld tot een hogere algemene uitkering. Dit is nader toegelicht in thema Woningbouw. • Aandachtsdossiers: voor tijdelijke onderwerpen, zoals aandachtsdossiers, nemen we voortaan geen structurele budgetten meer op. In plaats daarvan worden deze voor maximaal twee jaar geraamd, passend bij het tijdelijke karakter van deze dossiers. • Preventie in het sociaal domein: in de begroting 2024 is op basis van een amendement structureel budget opgenomen voor preventieve maatregelen. We stellen nu voor om deze middelen tijdelijk te dekken vanuit het gemeentefonds en/of de algemene reserve. Na afronding van het programma Transformatie Sociaal Domein dienen deze kosten te worden opgevangen binnen het reguliere budget voor het sociaal domein. Een toelichting is opgenomen in thema Transformatie Sociaal Domein. • Post onvoorzien: Deze post is bedoeld voor uitgaven die onvoorzien, onvermijdbaar en onuitstelbaar zijn en waarvoor geen apart budget is opgenomen.

De huidige omvang van deze post bedraagt € 75.000 (ongeveer € 3 per inwoner). Gezien het gebruik in voorgaande jaren stellen we voor om dit bedrag te verlagen naar € 25.000 (circa € 1 per inwoner). Hiermee blijft de post toereikend én sluit deze beter aan bij de feitelijke inzet.

Verhogen kostendekkendheid Een belangrijk financieel uitgangspunt is dat leges en tarieven waar mogelijk kostendekkend zijn. Dit betekent dat de opbrengsten de kosten van de bijbehorende dienstverlening dekken. Voor enkele onderdelen, zoals de verordening voor nutsvoorzieningen (kabels en leidingen), lijkbezorgingsrechten en omgevingsvergunningen, constateren wij dat er nog ruimte is om verder te groeien naar volledige kostendekkendheid. In de aanloop naar de begroting 2026 verkennen wij daarom de mogelijkheden om deze tarieven waar nodig en verantwoord bij te stellen. Hiermee verbeteren we de transparantie en evenwichtigheid van onze begroting.

Kadernota 2026-2029 - 7

Doorberekening overhead Voor de dekking van overheadkosten geldt dat deze deels kunnen worden toegerekend aan projecten en activiteiten. Zo worden bij de rioolheffing en bij ruimtelijke ontwikkelingen de bijbehorende ambtelijke kosten doorberekend aan respectievelijk de tarieven en externe initiatiefnemers. Wij hanteren hierbij de definities uit het Besluit Begroten en Verantwoorden (BBV) voor het bepalen van wat tot de overhead behoort. De financiële verordening schrijft daarnaast voor dat het overheadtarief wordt gebaseerd op een verhouding tussen de overheadkosten en de directe loonkosten. In de begroting 2025 is uitgegaan van een bredere grondslag, namelijk directe én indirecte loonkosten. Voor de begroting 2026 stellen wij het overheadtarief vast conform de financiële verordening. Dit leidt tot een begrotingsvoordeel van circa € 0,5 miljoen per jaar. De extra kosten die hieruit voortvloeien, worden toegerekend aan investeringskredieten, anterieure overeenkomsten en grondexploitaties. Binnen deze projecten wordt doorgaans gewerkt met vaste opslagpercentages, zoals VAT-kosten of via de plankostenscan, waardoor het hogere overheadtarief opgevangen kan worden. Wel vraagt dit om meer gerichte sturing op de inzet van personeel binnen deze projecten, om financiële overschrijdingen te voorkomen.

Financieringsbehoefte Bij de raming van de financieringsbehoefte kijken we niet naar baten en lasten, maar naar kasstromen: hoeveel geld komt er binnen en hoeveel gaat eruit? Deze kasstromen bepalen hoeveel financiering (liquiditeit) nodig is. Voor gemeenten is het inschatten van deze behoefte lastiger dan voor bijvoorbeeld bedrijven of woningcorporaties. Dit komt vooral door de onvoorspelbaarheid van uitkeringen vanuit het Rijk, die soms pas aan het eind van het jaar worden toegekend. Daarnaast speelt de zogenaamde "boeggolf" aan investeringen een rol. Sinds 2016/2017 zijn gemeenten verplicht een geprognosticeerde balans op te nemen in de begroting. Daarin worden verwachte investeringen opgenomen, maar in de praktijk blijkt dat slechts een deel daarvan wordt uitgevoerd. Uit onze jaarrekeningen blijkt dat gemiddeld bijna 30% van het beschikbare krediet wordt benut. Dit komt neer op een jaarlijkse investering van ongeveer € 7,5 miljoen – in lijn met landelijke cijfers voor vergelijkbare gemeenten. Als we bij de raming van de financieringsbehoefte uitgaan van deze realistische investeringsomvang, vallen de verwachte rentelasten lager uit dan nu in de meerjarenbegroting is opgenomen. Dit zorgt voor een betrouwbaarder financieel beeld.

Kadernota 2026-2029 - 8

Thema's Organisatie Het bestuurskrachtonderzoek heeft aangetoond dat de gemeente Maasdriel structurele versterking van haar organisatie nodig heeft om haar ambities te realiseren. De bestuurlijke complexiteit en de toenemende maatschappelijke opgaven vereisen een herijking van onze werkwijze en een versterking van de ambtelijke organisatie. Op basis van de conclusies uit het bestuurskrachtonderzoek zijn we aan de slag gegaan met de drie sporen: 1. Realistische ambities: Het ontwikkelen van een afwegingskader en inzicht in de uitvoeringskracht. Dit betekent dat we scherper kijken naar wat haalbaar is binnen de huidige capaciteit en waar extra inzet noodzakelijk is. 2. Besturings- en organisatiefilosofie: Implementatie en doorontwikkeling van de "Maasdrielse Manieren". Hiermee wordt een cultuurverandering ingezet waarbij samenwerken en integrale besluitvorming centraal staan. 3. Toekomstbestendige organisatie: Het ontwikkelen van een samenhangende organisatievisie en de implementatie daarvan.

Huidige stand van zaken In maart 2025 heeft een eerste sessie plaatsgevonden met het (deels hernieuwde) managementteam van de gemeente. Tijdens deze sessie zijn de belangrijkste thema's en speerpunten geïnventariseerd. De volgende thema's zijn benoemd als leidend voor de organisatieontwikkeling: • Organisatievisie: Een gedeelde visie ontwikkelen en concretiseren van de "Maasdrielse Manieren". Dit is de basis voor de verdere professionalisering van onze ambtelijke organisatie. • MT-ontwikkeling: Versterken van het strategisch en tactisch leiderschap binnen het managementteam, aan de hand van leiderschapstrainingen en intervisiesessies. • Ruimtelijk en Sociaal Domein: Efficiënter samenwerken tussen deze beleidsterreinen door te zoeken naar koppelkansen en een betere afstemming van de processen. • Burgerzaken: Verbetering van kwaliteit en werkwijze, met oog op groei. Er wordt gekeken naar de implementatie van digitale innovaties en een efficiëntere afhandeling van burgerverzoeken. • Excellente dienstverlening: Onze ambitie is om de dienstverlening naar een hoger niveau te tillen: een snellere afhandeling van verzoeken, proactieve communicatie en verbeterde toegankelijkheid van onze diensten. • Bestuurlijk-ambtelijk samenspel: Duidelijke rolverdeling en samenwerking, met aandacht voor de onderlinge verwachtingen en besluitvormingsprocessen.

• BVEB: onderzoek naar het meest duurzame toekomstperspectief voor de bedrijfsvoering van beide gemeenten.

Uitgaan van eigen kracht In de komende periode vertalen wij de bovengenoemde thema’s naar een ontwikkelplan voor 2025-2026. Het managementteam zal - onder begeleiding – werken aan de volgende ontwikkelvragen:

Kadernota 2026-2029 - 9

1. Wat willen we zijn? Doorleven en verrijken van de "Maasdrielse Manieren". inclusief een heldere positionering en het bepalen van de kernwaarden van onze gemeente. 2. Hoe gaan we dat zijn? Ontwikkeling van een nieuwe organisatie-inrichting (verder dan onze structuur), waarbij we samen bepalen hoe functies en afdelingen optimaal kunnen samenwerken. 3. Wat gaan we daarvoor doen? Vaststellen van speerpunten en eigenaarschap in het managementteam. Dit betekent dat er concrete actieplannen worden opgesteld en verantwoordelijke teams worden aangewezen. 4. Hoe gaan we dat bereiken? Opzet van een programmatische aanpak met sturing op van te voren bepaalde mijlpalen en meetbare doelen voor 2025 en 2026, zodat directie en MT hierop kunnen sturen. Een belangrijk aandachtspunt is de afbouw van externe inhuur. Wij investeren in eigen personeel door middel van opleidingen en carrièremogelijkheden, om zo de interne expertise en daadkracht te versterken. Met het ontwikkelplan 2025-2026 denken we het niet alleen beter te gaan doen, maar gaan we ook slimmer en efficiënter werken. Voor de organisatieontwikkeling zijn in de begroting 2025 incidentele middelen beschikbaar gesteld voor de periode 2025-2027. We verwachten dat we vanaf 2027 een voordeel op de organisatiekosten kunnen behalen.

Omdenken In aanloop naar de kadernota is dit thema geïntroduceerd met de nadrukkelijke bedoeling het als blijvend aandachtspunt te blijven agenderen. Wij vinden het belangrijk om voortdurend te blijven reflecteren op onze manier van werken en organiseren. Zijn onze werkwijzen nog passend? Kunnen zaken slimmer, efficiënter of effectiever worden ingericht? Bij dit thema zijn verschillende onderwerpen aan de orde gekomen, zoals het aanpassen van de openingstijden van het gemeentehuis en het versoberen van personeelsregelingen. We constateren dat dergelijke voorstellen vaak een directe impact hebben op de kwaliteit van onze dienstverlening en de tevredenheid van medewerkers. Op dit moment achten wij het niet noodzakelijk om zulke ingrijpende maatregelen te nemen. Toch heeft de discussie ons aan het denken gezet. Eén van de ideeën die is geopperd, is het inzetten van een subsidioloog. Onlangs hebben we hierover een eerste gesprek gevoerd met een partij die ons kan ondersteunen bij het vinden en verkrijgen van subsidies voor onze projecten. We zien hierin concrete mogelijkheden om onze inkomsten te verhogen.

Woningbouw Maasdriel staat voor een omvangrijke woningbouwopgave, die zich uitstrekt over de nabije en verdere toekomst. Er zijn concrete plannen voor de korte termijn, evenals voorlopige ideeën voor uitbreidingsrichtingen op de langere termijn. De uitbreiding van het woningaanbod heeft gevolgen voor verschillende terreinen, zowel aan de kostenals de inkomstenkant van de gemeentelijke financiën. Het is belangrijk dat we deze effecten in kaart brengen, kwantificeren en vervolgens vertalen naar de begroting, zodat we een realistische en goed onderbouwde financiële planning kunnen maken. Tot op heden werd in de begroting geen rekening gehouden met de autonome groei van het aantal woningen en het aantal inwoners in Maasdriel. Dit was niet geheel realistisch, gezien de verwachte ontwikkelingen in de komende jaren. Op basis van de Woondeal en het projectenoverzicht verwachten we een aanzienlijke toename

Kadernota 2026-2029 - 10

van zowel het aantal woningen als het aantal inwoners in de gemeente. Deze groei heeft directe financiële gevolgen, zowel aan de inkomstenkant als de uitgavenkant. Aan de inkomstenkant zullen bijvoorbeeld de belastinginkomsten, zoals de onroerendezaakbelasting (OZB), stijgen door de toename van het aantal woningen. Daarnaast zal de omvang van het Gemeentefonds maar toenemen, aangezien de verdeling van middelen deels afhankelijk is van het aantal inwoners en woningen in de gemeente. Aan de uitgavenkant nemen echter ook de kosten toe. De kosten voor het beheer en onderhoud van de openbare ruimte zullen stijgen door de uitbreiding van het areaal en het intensievere gebruik van de infrastructuur. Daarnaast zullen er hogere investeringskosten zijn voor het (OZB), stijgen door de toename van het aantal woningen. Daarnaast zal de omvang van het Gemeentefonds naar toenemen, aangezien de verdeling van middelen deels afhankelijk is van het aantal inwoners en woningen in de gemeente. Aan de uitgavenkant nemen echter ook de kosten toe. De kosten voor het beheer en onderhoud van de openbare ruimte zullen stijgen door de uitbreiding van het areaal en het intensievere gebruik van de infrastructuur. Daarnaast zullen er hogere investeringskosten zijn voor het uitbreiden en verbeteren van voorzieningen en infrastructuur die de groei van het aantal woningen met zich meebrengt.

Een kwantificering van deze effecten laat zien dat de extra opbrengsten door de groei van het aantal woningen en inwoners de kosten zullen overtreffen. Dit biedt een positieve financiële verwachting voor de komende jaren, al is het belangrijk te benadrukken dat deze uitkomst afhankelijk is van het daadwerkelijke realisatiepercentage van de woningbouwprojecten. In de begroting voor 2026 willen we uitgegaan van een voorzichtig realisatiepercentage van 50%, wat een conservatieve benadering is om een realistisch beeld van de verwachte inkomsten en uitgaven te geven. Dit percentage kan in de toekomst bijgesteld worden, afhankelijk van de voortgang van de woningbouw en de realisatie van de geplande projecten. Door deze effecten en mogelijkheden in beeld te brengen, kunnen we de begroting beter afstemmen op de verwachte ontwikkelingen en zorgen voor een verantwoorde financiële uitvoering van de woningbouwopgave in Maasdriel.

Grondbeleid Direct na de zomer wordt de nieuwe Nota Grondbeleid voor vaststelling aangeboden aan uw raad. De Notitie grondprijzen 2025 is in mei door het college vastgesteld. Op basis van deze stukken en achtergrondonderzoek zijn de volgende bevindingen gedaan die effect kunnen hebben op de financiële huishouding van de gemeente: • Opbrengsten genereren door middel van de actieve verkoop van reststroken zal waarschijnlijk per saldo niets opleveren. Vaak is er sprake van (een beroep op) verjaring. De extra grondopbrengsten staan dan niet in verhouding tot de (procedure)kosten. • Het verkopen van verhuurde/verpachte grond kan zorgen voor een kleine opbrengst. • De grondprijzen zijn met de nieuwe Notitie grondprijzen 2025 flink gestegen en daarmee ook de potentiële opbrengsten. • De nieuwe Notitie grondprijzen 2025 bevat hogere huurprijzen. Dit zorgt voor een betere balans tussen de daarmee gemoeide kosten van de gemeente en de huuropbrengst. • Toekomstige afspraken over grondprijzen met projectontwikkelaars moeten we beter staven op basis van marktwaarde, waarbij we zeggenschap blijven behouden over de grondprijs.

Kadernota 2026-2029 - 11

• Het opnemen van een anti speculatiebeding voorkomt prijsopdrijving en zorgt ervoor dat de woningmarkt voor eigen bewoners toegankelijk blijft.

Kostenverhaal en bovenwijkse voorzieningen Bij initiatieven voor nieuwe ontwikkelingen worden de plankosten doorgaans verhaald op de initiatiefnemer of ontwikkelaar via zogenaamde anterieure overeenkomsten. Om de plankosten vooraf goed in te schatten, kan gebruik worden gemaakt van de landelijke plankostenscan of van de standaardbedragen uit de lokale legesverordening. Intern onderzoek heeft aangetoond dat de plankostenscan financieel gezien de beste keuze is, aangezien deze regelmatig wordt geactualiseerd en marktconform is. Daarom wordt voortaan altijd de plankostenscan gehanteerd bij het opstellen van een anterieure overeenkomst. Daarnaast is onderzocht of het mogelijk is om de bedragen uit de anterieure overeenkomsten te indexeren. Dit is alleen mogelijk als dit vooraf expliciet wordt vastgelegd. Bestaande overeenkomsten kunnen dus niet met terugwerkende kracht worden geïndexeerd. Ter illustratie: als de bestaande overeenkomsten vanaf 2021 jaarlijks met 3% waren geïndexeerd, zou dit ongeveer € 144.000 extra hebben opgebracht (inclusief bijdrage aan plankosten en bovenwijkse voorzieningen). In de nieuwe standaardovereenkomsten is indexatie inmiddels opgenomen. Op dit moment wordt er gewerkt aan een nieuwe Nota bovenwijkse voorzieningen.

In afwachting daarvan is het belangrijk vast te stellen welke investeringen de komende jaren nodig zijn voor bovenwijkse voorzieningen en in hoeverre financiële bijdragen afdwingbaar zijn. Dit zal afhangen van het totale investeringsvolume van de geplande projecten op het gebied van infrastructuur, recreatie en natuur. Het totale volume wordt bijvoorbeeld beïnvloed door de herijking van de ZOR (Zorg en Ruimte). Er kan echter al wel een globale inschatting worden gemaakt: van elke € 10 miljoen aan geplande bovenwijkse kosten wordt ongeveer € 800.000 verhaald. De uitdaging voor de komende periode is om een gedetailleerde lijst op te stellen van alle investeringen die kwalificeren als bovenwijkse voorzieningen of waarvoor afdwingbare financiële bijdragen mogelijk zijn. Op basis van de huidige nota kostenverhaal wordt € 15 per m² uitgeefbare grond in rekening gebracht als bijdrage aan bovenwijkse voorzieningen. Bij een nieuwbouwproject van circa 1.000 woningen, met een gemiddelde kaveloppervlakte van 200 m², zou de totaal te verhalen bijdrage aan bovenwijkse voorzieningen ongeveer € 3 miljoen bedragen (1.000 x 200 x € 15).

Het is op dit moment nog lastig te voorspellen of de uiteindelijke bijdrage op basis van het nieuw vast te stellen programma kostenverhaal en financiële bijdragen hoger of lager zal uitvallen, aangezien dit afhankelijk is van het nog vast te stellen investeringsvolume.

Subsidies en andere bijdragen Verevening sociale woningbouw In 2023 is door uw raad de Verordening verevening sociale woningbouw Maasdriel vastgesteld. Op basis van deze verordening wordt bij woningbouwontwikkelingen waarin onvoldoende sociale huurwoningen worden gerealiseerd, een financiële vereveningsbijdrage gevraagd. Deze bijdrage is bedoeld om via andere projecten alsnog het gemeentelijk doel voor sociale woningbouw te realiseren.

Kadernota 2026-2029 - 12

In de praktijk blijkt echter dat de vereveningsbijdrage die op grond van de verordening gevraagd moet worden bij kleine woningbouwplannen – concreet: ontwikkelingen van drie of minder woningen – relatief hoog en disproportioneel uitvalt. Om deze reden maakt het college bij deze kleine initiatieven momenteel gebruik van de hardheidsclausule in de verordening en wordt in deze gevallen geen bijdrage opgelegd. Sinds september 2022 zijn circa 32 woningen gerealiseerd binnen dit soort kleinschalige plannen, gemiddeld ongeveer 13 woningen per jaar. Volgens de uitgangspunten uit de woonvisie zouden hiervan 35% – oftewel 4 à 5 woningen – binnen de sociale huursector gerealiseerd moeten worden. Deze woningen worden nu echter niet gecompenseerd, wat de druk verhoogt op grotere ontwikkellocaties om alsnog aan het gemeentebrede sociale woningbouwpercentage te voldoen. De huidige toepassing van de hardheidsclausule biedt daarbij geen prikkel – ook niet financieel – om deze scheefgroei te corrigeren. Uit een vergelijkend onderzoek onder 15 andere gemeenten blijkt dat, wanneer de hoogste en laagste waarden buiten beschouwing worden gelaten, de gemiddelde vereveningsbijdrage bij kleine plannen neerkomt op circa € 68.000 per ontbrekende sociale huurwoning.

Indien ook in Maasdriel een dergelijke bijdrage zou worden toegepast op kleinschalige plannen, zou dit naar verwachting een jaarlijkse opbrengst van gemiddeld circa € 300.000 betekenen ten gunste van het sociale vereveningsfonds. Een dergelijke aanpassing vereist een wijziging van de huidige verordening. De eventuele extra opbrengsten tellen niet mee in het begrotingssaldo, maar worden toegevoegd aan de bestaande reserve Verevening sociale woningbouw. Deze reserve wordt specifiek ingezet voor projecten waarin (extra) sociale huurwoningen worden gerealiseerd. We stellen voor om de verordening te herzien, zodat ook bij kleine woningbouwinitiatieven een redelijke, proportionele vereveningsbijdrage kan worden gevraagd. Hiermee wordt het gemeentelijke woonbeleid op een meer evenwichtige en structurele wijze ondersteund.

Realisatiestimulans Het Rijk heeft als doel om jaarlijks 100.000 nieuwe woningen te realiseren. Om gemeenten te stimuleren extra betaalbare woningen te bouwen, wordt momenteel gewerkt aan een landelijke regeling: de Realisatiestimulans betaalbare woningbouw. Deze regeling zal naar verwachting gelden tot en met 2029 en voorziet in een vaste financiële bijdrage per gerealiseerde betaalbare woning. Gemeenten ontvangen deze bijdrage op het moment dat de woningen daadwerkelijk worden opgeleverd. De stimulans geldt voor sociale huurwoningen, middenhuurwoningen en betaalbare koopwoningen, en is daarmee een gericht instrument om het aandeel betaalbare woningen binnen woningbouwplannen te vergroten. Op basis van een voorzichtige inschatting van het realisatiepercentage (circa 50%) en een voorlopig geschat bedrag van € 4.500 per betaalbare woning, wordt voor Maasdriel uitgegaan van een gemiddelde jaarlijkse opbrengst van circa € 350.000 uit deze regeling. Dit betreft incidentele inkomsten, die voor de komende jaren wel worden opgenomen in de begroting, maar geen effect hebben op het structurele begrotingssaldo.

Kadernota 2026-2029 - 13

De regeling biedt een kans om de financiële uitvoerbaarheid van woningbouwprojecten met een substantieel aandeel betaalbare woningen te versterken en vormt daarmee een waardevolle aanvulling op het gemeentelijk woonbeleid.

Leegstandsbelasting In Vlaanderen bestaat al geruime tijd de mogelijkheid voor gemeenten om een belasting op te leggen bij langdurige leegstand van woningen of panden. Deze maatregel wordt daar breed toegepast: circa 90% van de Vlaamse gemeenten maakt er gebruik van. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is positief over dit instrument en pleit voor invoering van een vergelijkbare lokale heffing in Nederland. Daarbij wordt gepleit voor maatwerk en het principe dat de bewijslast bij de eigenaar van het pand ligt. Ook in onze gemeente speelt het vraagstuk van langdurige leegstand. Volgens een recent krantenbericht (maart 2025) zijn er op dit moment ongeveer 90 langdurig leegstaande woningen in Maasdriel. Indien een leegstandsbelasting van gemiddeld € 3.000 per woning zou worden ingevoerd, zou dit potentieel circa € 270.000 aan extra inkomsten kunnen opleveren. Het heffen van een dergelijke belasting is op dit moment in Nederland echter nog niet mogelijk; daarvoor is een wetswijziging noodzakelijk. Over dit onderwerp vindt momenteel landelijke discussie plaats. Mocht de wettelijke grondslag voor een leegstandsbelasting tot stand komen, dan zal het college een voorstel uitwerken voor invoering van deze heffing in Maasdriel.

Het doel hiervan is niet primair het genereren van extra inkomsten, maar vooral het stimuleren van beter gebruik van de bestaande woningvoorraad, in lijn met het gemeentelijke woningbouw- en leefbaarheidsbeleid.

Maatschappelijk vastgoed Maatschappelijk vastgoed gaat over gemeentelijke gebouwen of terreinen met een publieke functie op het gebied van onderwijs, welzijn, cultuur of sport, waarin maatschappelijke diensten aan inwoners worden verleend of door inwoners zelf worden gecreëerd en waarvan de exploitatie (gedeeltelijk) door gemeentelijke middelen mogelijk wordt gemaakt. Hier gaat het bijvoorbeeld over hoe we willen omgaan met sportvelden en dorpshuizen: welke huur rekenen we voor maatschappelijke of commerciële activiteiten, kunnen we functies samenvoegen en wat verwachten we van onze inwoners en verenigingen als het gaat om zelfwerkzaamheid. Het doel van het maatschappelijk vastgoedbeleid is om richting te geven aan de ontwikkeling van een toekomstbestendige, doelmatige en maatschappelijk relevante vastgoedportefeuille. Het beleid moet inspelen op landelijke trends en kaders, maar vooral ook handvatten bieden voor het maken van integrale en onderbouwde keuzes binnen de lokale context van Maasdriel. Het biedt een strategisch kader voor de inzet van gemeentelijk vastgoed bij het realiseren van maatschappelijke doelen én het voldoen aan wettelijke verplichtingen, zoals onderwijshuisvesting en verduurzaming.

Daarnaast heeft het beleid tot doel om op basis van duidelijke beleidsuitgangspunten te bepalen welke functies, voorzieningen en gebouwen op termijn nodig zijn, hoe deze efficiënt en duurzaam kunnen worden ingezet, en hoe de beschikbare middelen het best kunnen worden benut. Het vormt daarmee de basis voor het maken van afgewogen investeringskeuzes, het versterken van samenwerking met maatschappelijke partners, en het optimaliseren van beheer, gebruik en exploitatie van het vastgoed.

Kadernota 2026-2029 - 14

Het beleid dient sturing te geven/rekening te houden met specifieke lokale opgaven voor Maasdriel, waaronder: • het herijken van de functie en rol van dorpshuizen en gemeenschapsvoorzieningen; • het toekomstbestendig maken van het sportaccommodatielandschap, met oog voor multifunctionaliteit; • het realiseren van verduurzaming binnen het gemeentelijk vastgoed, conform wettelijke verplichtingen; • het waarborgen van voldoende, passende en toegankelijke onderwijshuisvesting, inclusief voorzieningen voor bewegingsonderwijs; • en het maken van verstandige keuzes in een periode van financiële krapte, richting het zogeheten ‘ravijnjaar’. Op dit moment werken we aan het actualiseren van dit beleid. We verwachten dit eind 2025 ter besluitvorming voor te leggen. Vooruitlopend op dit beleid zien we twee belangrijke onderwerpen: het invoeren van kostprijsdekkende huurtarieven en het verruimen van de mogelijkheden om het vastgoed in te zetten voor commerciële activiteiten.

Huurinkomsten Op dit moment wordt het vastgoed (dorpshuizen en multifunctionele centra) verhuurd tegen een tarief wat niet kostprijsdekkend is. De Wet Markt en Overheid (Wet M&O) verplicht gemeenten bij economische activiteiten minimaal de integrale kostprijs in rekening te brengen, tenzij het gaat om een voorziening van algemeen belang. De gemeente Maasdriel heeft in 2014 al het maatschappelijk vastgoed als ‘algemeen belang’ aangemerkt. Hierdoor geldt een uitzonderingspositie op de Wet M&O en is kostprijsdekkende huur op dit moment juridisch niet verplicht. Indien de raad besluit de aanwijzing 'algemeen belang' in te trekken, ontstaat de mogelijkheid om de Wet M&O toe te passen. Hierna kunnen we de huur verhogen tot kostprijsniveau en worden dorpshuisstichtingen gestimuleerd om efficiënter te exploiteren. We introduceren tegelijk een exploitatiesubsidie, gericht op maatschappelijke meerwaarde. Dit levert meer inzicht op de activiteiten die plaatsvinden in ons maatschappelijk vastgoed. De huursubsidie kan worden gekoppeld aan prestatieafspraken met de dorpshuizen. Denk aan: • Programma-aanbod voor specifieke doelgroepen (jeugd, ouderen, kwetsbaren) • Openingstijden en beschikbaarheid voor verenigingen • Inzicht in financiën, gebruik en maatschappelijke output De voordelen zijn een structurele inkomstenstijging, gelijke behandeling t.o.v.

marktpartijen en heldere afspraken over inzet gemeenschapsgeld. De risico’s zijn dat de druk op de exploitatie bij dorpshuizen toeneemt. Op basis van de huidige begrote kosten en opbrengsten zal een marktconforme huur een verhoging van de inkomsten van € 500.000 betekenen. Hier staat een exploitatiesubsidie tegenover, die we in het eerste jaar voor hetzelfde bedrag ramen. We hanteren de aanname dat we in de jaren erna kunnen toegroeien naar een subsidie die 10% lager ligt, wat een voordeel op de gemeentelijke begroting zou betekenen van € 50.000.

Commerciële activiteiten Een mogelijkheid om meer inkomsten te genereren, en bij te dragen aan het realiseren van de verlaging van de exploitatiesubsidie, is het toestaan van meer commerciële activiteiten, denk aan zakelijke bijeenkomsten, workshops en trainingen of kleinschalige horeca en evenementen. Het verdienvermogen wordt versterkt en voor

Kadernota 2026-2029 - 15

de gemeente nemen de kosten af. Hiervoor zijn wellicht wijzigingen in bestemmingsplannen en/of vergunningen nodig. De gemeente kan randvoorwaarden stellen aan de commerciële invulling (bijv. geen oneerlijke concurrentie, balans maatschappelijk gebruik). In contracten kunnen we vastleggen hoe opbrengsten deels worden aangewend voor maatschappelijke instellingen (bijv. lagere huurtarieven voor verenigingen of jeugdactiviteiten). Het resultaat is financieel sterkere dorpshuizen, met een evenwicht tussen commerciële en maatschappelijke functies.

Transformatie sociaal domein De Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028 (hierna te noemen: Hervormingsagenda) is in juni 2023 vastgesteld door het Rijk. Het doel van de Hervormingsagenda is om knelpunten in de jeugdzorg structureel aan te pakken en het jeugdzorgstelsel financieel houdbaar te maken voor de toekomst. Dat houdt in: betere en tijdige zorg en ondersteuning voor jeugdigen en hun gezin, op de juiste plek en wanneer dit nodig is. De Hervormingsagenda richt zich op zeven verschillende maatregelen. Op alle maatregelen zijn verschillende partijen aan zet (het Rijk, de VNG en de lokale gemeenten). Iedere gemeente in Nederland heeft de opgave om aan de slag te gaan met de maatregelen uit de Hervormingsagenda. Programma Transformatie Sociaal Domein Binnen de gemeente Maasdriel zien we dat niet alleen het jeugdzorgstelsel inhoudelijk en financieel niet meer houdbaar is, maar dat überhaupt het zorgstelsel een transformatie nodig heeft. Daarom zetten wij op basis van de thema’s van de Hervormingsagenda een transformatie in voor het gehele Sociaal Domein. De focus ligt hierbij op jeugd en Wmo, maar ook andere domeinen uit het Sociaal Domein zoals sociale basis, onderwijs en schuldhulpverlening spelen hierin een rol. Het Sociaal Domein is volop in ontwikkeling en dit zal ook altijd zo blijven.

We hebben én krijgen te maken met uiteenlopende (landelijke) maatschappelijke opgaven die op verschillende maatschappelijke domeinen spelen. Het is noodzakelijk om toekomstbestendig te zijn en te blijven. Daarvoor moeten we onze dienst- en hulpverlening veranderen en verbeteren, om betrouwbaar, toegankelijk en wendbaar te zijn en aan te kunnen sluiten bij de complexiteit van de maatschappij. Om het Sociaal Domein in Maasdriel betaalbaar en toekomstbestendig te houden, moeten we investeren in transformeren en innoveren. In lijn met de landelijke opgaven. Dat vraagt om een heldere koers, een lange adem en (financiële) ruimte. In de overtuiging dat dit in de toekomst rendement gaat opleveren en resulteert in kwalitatief hoogwaardige, maar ook toekomstbestendige hulp- en dienstverlening aan onze inwoners. Om dit te bereiken vallen er onder de Transformatie Sociaal Domein vijf projecten die elk bijdragen aan bovenstaande doelstelling. Het gaat hierbij om stevige lokale teams, steunende leefomgeving, integrale aanpak, datagestuurd werken en goede randvoorwaarden. De projecten hebben een doorlooptijd van drie jaar, waarbij het project stevige lokale teams de eerste prioriteit heeft. Hieronder staat het beoogde resultaat per project beschreven.

Kadernota 2026-2029 - 16

Projectnaam

Beoogd resultaat We hebben een laagdrempelig toegankelijk en integraal stevig lokaal team met onder andere de volgende kenmerken: § Juiste expertise, tijd, ruimte en mandaat; § Dichtbij de inwoners;

Stevige lokale teams

§ Outreachend; § Preventief werken; § Bieden zelf passende en samenhangende basishulp; § Goede visie op regie; § Roepen op tijd de juiste expertise erbij. We hebben een steunende leefomgeving waar inwoners met hun

Steunende leefomgeving

vragen op een laagdrempelige manier terecht kunnen, dichtbij, in de wijk vanuit het basisprincipe dat niet op elke hulpvraag een zorgantwoord nodig is. We pakken problematiek vanuit de context van de inwoner op. We

Integrale aanpak

hebben hiervoor goede afspraken over de grenzen van de domeinen heen over rollen en verantwoordelijkheden met bijvoorbeeld bestaanszekerheid, onderwijs en kinderopvang en 18- en 18+. We hebben een goede kwaliteit en beschikbaarheid van data. We kunnen daarmee het functioneren van het sociaal domein in beeld

Datagestuurd werken

brengen op bijvoorbeeld kwaliteit, betaalbaarheid, toegankelijkheid en inhoudelijke, kwantitatieve en financiële effecten. We hebben de randvoorwaarden voor de uitvoering in sociaal domein goed georganiseerd: § Duidelijke verordening; § Effectieve interventies;

Goede randvoorwaarden

§ Duidelijke leercyclus; § Regionale inkoop § Gestandaardiseerde inkoop, kwaliteit en administratie; § Financiële stabiliteit.

Voor het uitvoeren van het programma Transformatie sociaal domein is geld nodig. Dit geld zien we als een investering: gedurende drie jaar investeren we in de transformatie. Na die drie jaar moeten de investeringen worden opgevangen binnen de structurele zorgkosten. De investering schatten we op € 0,5 miljoen per jaar. Voor 2026 en 2027 gebruiken we hiervoor de middelen die in de Voorjaarsnota van het kabinet zijn toegezegd. Voor 2028 wordt dekking gezocht in de reserves. Dit houdt ook in dat het structurele budget voor preventieve maatregelen binnen het sociaal domein, zoals opgenomen in de huidige begroting, komt te vervallen.

Investeringen Een belangrijk thema binnen onze gemeentelijke financiën is de omvang en timing van investeringen. Net als veel andere gemeenten in Nederland ziet Maasdriel zich geconfronteerd met een zogenoemde boeggolf aan investeringen. Dit verschijnsel – ook benoemd in onder andere de begrotingsanalyse van JE Consultancy – houdt in dat investeringen vaak niet in hetzelfde jaar worden afgerond als waarin het krediet is toegekend. Het gevolg is dat niet-benutte kredieten worden doorgeschoven naar het volgende jaar, waar ze worden opgeteld bij nieuwe kredieten.

Kadernota 2026-2029 - 17

Bij de kadernota 2025 (juni 2024) hebben we een lijst gedeeld met lopende en toekomstige projecten. In totaal ging het om € 112 miljoen aan projecten, die was onderverdeeld in € 49 miljoen aan wettelijke investeringen, € 31 miljoen aan structurele taken (intern beleid) en € 32 miljoen aan lokale ambities. Het ging om de volgende projecten:

Project

Bedrag x € 1 Krediet mln toegekend?

Structureel in de begroting? Nee, niet voor deze post. Wel wordt er onder het kopje “toekomstige

Nieuw wegenbeheerplan

€ 12,00 Nee

kredieten beheerplannen” jaarlijks € 1,8 miljoen krediet toegevoegd voor wegen. Voor de Zuidelijke Ontsluitingsroute is structureel € 500.000 per jaar

Zuidelijke ontsluitingsroute

€ 25,00 Nee

opgenomen, wat wordt gestort in de reserve. Hieruit worden de lopende projectenkosten betaald. Per 31 december 2024 is de stand van de reserve € 0.

Maatschappelijk cluster De Woerd

Er zijn geen structurele middelen begroot. Voor maatschappelijk cluster € 24,20 Nee

De Woerd is in de begroting 2025 eenmalig € 2.500.000 opgenomen in een nieuwe bestemmingsreserve.

Toekomstige kredieten beheerplannen (verlichting, riolering,

Ja, de structurele lasten zijn geraamd. Het krediet wat jaarlijks wordt € 18,60 Nee

wegen, onderwijs,

toegevoegd is gemiddeld € 6,2 miljoen en past binnen de reële uitvoeringskracht.

gebouwen) Incidentele en projectbudgetten Toegekende investeringskredieten Totaal per 1-1-2024

Dit betreft incidenteel geld, dit heeft geen structureel effect op de € 5,40 Ja

begroting. Bij de jaarstukken 2024 zijn 2 bijlagen toegevoegd met budgetoverhevelingen en projectbudgetten.

€ 26,90 Ja

Ja, de lasten voor deze kredieten zijn begroot. Hieronder is dit verder toegelicht.

€ 112,30

Toegekende investeringskredieten Uit de jaarstukken 2024 blijkt dat we voor ruim € 21 miljoen aan restantkredieten meenemen naar 2025. Dit bedrag wordt aangevuld met € 6 miljoen aan nieuwe kredieten uit de begroting 2025. Daarmee komt het totaal beschikbare investeringsbudget voor 2025 op ruim € 27 miljoen. Op basis van de realisaties van de afgelopen jaren verwachten we hiervan circa € 7,5 miljoen daadwerkelijk uit te geven. Aan de financieringskant houden we hier in onze begroting al rekening mee: de rentelasten worden geraamd op basis van de verwachte werkelijke uitgaven en niet op het totaal aan toegekende kredieten. Voor afschrijvingskosten geldt echter een andere systematiek. Conform het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) zijn wij verplicht de afschrijving te ramen zodra het krediet formeel is toegekend, ongeacht het moment van feitelijke besteding. Dit leidt tot een verschil tussen begroting en realisatie en vraagt blijvend aandacht in onze financiële sturing. Als we de kredieten nader bekijken dan zien we de volgende onderwerpen terugkomen:

Kadernota 2026-2029 - 18

Onderwerp

Beschikbaar krediet 1-1-2025 x € 1 mln

Wegen en Verkeer en vervoer

13

Water- en Rioleringsplan 2022-2026

9,2

Gebouwenbeheerplan

1,6

Zandmeren fase 2

1,4

Voorbereidingskredieten

0,9

Openbare verlichting

0,5

IHP Onderwijs

0,4

Speelvoorzieningen

0,1

Overig

0,3

Totaal

27,4

Voor bijna alle onderwerpen die hierboven worden benoemd geldt dat deze voortkomen (of moeten komen) uit vastgestelde beheerplannen. De kredieten waar dit niet het geval is zijn het krediet voor Zandmeren fase 2 en de voorbereidingskredieten (voor bijvoorbeeld De Woerd en de Poort van Maasdriel).

Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan en Wegenbeheerplan Veruit het grootste bedrag aan kredieten komt voort uit het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan (GVVP) en het wegenbeheerplan (WBP). Beide plannen zijn niet meer actueel en staan al enkele jaren op de planning om te worden geactualiseerd. Sinds het WBP is afgelopen, voegen we jaarlijks een bedrag van € 1,8 miljoen aan krediet toe onder de noemer “wegbeheer structureel”. Dit krediet is niet verdeeld naar concrete projecten, dit gebeurt later pas als duidelijk wordt welke projecten worden uitgevoerd. Dit gebeurt momenteel via het afdelingsplan. Gevolg hiervan is dat de kredieten worden aangewend voor projecten die niet voortkomen uit een actueel beheerplan en/of de programmabegroting. In de P&C-cyclus zijn deze projecten als zodanig niet (volledig) zichtbaar, aangezien deze onderdeel blijven van de overkoepelende kredieten. Dit komt het overzicht en inzicht in de projecten en kredieten niet ten goede. Voor het GVVP geldt dat in 2019 kredieten beschikbaar zijn gesteld voor gebieden en niet voor afzonderlijke projecten. In de afgelopen jaren zijn verschillende projecten uitgevoerd en afgerond, maar zijn er ook nog projecten die nog op de planning staan of waarvan nog middelen zijn gereserveerd. We zien voor bijna € 6 miljoen aan ruimte binnen deze kredieten.

Hieronder vallen ook projecten die ambtelijk zijn aangewezen, maar waar nog geen bestuurlijk besluit voor is genomen.

Water- en rioleringsplan In 2022 is het Water en rioleringsplan (WRP) vastgesteld. In het kostendekkingsplan is aangegeven welke investeringen er gedurende de looptijd nodig zijn:

Kadernota 2026-2029 - 19

Bedragen x € 1 mln Jaar

Bedrag

Besteed

Beschikbaar

2022

4,1

2,5

1,6

2023

2,8

0,7

2,1

2024

2,9

0,6

2,3

2025

2,9

Waterbergingsopgave

2,9

0,3

0,3

13

3,8

9,2

Voor de waterbergingsopgave geldt dat hier specifieke afspraken onder liggen met het Waterschap en/of de Provincie Gelderland. Voor de overige investeringen geldt dat er jaarlijks een nieuw bedrag aan krediet beschikbaar wordt gesteld, waar vervolgens projecten aan worden gekoppeld. We zien aan de bestedingen dat we minder uitgeven dan het krediet wat voor dat jaar beschikbaar wordt gesteld. Als we daar bovenop nog kredieten meenemen uit voorgaande jaren dan wordt de boeggolf op dit onderdeel alleen maar groter. We verlagen de kredieten tot het niveau wat voor 2025 beschikbaar is gesteld (plus de waterbergingsopgave). Daarnaast nemen we geen restantkredieten meer mee naar het volgende jaar.

Samenvattend De inzichten op bovenstaande onderwerpen leveren het volgende beeld op:

Onderwerp

Beschikbaar krediet Verlaging 1-1-2025 x € 1 mln

Beschikbaar

Wegen en Verkeer en vervoer

13

-5,8

7,2

Water- en Rioleringsplan 2022-2026

9,2

-6

3,2

Gebouwenbeheerplan

1,6

1,6

Zandmeren fase 2

1,4

1,4

Voorbereidingskredieten

0,9

0,9

Openbare verlichting

0,5

0,5

IHP Onderwijs

0,4

0,4

Speelvoorzieningen

0,1

0,1

Overig

0,3

0,3

Totaal

27,4

11,8

15,6

Bovenstaande verlaging van de kredieten en de verwachte fasering in de tijd leidt tot een voordeel op de kapitaallasten van circa € 500.000 in 2026 en € 250.000 vanaf 2027. Hoewel we er naar streven om zo realistisch mogelijk te begroten, is het beschikbare krediet nog steeds groter dan wat we verwachten uit te geven. Dit kunnen we niet helemaal voorkomen en zal bij investeringen altijd in enige mate het geval zijn. Om te voorkomen dat de boeggolf groter wordt, scherpen we de financiële kaders aan. We werken deze kaders nog verder uit, maar denken aan de volgende punten: • Voorafgaand aan de begroting stelt het college het uitvoeringsprogramma voor het komende jaar vast, met daarbij de planning en investeringsbedragen. • Dit uitvoeringsprogramma is gebaseerd op door de raad vastgesteld beheerplannen.

Kadernota 2026-2029 - 20

• Het uitvoeringsprogramma wordt vertaald in de begroting, waarbij projecten herkenbaar en navolgbaar worden weergegeven. • Kredieten die niet voortkomen uit een beheerplan worden apart toegelicht in het uitvoeringsprogramma en de begroting. • We verstrekken kredieten op projectniveau. Dat betekent dat werkzaamheden voor wegen, groen en riolering binnen hetzelfde project vallen. • We sluiten kredieten af in het jaar van afronding. We zien afronding daarbij als het moment waarop we de openbare ruimte in gebruik nemen. Een restantkrediet vervalt daarbij. • Kredieten worden gefaseerd opgenomen, waarbij we onderscheid maken tussen voorbereiding, uitvoering en afronding.

Beheer openbare ruimte De openbare ruimte is de huiskamer van onze inwoners en ondernemers en visitekaartje voor bezoekers. De ruimte waarin we wonen, werken en recreëren draagt bij aan de vitaliteit, gezondheid en veiligheid van onze inwoners en ondernemers. Goed onderhoud van openbaar groen, wegen en riolering helpt om fijn te kunnen wonen en leven.

Openbaar groen Op basis van inspectie wordt het groen en bomen op basisniveau beheerd en onderhouden. Het doel is waarborgen van veiligheid, het behoud van functionele kwaliteit en het ondersteunen van een groene, leefbare omgeving. Het doel is om veiligheid, functionaliteit én kostenbeheersing optimaal in balans te brengen. In de huidige begroting zijn geen middelen opgenomen om groenvakken en bomen te revitaliseren die aan het einde van hun levensduur zijn gekomen. Hierdoor kunnen we het openbaar groen onvoldoende in stand houden. In het hoofdstuk “Noodzakelijke en gewenste uitbreidingen” zijn hiervoor middelen opgenomen. We werken in 2025 toe naar een beleidsarme bouwsteen en programma Natuur, biodiversiteit en groen. Deze bouwsteen wordt onderdeel van de Omgevingsvisie Maasdriel.

Wegen Het huidige wegenbeheerplan is in 2017 vastgesteld. De afgelopen periode is veel tijd en energie geïnvesteerd in het op orde brengen van het areaal en de data. Inmiddels wordt gewerkt aan een nieuw beheerplan. In 2025 wordt er een Beleidsplan Wegen Maasdriel (BWM) vastgesteld en bouwsteen en programma Verkeer en vervoer vastgesteld. Deze bouwsteen wordt onderdeel van de Omgevingsvisie Maasdriel.

Riolering Het huidige Water- en rioleringsplan (WRP) loopt van 2022 tot 2026. We zien dat de voorgenomen investeringen in het Kostendekkingsplan de afgelopen periode beperkt tot uitvoering zijn gekomen. In 2026 werken we toe naar een nieuw WRP 2026-2030. Ombuigingsmogelijkheden

Onderzoek recreatieplassen

Kadernota 2026-2029 - 21

Binnen het grondgebied liggen 3 recreatieplassen, de zandmeren in Kerkdriel, De Soepkom In Hedel en Strandbad Well in Well. Deze plassen met rondom liggende openbare ruimte zijn in beheer en onderhoud van de gemeente. In een nog nader uit te voeren onderzoek wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn om kosten te besparen door het onderhoudsniveau te verlagen of in beheer en onderhoud te geven bij een (commerciële) exploitant en/of om inkomsten te verhogen.

Omvormen groenvakken Groen is een essentieel onderdeel van de openbare ruimte. In het kader van bezuinigingen is het mogelijk om groenvakken met hoge onderhoudskosten om te buigen naar een ander type groenvak met lage onderhoudskosten. Voor de lange termijn heeft het omvormen heeft een positief effect op de benodigde middelen voor het dagelijks onderhoud. Daarnaast heeft het een negatief effect op hittestress, biodiversiteit, leefbaarheid en verkeersveiligheid. Voor het omvormen zijn incidentele middelen benodigd.

Onderwijshuisvesting De zorg voor onderwijshuisvesting in het basis- en voorgezet onderwijs is een verantwoordelijkheid van gemeenten (sinds de decentralisatie in 1997) en schoolbesturen. Gemeenten moeten voorzien in huisvesting, schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de instandhouding ervan. Beide ontvangen van rijkswege financiële middelen om deze taken uit te voeren: voor de gemeenten in hun uitkering uit het Gemeentefonds en voor de schoolbesturen in hun reguliere bekostiging. Deze middelen zijn niet geoormerkt. Begin 2025 is het wetsvoorstel Planmatige en doelmatige aanpak onderwijshuisvesting voor behandeling naar de Tweede Kamer gestuurd. Hierin worden een aantal veranderingen voorgesteld: • IHP wordt wettelijk verankerd als verantwoordelijkheid van de gemeente. Het moet een overzicht geven van de staat van álle schoolgebouwen en de geraamde investeringsbedragen voor een periode van vier jaar, plus een doorkijk van de 12 jaar erna. • Schoolbesturen delen hun MJOP met de gemeente ten behoeve van het IHP. • Renovatie wordt een voorziening waar de gemeente primair verantwoordelijk voor is en wordt gedefinieerd als volwaardig alternatief voor nieuwbouw. • Het investeringsverbod primair onderwijs komt te vervallen. Primair onderwijs mag voortaan investeren vanuit een overschot in de exploitatie, conform hoe dit in het voortgezet onderwijs geregeld is.

In 2022 hebben we een Integraal Huisvestingsplan (IHP) Onderwijs vastgesteld. In de eerste 4 jaar waren geen investeringsbedragen geraamd. In de begroting 2025 zijn daarom ook geen budgetten opgenomen. Het IHP wordt eens in de 4 jaar geactualiseerd aan de hand van leerlingenprognoses, woningbouw, beleidsontwikkelingen, functionaliteit en bouwkundige staat van de schoolgebouwen. In 2026 vindt de actualisatie plaats.

Kostendekkendheid leges Ons beleidsuitgangspunt is kostendekkendheid van de leges, waarbij we alle toerekenbare kosten doorberekenen. Hiertoe behoren bijvoorbeeld ook de kosten voor overhead en de toerekenbare BTW. Op deze manier betaalt de aanvrager alle kosten die samenhangen met de dienstverlening, en komen deze kosten niet ten laste van onze algemene middelen. Wij hanteren hierbij het principe ‘de vervuiler betaalt’. Uitgangspunt is dat leges zoveel mogelijk op zichzelf kostendekkend moeten zijn.

Kadernota 2026-2029 - 22

In de begroting 2025 is de kostendekkendheid van de legesverordening 72,9%. De totale kosten zijn € 2,2 miljoen en de opbrengsten € 1,6 miljoen. Dat betekent dat er mogelijk € 0,6 miljoen ruimte is om de opbrengsten te verhogen om op 100% kostendekkendheid uit te komen. Hiervan heeft € 0,2 miljoen betrekking op hoofdstuk 1 Algemene dienstverlening en € 0,4 miljoen op de hoofdstuk 2 Fysieke leefomgeving/omgevingsvergunningen. Ten aanzien van hoofdstuk 1gelden voor de meeste leges maximale rijkstarieven. Die tarieven hanteren we ook voor de legesverordening. Binnen dit hoofdstuk is geen noemenswaardige ruimte om de inkomsten te verhogen. Voor hoofdstuk 2 is die ruimte er in principe wel. Om beter inzicht te krijgen in de kostendekkendheid hebben we per legescategorie van hoofdstuk 2 uitgerekend wat de verwachte kosten en opbrengsten zijn. Die analyse bevestigt het beeld dat de leges van omgevingsvergunningen op dit moment niet kostendekkend zijn. Daarnaast zien we dat er sprake is van kruissubsidiëring binnen hoofdstuk 2: op de vele kleine aanvragen lijden we verlies, op de enkele grote aanvragen verdienen we dat terug. Daarmee zijn we afhankelijk van de enkele grote aanvragen en heeft “eentje missen” of “eentje extra” een financieel groot effect. Dat houdt ook in dat we de kostendekkendheid over een langere periode moeten beschouwen en dat het jaarlijks kan verschillen.

Het ene jaar niet volledig kostendekkend en het andere jaar juist meer dan kostendekkend. Uitgaande van het streven naar volledige kostendekkendheid hanteren we de volgende lijn voor de begroting 2026: 1. Voor 2026 ramen we de legesopbrengsten op basis van lopende en komende projecten, waarvan we verwachten dat die tot een legesopbrengst leiden in dat begrotingsjaar. 2. We begroten baten en lasten op basis van 100% kostendekkendheid, dat houdt in dat we toerekenbare kosten en legesopbrengsten op hetzelfde bedrag begroten. 3. We verhogen de legestarieven voor 2026 zodanig dat we op 100% kostendekkendheid uitkomen.

Gemeenschappelijke regelingen In de zienswijzen op de kadernota’s van de gemeenschappelijke regelingen hebben de Rivierenlandgemeenten opgenomen dat die een lagere gemeentelijke bijdrage zou moeten bevatten. Lager dan de bijdrage voor 2026 na indexering zou zijn. Uit de begrotingen 2026 blijkt dat de gemeenschappelijke regelingen hieraan deels tegemoet zijn gekomen. Deze analyse volgt bij de raadsinformatiebrief over de meicirculaire en de bestuursrapportage.

Kadernota 2026-2029 - 23

Noodzakelijke of onvermijdbare activiteiten De activiteiten die we als noodzakelijk of onvermijdbaar zien komen voort uit eerdere besluitvorming en/of bestaand beleid.

Investeringen Bedrijfsvoeringseenheid Bommelerwaard (BVEB) Voor de BVEB is incidenteel geld nodig voor een aantal noodzakelijke investeringen. Het gaat om de vervanging van de firewall, vervanging van de noodstroomvoorziening en over een tool om data van uitgefaseerde applicaties te beheren. In totaal gaat het om € 75.000 wat voor rekening van Maasdriel komt.

Bakenbomen langs de Maas De bakenbomen langs de Maas zijn meer dan 100 jaar geleden door de rivierbeheerder aangeplant als baken voor de scheepvaart. De bakenbomen zijn sinds die tijd ook een waardevol en historisch element dat hoort bij de beleving van de Maas. Dit is ook zo benoemd in het Masterplan Maas. De bomen zijn sinds enige tijd aan het einde van hun levensduur gekomen en als er niets gebeurt zullen de resterende bomen ook langzaam verdwijnen. De provincie Brabant heeft het initiatief genomen om dit landschappelijke element terug te laten komen. Dit wordt in regioverband gedaan omdat het een lint van bomen gaat dat loopt van Limburg (Gennep) tot aan Geertruidenberg aan beide zijden van de Maas. Rijkswaterstaat betaalt de helft. De provincies en gemeenten ieder een kwart. Voor Maasdriel gaat het om een eenmalige bijdrage van € 135.000. Hierin is ook een instandhoudingsbijdrage begrepen voor het beheer en onderhoud van de bomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15648146/1